Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1631 tot 1635 van 11897
Nummer
1915, nr.45, 3 juni. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 360 Zij keek op en ontmoette den blik van haar zuster. — Lois kwam naar haar toe en staarde langen tijd naar het slapende kindje. „Wil... wil je hem een oogenblikje hebben ?” vroeg Violet rustig. „O, Lois, denk niet dat ik je berisp. Je wist niet dat je eenmaal zou leeren beminnen. We waren beiden zoo jong en onervaren. Vergeef me als ik daar straks wat scherp was. Ik stond voor zooveel. Nu ik verloren heb, zie ik wat een ongelijken strijd ik gestreden heb. Hoe zelfzuchtig ik was.” — „Iedereen is zelfzuchtig,” zei Lois met gebogen hoofd. „Ja, laat mij hem even hebben voor ik vertrek.” Ze gingen zitten; geen van beiden spraken. De baby opende de blauwe oogen en zijn vingers omsloten Lois’ wijsvinger. Er heerschte geruimen tijd stilte. Lady Fernhill wachtte en beschouwde aandachtig haar zuster voorovergebogen over de kleine op haar schoot. Zij zag hoe een traan uit Lois’ oog op het gezichtje van het slapende kind viel, en een zucht ontsnapte Violet, een zucht van verlichting. Het scheen een eeuw voor Lois opstond. Zacht legde ze de kleine in de armen der moeder. Ze leek nu een gebroken vrouw. „Ik was ’t die zelfzuchtig was,” zei ze zacht. „Jij hadt gelijk. Ik heb geen recht op mijn vroeger genomen besluit terug te komen. Ik gaf mijn woord ; ik zal ’t houden. Wees niet bedroefd, Vi! Dank mij niet. Houd mij niet tegen. Ik ga heen, ik . . ..” Snel keerde zij zich om en verliet de kamer. Door het sluiten van de huisdeur schrikte de kleine wakker, die luid begon te schreien. Vijf minuten later lei Lady Fernhill haar kind, dat ze tevergeefs had pogen te sussen op de zijden kussens der sofa en belde om de verpleegster. „Bob, Bob !” zei ze, geheel weer het frivole weeldedametje van altijd, „ik wou dat ik jou zoo gemakkelijk naar mijn hand kon zetten als die sentimenteele Lois !” * * * Lois Standon begaf zich regelrecht naar haar hotel, vroeg om haar rekening en begon haar koffer te pakken. Om vier uur bracht een loopjongen haar een groen boekje met plaatskaartjes van Cook’s bureau. Een kwartier later werd er aan de kamerdeur getikt en deelde de kellner mede, dat mijnheer Linley haarwenschte te spreken, en in de leeszaal op haar wachtte. „Zeg hem niet, dat ik aan ’t pakken ben,” zei ze en stond haastig op. Ze had hem willen schrijven. Ze hoefde hem niet meer te ontmoeten. Dat hij haar wilde trouwen, wat er ook gebeurd was, daaraan twijfelde ze niet. Maar zij wilde niet trouwen met een geheim in het hart. „Lois,” zei hij, toen hij haar zag. „Mijn zuster is vandaag bij mij geweest.” „Ja ?” vroeg zij. „Ze kwam mij iets vertellen, doch ze ging van mij heen, ten hoogste verwonderd,” ging hij voort. „Lois, denk je dat onze kennismaking te New-York toevallig was ?” „Ja,” antwoordde ze bevend. „Ja, John, ik weet het dat. . . „Je weet niets,” viel hij haar in de reden. HET KUNSTENAARSFEEST IN HET CONCERTGEBOUW TE AMSTERDAM, dat de vorige week heeft plaats gehad, kan in alle deelen geslaagd genoemd worden. Onze foto geeft een groep v. h. Comité en de artisten. HET NIÉUWE