|
PANORAMA 368
„Met uw volkomen rechtvaardige en juiste recensie van
dat prulboek „Liefdes-mysterie” in uw blad van heden.
Alle andere couranten, waarin ik gewoon ben te adverteeren,
hebben het ooek opgehemeld. Ze hebben de waarheid niet
durven zeggen uit vrees mij, een van hun beste adverteerders,
te mishagen. Alleen „De Komeet” maakt hierop
een prijzenswaardige uitzondering.”
„Maar mijn waarde heer,” opperde Evertsen verwonderd,
„is het niet een weinig zonderling dat u zoo ongunstig over
een boek spreekt, dat ge zelf uitgeeft.”
De boekhandelaar keek onderzoekend de kamer rond,
alvorens te antwoorden. „Wij kunnen hier toch niet worden
beluisterd, hoop ik ? De muren hebben tegenwoordig ooren,
zooals je weet,” zeide hij. „Welnu, luister, mijnheer Evertsen.
Ik ken u al zoo lang en ik weet, dat wat ik meedeelen zal,
door u niet verder zal worden verteld.”
„Natuurlijk I”
„Nu dan I Gij kunt niet begrijpen dat ik zoo ongunstig
over een boek spreek, dat ik zelf uitgeef. Het zal u echter
duidelijk worden als ik u meedeel, dat ik voor de uitgave
van die mooie „Liefdes-mysterie” betaald word, heel goed
betaald word. Dat is de reden waarom mijn naam verbonden
is aan zulk knoeiwerk 1”
Evertsen wierp een vluchtigen blik op het scherm, waarachter
de schrijfster verborgen zat, het schudde zichtbaar
heen en weer, en hij meende een onderdrukten kreet te hooren.
„Ook mij behaagde het boek niet geheel en al,” zeide hij.
„Dat is warempel geen wonder, zou ik zoo zeggen. En
dan heb je nog niet eens het ergste onder de oogen gehad.
Je hadt het origineele manuscript eens moeten zien. Het
schrift, de stijl, de taal, daar deugde letterlijk niemendal
van. Ik kon het zoo onmogelijk aan den zetter geven en
heb het door den corrector geheel moeten laten herzien.
Toen ik daarna proef stuurde aan den auteur —- een vrouw,
wei te verstaan — was ze woedend over de vele veranderingen.
Ik schreef haar echter dat ik het zoo zou laten drukken
en niet anders, of zij moest zich maar van een anderen uitgever
voorzien. Wat denk je wel dat ik ontvangen heb voor
de uitgave van dit boek vol nonsens?”
„Dat kan ik niet raden.”
Het scherm schudde heviger dan te voren.
„Vijfduizend gulden en al de onkosten van drukken enz.
betaald. Natuurlijk wist ik dat de bladen, waarin ik voortdurend
adverteer, het boek gunstig zouden beoordeelen.
Niettemin geloof ik dat het wel vijfduizend gulden schade
doet aan mijn naam. Ik zou ten minste geen tweede boek
van dezelfde schrijfster willen uitgeven al kreeg ik tienduizend
gulden. Wie het eigenlijk geschreven heeft, weet
ik niet. Ze teekende zichzelf „Een twintigjarige,” maar ik
wil wedden om een tientje dat het de een of andere oude
tang is met meer geld dan hersenen, en .. .
Het scherm viel met een kletterenden smak op den vloer
en de verwonderde uitgever zag een vrouw voor zich kokende
van woede.
„Ik... ik ben de schrijfster van het boek,” schreeuwde zij.
„Dan heeft u het genoegen gehad mijn ongehuichelde
meening daarover te leeren kennen,” antwoordde de boekhandelaar
koel, nam zijn hoed af, boog en verliet met een
„Goedendag” de kamer.
Dr. a. w. van renTERGHEM.
