Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1661 tot 1665 van 11897
Nummer
1915, nr.49, 17 juni. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 390 KERKBRAND TE DRIEL. Waarschijnlijk door het zware onweder dat verleden week boven de Betuwe woedde, is er brand ontstaan in het oude kerkje te Driel, dat bijna geheel uitbrandde. Deze kerk was een der oudste uit de Betuwe en dateert uit het begin der XlVe eeuw. f OU D-STEDEN SCHOON. Gezicht vanaf de Zuiderzee-sluizen op den Dromedaris te Enkhuizen, waarvan de herstelling spoedig gereed zal zijn. De toren is een van de bezienswaardigheden van het typische stadje, dat in het reisseizoen door vele vreemdelingen wordt bezocht. In de sluis ziet men een terugkeerend ansjovisvaartuig. ’N BENAUWD HALF UURTJE NAAR HET ENGELSCH DOOR RADCLIFFE MARTIN. kater stond op, gaapte, streek met een poot zijn knevel op, rekte zich uit en ..... maar we loopen de gebeurtenissen vooruit. Voordat ik den held dezer geschiedenis bij de lezers inleid, is het noodig dat ze kennis maken met de ondergeschikte personen van dit blij-eindend drama. We laten dus den kater nog. even sluimeren en begeven ons naar de Arbutus Road in Brixton. De heer Stirk zat in een gemakkelijk hoekje van de huiskamer en las de krant. Hij las zachtjes voor zich, maar als hij een bericht zag van „een man in een vat kokende olie gevallen” of „een chauffeur overreden door zijn eigen auto”, dan las hij dat luid voor aan mevrouw Stirk en liet hieraan dan onveranderd voorafgaan: „ik kan me niet begrijpen hoe de menschen zoo stom kunnen wezen om zoo iets te doen.” Mevrouw Stirk was als gewoonlijk druk bezig aan het breien of aan het haken of borduren van een tafelkleedje. Had de heer Stirk evenveel tafels bezeten als het SavoyHotel, dan zou er voor iedere tafel een tafelkleedje geweest zijn en er misschien nog eenige zijn overgebleven. Mevrouw maakte er altijd een voor mijnheers verjaardag, voor Kerstmisgeschenk of voor de jaarlijksche herdenking van hun trouwdag. „George,” zei mevrouw Stirk, „weet je, dat dokter Ponks met zijn vrouw vanavond komen om te kaarten ?” „Ja, lieve,” zei mijnheer, die nog van niets anders gehoord had in die week en verrast was over de wijze waarop zijn vrouw op dit bezoek als op een bijzonderheid wist te zinspelen. „Zeg, man, denk er om dat je niet die ouwe geschiedenis oprakelt van dien dokter en de begrafenisondernemer. Ik heb er zelf nooit de aardigheid van ingezien en het zou tegenover hem al van een totaal gebrek aan goeden smaak getuigen.” „Ja, lieve I” „En dan moet je ook niet telkens fluiten als je op je kaarten kijkt. Denk er om, dokter Ponks is een intelligent en practisch man en zoo iets vulgairs moet hem onaangenaam zijn.” „Ja, lieve l” bromde mijnheer weer. „En denk er toch vooral om, George, dat je niet over je rheumatiek spreekt voor hij je er naar vraagt. Hij mocht eens denken dat je een gratis advies van hem zoudt willen hebben.” Mijnheer Stirk zuchtte zwaar en wachtte stilzwijgend op nog meer terechtwijzingen. Daar klonk het getingel van de electrische bel. MAATSCHAPPIJ VAN NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE. Te Leiden heeft de Maatschappij van Nederl. Letterkunde op 9 Juni haar jaarvergadering gehouden. Wij geven hierboven een foto van de leden. De heer Stirk vouwde zijn krant op en lei ze op tafel. „Neem op je krant,” beval mevrouw, „en rook je sigaar en zet niet zoo’n gelegenheidsgezicht. Laat de menschen toch niet denken dat het iets bijzonders is, als we bezoek ontvangen.” Mijnheer nam zijn krant weer op, hield ze geheel opengevouwen voor zijn gezicht en deed zijn best