Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1636 tot 1640 van 11897
Nummer
1915, nr.46, 7 juni. 1915
Blad
13
Tekst
365 PANORAMA GEÏLLUSTREERD OORLOGSNIEUWS HET ROODE-KRUIS INTERNATIONAAL.. Een Duitsch soldaat, die door de Belgen gevangen is genomen, heeft een schotwond aan zijn hand en wordt nu door een Belgischen Roode-Kruisdokter verbonden. EEN GEVAARLIJK, MAAR SCHOON WERK. Twee Belgische Roode-Kruisdokters, die uit hun loopgraaf zijn gekropen om een gewonden soldaat hulp te verleenen en hem achter de linie te brengen. Zij durven zich niet oprichten, uit vrees door het vijandelijk lood getroffen te worden. NIEUWE VOORRAAD VERDELGINGSMIDDELEN. Een wagon met benzine bommen, zooals door Engelsche en Fransche vliegeniers gebruikt worden, wordt achter het front gelost. VOOR HET NAGESLACHT VERLOREN. Een bijzonder fraai panorama van de stad Namen, waarop duidelijk uitkomt, dat deze plaats gelukkig weinig schade heeft geleden De ruïne op den voorgrond geeft de plaats aan, waar het schoone, nu helaas verwoeste stadhuis stond. UIT HET ITALIAANSCH E LEGER. Bersaglieri, de Italiaansche keur-infanteristen, in hun nieuwe khaki-uniform DE GOEDE STEMMING. Duitsche soldaten, die na enkele rustdagen achter het front, weder naar de vuurlinie vertrekken in een „plezier-autó.’* EEN WELKOME AFLEIDING. Met gebrekkige hulpmiddelen is er door de Duitsche bezettingstroepen in België een Beiersch volksfeest georganiseerd. Als theater diende een gedeeltelijk verwoest huis’
PDF
Nummer
1915, nr.46, 7 juni. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA 366 TENTOONSTELLING MOOI NEDERLAND. De firma Groote & Co. Kalverstraat Amsterdam, organiseerde een aardige tentoonstelling. Zij bracht verschillende foto’s, die het mooi uit eigen land typeeren, bijeen. Verschillende fotografen en ook het Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer gaven hun medewerking. Bovenstaande foto, „Grachtje in Edam”, werd door de fa. Groote voor het Centraal Bureau vervaardigd. NEDERLANDSCHE INDUSTRIE. Op het terrein van de N.V. Pletterij voorh. L. 1. Enthoven & Go. te Delft is thans opgesteld de 213 meter lange brug, bestemd voor de overbrugging van de Serajoerivier, ten behoeve van den spoorweg Cheribon-Kroja. Het geweldige gevaarte, dat uit drie bogen is samengesteld, weegt 600.000 kilogram. LA CRITIQUE EST FACILE MAAR DE GEVOLGEN... = (HUMORESKE) = et was het slapste uur van den dag op het redaetiebureau van „De Komeet”. De beide redacteuren, de heeren Blanken en Evertsen, doodden den tijd in hun privé-kantoor door zich te hullen in groote rookwolken en over algemeene zaken te praten. Plotseling trad een jongen binnen met een bruin pakje in de hand, dat hij op den lessenaar van den heer Blanken neerlegde. Deze nam het op, bekeek het met onderzoekenden blik, sneed het touw, waarmee het vastgebonden was, door en haalde er een net gebonden boek uit te voorschijn, waaruit een brief op den grond viel. „Groote goedheid, Evertsen, daar is een tweede exemplaar van dat water-en-melk-verhaal „Liefdes-mysterie”, waarvan ik vanmorgen een recensie gegeven heb. En er is een brief bij, van den auteur, naar ik veronderstel.” Hij begon den met zeer kleine letter geschreven brief te lezen, maar plotseling hield hij op, de brief ontviel aan zijn bevende vingers en hij zat zelf onbeweeglijk met starren blik voor 2ich uit te staren. Evertsen zag hem lachend aan en begon een melodie uit een operette te neuriën. Blanken stond eindelijk op en ging zenuwachtig de kamer op en neer loopen. „Wat is er toch gaande ?” vroeg Evertsen. „Ik heb den allerstomsten streek uitgehaald, dien ik doen kon. Ik heb mijn hoofd in een wespennest gestoken en als ik daar zonder letsel uitkom, zal het wonder zijn. Maar hoe kon ik ook weten, dat zij dat geschreven had. En ik heb er niets