RAADHUIS TE BUNSCHOTEN, dat den 17en Mei 1915 in gebruik werd genomen. Vóór den ingang rechts: de bouwmeester, de heer H. Onvlée, te Baarn, links de gemeente-bode, de heer H. Bonneveld. (foto's G. Hovius, Baarn). PLECHTIGE ZITTING v. d. GEMEENTERAAD VAN BUNSCHOTEN, van 17 Mei 1915, de eerste in de nieuwe raadzaal gehouden, tijdens welke het nieuwe gebouw, met een rede van den voorzitter, in gebruik werd gesteld. Aan net hoofd der tafel de burgemeester, de n)er L. van Duijn, links van hem wethouder A. Huijgen Lz., rechts wethouder J. ter Beek, tusschen dezen den voorzitter, staande, de architect, de heer H. Onvlée, uit Baarn. Verder, v. l.n.r., de raadsleden, de heeren Poo \ v. Twillert, Koops en Koelewijn; rechts, v. r. n. 1., de raadsleden, de heeren de Graaf, G. ter Beek, Scf.^ap Nagel. „Je hebt geen flauw begrip van wat ik wil zeggen. Het was geen toeval. Ik zocht je reeds drie jaar. Zes maanden van het jaar verliet ik Ceylon om Amerika rond te zoeken . . „Naar mij ?” vroeg ze verwonderd. „Naar jou ! Eindelijk vond ik je. Ik zag je spelen in „The Pearl of Pearls” en vroeg aan je tooneeldirecteur mij aan je voor te stellen. Ik zocht je, omdat eenige jaren geleden een opzichter, een jongen pas uit Engeland gekomen, die stervende was aan moeraskoortsen,. mij een geschiedenis ververtelde en mij een brief en portret liet zien. De foto stelde twee meisjes voor, het eene nog een bakvischje, die deze jongen, Tony heette hij, liefhad. Het andere jonge meisje was zeer mooi, met zachte sympathieke oogen. Ik hoorde haar geschiedenis hoe zij ten koste van haar eigen goeden naam dien van haar zuster gered had en ik beefde, zooals de stervende Tony Hale beefde. Hij weende, Lois, want hij was doodszwak ; ik behoef hem echter niet te verontschuldigen, want ook mijn oogen waren vochtig. Door dit verhaal besloot ik je te gaan zoeken. Ik zei tot mijzelf, ik zal alles doen om te trachten de liefde van dat meisje te winnen. Zij is de eenige vrouw ter wereld die mij gelukkig kan maken. En ik zal alles doen, wat in mijn vermogen is om haar te vinden en haar grootmoedig, opofferend hart te winnen. Toen nu Elizabeth van morgen kwam, gaf ik haar den brief, jouw brief, Lois 1” „John* dat had-je niet mogen doen 1” riep Lois uit. Hij nam haar beide handen in de zijne. „Lizzie is mijn zuster, mijn eenige bloedverwant. De rest van de wereld is mij totaal onverschillig. Maar mijn familie, dat is Lizzie, heeft het recht alles te weten en je te eeren, zooals je het recht hebt geëerd te worden. Dat ben ik aan mijn vrouw verplicht en, God weet het, dat zal ze hebben. De rest kan rondloopen. Alleen dit: ik zal iedere vrouw doen vervolgen en iederen man in ’t gezicht slaan, die jou maar fluisterend zou durven beleedigen. Lizzie verzocht mij het voor haar met je goed te maken. Je wilt haar vergeven, Lois ? En nu wil ik dat we zoo spoedig mogelijk trouwen. Wanneer kan dit ? De volgende week ?” Ze haalde het groene Cook’s boekje te voorschijn en overhandigde het hem, terwijl haar oogen verduisterd waren door tranen. „Had je willen vluchten ?” „Ja, ik kon je niet bedriegen 1” Hij stak het boekje in zijn zak. „Ik zal een tweede laten halen en we trouwen aan boord. Te denken dat jij me wilde ontloopen Lois, ’t is je geluk dat we hier in de „Conversatiezaal” van een hotel zijn, anders . .” Hij boog zich voorover en kuste haar hand. W EEN GROMPOT door PIET VERSCHUUR (Vervolg) M evrouw Blommers hiernaast, heeft een olie die uitstekend helpt tegen rheumatiek,” merkte ik langs mijn neus weg op. „Heeft ze? O, ik wou dat ze mij het recept ervan VLIEGEN. De luit.