|
PANORAMA 374
DE OORLOGSTOESTAND IN NED.-INOIË.
De internationale toestand heeft het ook voor onze koloniën noodzakelijk gemaakt, dat er op militair gebied buitengewone maatregelen werden genomen, om op alle mogelijke gebeurtenissen
voorbereid te zijn. Wij geven hierboven links: een afdeeling Amboineesche soldaten, die gedurende den rusttijd van een langen marsch, hun middagmaal aan den eetwagen ontvangen. Rechts:
het maken van een kampement voor den nacht.
= ^J||,,ll|l|[|p||l|...il|jj|j||H,,,,H||iHj||H»»ni||iujHM«iMii||Jui|||i»«»MM|iu||||M»..i|||i||i||t....l||||p||U">n^;
HET GEVAL LOOFSMA
JOB STEYNEN
5tTItii111illlllll!i111i>itlliilliliiiimitllliiiliiuitlijm!
zaten tot over hun oóren in de schulden, de
Loofsma.s
Wanneer je dat zoo zegt, dan lijkt dat....
nu ja, niet zoo aangrijpend tot in het apoplectische,
maar je moet je indenken. Dat
„ze zaten” wekt te overijld den indruk van
rust: „ze zitten dan toch nog”, denk je onwillekeurig
bij het lezen, — „hoe dan ook, ze zitten dan nog.” Ja,
maar, als ik ook eens wat zeggen mag (en dat mag ik,)
dat „zitten” is maar bij wijze van spreken, of dan bij wijze
van schrijven; in werkelijkheid zaten ze niet, en als ze
zaten, zaten ze in trances. Verder was het één en al beweging
van den vroegen morgen tot den laten avond, loopen maar,
aldoor maar loopen naar de straatdeur, waarvoor zich
met korte tusschenpoozen, als bij geheime afspraak steeds
maar weer gansche gezelschappen van kerels met onbetaalde
kwitanties verzamelden. Soms was er geen doorkomen
aan, was de toch al niet over-wijde straat zoo goed als
versperd ; dan deden de Loofsma’s niet eens een poging
om de samengeschoolde, dreigende menigte toe te spreken,
bleven ze achter de neergelaten rolgordijnen hun lot afwachten.
De vijanden reageerden op dit doodsche stilzwijgen
op verschillende wijze : de brutaalsten begonnen
op de deur te beuken, maar moesten het met hun vleezen
vuisten tegen de duimshouten paneelen afleggen ; anderen
vloekten, weer anderen riepen hoonende vocatieven naar
het doodstille huis, waar achter de neergelaten gordijnen
de wanhoop hoogtij vierde, „zonder luidruchtig vertoon naar
buiten”, zooals het in Gemengde Berichten wel van jubilea
heet. Enkelen der aanvallers, zeèr enkelen, de meest verbeeldingsvollen,
deinsden af in een vagen angst, dat de
vertwijfeling daarbinnen door zelfmoord was bekroond,
en de heer en mevrouw Loofsma met afgesneden levensdraad
op het karpet van hun huiskamer lagen uitgespreid.
Een failliet was tot nog toe verhoed door .... ja, door
de feitelijke oppassendheid der Loofsma’s, die, hoe weinig
ook, toch altijd dezen en genen eens iets afbetaalden, eens
een rijksdaalder, een gulden, ja zelfs met kwartjes werd
soms den slager, den bakker, den groenteboer de mond
tijdelijk gestopt. Deze afbetalingen geschiedden echter
uiterst langzaam, ze werden vasfcgesteld aan het eind der
maand, wanneer de heer Loofsma zoo iets van een gratificatie
thuisbracht, om het heilige woord salaris niet te
misbruiken. Want de zachtzinnige heer Loofsma was
evenals vrijwel alle zachtzinnige personen, minimumlijder
in den hoogsten graad, en de afbetalingen der vorderingen
mochten nauwelijks genoemd worden, tenzij dan om hun
moreele waarde, daar zij de schuldeischers tenminste van
den goeden wil der Loofsma’s overtuigden. Zoo was tot
nog toe steeds de inbeslagname van een inboedel, of wat
daarvoor door moest gaan, bezworen, en rekenend met
dubbeltjes en centen, samen beramend, kijvend en zich
weer verzoenend, zweefden de brave echtelieden maar
GERRIT GOEDHARD t Prof. Dr. A. E. J.
HOLWERDA
Een dezer dagen overleed te Amsterdam de heer GERRIT GOEDHARD.
De overledene was langen tijd een bekende figuur in de arbeidersbeweging,
vele jaren voorzitter van den timmerliedenbond en bestuurslid van de teekenschool
„Concordia Inter Nos”. — Prof. Dr. A. E. J. HOLWERDA, sinds
29 April 1896 Hoogleeraar in de archeologie, oude geschiedenis en Gr. ouhd. te
Leiden, zal 21 Juli zijn 70sten verjaardag vieren en derhalve zijn ambt aan
het einde van den loopenden cursus neerleggen.
steeds boven den duizelingwekkenden afgrond van een
failliet zonder reddeloos daarin neer te storten.
Zoo,4 en niet anders, stonden de zaken, wanneer er iets
zeer aangrijpends ten huize der geproefde Loofsma’s geschiedde.
Het gebeurde zoo.