zoo natuurlijk en onbevangen mogelijk te kijken. De dienstbode opende de voordeur en een stem klonk J. G. HEINEMAN. Dr. VAN OPPEN. A. STENGER. De heer J. G. HEINEMAN, mede-directeur van het Nederlandsch Veem. die een dezer dagen te Amsterdam is overleden. — Dr. VAN OPPEN, oud-Rector van het Gymnasium te Maastricht, wien onlangs op de meest eervolle wijze als zoodanig ontslag werd verleend. Dr. van Oppen was een man van groote wetenschappelijke ontwikkeling en stond bekend als een uitstekend paedagoog. — De heer A. STENGER, agent der Rijksverzekeringbank, die een dezer dagen op 43-jarigen leeftijd te Amsterdam is overleden. De heer Stenger was een hoogstaand mensch en stond bekend als een uitstekend ambtenaar. door de gang: „Zijn mijnheer en mevrouw Stirk thuis ?” „O, daar heb je dat vervelende wezen, mevrouw Blenkhorn,” siste mevrouw Stirk. „Ze komt zeker vragen of jij komt domineeren met haar man, die niet uit kan. Ik hoop maar dat Jane tact genoeg heeft om te zeggen dat we niet thuis zijn I” Maar onderwijl hoorde ze de tactlooze Jane zeggen : „Ja, mevrouw! Wilt u binnenkomen? Zal ik uw paraplu aannemen, mevrouw ?” „Onder de tafel, George,” fluisterde mevrouw Stirk. „Als ik haar zeg dat we menschen wachten, dan raken we haar niet kwijt.” Gehoorzaam als een hond kruipt mijnheer onder de tafel, waar hij door het lange overhangende tafelkleed voor alle onbescheiden blikken verborgen is. „Wel hoe maak je ’t, lieve ?” klinkt het poeslief van mevrouw Blenkhorns lippen, terwijl ze de kamer binnentreedt. „Ach, dat is allerliefst van je,” antwoordt schijnheilig mevrouw Stirk, terwijl ze opstaat, om haar buurvriendin te verwelkomen. „O, ik ga niet zitten,” zegt mevrouw Blenkhom, terwijl ze te gelijkertijd in een gemakkelijken leunstoel neerzijgt. „Ik kom eens vragen of mijnheer Stirk wat wil komen domineeren met John.” „Och, wat spijt me dat 1” komt honingzoet van de lippen der huisvrouw. „Mijn man is weer niets in orde. Hij ligt met vreeselijke hoofdpijn te bed.” „Je mag toch wet oppassen, lieve mevrouw, met die voortdurende hoofdpijnen,” merkte mevrouw Blenkhom op. „Ik wil je niet bang maken, maar altijd hoofdpijn is een bewijs dat er ergens in de hersenen geronnen bloed zit. Hij kan ieder oogenblik heengaan !” Mijnheer Stirk onder de tafel merkte bij zich zelven op, dat het voornaamste op dit oogenblik was, niet of hij, maar of zij gauw heenging. „Er is geen enkele reden om bezorgd te zijn,” antwoordde mevrouw Stirk. „Dat zei mijn arme schoonzuster ook, en waar is haar arme man nu ? Hij ligt daar waar geen sterveling hem meer zien kan.” Mijnheer Stirk vroeg zichzelven af of die mijnheer in kwestie soms ook onder de tafel zat. — „En ben je nu zoo alleen, lieve ?” ging mevrouw Blenkhom voort. „Wel, ik zal een oogenblik blijven, om je wat op te monteren. „Néén, ik mag je niet van je man afhouden,” protesteerde mevrouw Stirk op beminnelijken toon. „Ik weet hoe hij zijn lieve verpleegster zal missen.” „U houdt me in ’t geheel niet op,” was het antwoord. „Ik vertelde John, dat ik even zou blijven praten. Men wil er wel eens even uit, als men den geheelen dag een zieke heeft nageloopen.” „’t Is heel erg vriendelijk van u,” hernam mevrouw Stirk op zuurzoeten toon, „maar ik vrees dat ik u dan alleen moet laten. Ik moet noodzakelijk naar boven om koudwater-compressen op George’s hoofd te leggen.” Daar klonk de bel weer. „Dat zijn bepaald de dokter en zijn vrouw,” dacht mevrouw Stirk. „Wat moet ik doen ? Dat creatuur schijnt het er op gezet te hebben om me tot vertwijfeling te brengen’ ’. Ze hoorde een luide stem in de gang. „Zoo, Jane, waar is mijnheer? In de