-vliegenier Versteegh kwam met een passagier in zijn tweedekker van Soesterberg vliegen en landde tegenover het Oranje-Hotel te Scheveningen. (foto Sijes). kon geven l Ik heb al zooveel geld aan allerlei middelen besteed en alles tevergeefs 1” — „Ik geloof niet dat ze het mij geven zal, oom,” zei ik. „De vrienden van haar man zijn bij haar gewoonlijk niet in de pas ; maar als u het haar vraagt, zal ze ’t u zeker niet weigeren.” „Met een beetje tact en een beetje vleierij,” merkte oom Jacob wijsgeerig op „kom je bij de vrouwen een heel eind. Ik kan trouwens volkomen begrijpen, dat mevrouw Blommers de vrienden van haar man niet bijzonder genegen is. Een man zoo verbijsterend onwetend waar het zijn eigen vak betreft, die van de scheepvaart nog minder weet dan een scheepsjongen, kan het kwalijk worden toevertrouwd zijn eigen vrienden te kiezen. Ik ben overtuigd als ik eens met mevrouw Blommers spreek, zij mij haar recept niet weigeren zal. Ik zal haar vanmiddag eens gaan opzoeken.” Had ik aanvankelijk het voornemen gehad na den maaltijd een wandeling te gaan maken, nu veranderde ik van plan ; ik geloofde dat het de moeite loonen zou om thuis te blijven. Nadat oom zijn gebruikelijk middagslaapje gehouden had, vroeg hij om zijn laarzen, slobkousen, handschoenen en overjas, die alle eerst zorgvuldig bij de kachel verwarmd waren. Aldus goed warm uitgedost ging hij met een diplomatieken glimlach op het gelaat op interview bij mevrouw Blommers. Ik vatte post bij het raam en na verloop van een half uur kwam oom Jacob zonder hoed en zonder handschoenen het huis van mijn buurman uitstormen. Achter hem kwam de scheepskapitein aangeloopen met een gelaat rood van woede, schreeuwende en een dikken wandelstok boven zijn hoofd zwaaiende. Ik lï?p naar de voordeur, deed ze open en op hetzelfde oogenblik stoof oom Jacob naar binnen, smeet de deur dicht en schoof met een vlugheid, ongewoon voor zijn jaren en corpulentie den grendel er op. „Wat is er aan de hand?” vroeg ik schijnheilig belangstellend. — „Hij.... hij is gek 1 Dol 1” hijgde oom Jacob. Onderwijl klonk buiten de stem van den kapitein : DE BROODKAARTEN. In dichte rijen stonden ze voor het Stadhuis te’s-Gravenhage, de duizenden die hun broodkaart kwamen halen, (foto Hijmans). NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.46, 7 juni. 1915
Blad
09
Tekst
No 46 (49b) 7 Juni 15>SS. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Niummers ff 0.075 UITGAVE A. W. SUTHOFF’S U1TQEVERS=MAATSCHAPPIJ, LEIDEN = RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. I. ONZE SOLDATEN IN DE LOOPGRAVEN. Gelukkig dat dit geen werkelijk oorlogsbeeld is, doch slechts een kijkje bij de oefeningen, die onze militairen in den omtrek van Monster gehouden hebben.