Mevrouw zat, als naar gewoonte, wederom in hare loodzware
reken-problemen neergedoken. De stoep was ledig.
De omtrek was veilig als op Zondag.*) Het was het uur
der thuiskomst van den heer des huizes. En werkelijk,
daar wordt de sleutel in het slot gestoken. Een voetstap.
Mevrouw luistert toe, het is haar of er iets vreemds aan
*) De scherpzinnige lezer zal wellicht hebben opgemerkt,
dat des Zondags geene kwitantieloopers met hun weerzinwekkende
zwarte taschjes langs de huizen der ingezetenen
gaan.
dien tred is ; eigenlijk is het geen tred, eerder kon het een
soort van amechtig geschuifel heeten. Ze loopt toe, en ziet
haar echtgenoot naderbij komen, of beter gezegd, ze bespeurt
een doodsbleek, bevend en strompelend individu, hetwelk
ze, geholpen door de ervaring van een twintigtal
echtelijke jaren, na eenigen tijd als haar echtgenoot herkent.
Een wijle gelooft ze aan een smakelooze grap, maar, mijn
hemel, waarom zou de man, die gedurende zijn jeugd, jonkmanschap
en huwelijksstaat hooit ook maar een luttelste
sikkepit van gevoel voor humor aan den dag had gelegd,
daar nu plotseling voor komiekerik gaan spelen. Neen,
het was ernst, diepe ernst.
„Wat scheelt eraan, Adriaan ?” vroeg zij. (De man
heette Adriaan.)
„Als je dat eens wist, Mina . . ..” deed hij met een zwakke
stem. (De vrouw heette Mina).
„Heb je misschien een .... spoorwegongeluk of zoo
gehad?” stamelde de liefhebbende echtgenoote in haar
onevenaarbare verwarring.
„Hihihi,” lachte de gefolterde mijnheer Loofsma, en
dit zoo volkomen ongemotiveerd en onverwacht, dat zijn
echtgenoote plots voor zijn geestesvermogens bevreesd
was, en tegelijkertijd ook voor de hare van den weeromstuit.
Zij waggelde op hare grondvesten, — of zoo men het meer
prozaïsch noemen wil, op hare beenen, — en greep in het
wilde naar steun; het was echter de arme gekwelde man
zelven, dien zij in hare verbouwereerdheid bij den pols
aanklampte, en waar deze van zijn kant ook de hand
naar een steun uitstrekte, was het effect niet onverdienstelijk.
In den wederzijdschen greep steunden zij elkander,
dienden zij elkaar tot tegenwicht, en behoedden elkaar
voor nederzijgen. Na dezen wonderwel gelukten stand (een
mirakel van gymnastische kracht) lieten de echtelieden
elkander los, om evenals twee vermoeide krachtpatsers
tegenover elkaar op stoelen te gaan uitrusten. Het was
tijd, want van hun beenspieren was een uiterste gevergd.
Van hun zenuwgestel trouwens niet minder. Zoo zaten
zij gedurende eenige minuten zwijgend tegenover elkaar.
Maar eensklaps richtte de heer Loofsma zich op, sloeg
zich brutaal op de borst, en zei: „Mina.”
De aangesprokene schrikte zich een aap, zooals men
dat in het dagelijksch leven noemt.
Ze opende van verbazing wagenwijd den mond.
„Mina,” herhaalde mijnheer, en sloeg zich nogmaals
op de borst, „Mina, je ziet hier een rijk man voor je.”
„Hou me vast, riep Mina nu ontzet. Doch haar echtgenoot,
wel verre van aan deze uitnoodiging gevolg te geven,
kon zichzelven nauwelijks meer vasthouden; hij liet zijn
koorts den vrijen teugel, terwijl hij gelijk een Quaker begon
te stamelen. „Een rijk man. Een Cresus. Een Rockefeller.
Een .... een weet ik veel. Een man, in- een woord, die er
DE OPENING VAN DE TRAMLIJN RO E R M O N D-K ESS E N ICH (BELGIË).
Donderdag 3 Juni j.1. had de opening plaats van de tramlijn Roermond-Kessenich (België). Met
ongeveer 200 genoodigden werd van Roermond tot de Belgische grens gereden waar door Zijne
Excellentie den Commissaris der Koningin in Limburg, Jhr. Ruys de Beerenbrouck, Mr. Dr. Vermeulen
als afgevaardigde van den min. van Waterstaat en Jhr. Ed. van Aefferden als lid der
Gedeputeerde Staten redevoeringen werden gehouden. Uit den aard der zaak waren aan de Belgische
grens geen autoriteiten. Links : (foto Weers) De Nederlandsch-Belgische grens. Midden:
(foto Beckers) De groep autoriteiten: 1. Z, Exc. Jhr. Mr. G. Ruys de Beerenbrouck, Comm. der
Koningin in Limburg; 2. Jhr. Mr. Edm. van Aefferden, Pres. Comm. v. d. Midden-Limb. Tramw.
Mij.; 3. Sanders, Burgemeester van Roermond; 4. Van Rijn, Burgemeester van Venlo; 5. Mr.
Dr. G. v. d Meulen, Hoofd der afd. Spoorw. van het min. van Waterstaat. Rechts: (foto Weers)
Zijne Exc. de Commissaris der Koningin begeeft zich naar de Nederlandsch-Belgische grens.
|