huiskamer, hè? Laat me in ’t vervolg niet meer zoo lang wachten, hoor! Mijn tijd iskostbaar. ’ ’ Het volgende oogenblik werd de kamerdeur opengesmeten: het was oom Sam, een oude en rijke vrijgezel, wiens wil wet was in het huis van de Stirks, alles natuurlijk ter wille van de erfenis, waarop zij hoopten. „Hallo,Saarl” riep oom Sam, aldus aan mevrouw Blenkhom het afschuwelijk feit ontdekkende, dat ze Sara gedoopt was en niet Sallie, zooals ze voorgaf. „Wel, oom!” zei mevrouw Stirk, met die innemende maniertjes, die altijd tegenover rijke erfooms ' worden ten-
PDF
Nummer
1915, nr.49, 17 juni. 1915
Blad
07
Tekst
391 PANORAMA toongespreid. „Wat ziet u er goed uit! Dat is mij eens een aangename verrassing. Mag ik u even voorstellen : dit is mevrouw Blenkhom, een buur van ons.” „Aangenaam kennis te maken,” zei oom Sam met een onverschillig gezicht, waarop van het genoegen dezer kennismaking niets te bespeuren was. „Zeg, waar is George? Ik moet hem dadelijk hebben.” „Mijnheer Stirk is erg gezocht,” merkte mevrouw Blenkhom op. „Ik kom ook al naar hem vragen om een partijtje te domineeren met mijn zieken man. Jammer dat mijnheer zelf met zware hoofdpijn te bed ligt.” „Hoofdpijn ? Ik zal hem wel genezen,” antwoordde oom Sam, „niets beter voor hoofdpijn dan versche lucht. Ik ben voornemens morgen in de Litteraire Debatingclub een lezing te houden met lichtbeelden over de zonnevlekken. De lantaarn is reeds gebracht en nu wil ik vanavond het toestel eens probeeren. Misschien lees ik dan tevens een gedeelte van mijn artikel voor om te hooren, hoe mijn stem in de zaal klinkt. Dat is dan bovendien een goede remedievoor George’s hoofdpijn.” Zeker, als slaap een middel is tegen hoofdpijn, dan zou Oom Sams lezing als een onfeilbaar slaapmiddel ten minste nog eenig nut hebben gesticht. „Ik ben bang, dat hij er niet toe in staat zal zijn, oom,” zei mevrouw Stirk. „Het is jammer want hij zal zeer teleurgesteld zijn.” „Nonsens,” zei oom Sam, op het knopje van de kamerschel drukkende, om de dienstmaagd te bellen. „Hier jij,” zei hij tegen de binnentredende Jane, „ga naar boven naar mijnheer Stirk en zeg hem dat ik hem dadelijk spreken moet. Ik zal zijn hoofdpijn wel genezen.” „Een akelige kwaal, hoofdpijn,” merkte mevrouw Blenkhom lief op. „Ik lijd er ook erg aan.” „Nooit van mijn leven last van gehad,” barstte oom Sam los. „Ze wordt altijd veroorzaakt door te veel eten, te veel drinken of door beide.” Voordat mevrouw Blenkhom den tijd had zichzelve af te vragen tot welke categorie : de veei-eters of de veeldrinkers, of de veel-eters èn veel-drinkers zij behoorde te worden gerangschikt, trad de dienstmaagd weer binnen. „Mijnheer Stirk is niet boven, mijnheer I” Op hetzelfde oogenblik zag het meisje van onder het tafelkleed een voet te voorschijn komen en nu wist ze opeens waar mijnheer Stirk was. „Heb je hem uit zien gaan ?” vroeg oom Sam. „Nee, mijnheer,” antwoordde het hitje. „Weet je waar hij is ?” ging de ondervrager voort. Het meisje lachte schaapachtig. Toen mevrouw Stirks verschrikt gezicht ziende, zei ze: „Nee, mijnheer ik ... ik denk ’t niet l Ik... ik weet zeker dat ik ’t niet weet!” „Snij uit 1” kommandeerde oom Sam. Hij sloot zelf de deur achter haar en vervolgde : „Ik herken altijd een leugenaar als ik er een zie. Die meid is er een ! Zag je hoe ze kleurde en aarzelde ? Het zou me niets verwonderen als George met haar in de keuken was. Ze ziet er niet kwaad uit I” „Foei, oom,” protesteerde mevrouw. „George zou nooit aan zoo iets denken.” — „Zoo, zou hij niet?” „Hm !” zei mevrouw Blenkhom, „mijn man is volkomen ter goeder trouw ; toch heb ik nooit knappe