PDF
Nummer
1915, nr.46, 7 juni. 1915
Blad
10
Tekst
PANORAMA 362 KLEINE AUTOMOBIELEN kennen ze allen, nietwaar, die snuiters, die langs den weg zoo gezelligjes wegtuffen, soms rustig en zonder zich te haasten, soms ook met vaartjes van ’n grooten wagen. We zien ze overal; op smalle wegen soms, waar geen andere wagen langs kan, waar je moeite met passeeren hebt, daar komen die kleine snuiters, met één wiel langs den berm, op hun gemakje langs, en tuffen weer verder. Geen landweg is hun te smal, geen De vrouw aan ’t stuur. 0e 2 cyl, cyclonette. Voiturette „Econoom”, met binnenbesturing. begrip cycle-car dan onder dat van’nklein-auto. Het verschil tusschen deze twee genres wordthier in Nederland aangegeven door den cylinderinhoud. Wat boven de 1100 cM3. is, wordt klein-auto genoemd, wat er onder is heet cycle-car. Doch lijkt mij deze definitie niet de juiste. Vier-cylinders, met cardan-overbrenging en water-koeling zijn, dunkt mij, èlle klein-auto’s. Ook de Bebé-Peugeot valt dus dan onder ’t begrip klein-auto. Cycle-cars, als ook Morris-Oxford coupé-cabriolet. pad te kronkelig, al kost het wel eens wat beleid. Langs den knotwilgenweg van onze Zuid-Hollandsche buitendreven, langs den kronkeligen duinweg in Kennemerland, langs de heidewegen op de Veluwe of in Brabant, langs de glibberige Zuiderzee-dijk-wegen in Friesland, over de eindelooze Drentsche hei of de zandwegen van den Overijselschen Achterhoek, overal kom je ze tegen, en waar geen paard, of geen groote wagen doorkomt, waar ’n motorfiets steken blijft, daar werkt de kleine wagen zich doorheen, dank zij z’n gering gewicht, z’n vier wielen en z’n gemakkelijke bestuurbaarheid. Het is dan ook heelemaal geen wonder, dat de kleine wagen zoo’n opgang heeft gemaakt in ons land. Sedert de Betrouwbaarheidsrit naar Limburg in 1913, heeft het gebied van den kleinen wagen zich bijzonder uitgebreid. De trek- en klimkunsten, die zij daar in het Zuiden bij Vaals en Epen onder ’t oog van de algemeene- en sportpers hebben ten beste gegeven, en met zooveel succes, heeft hen hier voor goed ’n plaats bezorgd in de rij van practische, snelle De Buchet Two-seater en betrouwbare voertuigjes, welke van algemeen belang zijn en die nóch door hun aanschaffingskosten, nóch door hun onderhoudskosten belangrijke sommen vragen, en voor ’n betrekkelijk geringen prijs te houden zijn. Beschouwen we zoo’n kleinen snuiter nader. Er zijn natuurlijk vele verschillende typen. Vooral den laatsten tijd hebben ze in comfort gewonnen, en in vele opzichten hebben ze zich aangepast aan hetdoel waartoe dergelijke wagentjeste gebruiken zijn, n.1. niet alleen voor genoegen, voortoeristische doeleinden, maar voornamelijk als deugdelijk, Z>// alle weer, te gebruiken vervoermiddel. Dokters, veeartsen, handelsreizigers, aannemers, wier werk vaak vèr van groote -verkeerswegen gelegen is, zij allen moeten dagelijks van hun vervoermiddel kunnen gebruik maken. Ook voor dames, voor wie het besturen van ’n grooten wagen, of het bezit ervan bezwaarlijk zou zijn, zijn deze kleine snuiters b ij ster geschikt. Ze moeten voor deze allen met ’n kleinigheid te onderhouden zijn, niet te veel tijd eischen aan nastellen of iets dergelijks, en door hen zelve zonder moeite te besturen zijn. Zoo dient, wat het koetswerk aangaat, het wagentje ’n goede beschutting aan z’n bestuurder of bestuurster te kunnen bieden. Hiertoe zijn verschillende manieren. Eerstens is er de gewone Amerikaansche kap, die om de vóórruit sluit, en die met sluitzij-stukken het geheele wagentje wel regendicht kan maken, maar niet geheel tochtvrij ; tweedens is er het cabriolet-type, dat ’n vorm van koetswerk is, dat bij mooi weer geheel open kan worden geslagen, doch bij slecht weer een geheel en goed gefloten wagen vormt, waarin je allercomfortabelst gezeten kunt zijn. Mag daarom deze bij mooi weer opengeslagen carosserie wat hooger om den bestuurder heen zijn gebouwd dan ’t gewone torpedomodel, waardoor het karakter van ’n open