C. D. VAN DE WAAL.
Dr. A. W. VAN RENTERGHEM te Amsterdam hoopt den 9en Juni zijn 7Osten
verjaardag te vieren. In 1866 tot officier van Gezondheid bij de Kon. Marine
aangesteld deed hii na een vijfjarig verblijf in Oost-Indië in 1872 examen voor
medicinae doctor. In 1877 verliet hij met het diploma van arts den Militairen
dienst. In 1887 stichtte hij met Dr. v. Eeden het Instituut Liebeault, de bekende
inrichting ter behandeling van zenuw- en zielszieken. Op den 8sten Juni
hoopt de heer C. D. VAN DE WAAL, Spoorwegambtenaar S.S. te Utrecht
zijn 25-jarige ambtsvervulling te herdenken.
Evertsen keek naar het andere scherm, terwijl de dame
weder plaats nam. Hij zag dat dit ook schudde; hij hoorde
tevens een onderdrukt proesten en benijdde zijn vriend,
die in de gelegenheid was, zij het dan op onderdrukten toon,
zijn lachlust uit te vieren.
„Ik vrees, dat dit onderwerp zeer pijnlijk voor u geweest
is,” zeide hij tot zijn bezoekster. „Maar geloof mij, ik was
onmachtig om hieraan ...”
„Ja, ja! Ik weet het! Ik 2ou niet gaarne de opmerkingen
van dezen zelfzuchtigen schurk hebben gemist. Ik
denk er niet aan u langer lastig te vallen over de recensie
van mijn boek, mijnheer . . . met wien heb ik het genoegen ?
„Mijn naam is Evertsen.”
„Welnu mijnheer Eveitsen, ik heb thans geleerd dat ik
niet schrijven kan, ik denk er dan ook niet meer aan een
poging daartoe aan te wenden. Maar dat moet ik u toch
opmerken en ik hoop dat u het mij niet zult ten kwade
duiden, dat u beter doet het boek van een nieuwen auteur te
lezen, alvorens gij het veroordeelt. Een loffelijke oordeeling,
hoe gematigd dan ook, zal den schrijver aanmoedigen,
terwijl een hardvochtige en algeheele veroordeeling van zijn
werk door een criticus, die zich niet eens de moeite getroost
dat werk te lezen, het leven van menig jeugdigen en armen
schrijver heeft verbitterd, neen, gebroken. Goeden dag !”
Het volgende oogenblik was ze vertrokken en Evertsen
ontving een vriendschappelij ken slag op den schouder.
„Zeg, ouwe jongen ! dat heb je’m goed geleverd ! Dat
kan ik je nooit terugbetalen l”
„Meen je ’t heusch ? Des te beter ! Je kunt ondertusschen
haar laatste woorden in je ooren knoopen. Je had wel wat
genadiger in je critiek mogen zijn 1”
Blanken antwoordde echter, dat Evertsen hierover niet
kon oordeelen, omdat hij het boek niet gelezen had, en dat
hij geschreven had volgens zijn overtuiging.
* *
*
Twee maanden later, eenige dagen voor zijn huwelijk
met Evertsen’s zuster, bracht Blanken zijn tante een bezoek
om haar over zijn plannen voor de toekomst te spreken.
De oude dame zette haar bril op, ging naar haar schrijfbureau
en haaide daaruit een vel papier.
„Leo,” zeide ze, „ik beloofde je bij je huwelijk tienduizend
gulden, maar hier heb je een cheque voor het dubbele
bedrag. Jouw courant beoordeelde mijn boek niet bijzonder
gunstig, maar aangezien ik niet meer schrijf, ver-,
geef ik ’t je en dit is mijn vredesoffer!”
Blanken was in de wolken en bedankte zijn tante hartelijk.
„Maar waarom heeft u besloten om niet meer te schrijven,
tante?” vroeg de huichelaar.
„O, ik heb daarvoor mijn bijzondere redenen. Wij hebben
allen onze geheimen is ’t niet?”
„Dat is zoo !” antwoordde hij met overtuiging, terwijl hij
glimlachte. Hij nam hierop afscheid van zijn tante, vast
besloten „zijn geheim veilig te bewaren.”