dienstboden willen hebben.” „Ha, uw man is zeker evenals u, hij houdt niet van een knap gezicht,” merkte oom Sam onbeschaamd op, terwijl hij mevrouw Blenkhorn’s vrouwelijk schoon met critischen blik monsterde. • Oom Sam trad weer op de tafel toe, doch juist toen hij deze bereikt had, stiet hij een minder betamelijke, maar niettemin welgemeende verwensching uit. Hij was met zijn hand op de punt van een brandende sigaar terecht gekomen. „O zoo t” riep hij uit. „Dat is ’t, is ’t niet ? Terwijl je man boven ligt met hoofdpijn of in de keuken met de meid vrijt, neem jij de gelegenheid waar om een sigaar te rooken.” „Oom!” riep mevrouw verschrikt en verontwaardigd uit. „Hoe kunt u zoo iets afschuwelijks zeggen ? Ik heb nog nooit tabak in welken vorm ook aangeraakt.” „Dan is ’t van u, is ’t niet ?” ging de onverstoorbare oom Sam voort. „Nou, ’k spreek maar ronduit, hoor 1 Drinken en tabak rooken — geen wonder dat je last van hoofdpijn hebt. EÊN PAKHUIS INGESTORT. Waarschijnlijk door te zware belasting stortte een pakhuis aan de Coolvest te Rotterdam in. De werklieden konden zich nog bijtijds redden, behalve twee, die onder het puin bedolven werden en erstig gekwetst er onder van daan gehaald werden. Er wordt beweerd dat de zenuwlijdersgestichten vol vrouwelijke patiënten zijn. Maar ik sta hier te kletsen en ik moet naar de Debatingclub. Waar is George? Hij moet te voorschijn komen om me te helpen. Ik zal die sliert nog even bellen en haar zeggen dat ze haar meester dadelijk hier stuurt. Jij kunt ze later wel onderhanden nemen, Saartje 1” Juist toen oom Sam naar de electrische bel liep, klonk buiten het gesnor van een auto, die voor het huis stil hield. Een oogenblik later ging de huisbel. „Dokter Tonks met zijn vrouw,” dacht de arme Sara in wanhoop. „Hoe red ik mij uit die ellende ?” „Wat is dat ?” riep oom Sam uit. „Nog meer bezoekers! Mij dunkt, dat je aan die één hier al meer dan genoeg hebt!” • ♦ * # En nu is de tijd aangebroken dat de held van het verhaal optreedt. De kater, die huisde in een der lokalen aan het electrisch centraalstation, werd wakker, geeuwde, streek met welgevallen zijn snorrebaard op en ontdekte toen de tegenwoordigheid van een muisje aan de andere zijde van de zaal. Ongelukkig voor zichzelven nam de kater zijn sprong, dwars over de dynamo te kort, — er was opeens een reuk van brandend haar, kortsluiting en het volgende oogenblik was de halve stad in het duister. We moeten de geachte lezers onze verontschuldigingen aanbieden, dat we den held van ons verhaal dadelijk na zijn optreden laten sterven. Het is niet artistiek, maar — het was ons niet mogelijk hem aan het slot der historie te laten trouwen. De plotselinge weldadige duisternis bracht licht in het van wanhoop vervulde brein van den heer Stirk. Hij kreeg een idee ! Op handen en voeten kroop hij voorzichtig onder de tafel vandaan en bereikte juist de kamerdeur toen deze door Jane geopend werd met de mededeeling: „De heer en mevrouw Tonks zijn er en ’t licht is uit. Zal ik een paar kaarsen aansteken ?” Het volgende oogenblik klonk er een plof: het was de heer Tonks die voorover de kamer intuimelde. „Wat is er nou aan de hand?” riep oom Sam. „Niets, heelemaal niets,” antwoordde de ongelukkige dokter zoo opgeruimd mogelijk, terwijl hij opkrabbelde. „Een hond liep er tusschen mijn beenen door en daardoor viel ik voorover/’ De dienstbode kwam met een paar kandelaars binnen. „Ik wist niet dat u een hond had,” ging dokter Tonks voort, terwijl hij probeerde een balein van zijn in den val PANORAMA verongelukte paraplu uit zijn jaspand te verwijderen. „O, neen, mevrouw, ik