wagentje niet geheel wordt bereikt, bij slecht weer is deze carosserie dan ook verre te verkiezen. Dat ze wat zwaarder is dan de gewone open torpedo, weegt wel tegen het voordeel op, met zoo’n één-wagentje er eigenlijk twee, ’n open en ’n gesloten te bezitten. Vanzelfsprekend is deze carosserie ook gewoonlijk wat duurder dan ’n geheel opene. Vooral de Engelsche vakbladen hebben soms aardige oplossingen voor dit soort carosserie, dat, waar het hier kleine chassis geldt en kleine motors, nooit te zwaar worden mag, op straffe van veel bandenpech en verdere hoogere bedrijfskosten. Ook mag ter wille van de sierlijkheid verder een dergelijk koetswerk niet te hoog gebouwd zijn, om niet te gaan lijken op ’n stoof op wielen. Echter zijn er thans reeds genoeg aardige typen in den handel, om ’n keus te doen, en dit zal iedere reflectant gauw genoeg zelf bespeuren. „öconoom", die heeft deelgenomen aan de Betrouwbaarheidsrit 1915. Het algemeene type voor dergelijke kleine wagens heeft ’n viercylinder blokmotor, hoogspanningsmagneet, waterkoeling, drie versnellingen vooruit en één achteruit, en cardan-overbrenging. We noemen als typen hiervan b. v. de Morris-Oxford, de Buchet, de Matthis en de Econoom. Er zijn er daarentegen ook met twee cylinders, zooals de Perry en de Humberette, welke laatste bovendien luchtkoeling heeft. Wie aan een twee-cylinder de gedachte verbindt van ’n stootend, stampend vehikel, die vergist zich. De tegenwoordige twee-cylinders verschillen in het gehoor bijna niet van den vier-cylinder. Ik bedoel hiermede dat 'n leek uiterlijk geen verschil zal vernemen bij het rijden. De luchtkoeling van de Humberette moet zéér voldoen. Persoonlijk heb ik er echter geen ervaring van. Een feit is, dat deze wagentjes ook in Engeland een goede reputatie genieten, maar meer nog vallen onder het Dixi-wagen met 5 plaatsen (1 voor, 2 achter). Mathis Babylette 5/14P.K. in Engeland loopen, — hier zijn er nog slechts ’n tweeof drietal, die nog lang niet volmaakt zijn — zijn meer de nog kleinere broeders ; die twee cylinders hebben of door lucht gekoeld worden, staan aan de spits en verder komt de geheele serie broze rijtuigjes voor een of twee personen, door riem of ketting gedreven, met motors voor of achter de bestuurdersplaats, waarvan de afbeeldingen in de Engelsche tijdschriften veelvuldig voorkomen. Dat zij op de goede wegen ginds nogal wat presteeren, blijkt uit de verslagen ; op de over ’t algemeen slecht-gebouwde Hollandsche wegen hebben ze tot dusver moeilijk kunnen voldoen. Keeren we echter tot de klein-auto’s terug. Een vraag, mij vaak gedaan is, of de klein-auto goedkooper of even duur is als de zijspan-combinatie en wat voor den buitenman, of dengene, die veel op reis is, te verkiezen is. Zonder aarzeling geloof ik, dat voor gewoon, nuchter practisch gebruik de klein-auto’s te verkiezen zijn. Een motor of motor met zijspan is, hoe betrouwbaar ook, ’n sportding voor z’n Een „Singer”. berijder. Daarmede wil ik niet zeggen, dat ’n motor ook niet practisch te gebruiken is, integendeel. Maar bij slecht weer, en in den winter, voor doktoren, of andere gebruikers, die iets mee te nemen hebben, die door nacht en ontij er op uit moeten, is motorrijden vaak dan ’n praestatie, die van hunne krachten, die zij vaak zéér noodig hebben op ’t punt, waar zij zich heenbegeven, veel eischt. De door hen te overwinnen weerstand op den weg en bij alle weer is grooter, dan bij den klein-auto, waarvan echter de aanschaffingskosten vrij wat hooger zijn en ook het onderhoud duurder is, hoewel dit laatste niet geheel naar verhouding der aanschaffingskosten. Toch behoeft dit niet te zwaar te wegen 1 De kosten, die per kilometer tusschen 6 en 10 ets. bedragen, zijn door velen te bestrijden, waarbij de afschrijvingskosten inbegrepen zijn. Het benzine- en olieverbruik is gemiddeld tusschen 8 en 12 L. per 100 K.M. voor de benzine, en V2 a 3/4 L. voor de olie, terwijl de tijd, die met een (Zie vervolg op pag. 368).