Vervolg van pag. 362 ,,Kleine Automobielen".
stel banden wordt gedaan, heel verschillend is. Hierbij
wordt natuurlijk gedacht, dat de eigenaar zelf den
wagen bestuurt en geen chauffeurs in dienst erbij heeft.
Trouwens het idee van ’n kleinen wagen is al niet, dat
daarvoor garage, chauffeur enz. disponibel zij. De kleine
wagen is voor buitenwonenden, om zich dagelijks mee
naar de stad te begeven, of omgekeerd, waar zij hunne
drukke kanxoorbezigheden hebben. Gaan deze menschen
met den trein, dan derven ze de buitenlucht voor ’n flink
deel van den vollen dag. Gebruiken ze daartoe ’n kleinen
wagen, dan genieten ze iederen dag vóór en na het werk
van wat buiten en frissche lucht. Voor hen, die geregeld
de kleinere plaatsen moeten bezoeken, waar niet iedere
sneltrein stopt, is ’n kleine wagen ’n uitkomst, omdat
hij er tweemaal meer mee kan doen dan anders. Wat de
menschen bij het berekenen van treinverbindingen altijd
vergeten is de tijd, dien ze noodig hebben van het station
naar de plaats van hunne bestemming, en de afhankelijkheid
van den treinenloop. Van Amsterdam gaande naar Haarlem,
Leiden en den Haag per kleinen wagen, breng ik in alle
plaatsen m’n noodige zakenbezoek, verwijl onderweg nog
in Lisse of Hillegom, en lunch om 1 uur in den Haag, als
ik om 9 uur uit Amsterdam vertrokken ben. Dat doe je
met géén trein ! Daarbij versuf je in ’n trein en blijft achter
’t stuur je geest frisch als ’n hoen. En dit voorbeeld gaat
voor ’n massa trajecten in ons land op. ’n Ander voorbeeld.
Een mijner kennissen heeft ’n kantoor te Leiden, en ’n
kantoor in den Haag. Vroeger ging hij met den trein, en
kwam dus zelden of nooit buiten. Het was van den trein in
de tram en van de tram in den trein. Nu heeft hij ’n kleinen
wagen; hij vertrekt om 9 uur uit z’n woning bij de Hollandsche
spoor in den Haag en is dan, zonder zich te haasten
om halftien op z’n kantoor in Leiden, dus even snel als
met den trein. Iederen morgen geniet hij zoodoende van
den prachtigen weg door het Haagsche Bosch en langs
de Wassenaarsche buitens en ’s middags tuft hij terug en
geniet er weer van. In den Haag gekomen nemen opnieuw
de bezigheden op z’n kantoor aldaar hem in beslag. Een
phanomobil. Coupé-cabriolet,
druk leven? Zeker, maar hij zegent den kleinen wagen, die
hem nóóit in den steek laat. Gebeurt er ’s morgens eens
wat in den Haag, dan verliest hij géén uur door ’n
kwartier oponthoud, omdat z’n trein weg is. Zijn geval is,
lijkt mij, verre van ’n uitzonderingsgeval!
Ten slotte nog ’n woord over ’n ander soort kleine wagens:
de driewieler. In ons land loopen er twee, de Cyclonette
en de Phanomobil. Beide beginnen zich in veler sympathie
te verheugen. Ook deze zijn met elk soort carosserieën
er op te krijgen. Wat bouw en vorm betreft staan ze buiten
den klein-auto en den cycle-car; ze vormen een geheel apart
type. Ook van deze wagens zijn de bedrijfskosten gering
te noemen. Het voordeel is, dat ze ook met drie en vier
zitplaatsen te krijgen zijn en er niet alleen twoseaters
van gebouwd worden. Dit laatste valt echter buiten het
doel dat wij met dit artikel beoogen. Echter is de gemakkelijke
behandeling voor den leek eveneens van belang.
Een vraag, die men mij ook deed, rest nog te beantwoorden
: die naar het risico van bandenpech.