heb mij in ’t geheel niet bezeerd. Alleen de hand een weinig geschaafd.” „Zeg, Saar, heb jij een hond?” begon nu oom Sam. „Ja,” antwoordde mevrouw Stirk de wanhoop nabij. „Een doeshond!” „O, ik meende in het donker ook wat te hooren. Ik dacht eerst dat je vriendin hier een• appelflauwte kreeg.” „Ik verlaat dadelijk dit huis, mevrouw Stirk,” siste mevrouw Blenkhom. „Na de beleedigingen, die deze man mij heeft aangedaan en na hetgeen mij omtrent uw man’s — hm ! — gedrag gebleken is, zult u wel begrijpen, dat ik er geen voet meer inzet. Houd u evenwel overtuigd van mijn deelneming in uw huiselijk leed I” „Goeien avond I” zei oom Sam. „’t Wordt tijd dat je weggaat 1” Juist toen mevrouw Blenkhom statig de kamer uitzeilde, kwam de heer Stirk, die zijn woning door de keuken verlaten had, door de voordeur weer binnen. „Ah,” zei hij luid. „Goeden avond, rhevrouw Blenkhom. Heeft u mijn vrouw een bezoek gebracht ? Daar heeft u goed aan gedaan ! Het spijt me dat ik u gemist heb, maar ik had zoo’n vreeselijke hoofdpijn, dat ik even naar den apotheker geloopen ben om een poeder te halen. En nou is het over, heelemaal over. En ... wat! Oom Sam, u hier ? Dat doet me genoegen, en mijnheer en mevrouw Tonks ! Het spijt me wanhopig, dat ik u heb laten wachten ! Wat een vervelende geschiedenis met dat electrisch licht, hè ! Zeker ergens kortsluiting ! Wel, oom, blijft u een partijtje meespelen ?” „Neen, dank-je, George,” antwoordde oom Sam. „Ik had je noodig voor een lezing met lichtbeelden, die ik morgen houden moet in de Debatingclub. Ik wilde je vragen de lantaarn voor me te bedienen. Maar nu het electrisch licht hapert, gaat het van avond niet om te repeteeren. Morgenavond kom ik je evenwel om zes uur halen, we zullen dan eerst repeteeren en dan ben jij de eenige sterveling in het land die tweemaal op een avond mijn lezing hoort. Amuseer je intusschen vanavond 1 Ik ga heen 1 Goeien avond, samen 1” „Een zeer rijke en zonderlinge erfoom van mijn man,” legde mevrouw Stirk fluisterend aan haar gasten üit, terwijl haar man oom Sam uitgeleide deed. „Hij had het dadelijk niet begrepen op mevrouw Blenkhom. Hoewel wat excentriek is oom een uitstekend menschenkenner. Hij las haar dadelijk als in de ziel.” Gedurende eenige uren speelden de heer en mevrouw Stirk bij het licht van een paar kaarsen „bridge” met hun gasten. Toen herinnerde zich de dokter, die gaarne nog even in de sociëteit aanliep vooi naar huis te gaan, dat hij nog noodzakelijk een paar zieken moest bezoeken en nam afscheid. Toen de auto van den dokter wegsnorde, keerde mevrouw Stirk zich tot haar man en zei: „O, George, wat een avond was dit 1 Is mijn haar niet grijs geworden ? Als het electrisch licht niet was uitgegaan, had ik geen raad geweten,” „Voorzienigheid,” verklaarde mijnheer Stirk plechtig. „Ik noem het de tusschenkomst der Voorzienigheid !” Maar de werkelijke naam van den kater was: „Zwartje.” 1—jet schijnt wel, dat over een paar eeuwen vrouwen met 1 1 een baard geen uitzondering, maar regel zullen zijik Bij onderzoek is althans gebleken, dat ongeveer 10 pCt. der vrouwen een begin van een knevel tusschen neus en lippen met zich omdragen. Daarenboven nemen deze kiemen van knevels in aantal en omvang toe, wat misschien juist een blijk van vooruitgang is; immers, rekening houdend met Voltaire’s woord: Du coté de la barbe est la toutepuissance, leiden deze, in schijn onbeduidende, kleine snorretjes in snorrende snelheid naar den triomf van het feminisme. Allemaal goed en wel, maar wat moet men denken van Alexander Dumas* treffende bewering, dat Onze Lieve Heer alleen daarom den vrouwen geen baard