PDF
Nummer
1915, nr.46, 7 juni. 1915
Blad
11
Tekst
363 PANORAMA SCHAWLE DOOR DE DUITSCHERS BEZET. De Russische stad Schawle is voor een groot gedeelte een prooi der vlammen geworden. Op de foto links ziet men de Duitsche troepen door de nog brandende stad trekken. De foto rechts geeft een treurig oorlogsbeeld: inwoners van Schawle die met het geredde gedeelte van hun bezittingen den nacht in de door vlammen verlichte straten doorbrengen. Op beide foto’s ziet men op den achtergrond het brandende stadsgedeelte. DE SPOORBRUG TE LIBAU. De reusachtige spoorbrug te Libau, die door de Russen bij hun terugtocht vernield was, wordt door de Duitschers zoo spoedig mogelijk weer hersteld. Keizer Wilhelm (links) in gesprek met Aartshertog Friedrich, den Oostenrijkschen opperbevelhebber. Prins Adelbert van Pruisen (links) in gesprek met generaal von Hindenburg. LIBAU ONDER DUITSCHE BEZETTING. De bomvrije kazerne ten Oosten van Libau, die de Russen voor de overgave der stad Een kijkje bij de haven van Libau. De Duitsche troepen worden marschvaardig gemaakt hebben laten springen. om weer op te trekken. Het Russische gebied Libau-Schawle onder Duitsche bezetting
PDF
Nummer
1915, nr.46, 7 juni. 1915
Blad
12
Tekst
PANORAMA 364 HET „BEET5HUIS” TE UTRECHT. Het huis waar Nicolaas Beets te Utrecht woonde vanaf 1854 tot 1903 en waar hij dus zijn bekende ,,Camera Obscura” schreef, is eenige dagen voor het publiek opengesteld geweest ten bate van het Plaatselijk Steuncomité. Door eenige dames en heeren werden enkele tafereeltjes uit de Camera aansohouwelijk voorgesteld. Hierboven de heer en mevrouw Beets, temidden der deelnemers. De Familie Kegge. UIT DE „CAMERA OBSCURA”. Keesje, het Diakenhuismannetje met Koosje en de Baker. Robertus Nurks, Hildebrand en Boerhave Het bestuur der Vereeniging van Beeldende Kunstenaars „De Rotterdammers”. V. 1. n. r. E. Rensburg (secr.) H. v. Oosterzee, J. Gidding. Mej. J. de Graaft, J. Sirks, H. Melis (voorzitter en stichter). Op de foto ontbreken G. Altmann en Mej. v. Dantzig. V oor een stad als Rotterdam was het toch eigenlijk abnormaal, dat er tusschen de beeldende kunstenaars zoo goed als geen verband bestond. Den Haag heeft „Pulchri”, Renkum „Pictura Veluvensis”, Laren zijn Schildersvereeniging .... En Rotterdam is niet alleen een stad van zwoegende werkers op handelsgebied. Voor de kunst is er immer gróóte belangstelling geweest. En is er tegenwoordig een klasse menschen denkbaar zónder vereeniging? Het initiatief van den heer Melis heeft dan ook tot resultaat gehad dat een Vereeniging van beeldende kunstenaars is opgericht „De Rotterdammers”, waarvan aanstonds tal van bekende schilders en tal van beginnelingen lid werden. En reeds nu, circa drie maanden na de oprichting gaven „De Rotterdammers” hun eerste expositie in den Kunstkring. Er is zeer uiteenloopend werk op de tentoonstelling. Het bekende werk is vooralsnog het besteDaar zijn b.v. de industrie-aquarellen van Heyenbrock, die een forschheid