dan kwaad van gezegd.” „Maar ik bid je, zeg me toch wat je aan de hand hebt,” riep Evertsen verwonderd uit. „Mijn waarde, je weet niet wat een furie zij is, als haar toorn is opgewekt. En nu ik haar in haar eigenliefde zoo gevoelig heb aangetast, zal zij mij zeker niet de beloofde uit. . .” zei de ander, zonder de vraag te beantwoorden. „Zeg, nou vraag ik je voor de derde maal: Wat is er gebeurd ? Kom voor den dag ermee 1” drong Evertsen aan. Blanken ging weer zitten. „Wie zou daaraan nou gedacht hebben,” mompelde hij in zichzelven. Toen vervolgde hij tegen Evertsen: PAARDENMARKT. Dat er in Holland nog geen gebrek aan paarden bestaat, bewees de groote aanvoer op de vrije paardenmarkt, die de vorige week te Leiden gehouden is. OEFENING NEDERLANDSCHE MILITAIREN. Een kiekje, genomen in den omtrek van Monster tijdens de oefeningen van de Nederlandsche militairen. „Wat denk je wel dat het is ?” „Ik geef het op !” „Je herinnert je dat vervelende boek „Liefdes-mysterie”, waar we het daar straks nog over hadden.” „Natuurlijk 1” „Het is geschreven door mijn tante Sara onder een aangenomen naam. De oude heeft mij tien duizend gulden beloofd als huwelijksgift, wanneer ik met je zuster trouw.” Evertsen begon te fluiten. „Gefeliciteerd, ouwe jongen,” zei hij. „Gefeliciteerd ! Waarmee ?” „Dat je je plicht hebt gedaan tegenover onze lezers, liever dan op dat geld te speculeeren.” „Wees nou niet zoo ezelachtig 1 Lees dezen brief eens. Zij schrijft mij dat zij een verrassing voor mij heeft, en dat het mij ongetwijfeld genoegen zal doen, te hooren dat zij ondanks haar leeftijd een boek geschreven heeft. ’ „Genoegen doet je dat wel — ongetwijfeld. Ik vind het een heel lieve verrassing voor je!” Blanken mompelde iets, dat blijkbaar geen zegenwensch inhield. „En wat denk je dat er gebeuren zal als ze van avond mijn artikel in de courant leest. Ze zal haar beurs sluiten en ik kan mijn huwelijk uitstellen.” „Maar hoe weet zij nu dat jij die recensie schreef. Je hebt het toch met „Boekenwurm” onderteekend zooals gewoonlijk ?” „Ja, maar je kent mijn erftante nog niet. Het is reeds voldoende dat zulk een afbrekend artikel verschijnt in een blad, waaraan ik werkzaam ben.” Op dat oogenblik werd het gesprek onderbroken door het plotseling binnentreden van den kantoorjongen. „Mijnheer!” zei de jongen tot Blanken, „daar is een oude dikke dame, die wil een zekeren meneer Boekenwurm spreken. Ik zei haar dat ze bepaald aan een verkeerd kantoor was, want dat een heer van dien naam hier niet bekend was. En toen verlangde ze u te spreken.” „En hoe ziet ze er uit. Heeft ze een rood gelaat en draagt ze een bril?” vroeg Blanken, van zijn stoel opspringende. „Precies meneer 1” zeide de jongen. „Ze ging te keer als een onweersbu en snoof met haar neus in de lucht als een ouwe zeug,” voegde hij ei lachend aan toe. „Dan is er niets meer aan te doen,' zei Blanken, in zijn stoel zinkend. „Zij is het.... mijn tante Sara!” De jongen, die bemerkte dat hij zulke oneerbiedige woorden gesproken had over de t^nte van zijn chef, maakte dat hij weg kwam. „Luister, Evertsen,” zei Blanken, VOOR DE ZIEKEN. Onlangs gaf de mandolineclub „Sempre Meglio” in de gangen van bet Gemeente-Ziekenhuis te ’s-Gravenhage een concert. Voor een héél dankbaar gehoor. Op stoelen, zelfs op ziekenwagentjes, zaten en lagen ze er om heen de patiënten. Wat maar eenigszins kon komen uit kamer of zaal, was naar buiten gekomen, en een groote kring omringde ‘t spelend gezelschap. Ze hadden er eer van ! VOOR HET STEUNCOMITÉ. In Haarlem werd er iederen Zaterdagavond van 15 Aug. 1914 tot 10 April 1915 door een aantal meisjes een collecte gehouden ten bate van het plaatselijke Steun-Comité te Haarlem. Totaal werd een bedrag van f 925.775 opgehaald. Hierboven een groep der meisjes met twee commissieleden.