of knevel heeft toebedeeld, omdat ze toch niet in staat zouden zijn stil te zitten en te zwijgen, terwijl ze geschoren zouden worden .... DE 12-UUR RIT „OLYMPIA". Door bijna 300 deelnemers werd Zondag 13 Juni een 12uur-rijwieltocht gehouden. Door 312 deelnemers werd ingeschreven, waarvan er 293 aan den tocht deelnamen. Begunstigd door uitstekend weer, dat op den dag wel iets te warm was, werd om 6 uur te Amsterdam onder veel belangstelling uit sportieve kringen gestart. Om 6 uur ’s avonds kwamen 131 deelnemers aan zonder strafpunten, en 73 met strafpunten. De eenige dame die aan den tocht deelnam, kwam zonder strafpunten aan. Wij geven hierboven links den start te Amsterdam, midden de groep van de deelnemers en rechts het binnenkomen der deelnemers te Leiden. Vrouwen met een baard
PDF
Nummer
1915, nr.49, 17 juni. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 392 OUDÉ Ten behoeve van het Haarlemsch Steun-comité heeft een commissie van kunstenaars en kunstlievenden in het Frans Hals-museum een prachtcollectie voorwerpen van Kunstnijverheid, miniaturen, oudheden, aardewerk, pastels, enz., bijeengebracht, welke voorwerpen alle eigendom zijn van patricische families uit Haarlem en omstreken. Het bijeengebrachte is werkelijk een KU N ST. keur van het rijkste en mooiste op het gebied van kunst. Geen wonder dan ook dat de tentoonstelling druk wordt bezocht. Wij geven (links) de openingsplechtigheid V. 1. n. r. de Burgemeester van Haarlem, Jhr. van Styrum, Jhr. Roëll en de heer Gratema, directeur van het Frans Hals-museum. Rechts: een kijkje op de tentoonstelling zelve. DE AMATEUR-DETECTIVE DOOR HENKIE stond vanmorgen op de tram en maakte een praatje met den conducteur. We hadden het over een diefstal die dezer dagen had plaats gehad en over de handigheid van een rechercheur, die den dief gepakt en daarmee een flinke belooning verdiend had. ,,Sommige menschen hebben nou altijd geluk,” zei de conducteur op ontevreden toon. „Ze hebben me gisteren mijn geldtaschje afhandig gemaakt; er was gelukkig nog niet zoo heel veel in, maar toch wel zooveel dat ik er een heele week voor werken moet.” „En heb je het geval aangegeven of stel je misschien zelf een onderzoek in ?” „Zelf voor detective spelen? ! Neen, hoor! Dat heb ik eens gedaan, maar nooit weer 1 Daar heb ik leergeld mee betaald.” „Zoo, wat was dat?” vroeg ik nieuwsgierig. „Wel, dat zal ik u vertellen, meneer 1 Ik was toen nog palfrenier bij de familie Evertsen te Bloemendaal. Mijn ouders woonden even buiten het dorp, den kant naar Velsen op, in een klein boerenhuisje, en niet ver van ons stond een eenzame villa, bewoond door een oude dame. „In den winter vertrok mevrouw echter naar Den Haag en werd het huis gesloten. Meermalen had men zich in het dorp er over verwonderd, dat er in de eenzame villa nooit was ingebroken, want er was genoeg te halen. Door die praatjes was ik op de gedachte gekomen, toen er weer een winter aanbrak om voor eigen rekening daar een beetje toezicht te houden. Ik kon het gemakkelijk doen en wie weet als het geluk mij eens meeliep, dan zat er een aardige belooning aan vast. „Ik ging vroeg naar bed, stond tegen twaalf uur op en surveilleerde daar een paar uur in den omtrek. Ik had dit een week of vier volgehouden zonder ooit iets bijzonders op te merken en ,toen, warempel, gebeurde er wat! Juist toen ik mij in het kreupelboschje achter de villa bevond, zag ik een flauw lichtschijnsel vooi een der ramen van de bovenverdieping. „Ha, ha,” dacht ik, „daar zullen we ’t hebben.” Ik klim het hek over en sluip voorzichtig door VAN DE EEUWIGE ZWERVERS. Even buiten Amsterdam heeft