|
PANORAMA 362
KLEINE AUTOMOBIELEN
kennen ze
allen, nietwaar,
die snuiters,
die langs den
weg zoo gezelligjes
wegtuffen,
soms rustig en
zonder zich te
haasten, soms
ook met vaartjes
van ’n grooten wagen. We zien ze overal; op smalle wegen
soms, waar geen andere wagen langs kan, waar je moeite
met passeeren hebt, daar komen die kleine snuiters, met
één wiel langs den berm, op hun gemakje langs, en
tuffen weer verder. Geen landweg is hun te smal, geen
De vrouw aan ’t stuur. 0e 2 cyl, cyclonette.
Voiturette „Econoom”, met binnenbesturing.
begrip cycle-car
dan onder dat
van’nklein-auto.
Het verschil tusschen
deze twee
genres wordthier
in Nederland
aangegeven door
den cylinderinhoud.
Wat boven
de 1100 cM3. is, wordt klein-auto genoemd, wat er onder
is heet cycle-car. Doch lijkt mij deze definitie niet de juiste.
Vier-cylinders, met cardan-overbrenging en water-koeling
zijn, dunkt mij, èlle klein-auto’s. Ook de Bebé-Peugeot valt
dus dan onder ’t begrip klein-auto. Cycle-cars, als ook
Morris-Oxford coupé-cabriolet.
pad te kronkelig, al kost het wel eens wat beleid. Langs
den knotwilgenweg van onze Zuid-Hollandsche buitendreven,
langs den kronkeligen duinweg in Kennemerland,
langs de heidewegen op de Veluwe of in Brabant,
langs de glibberige Zuiderzee-dijk-wegen in Friesland,
over de eindelooze Drentsche hei of de zandwegen van den
Overijselschen Achterhoek, overal kom je ze tegen, en
waar geen paard, of geen groote wagen doorkomt, waar ’n
motorfiets steken blijft, daar werkt de kleine wagen zich
doorheen, dank zij z’n gering gewicht, z’n vier wielen en
z’n gemakkelijke bestuurbaarheid.
Het is dan ook heelemaal geen wonder, dat de kleine
wagen zoo’n opgang heeft gemaakt in ons land. Sedert de
Betrouwbaarheidsrit naar Limburg in 1913, heeft het
gebied van den kleinen wagen zich bijzonder uitgebreid. De
trek- en klimkunsten, die zij daar in het Zuiden bij Vaals
en Epen onder ’t oog van de algemeene- en sportpers hebben
ten beste gegeven, en met zooveel succes, heeft hen hier
voor goed ’n plaats bezorgd in de rij van practische, snelle
De Buchet Two-seater
en betrouwbare voertuigjes, welke van algemeen belang
zijn en die nóch door hun aanschaffingskosten, nóch door
hun onderhoudskosten belangrijke sommen vragen, en voor
’n betrekkelijk geringen prijs te houden zijn.
Beschouwen we zoo’n kleinen snuiter nader. Er zijn natuurlijk
vele verschillende typen. Vooral den laatsten tijd
hebben ze in comfort gewonnen, en in vele opzichten hebben
ze zich aangepast aan hetdoel waartoe dergelijke wagentjeste
gebruiken zijn, n.1. niet alleen voor genoegen, voortoeristische
doeleinden, maar voornamelijk als deugdelijk, Z>// alle weer,
te gebruiken vervoermiddel. Dokters, veeartsen, handelsreizigers,
aannemers, wier werk vaak vèr van groote -verkeerswegen
gelegen is, zij allen moeten dagelijks van hun
vervoermiddel kunnen gebruik maken. Ook voor dames,
voor wie het besturen van ’n grooten
wagen, of het bezit ervan bezwaarlijk
zou zijn, zijn deze kleine snuiters b ij ster
geschikt. Ze moeten voor deze allen met ’n kleinigheid
te onderhouden zijn, niet te veel tijd eischen aan nastellen
of iets dergelijks, en door hen zelve zonder moeite te besturen
zijn. Zoo dient, wat het koetswerk aangaat, het
wagentje ’n goede beschutting aan z’n bestuurder of bestuurster
te kunnen bieden.