PDF
Nummer
1915, nr.46, 7 juni. 1915
Blad
15
Tekst
367 PANORAMA RABARBERTEELT. Meer en meer breidt zich vooral op het eiland IJselmonde de rabarberteelt uit. Een rabarberplant bereikt niet zelden een hoogte van 2 Meter en de omtrek van de bladstelen is dikwijls 25 cM. en meer. KONINKLIJK BEZOEK. H.M. de Koningin-Moeder bracht j.I. Dinsdag een bezoek aan de School voor Slechthoorende kinderen te ’s-Gravenhage, waarvan wij onlangs een hoogst interessante serie foto’s hebben gegeven. Hierboven geven wij links: H.M. de Koningin-Moeder bij de school; rechts: een groep van de kinderen, met de onderwijzeressen, den hoofdonderwijzer en de verschillende personen, die H.M. in lichtingen gaven omtrent de leerwijze. toen de jongen weg was, „Ik kan haar onmogelijk ontvangen.” „Welnu, laat zeggen dat je uitgegaan zijt.” „Neen, neen, dat helpt niet! Zij moet door iemand ontvangen worden, of ik krijg mijn 10,000 pop niet en ze schrapt mij zonder vorm van proces voor goed uit haar testament. De zaak is: jij moet haar ontvangen en ... . en zeggen dat jij die recensie geschreven hebt.” „Zeg eens, dat is toch wel |een beetje al te veel gevergd van iemands goedheid,” protesteerde Evertsen, „denk je dat ik hier zal blijven en mij zal blootstellen aan de hatelijkheden van dat vrouwmensch en dat nog al voor iets waar ik part noch deel aan heb ? Bovendien, ouwe jongen, ik heb mijn portie al in ruime mate te pakken : ik heb zoo iets ais een schoonmoeder, zooals je weet!” „Ja, maar, Evertsen, je weet niet wat een creatuur het is!” „Ik verlang er volstrekt niet naar het te weten te komen!” „Maar ik zal niet in staat zijn om Lize te trouwen als je den storm niet weet te bezweren. Kom, help mij ; ik zal achter een van deze schermen gaan staan en je bijspringen, zoo het noodig blijkt.’ MEVROUW VAZ NUNES-SEQUIRA. t „Nou, als je Lize er bijhaalt, dan kan ik niet anders dan toestemmen. Maar ik weet niets omtrent dat prulboek. Enfin laat den jongen ze binnenbrengen. Verberg jij je achter het scherm bij het venster, ik zal haar stoel zóó plaatsen, dat ze met haar rug naar je toe zit. En denk om je belofte, dat je me te hulp snelt, als ik me er niet uit kan redden.” * • * Eenige oogenblikken later kwam een dikke dame het kantoor binnenschommelen. Haar hoogrood gekleurd gelaat glom van opgewondenheid en transpiratie. Zij zeeg hijgend in den stoel neer, dien Evertsen haar aanbood. HULDEBLIJK. Bij monde van den heer Jos. de Klerck, toonkunstenaar uit Antwerpen, werd bovenstaand huldeblijk de vorige week aangeboden aan Jhr. Sandberg, burgemeester van Haarlem. Het bestaat uit een mahoniehouten beeldhouwstuk, vervaardigd door den beeldhouwer Louis Eeckelaers uit Mechelen en is omlijst door een breede, zwarte lijst. „U wenscht mij te spreken, nietwaar ?” „Ja! Zijt gij die heer of liever die schaamtelooze kerel, die in „De komeet” van heden deze leugenachtige, brutale critiek geschreven heeft?” L. J. DUMONT. + Generaal-Majoor W. F. K. BISSCHOFF van HEEMSKERCK. + Mevrouw VAZ-NUNES-SEQUIRA, de overledene directrice van het Portugeesch Isr. Ziekenhuis en OudeVrouwenhuis te Anjsterdam. — In den ouderdom van 63 jaar is te ’s-Gravenhage overleden de gepensionneerd generaal-majoor, oud-inspecteur van het wapen der infanterie van het Nederlandsche leger, de heer W. F. K. BISSCHOFF VAN HEEMSKERCK. De overledene, die langen tijd voorzitter was van den Nederl. Bond voor Lichamelijke opvoeding, was Ridder in de Orde van den Nederl. Leeuw, Officier van de Oranje Nassau-Orde en gerechtigd tot het dragen van het Eereteeken voor belangrijke krijgsverrichtingen. — Op 85-jarigen leeftijd is een dezer dagen te ’s-Gravenhage overleden de heer L. J. DUMONT, gepensionneerd dirigeerend Officier van Gezondheid eerste klas, ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw.. PLECHTIGE INSTALLATIE van den nieuwen brandweer-commandant te Amsterdam, den heer C. Gordijn Jr. „Ik heb ongetwijfeld in de courant van vandaag een artikel geschreven”, antwoordde Gilbert kalm. „Mag ik uw naam weten ?” „Ik schreef onder het pseudoniem van „Een twintigjarige”, antwoordde ze met neergeslagen oogen. „Wat een bedriegerij!” ontsnapte onwillekeurig aan Evertsen’s lippen. „Mijnheer!” „E__ _ dat is__ ik bedoel.., de wijze, de manier waarop ge uw lezers in den waan brengt dat het werk is van een jong meisje, die schrijft wat zij zelf gevoelt. Evenwel, ieder criticus zal toestemmen dat ge volkomen op de hoogte zijt van uw onderwerp.” „En gij hebt mijn boek zoo afsohuwelijk beoordeeld!” „Dat komt, omdat naar mijn meening, de verschillende emoties zeer overdreven zijn.” „Dat verontschuldigt u niet, mijnheer. Ik ben hier gekomen om u te zeggen dat gij een lafaard zijt en ik blijf bij mijn meening. Vindt u soms de handeling van mijn heldin in het laatste hoofdstuk ook overdreven ?” „U bedoelt waar zij trouwt met den held ? Zeker vind ik dat!” „Mijnheer! Je kunt mijn boek niet gelezen hebben, anders zou je weten dat ze juist niet trouwde. Weet je wel eens hoe ze aan haar eind gekomen is?” Evertsen bemerkte, dat hij zich wanhopig vastgepraat had. Hij wist niet wat hij antwoorden moest en keek met een om hulp vragenden blik naar het scherm, waarachter zijn vriend stond. D^ar zag hij het hoofd van Blanken om den hoek van het scherm gluren met een inktpot aan zijn lippen. Hij begreep den wenk en antwoordde: „Zeker weet ik dat. Zij heeft zich doodgedronken.” „O ! maar dat is heiligschennis. Zich dooddrinken . . . vreeselijk, afschuwelijk! Dat deed ze niét, mijnheer! zij vergiftigde zich I” „Ja, natuurlijk! Dat... dat bedoelde ik ook ! Ik herinner mij nu nog ze dronk het een of ander; maar een recensent kan niet alle finesses onthouden, mevrouw... mejuffrouw .... „twintigjarige”. Op dit oogenblik trad het klerkje weer binnen en zei: „Mijnheer, daar is de boekhandelaar Bruinsma, die wenscht u te spreken over een boek, getiteld: „Liefdesmishandeling” of zoo iets!” „Zeg hem dat hij maar moet gaan naar.... neen, zeg hem dat ik hem nu niet kan ontvangen, of hij wellicht wil wachten.” „Pardon,” viel hier de schrijfster hem op fluisterenden toon in de rede „mijnheer Bruinsma is de uitgever van mijn boek. Hij kent mij niet en ik zou graag willen weten wat hij denkt van uw recensie. Als u er niets tegen hebt ? ... Misschien wilt u mij wel vergunnen achter een dezer schermen....” „Laat mijnheer Bruinsma binnenkomen,” zei Evertsen tegen den jongen. Toen zich tot de dame richtende, die reeds op het punt stond zich te verbergen achter het scherm waar Blanken zich bevond, zei hij haastig, terwijl hij zijn hand op haar arm legde : „neen, niet daarheen. Het is daar zoo.... tochtig. Het scherm in den anderen hoek der kamer is beter. Als-u-blieft. En hier is een stoel, zoodat u kunt zitten.” Evertsen keerde naar zijn schrijfbureau terug en zette zich zenuwachtig in zijn stoel neder. Dadelijk daarop trad de boekhandelaar Bruinsma binnen. „Heerlijk weer vandaag, hè!” zei deze, terwijl hij Evertsen als een goeden bekende de hand schudde. Toen voegde hij er plotseling aan toe: „Veroorloof mij u hartelijk geluk te wenschen !” „Waarmee?” vroeg Evertsen verwonderd. HEIJERMANS’ „OP HOOP VAN ZEGEN”. Het Apeldoornsche huldigingscomité heeft den heer Heijermans, ter gelegenheid van de 500e opvoering van „Op Hoop van Zegen”, een door den beeldhouwer P. Puype, in eikenhout gesneden beeld aangeboden, voorstellende: „Kniertje met haar pannetje het kantoor uitstrompelende”. Onze foto geeft den beeldhouwer bezig zijn model in klei te vormen.