zich een troep Zigeuners gelegerd, die natuurlijk veel belangstelling trekken. Wij kiekten bovenstaand meisje, Anine, de schoonste van de familie, met haar zusje, beiden in hun eigenaardige kleederdracht. den tuin tot vlak achter het huis. Ik had mijn oogen goed open, en zie achter een dikken boom den donkeren omtrek van een man. „Dat is een medeplichtige,” denk ik, en : teeds voorzichtig nadersluipende tot vlak achter hem, spring ik op hem toe, pak hem bij den kraag en sis hem in zijn ooren : „in naam der wet, ben je mijn gevangene !”. „Ik ben pootig, al zeg ik ’tzelf, en de kerel dien ik te pakken had was slechts van middelbare grootte en had een langen ulster aan! Hij schrok eerst, doch toen hij mij a£ .zag, lachte hij geringschattend en fluisterde: „Laat me los, kinkel!” „Nee,” antwoordde ik, „er is een dief in dit huis en jij bent zijn maat!” „Ezelsveulen 1” nijdast de kerel tegen me. „Heb je dan geen hersens in je boerenkop? Ik ben een detective! Ik zit hier het zaakje af te loeren. Wie ben jij eigenlijk ?’’ „Ik? O, ik ben e-e-een amateur-detective !” antwoordde ik een beetje bedremmeld. „Zoo !” zei hij. „Dat doet me genoegen ! Jij kunt me helpen. Ik ben den kerel van Amsterdam af gevolgd. Hij is maar alleen, maar ’t is een slimme en gevaarlijke rakker.” „Juist op dat oogenblik werd er een raam opengeschoven. We konden niets zien, maar een oogenblik later hoorden we een gerinkel. Ik kwam haastig toeloopen en zag op het kiezelpad langs het huis een city-bag liggen. Ik tilde de tasch op en bemerkte dat zij erg zwaar was. Aan het handvat zat een touw, waaraan zij naar beneden gelaten was. „Je hebt zijn argwaan opgewekt. Waarom hield je je ook niet stil, stommeling !” bromde de politieman geërgerd. „Loop gauw naar de voordeur en let op dat hij niet ontvlucht. Ik zal hier de wacht houden !” „Ik deed zooals hij gezegd had en rammelde aan de voordeur, maar deze was goed gesloten en de ramen alle van blinden voorzien. Begrijpende dat hij hier niet ontsnappen kon, liep ik naar den linkerkant van de villa, waar de serre was. Daar klauterde ik op, stootte een ruit kapot, kreeg de ventilator open en liet me daardoor naar beneden zakken. Ik had een zaklantaarn bij mij, stak die aan en ging op zoek naar den inbreker. „Ik was met het inwendige van het huis goed bekend en begaf me dan ook dadelijk naar de eerste verdieping en naar de kamer waar de dief het raam geopend had en de tasch had doen zakken. Van den dief was geen spoor te bekennen, maar het raam stond nog open. Ik stak mijn hoofd naar buiten. „Ben je daar?” riep ik naar beneden en een oogenblik later hoorde ik den detective op fluisterenden toon zeggen: „Hij is naar de tweede verdieping. Ik zag daar lichtschijnsel. (Slot volgt). IN HET ZIGEUNERKAMP. Na afloop van hun dagtaak, die bestaat in het musiceeren of hun waren te koop aanbieden langs Amsterdam’s straten, verzamelen zich de leden van de familie in het kamp om hun avondmaal te nuttigen. EEN HULDIGI NG. 12 Juni 1.1. herdacht de heer E. Jelsma te Amsterdam den dag, dat hij voor 25 jaar directeur werd van de Amsterdamsche Ambachtsscholen. Wij geven hierboven een foto van de huldiging van den jubilaris door zijn leerlingen en oud-leerlingen. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.50, 21 juni. 1915
Blad
09
Tekst
No. 50 (5ib) 21 Juni 15>1S. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers ff Q.075 UITGAVE A. W. SUTHDFF’S UffTQEVERS-MAATSCHAPPU, LEIDEN = RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. 1. ]. J. v. d. Sande Bakhuyzen - Drentsch Landschap, Zie het bijschrift op pag. 400, Foto Vinkenbosch en Dewald.
