|
391 PANORAMA
toongespreid. „Wat ziet u er goed uit! Dat is mij eens een
aangename verrassing. Mag ik u even voorstellen : dit is
mevrouw Blenkhom, een buur van ons.”
„Aangenaam kennis te maken,” zei oom Sam met een
onverschillig gezicht, waarop van het genoegen dezer
kennismaking niets te bespeuren was. „Zeg, waar is George?
Ik moet hem dadelijk hebben.”
„Mijnheer Stirk is erg gezocht,” merkte mevrouw Blenkhom
op. „Ik kom ook al naar hem vragen om een partijtje
te domineeren met mijn zieken man. Jammer dat mijnheer
zelf met zware hoofdpijn te bed ligt.”
„Hoofdpijn ? Ik zal hem wel genezen,” antwoordde oom
Sam, „niets beter voor hoofdpijn dan versche lucht. Ik ben
voornemens morgen in de Litteraire Debatingclub een lezing
te houden met lichtbeelden over de zonnevlekken. De lantaarn
is reeds gebracht en nu wil ik vanavond het toestel eens
probeeren. Misschien lees ik dan tevens een gedeelte van
mijn artikel voor om te hooren, hoe mijn stem in de zaal
klinkt. Dat is dan bovendien een goede remedievoor George’s
hoofdpijn.”
Zeker, als slaap een middel is tegen hoofdpijn, dan zou
Oom Sams lezing als een onfeilbaar slaapmiddel ten minste
nog eenig nut hebben gesticht.
„Ik ben bang, dat hij er niet toe in staat zal zijn, oom,”
zei mevrouw Stirk. „Het is jammer want hij zal zeer teleurgesteld
zijn.”
„Nonsens,” zei oom Sam, op het knopje van de kamerschel
drukkende, om de dienstmaagd te bellen.
„Hier jij,” zei hij tegen de binnentredende Jane, „ga
naar boven naar mijnheer Stirk en zeg hem dat ik hem dadelijk
spreken moet. Ik zal zijn hoofdpijn wel genezen.”
„Een akelige kwaal, hoofdpijn,” merkte mevrouw Blenkhom
lief op. „Ik lijd er ook erg aan.”
„Nooit van mijn leven last van gehad,” barstte oom Sam
los. „Ze wordt altijd veroorzaakt door te veel eten, te veel
drinken of door beide.”
Voordat mevrouw Blenkhom den tijd had zichzelve
af te vragen tot welke categorie : de veei-eters of de veeldrinkers,
of de veel-eters èn veel-drinkers zij behoorde te
worden gerangschikt, trad de dienstmaagd weer binnen.
„Mijnheer Stirk is niet boven, mijnheer I”
Op hetzelfde oogenblik zag het meisje van onder het tafelkleed
een voet te voorschijn komen en nu wist ze opeens
waar mijnheer Stirk was.
„Heb je hem uit zien gaan ?” vroeg oom Sam.
„Nee, mijnheer,” antwoordde het hitje.
„Weet je waar hij is ?” ging de ondervrager voort.
Het meisje lachte schaapachtig. Toen mevrouw Stirks
verschrikt gezicht ziende, zei ze:
„Nee, mijnheer ik ... ik denk ’t niet l Ik... ik weet
zeker dat ik ’t niet weet!”
„Snij uit 1” kommandeerde oom Sam.
Hij sloot zelf de deur achter haar en vervolgde : „Ik herken
altijd een leugenaar als ik er een zie. Die meid is er een !
Zag je hoe ze kleurde en aarzelde ? Het zou me niets verwonderen
als George met haar in de keuken was. Ze ziet er
niet kwaad uit I”
„Foei, oom,” protesteerde mevrouw. „George zou nooit
aan zoo iets denken.” — „Zoo, zou hij niet?”
„Hm !” zei mevrouw Blenkhom, „mijn man is volkomen
ter goeder trouw ; toch heb ik nooit knappe dienstboden
willen hebben.”
„Ha, uw man is zeker evenals u, hij houdt niet van
een knap gezicht,” merkte oom Sam onbeschaamd op,
terwijl hij mevrouw Blenkhorn’s vrouwelijk schoon met
critischen blik monsterde. •
Oom Sam trad weer op de tafel toe, doch juist toen hij
deze bereikt had, stiet hij een minder betamelijke, maar
niettemin welgemeende verwensching uit. Hij was met
zijn hand op de punt van een brandende sigaar terecht
gekomen.
„O zoo t” riep hij uit. „Dat is ’t, is ’t niet ? Terwijl je
man boven ligt met hoofdpijn of in de keuken met de meid
vrijt, neem jij de gelegenheid waar om een sigaar te rooken.”