geven als zelden bij deze techniek te zien is. Dirk Nijland heeft zijn origineele vogelskeletten. Donker email lijkt de verf. Een wonderlijk schilderij, waartoe hij geïnspireerd werd door de kraaienskeletten, gevonden in het oude kasteel te Rhoon. Lijkt het niet een mysterieuse doodenvlucht? In het mystische genre is het schilderij van P. C. de Moor, gedacht voor de wachtzaal van een crematorium. Een diepe symboliek spreekt uit de in licht weergegeven doodsgedachte. Van Melis is er een knap intérieur met mooien lichtval op de vrouwenfiguur. Veel stillevens zijn er. De twee van Seckel zijn brutaal van kleur, zonder nochtans te rammelen. Mevrouw Reuchlin-Lucardie geeft eveneens een groot stilleven, waarvan de teekening der kippen uitstekend is, doch waarvan de totaal-opzet, de schikking rond de melkkan, ons niet bekoren kan. B. RICHTERS. „MARABOE”. (In hout). Dirk NIJLAND. — VOGELSKELETTEN. Er is ook veel landschap. En daaronder is veel onbeheerscht werk. Werk, dat niet op een expositie behoort. Enkele inzendingen steken daarboven uit. Zoo b.v. het stemmingsvolle „Voorjaar” van Altmann. De lichtval op het vlondertje is van een uiterst fijne schildering. En het water is stil en klaar, zooals het op een voorjaarsdag roerloos liggen kan. Daarnaast verdient „Herfstnamiddag” van Oosterzee genoemd te worden. Rotterdam zelf, het machtige handels-Rotterdam, heeft blijkbaar weinig geïnspireerd. Alleen Sirks toont in zijn „Kolenladen” en vooral in zijn machtige „Elevator” de grootschheid van het havenbedrijf te willen weergeven in een paar goede etsen. Knap werk is er ook van Rensburg. Wat Dysselhof in zijn fijne aquariumstudies schilderend tracht weer te geven, zoekt Rensberg in getint etswerk. Van het specifiek-Rotterdamsche leven zijn er slechts een tweetal paardenstukken. Beide van Van Overbeek. ’t Is nog geen voldragen werk. Zoo is in „In rust” de voorgrond te onbelangrijk en is het rechtsche span niet los genoeg van het hoofdmotief. De lichtval op het witte paafd is echter goed gezien en weergegeven. Naast de schilderkunst en een paar aardige houtsneden is de beeldhouwkunst goed vertegen woordigd. Daartoe rekenen we dan ook het houtsnijwerk van Rickkers. Zijn „Maraboe” is mooi van lijn en uitstekend gestyleerd, een dankbaarder stuk dan de grovere „Bison”. De „Danseres” van Wensing heeft een ongewone actie. Het naakt-figuurtje van Henriette Vaillant daarentegen is, hoe weinig geacheveerd in gips ook, van een voornaam-rustige opvatting. Meer dan tachtig inzendingen vormen deze tentoonstelling. Een succes en een bewijs voor de levensvatbaarheid zeker. Mogen we van de „Rotterdammers” ook keurtentoonstellingen verwachten en mogen we ook eens een expositie tegemoet zien van werken, de stad en de Maas en het handelsleven betreffend? V. G. Altmann. — „VOORJAAR”. Jan Sirks. — „KOLENLOSPLAATS’’. H. V. OOSTERZEE. — „HERFSTMIDDAG”. DE ROTTERDAMMERS
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1631 tot 1635 van 11897