PDF
Nummer
1915, nr.50, 21 juni. 1915
Blad
10
Tekst
PANORAMA 394 'l\ r behoort een groote dosis zedelijke moed en een reusachtig gevoel van plichtsbesef toe, om in deze dagen, waarin zelfs je hemdsmouwen te warm kunnen zijn, over een onderwerp te gaan schrijven, dat onwillekeurig aan warmtebewaring doet denken ,en allerminst aan afkoeling. Maar door dezen menschonteerenden oorlog zijn er al zoo veel offers gevraagd, dat een behoorlijk courantenmensch er zelfs niet Waarom heeft nu de Regeering, te beginnen met 18 Juni, beslag gelegd op alle scheerwol, evenals zij dit zal doen op alle wolvachten, welke ultimo Juli nog in voorraad zijn? Daarvoor zijn twee redenen. De eerste was ongetwijfeld omdat er zekerheid moest zijn, dat de ongeveer zeven fabrieken, welke legerleveranties hebben, waarvoor een anderhalf millioen kilo noodig is, tegen behoorlijken prijs aan de grondstof kunnen komen en ten tweede ook om een kunstmatig opgedreven prijsstijging in wol te voorkomen, welke het algemeen ten nadeele en slechts enkelen speculanten ten goede zou komen. * * * Wij vroegen onzen vriendelijken voorlichter of hij vreesde, dat het gebrek aan wol zich voor de bevolking zeer zou doen gevoelen. voor Een mak schaap, dat zich door een jongen scheren laat. aan durft denken om terug te schrikken zulk een taak. Al wie ons een jaar geleden was komen vertellen, dat in de maand Juni van het jaar 1915 de Nederlandsche Regeering zich had gaan bemoeien metde schapenwereld, metdie goedige beestjes, wier geblaat zoo ergerlijk dom klinkt en wier coteletten zoo buitengemeen smakelijk zijn, och, dien man hadden wij uitgelachen, finaal en zonder voorbehoud. En toch is het zoo geworden. En om goede redenen. * * ♦ Hebt ge u, lezeressen en lezers van Panorama, wel eens een denkbeeld gevormd van de hoeveelheid wol, welke in Nederland verwerkt wordt en noodig is alleen voor eigen gebruik? Natuurlijk niet.... Nu, dan zal ik u ereis een paar cijfers noemen, die mij door een vakman, iemand wiens kennis van zaken boven allen twijfel verheven is, werden medegedeeld. De schapen in ons land, die van hun wolvracht worden ontdaan voordat zij geslacht worden, leveren per jaar een vier en een half millioen kilo wol, z.g. scheerwol. Behalve die, komt er nog een grootè hoeveelheid wol, niet zoo in cijfers te noemen, van de vachten der schapen, welke met hun wol geslacht zijn geworden. En die millioenen kilo’s zijn bij lange na niet genoeg om te voorzien in de wolbehoefte van ons eigen land. Millioenen kilo’s worden bovendien uit Amerika aangevoerd. Er zijn nu reeds in dezen crisistijd een zevental veilingen van La Plata-wol geweest waar veel koopers voor waren en desniettegenstaande heeft de industrie zeer vermoedelijk niet genoeg om aan de aanvragen voor binnenlandsch verbruik te voldoen. En men weet zeker, dat niets daarvan over de grenzen gaat, daar de Regeering van het begin van den oorlog af, eiken uitvoer van wol heeft verboden, zooals dit in bijkans alle andere landen geschiedde. ( De wol, zooals die van het schaap komt. Het sorteeren der wol in de Leidsche Dekenfabriek der fa. J. C. Zaalberg en Zn. Een onwillige baas, die twee „barbiers’’ noodig heeft en een touwtje In dat opzicht was hij niet al te pessimistisch. Ongetwijfeld zullen wolartikelen duurder worden, doch op de meeste wolgoederen zou dit prijsverschil in verhouding tot den verkoopprijs niet al te zeer drukken. Ons interesseerde o.a. wat de confectie, de gemaakte kleeding, welke voor een groot deel der bevolking van belang is, er voor moeilijkheden door zou ondervinden. De mededeelingen daaromtrent waren bevredigend. Natuurlijk dorst de vakman niets positiefs te voorspellen, doch aangezien de afvalwol, welke voor de goedkoopere confectie wordt verwerkt, door de Regeering vrij wordt gelaten en er blijkbaar nog wel voldoende daarvan aanwezig is, kon naar zijn verwachting geen al te hooge stijging te vreezen wezen. * * ♦ Zoo zijn we dus met ons artikel in letterlijken zin onder de wol geraakt. Onze lezers zullen zeker na dit korte wolpraatje met interesse willen kijken naar de plaatjes, welke het wolscheerdersbedrijf in de zoo schapenrijke provincie Drenthe in beeld brengen. Dat alle schapen zulke „schapen’’ zijn, bewijzen onze foto’s niet. Stel je een sterken kerel voor, die, om geschoren te worden, twee man noodig heeft en bovendien moet worden vastgebonden, ’t Is niet om in te denken. Daaitegenover staat, dat de hier geportretteerde lastige klant geen groote eischen omtrent vinaigre of bloc antiseptique stelt. Waardoor een en ander wel weer terecht komt. * * ♦ Laten wij hopen, dat alles wat met dit schapenvraagstuk in betrekking te brengen is, evenzeer weer in het reine komt. Want reinheid en wol moeten toch onafscheidelijk zijn. Zijn ze dat niet, dan kan dat héél lastig wezen. Getuige de ervaringen van de Duitschers en Oostenrijkers in sommige Galicische dorpen! I L. E. KOS. Over de wol
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1661 tot 1665 van 11897