PDF
Nummer
1915, nr.46, 7 juni. 1915
Blad
16
Tekst
PANORAMA 368 „Met uw volkomen rechtvaardige en juiste recensie van dat prulboek „Liefdes-mysterie” in uw blad van heden. Alle andere couranten, waarin ik gewoon ben te adverteeren, hebben het ooek opgehemeld. Ze hebben de waarheid niet durven zeggen uit vrees mij, een van hun beste adverteerders, te mishagen. Alleen „De Komeet” maakt hierop een prijzenswaardige uitzondering.” „Maar mijn waarde heer,” opperde Evertsen verwonderd, „is het niet een weinig zonderling dat u zoo ongunstig over een boek spreekt, dat ge zelf uitgeeft.” De boekhandelaar keek onderzoekend de kamer rond, alvorens te antwoorden. „Wij kunnen hier toch niet worden beluisterd, hoop ik ? De muren hebben tegenwoordig ooren, zooals je weet,” zeide hij. „Welnu, luister, mijnheer Evertsen. Ik ken u al zoo lang en ik weet, dat wat ik meedeelen zal, door u niet verder zal worden verteld.” „Natuurlijk I” „Nu dan I Gij kunt niet begrijpen dat ik zoo ongunstig over een boek spreek, dat ik zelf uitgeef. Het zal u echter duidelijk worden als ik u meedeel, dat ik voor de uitgave van die mooie „Liefdes-mysterie” betaald word, heel goed betaald word. Dat is de reden waarom mijn naam verbonden is aan zulk knoeiwerk 1” Evertsen wierp een vluchtigen blik op het scherm, waarachter de schrijfster verborgen zat, het schudde zichtbaar heen en weer, en hij meende een onderdrukten kreet te hooren. „Ook mij behaagde het boek niet geheel en al,” zeide hij. „Dat is warempel geen wonder, zou ik zoo zeggen. En dan heb je nog niet eens het ergste onder de oogen gehad. Je hadt het origineele manuscript eens moeten zien. Het schrift, de stijl, de taal, daar deugde letterlijk niemendal van. Ik kon het zoo onmogelijk aan den zetter geven en heb het door den corrector geheel moeten laten herzien. Toen ik daarna proef stuurde aan den auteur —- een vrouw, wei te verstaan — was ze woedend over de vele veranderingen. Ik schreef haar echter dat ik het zoo zou laten drukken en niet anders, of zij moest zich maar van een anderen uitgever voorzien. Wat denk je wel dat ik ontvangen heb voor de uitgave van dit boek vol nonsens?” „Dat kan ik niet raden.” Het scherm schudde heviger dan te voren. „Vijfduizend gulden en al de onkosten van drukken enz. betaald. Natuurlijk wist ik dat de bladen, waarin ik voortdurend adverteer, het boek gunstig zouden beoordeelen. Niettemin geloof ik dat het wel vijfduizend gulden schade doet aan mijn naam. Ik zou ten minste geen tweede boek van dezelfde schrijfster willen uitgeven al kreeg ik tienduizend gulden. Wie het eigenlijk geschreven heeft, weet ik niet. Ze teekende zichzelf „Een twintigjarige,” maar ik wil wedden om een tientje dat het de een of andere oude tang is met meer geld dan hersenen, en .. . Het scherm viel met een kletterenden smak op den vloer en de verwonderde uitgever zag een vrouw voor zich kokende van woede. „Ik... ik ben de schrijfster van het boek,” schreeuwde zij. „Dan heeft u het genoegen gehad mijn ongehuichelde meening daarover te leeren kennen,” antwoordde de boekhandelaar koel, nam zijn hoed af, boog en verliet met een „Goedendag” de kamer. Dr. a. w. van renTERGHEM. C. D. VAN DE WAAL. Dr. A. W. VAN RENTERGHEM te Amsterdam hoopt den 9en Juni zijn 7Osten verjaardag te vieren. In 1866 tot officier van Gezondheid bij de Kon. Marine aangesteld deed hii na een vijfjarig verblijf in Oost-Indië in 1872 examen voor