„Oom!” riep mevrouw verschrikt en verontwaardigd
uit. „Hoe kunt u zoo iets afschuwelijks zeggen ? Ik heb
nog nooit tabak in welken vorm ook aangeraakt.”
„Dan is ’t van u,
is ’t niet ?” ging de
onverstoorbare oom
Sam voort. „Nou, ’k
spreek maar ronduit,
hoor 1 Drinken en
tabak rooken — geen
wonder dat je last
van hoofdpijn hebt.
EÊN PAKHUIS INGESTORT.
Waarschijnlijk door te zware belasting stortte een pakhuis aan
de Coolvest te Rotterdam in. De werklieden konden zich nog
bijtijds redden, behalve twee, die onder het puin bedolven
werden en erstig gekwetst er onder van daan gehaald werden.
Er wordt beweerd dat de zenuwlijdersgestichten vol
vrouwelijke patiënten zijn. Maar ik sta hier te kletsen
en ik moet naar de Debatingclub. Waar is George? Hij
moet te voorschijn komen om me te helpen. Ik zal die
sliert nog even bellen en haar zeggen dat ze haar meester
dadelijk hier stuurt. Jij kunt ze later wel onderhanden
nemen, Saartje 1”
Juist toen oom Sam naar de electrische bel liep, klonk
buiten het gesnor van een auto, die voor het huis stil hield.
Een oogenblik later ging de huisbel.
„Dokter Tonks met zijn vrouw,” dacht de arme Sara
in wanhoop. „Hoe red ik mij uit die ellende ?”
„Wat is dat ?” riep oom Sam uit. „Nog meer bezoekers!
Mij dunkt, dat je aan die één hier al meer dan genoeg hebt!”
• ♦ *
#
En nu is de tijd aangebroken dat de held van het verhaal
optreedt. De kater, die huisde in een der lokalen aan het
electrisch centraalstation, werd wakker, geeuwde, streek
met welgevallen zijn snorrebaard op en ontdekte toen de
tegenwoordigheid van een muisje aan de andere zijde van
de zaal. Ongelukkig voor zichzelven nam de kater zijn
sprong, dwars over de dynamo te kort, — er was opeens een
reuk van brandend haar, kortsluiting en het volgende
oogenblik was de halve stad in het duister.
We moeten de geachte lezers onze verontschuldigingen
aanbieden, dat we den held van ons verhaal dadelijk na
zijn optreden laten sterven. Het is niet artistiek, maar —
het was ons niet mogelijk hem aan het slot der historie
te laten trouwen.
De plotselinge weldadige duisternis bracht licht in het
van wanhoop vervulde brein van den heer Stirk. Hij kreeg
een idee ! Op handen en voeten kroop hij voorzichtig onder
de tafel vandaan en bereikte juist de kamerdeur toen deze
door Jane geopend werd met de mededeeling:
„De heer en mevrouw Tonks zijn er en ’t licht is uit. Zal
ik een paar kaarsen aansteken ?”
Het volgende oogenblik klonk er een plof: het was de
heer Tonks die voorover de kamer intuimelde.
„Wat is er nou aan de hand?” riep oom Sam.
„Niets, heelemaal niets,” antwoordde de ongelukkige
dokter zoo opgeruimd mogelijk, terwijl hij opkrabbelde.
„Een hond liep er tusschen mijn beenen door en daardoor
viel ik voorover/’
De dienstbode kwam met een paar kandelaars binnen.
„Ik wist niet dat u een hond had,” ging dokter Tonks
voort, terwijl hij probeerde een balein van zijn in den val
PANORAMA
verongelukte paraplu uit zijn jaspand te verwijderen. „O,
neen, mevrouw, ik heb mij in ’t geheel niet bezeerd. Alleen
de hand een weinig geschaafd.”
„Zeg, Saar, heb jij een hond?” begon nu oom Sam.
„Ja,” antwoordde mevrouw Stirk de wanhoop nabij.
„Een doeshond!”
„O, ik meende in het donker ook wat te hooren. Ik dacht
eerst dat je vriendin hier een• appelflauwte kreeg.”
„Ik verlaat dadelijk dit huis, mevrouw Stirk,” siste
mevrouw Blenkhom. „Na de beleedigingen, die deze
man mij heeft aangedaan en na hetgeen mij omtrent uw
man’s — hm ! — gedrag gebleken is, zult u wel begrijpen,
dat ik er geen voet meer inzet. Houd u evenwel overtuigd
van mijn deelneming in uw huiselijk leed I”
„Goeien avond I” zei oom Sam. „’t Wordt tijd dat je
weggaat 1”
Juist toen mevrouw Blenkhom statig de kamer uitzeilde,
kwam de heer Stirk, die zijn woning door de keuken verlaten
had, door de voordeur weer binnen.