Hiertoe zijn verschillende manieren. Eerstens is er de
gewone Amerikaansche kap, die om de vóórruit sluit, en
die met sluitzij-stukken het geheele wagentje wel regendicht
kan maken, maar niet geheel tochtvrij ; tweedens is er het
cabriolet-type, dat ’n vorm van koetswerk is, dat bij mooi
weer geheel open kan worden geslagen, doch bij slecht
weer een geheel en goed gefloten wagen vormt, waarin je
allercomfortabelst gezeten kunt zijn. Mag daarom deze
bij mooi weer opengeslagen carosserie wat hooger om den
bestuurder heen zijn gebouwd dan ’t gewone torpedomodel,
waardoor het karakter van ’n open wagentje niet geheel
wordt bereikt, bij slecht weer is deze carosserie dan ook
verre te verkiezen. Dat ze wat zwaarder is dan de gewone
open torpedo, weegt wel tegen het voordeel op, met zoo’n
één-wagentje er eigenlijk twee, ’n open en ’n gesloten te
bezitten. Vanzelfsprekend is deze carosserie ook gewoonlijk
wat duurder dan ’n geheel opene. Vooral de Engelsche
vakbladen hebben soms aardige oplossingen voor dit soort
carosserie, dat, waar het hier kleine chassis geldt en kleine
motors, nooit te zwaar worden mag, op straffe van veel
bandenpech en verdere hoogere bedrijfskosten. Ook mag
ter wille van de sierlijkheid verder een dergelijk koetswerk
niet te hoog gebouwd zijn, om niet te gaan lijken op ’n
stoof op wielen. Echter zijn er thans reeds genoeg aardige
typen in den handel, om ’n keus te doen, en dit zal iedere
reflectant gauw genoeg zelf bespeuren.
„öconoom", die heeft deelgenomen aan de
Betrouwbaarheidsrit 1915.
Het algemeene type voor dergelijke kleine wagens heeft
’n viercylinder blokmotor, hoogspanningsmagneet, waterkoeling,
drie versnellingen vooruit en één achteruit, en
cardan-overbrenging. We noemen als typen hiervan b. v.
de Morris-Oxford, de Buchet, de Matthis en de Econoom.
Er zijn er daarentegen ook met twee cylinders, zooals de
Perry en de Humberette, welke laatste bovendien luchtkoeling
heeft. Wie aan een twee-cylinder de gedachte
verbindt van ’n stootend, stampend vehikel, die vergist
zich. De tegenwoordige twee-cylinders verschillen in
het gehoor bijna niet van den vier-cylinder. Ik bedoel
hiermede dat 'n leek uiterlijk geen verschil zal vernemen
bij het rijden. De luchtkoeling van de Humberette moet
zéér voldoen. Persoonlijk heb ik er echter geen ervaring
van. Een feit is, dat deze wagentjes ook in Engeland een
goede reputatie genieten, maar meer nog vallen onder het
Dixi-wagen met 5 plaatsen (1 voor, 2 achter).
Mathis Babylette 5/14P.K.
in Engeland loopen, — hier zijn er nog slechts ’n tweeof
drietal, die nog lang niet volmaakt zijn — zijn meer de
nog kleinere broeders ; die twee cylinders hebben of door
lucht gekoeld worden, staan aan de spits en verder komt
de geheele serie broze rijtuigjes voor een of twee personen,
door riem of ketting gedreven, met motors voor of achter
de bestuurdersplaats, waarvan de afbeeldingen in de
Engelsche tijdschriften veelvuldig voorkomen. Dat zij op
de goede wegen ginds nogal wat presteeren, blijkt uit de
verslagen ; op de over ’t algemeen slecht-gebouwde Hollandsche
wegen hebben ze tot dusver moeilijk kunnen
voldoen.
Keeren we echter tot de klein-auto’s terug. Een vraag,
mij vaak gedaan is, of de klein-auto goedkooper of even
duur is als de zijspan-combinatie en wat voor den buitenman,
of dengene, die veel op reis is, te verkiezen is. Zonder
aarzeling geloof ik, dat voor gewoon, nuchter practisch gebruik
de klein-auto’s te verkiezen zijn. Een motor of motor
met zijspan is, hoe betrouwbaar ook, ’n sportding voor z’n
Een „Singer”.
berijder. Daarmede wil ik niet zeggen, dat ’n motor ook
niet practisch te gebruiken is, integendeel. Maar bij slecht
weer, en in den winter, voor doktoren, of andere gebruikers,
die iets mee te nemen hebben, die door nacht en
ontij er op uit moeten, is motorrijden vaak dan ’n praestatie,
die van hunne krachten, die zij vaak zéér noodig
hebben op ’t punt, waar zij zich heenbegeven, veel eischt.
De door hen te overwinnen weerstand op den weg en bij
alle weer is grooter, dan bij den klein-auto, waarvan
echter de aanschaffingskosten vrij wat hooger zijn en ook
het onderhoud duurder is, hoewel dit laatste niet geheel
naar verhouding der aanschaffingskosten.
Toch behoeft dit niet te zwaar te wegen 1 De kosten, die
per kilometer tusschen 6 en 10 ets. bedragen, zijn door
velen te bestrijden, waarbij de afschrijvingskosten inbegrepen
zijn. Het benzine- en olieverbruik is gemiddeld
tusschen 8 en 12 L. per 100 K.M. voor de benzine, en
V2 a 3/4 L. voor de olie, terwijl de tijd, die met een
(Zie vervolg op pag. 368).
|