medicinae doctor. In 1877 verliet hij met het diploma van arts den Militairen dienst. In 1887 stichtte hij met Dr. v. Eeden het Instituut Liebeault, de bekende inrichting ter behandeling van zenuw- en zielszieken. Op den 8sten Juni hoopt de heer C. D. VAN DE WAAL, Spoorwegambtenaar S.S. te Utrecht zijn 25-jarige ambtsvervulling te herdenken. Evertsen keek naar het andere scherm, terwijl de dame weder plaats nam. Hij zag dat dit ook schudde; hij hoorde tevens een onderdrukt proesten en benijdde zijn vriend, die in de gelegenheid was, zij het dan op onderdrukten toon, zijn lachlust uit te vieren. „Ik vrees, dat dit onderwerp zeer pijnlijk voor u geweest is,” zeide hij tot zijn bezoekster. „Maar geloof mij, ik was onmachtig om hieraan ...” „Ja, ja! Ik weet het! Ik 2ou niet gaarne de opmerkingen van dezen zelfzuchtigen schurk hebben gemist. Ik denk er niet aan u langer lastig te vallen over de recensie van mijn boek, mijnheer . . . met wien heb ik het genoegen ? „Mijn naam is Evertsen.” „Welnu mijnheer Eveitsen, ik heb thans geleerd dat ik niet schrijven kan, ik denk er dan ook niet meer aan een poging daartoe aan te wenden. Maar dat moet ik u toch opmerken en ik hoop dat u het mij niet zult ten kwade duiden, dat u beter doet het boek van een nieuwen auteur te lezen, alvorens gij het veroordeelt. Een loffelijke oordeeling, hoe gematigd dan ook, zal den schrijver aanmoedigen, terwijl een hardvochtige en algeheele veroordeeling van zijn werk door een criticus, die zich niet eens de moeite getroost dat werk te lezen, het leven van menig jeugdigen en armen schrijver heeft verbitterd, neen, gebroken. Goeden dag !” Het volgende oogenblik was ze vertrokken en Evertsen ontving een vriendschappelij ken slag op den schouder. „Zeg, ouwe jongen ! dat heb je’m goed geleverd ! Dat kan ik je nooit terugbetalen l” „Meen je ’t heusch ? Des te beter ! Je kunt ondertusschen haar laatste woorden in je ooren knoopen. Je had wel wat genadiger in je critiek mogen zijn 1” Blanken antwoordde echter, dat Evertsen hierover niet kon oordeelen, omdat hij het boek niet gelezen had, en dat hij geschreven had volgens zijn overtuiging. * * * Twee maanden later, eenige dagen voor zijn huwelijk met Evertsen’s zuster, bracht Blanken zijn tante een bezoek om haar over zijn plannen voor de toekomst te spreken. De oude dame zette haar bril op, ging naar haar schrijfbureau en haaide daaruit een vel papier. „Leo,” zeide ze, „ik beloofde je bij je huwelijk tienduizend gulden, maar hier heb je een cheque voor het dubbele bedrag. Jouw courant beoordeelde mijn boek niet bijzonder gunstig, maar aangezien ik niet meer schrijf, ver-, geef ik ’t je en dit is mijn vredesoffer!” Blanken was in de wolken en bedankte zijn tante hartelijk. „Maar waarom heeft u besloten om niet meer te schrijven, tante?” vroeg de huichelaar. „O, ik heb daarvoor mijn bijzondere redenen. Wij hebben allen onze geheimen is ’t niet?” „Dat is zoo !” antwoordde hij met overtuiging, terwijl hij glimlachte. Hij nam hierop afscheid van zijn tante, vast besloten „zijn geheim veilig te bewaren.” Vervolg van pag. 362 ,,Kleine Automobielen". stel banden wordt gedaan, heel verschillend is. Hierbij wordt natuurlijk gedacht, dat de eigenaar zelf den wagen bestuurt en geen chauffeurs in dienst erbij heeft. Trouwens het idee van ’n kleinen wagen is al niet, dat daarvoor garage, chauffeur enz. disponibel zij. De kleine wagen is voor