„Ah,” zei hij luid. „Goeden avond, rhevrouw Blenkhom.
Heeft u mijn vrouw een bezoek gebracht ? Daar heeft u goed
aan gedaan ! Het spijt me dat ik u gemist heb, maar ik had
zoo’n vreeselijke hoofdpijn, dat ik even naar den apotheker
geloopen ben om een poeder te halen. En nou is het over,
heelemaal over. En ... wat! Oom Sam, u hier ? Dat doet me
genoegen, en mijnheer en mevrouw Tonks ! Het spijt me wanhopig,
dat ik u heb laten wachten ! Wat een vervelende geschiedenis
met dat electrisch licht, hè ! Zeker ergens kortsluiting
! Wel, oom, blijft u een partijtje meespelen ?”
„Neen, dank-je, George,” antwoordde oom Sam. „Ik had
je noodig voor een lezing met lichtbeelden, die ik morgen
houden moet in de Debatingclub. Ik wilde je vragen
de lantaarn voor me te bedienen. Maar nu het electrisch
licht hapert, gaat het van avond niet om te repeteeren.
Morgenavond kom ik je evenwel om zes uur halen, we zullen
dan eerst repeteeren en dan ben jij de eenige sterveling in
het land die tweemaal op een avond mijn lezing hoort. Amuseer
je intusschen vanavond 1 Ik ga heen 1 Goeien avond,
samen 1”
„Een zeer rijke en zonderlinge erfoom van mijn man,”
legde mevrouw Stirk fluisterend aan haar gasten üit, terwijl
haar man oom Sam uitgeleide deed. „Hij had het dadelijk
niet begrepen op mevrouw Blenkhom. Hoewel wat
excentriek is oom een uitstekend menschenkenner. Hij las
haar dadelijk als in de ziel.”
Gedurende eenige uren speelden de heer en mevrouw Stirk
bij het licht van een paar kaarsen „bridge” met hun gasten.
Toen herinnerde zich de dokter, die gaarne nog even in de
sociëteit aanliep vooi naar huis te gaan, dat hij nog noodzakelijk
een paar zieken moest bezoeken en nam afscheid.
Toen de auto van den dokter wegsnorde, keerde mevrouw
Stirk zich tot haar man en zei:
„O, George, wat een avond was dit 1 Is mijn haar niet
grijs geworden ? Als het electrisch licht niet was uitgegaan,
had ik geen raad geweten,”
„Voorzienigheid,” verklaarde mijnheer Stirk plechtig.
„Ik noem het de tusschenkomst der Voorzienigheid !”
Maar de werkelijke naam van den kater was: „Zwartje.”
1—jet schijnt wel, dat over een paar eeuwen vrouwen met
1 1 een baard geen uitzondering, maar regel zullen zijik
Bij onderzoek is althans gebleken, dat ongeveer 10 pCt.
der vrouwen een begin van een knevel tusschen neus en
lippen met zich omdragen. Daarenboven nemen deze kiemen
van knevels in aantal en omvang toe, wat misschien juist
een blijk van vooruitgang is; immers, rekening houdend
met Voltaire’s woord: Du coté de la barbe est la toutepuissance,
leiden deze, in schijn onbeduidende, kleine
snorretjes in snorrende snelheid naar den triomf van het
feminisme. Allemaal goed en wel, maar wat moet men
denken van Alexander Dumas* treffende bewering, dat
Onze Lieve Heer alleen daarom den vrouwen geen baard
of knevel heeft toebedeeld,
omdat ze
toch niet in staat
zouden zijn stil te
zitten en te zwijgen,
terwijl ze geschoren
zouden worden ....
DE 12-UUR RIT „OLYMPIA".
Door bijna 300 deelnemers werd Zondag 13 Juni een 12uur-rijwieltocht gehouden. Door 312 deelnemers werd ingeschreven, waarvan er 293 aan den tocht deelnamen. Begunstigd door uitstekend weer,
dat op den dag wel iets te warm was, werd om 6 uur te Amsterdam onder veel belangstelling uit sportieve kringen gestart. Om 6 uur ’s avonds kwamen 131 deelnemers aan zonder strafpunten, en 73 met
strafpunten. De eenige dame die aan den tocht deelnam, kwam zonder strafpunten aan. Wij geven hierboven links den start te Amsterdam, midden de groep van de deelnemers en rechts het
binnenkomen der deelnemers te Leiden.
Vrouwen met een baard
|