De meeste hedendaagsche wagentjes hebben afneembare
wielen, waarvan er een als reservewiel bij de uitrusting
van het wagentje behoort. Door het geringe gewicht der
wagentjes en de minder hooge gemiddelde snelheid (die
een maximum van 65 KM. zelden te boven gaat) is bij
niet te wild rijden, de bandenslijtage tot een minimum
gereduceerd. Er zijn voorbeelden dat banden 15.000 KM.
en meer meeliepen. Maar zelfs dit hooge rendement als
uitzondering beschouwend, is ’n band die tusschen de
8.000 a 10.000 KM. meeloopt geen uitzondering meer. Door
afneembare velgen of afneembare wielen is eveneens het
gevaar voor tijdverlies uitgeschakeld. In ongeveer vijf
minuten is zelfs, zonder je handen vuil te maken, het
werk gedaan.
Ik hoop, dat deze simpele uitlegging iets tot de 'Welverdiende
populariteit van den kleinen wagen heeft mogen
bijdragen. Zelfs op onze niet bij uitstek goede wegen
doen ze best hun werk en zullen ze voor menigeen ’n nuttig
en practisch vervoermiddel blijken, de kleine snuiters!
Tom Schilperoort
De visschers, bezig met de vletten in gereedheid te brengen voor de ansjovisvangst. Het doppen der netten, (foto's Reekers).
ZEEBANKET. „En om nu die stip van zegen juist uit te vinden, in den mist, den killen regen, dat is geen kinderwerk”. Wisselvallig bedrijf, de visscherij! Nauwelijks is de haringvangst op de Zuiderzee beëindigd, en klinkt de mare
door ’t land „De eerste ansjovis te Bergen op Zoom binnengebracht'’, of de Zuiderzeevisschers kijken hufltwant
na, om de netten te kunnen schieten, zoodra de zilveren vischjes de „Waschtobbe” (Zuiderzee) gaan intrekken.
Wat een bedrijvigheid geeft de „sjovis” aan de Zuiderzeeplaatsen in de maanden Mei en Juni, vooral, als de vangsten
ruim 'zijn, en de netten, zooals in 1890. bijna bezwijken onder ’t zilver der zee, de kostbare kleine ansjovis. Een
aardig gezicht: de vloot zee te zien kiezen. Statig- langzaam, voortgedreven door een zacht lentekoeltje, drijven
de schuiten Ae^strekdammen uit, om zich, zoodra ze op de wijde watervlakte zijn gekomen, her- en derwaarts te
verspreiden. Om ... als ’t kan, een gelukkig plekje te vinden ... Zóó druk is in de „vette jaren” deze visscherij,
dat op sommige gedeelten der z ■ geen plekje met netten onbezet is. Botters, tjalken, vletten, ja, allerlei soort
vaartuigen nemen bij een goed jaar aan de vangst deel, want dan is er geld te verdienen. Zoo is het wel voorgekomen,
dat vangsten per keer van 50.000 stuks geen zeldzaamheid waren. En als dan de marktprijs f 10. per
duizend is, dan brengt de visscher zoo’n morgen f500 binnen. Leuk gezicht als al die schuiten dan gemeerd
liggen langs de kade, en jong en oud bezig is met „doppen”: de kleine blanke vischjes uit de netten te trekken.
Een geduld-werkje, maar U begrijpt lezer(es) een prachtwerk voor den visscher: het loon voor zijn arbeid! Dan
leeft de visschersbevolking op, als de „sjovis goed is.” Taanders, scheepstimmerlieden, zeilenmakers, nettenhandelaars,...
allen maken goede zaken. Dan heerscht er vroolijkheid in de eenvoudige visschersplaatsen. Dit jaar
zijn tot dusver, jammer genoeg, de vangsten nog zeer onbevredigend, en de prijzen laag. Laten we echter hopen,
dat spoedig de „sjoof” in dichte scholen door de Noordzee-gaten komt binnentrekken, zoodat weldra ruime vangsten
geboekt "kunnen worden door den visschersman, die het wel van noode heeft. D.
NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN.
|