buitenwonenden, om zich dagelijks mee naar de stad te begeven, of omgekeerd, waar zij hunne drukke kanxoorbezigheden hebben. Gaan deze menschen met den trein, dan derven ze de buitenlucht voor ’n flink deel van den vollen dag. Gebruiken ze daartoe ’n kleinen wagen, dan genieten ze iederen dag vóór en na het werk van wat buiten en frissche lucht. Voor hen, die geregeld de kleinere plaatsen moeten bezoeken, waar niet iedere sneltrein stopt, is ’n kleine wagen ’n uitkomst, omdat hij er tweemaal meer mee kan doen dan anders. Wat de menschen bij het berekenen van treinverbindingen altijd vergeten is de tijd, dien ze noodig hebben van het station naar de plaats van hunne bestemming, en de afhankelijkheid van den treinenloop. Van Amsterdam gaande naar Haarlem, Leiden en den Haag per kleinen wagen, breng ik in alle plaatsen m’n noodige zakenbezoek, verwijl onderweg nog in Lisse of Hillegom, en lunch om 1 uur in den Haag, als ik om 9 uur uit Amsterdam vertrokken ben. Dat doe je met géén trein ! Daarbij versuf je in ’n trein en blijft achter ’t stuur je geest frisch als ’n hoen. En dit voorbeeld gaat voor ’n massa trajecten in ons land op. ’n Ander voorbeeld. Een mijner kennissen heeft ’n kantoor te Leiden, en ’n kantoor in den Haag. Vroeger ging hij met den trein, en kwam dus zelden of nooit buiten. Het was van den trein in de tram en van de tram in den trein. Nu heeft hij ’n kleinen wagen; hij vertrekt om 9 uur uit z’n woning bij de Hollandsche spoor in den Haag en is dan, zonder zich te haasten om halftien op z’n kantoor in Leiden, dus even snel als met den trein. Iederen morgen geniet hij zoodoende van den prachtigen weg door het Haagsche Bosch en langs de Wassenaarsche buitens en ’s middags tuft hij terug en geniet er weer van. In den Haag gekomen nemen opnieuw de bezigheden op z’n kantoor aldaar hem in beslag. Een phanomobil. Coupé-cabriolet, druk leven? Zeker, maar hij zegent den kleinen wagen, die hem nóóit in den steek laat. Gebeurt er ’s morgens eens wat in den Haag, dan verliest hij géén uur door ’n kwartier oponthoud, omdat z’n trein weg is. Zijn geval is, lijkt mij, verre van ’n uitzonderingsgeval! Ten slotte nog ’n woord over ’n ander soort kleine wagens: de driewieler. In ons land loopen er twee, de Cyclonette en de Phanomobil. Beide beginnen zich in veler sympathie te verheugen. Ook deze zijn met elk soort carosserieën er op te krijgen. Wat bouw en vorm betreft staan ze buiten den klein-auto en den cycle-car; ze vormen een geheel apart type. Ook van deze wagens zijn de bedrijfskosten gering te noemen. Het voordeel is, dat ze ook met drie en vier zitplaatsen te krijgen zijn en er niet alleen twoseaters van gebouwd worden. Dit laatste valt echter buiten het doel dat wij met dit artikel beoogen. Echter is de gemakkelijke behandeling voor den leek eveneens van belang. Een vraag, die men mij ook deed, rest nog te beantwoorden : die naar het risico van bandenpech. De meeste hedendaagsche wagentjes hebben afneembare wielen, waarvan er een als reservewiel bij de uitrusting van het wagentje behoort. Door het geringe gewicht der wagentjes en de minder hooge gemiddelde snelheid (die een maximum van 65 KM. zelden te boven gaat) is bij niet te wild rijden, de bandenslijtage tot een minimum gereduceerd. Er zijn voorbeelden dat banden 15.000 KM. en meer meeliepen. Maar zelfs dit hooge rendement als uitzondering beschouwend, is ’n band die tusschen de 8.000 a 10.000 KM. meeloopt geen uitzondering meer. Door afneembare velgen of afneembare wielen is eveneens het gevaar voor tijdverlies uitgeschakeld. In ongeveer vijf minuten is zelfs, zonder je handen vuil te maken, het werk gedaan. Ik hoop, dat deze simpele uitlegging iets tot de 'Welverdiende populariteit van den kleinen wagen heeft mogen bijdragen. Zelfs op onze niet bij uitstek goede wegen doen ze best hun werk en zullen ze voor menigeen ’n nuttig en practisch vervoermiddel blijken, de kleine snuiters! Tom Schilperoort De visschers, bezig met de vletten in gereedheid te brengen voor de ansjovisvangst. Het doppen der netten, (foto's Reekers). ZEEBANKET. „En om nu die stip van zegen juist uit te vinden, in den mist, den killen regen, dat is geen kinderwerk”. Wisselvallig bedrijf, de visscherij! Nauwelijks is de haringvangst op de Zuiderzee beëindigd, en klinkt de mare door ’t land „De eerste ansjovis te Bergen op Zoom binnengebracht'’, of de Zuiderzeevisschers kijken hufltwant na, om de netten te kunnen schieten, zoodra de zilveren vischjes de „Waschtobbe” (Zuiderzee) gaan intrekken. Wat een bedrijvigheid geeft de „sjovis” aan de Zuiderzeeplaatsen in de maanden Mei en Juni, vooral, als de vangsten ruim 'zijn, en de netten, zooals in 1890. bijna bezwijken onder ’t zilver der zee, de kostbare kleine ansjovis. Een aardig gezicht: de vloot zee te zien kiezen. Statig- langzaam, voortgedreven door een zacht lentekoeltje, drijven de schuiten Ae^strekdammen uit, om zich, zoodra ze op de wijde watervlakte zijn gekomen, her- en derwaarts te verspreiden. Om ... als ’t kan, een gelukkig plekje te vinden ... Zóó druk is in de „vette jaren” deze visscherij, dat op sommige gedeelten der z ■ geen plekje met netten onbezet is. Botters, tjalken, vletten, ja, allerlei soort vaartuigen nemen bij een goed jaar aan de vangst deel, want dan is er geld te verdienen. Zoo is het wel voorgekomen, dat vangsten per keer van 50.000 stuks geen zeldzaamheid waren. En als dan de marktprijs f 10. per duizend is, dan brengt de visscher zoo’n morgen f500 binnen. Leuk gezicht als al die schuiten dan gemeerd liggen langs de kade, en jong en oud bezig is met „doppen”: de kleine blanke vischjes uit de netten te trekken. Een geduld-werkje, maar U begrijpt lezer(es) een prachtwerk voor den visscher: het loon voor zijn arbeid! Dan leeft de visschersbevolking op, als de „sjovis goed is.” Taanders, scheepstimmerlieden, zeilenmakers, nettenhandelaars,... allen maken goede zaken. Dan heerscht er vroolijkheid in de eenvoudige visschersplaatsen. Dit jaar zijn tot dusver, jammer genoeg, de vangsten nog zeer onbevredigend, en de prijzen laag. Laten we echter hopen, dat spoedig de „sjoof” in dichte scholen door de Noordzee-gaten komt binnentrekken, zoodat weldra ruime vangsten geboekt "kunnen worden door den visschersman, die het wel van noode heeft. D. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.47, 10 juni. 1915
Blad
01
Tekst
No. 47 (50a) 10 Juni 1915. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.075 UITGAVE A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERS=MAATSCHAPPIJ, LEIDEN = RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. 1. DE DUITSCHERS EN OOSTENRIJKERS IN GALICIË Russische gevangenen gekampeerd in een dorp bij Przemysl. Aan de bewoners van een Galicisch dorp wordt brood uitgereikt.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1636 tot 1640 van 11897