|
PANORAMA 358
OPOFFERENDE LIEFDE
NAAR HET ENGELSCH VAN A. G. GREENWOOD
Fernhill rees op van de sofa en staarde
haar zuster aan, de eene hand krampachtig
tegen de borst gedrukt; de andere met wijduitgespreide
bevende vingers achter haar.
„Ik ben teruggekomen, Vi!” zei Lois
droevig.
Ze was langer, slanker, meer gerijpt dan de schoone Violet
Fernhill, die de Londensche hoogere kringen na haar huwelijk
met Sir Arthur Fernhill nu ongeveer een jaar geleden stormenderhand
veroverd had. De blauwe oogen van Lois hadden
een treurige uitdrukking en om den ernstigen vastberaden
mond waren een paar heel kleine rimpels. Lois was een schoone
vrouw, maar een vrouw voor wie het leed des levens niet
gespaard was gebleven.
Voor een oogenblik bewoog Lady Fernhill zich niet. Toen
veranderde opeens haar geheele houding en u ukking
en vloog ze met uitgestrekte armen haar zuster te gemoet.
„Heerlijk ! Heerlijk 1 O, wat ben ik blij !” riep ze uiL
Lois Standon glimlachte, doch een weinig gedwongen en
haar bleeke wangen werden zoo mogelijk nog bleeker.
„Wacht, Vi, wacht even,” zei ze, en haar houding was weinig
tegemoetkomend. „Je weet nog niet waarom ik hier gekomen
ben.”
Lady Fernhill huiverde, maar toch lachte ze.
„Je bent gekomen omdat je me liefhebt; omdat we elkander
liefhebben ; omdat we vijf jaar lang van elkander gescheiden
geweest zijn.”
Lois schudde het hoofd.
„Ik ben hier gekomen, omdat ik een ander liefheb,” zei ze.
Violet klapte in de handen.
„Heerlijk 1 Dat is heerlijk 1 Ik bedoel als hij je liefde verdient
1”
„Hij verdient ze en meer,” antwoordde Lois en zette zich
min of meer treurig gestemd op de sofa neer. „Vi, ik ben hier
gekomen om eens lang met je te praten. Hoeveel tijd heb je
voor mij ?”
„Tot baby wakker wordt, een uur ! Is dat lang genoeg ?”
Lois’leunde tegen de zwart satijnen kussens achter haar.
„Het is John Linley,” zei ze. „Je herinnert je de Linley’s
Vergadering van het Nederlandsch Tooneelverbond op 28 Mei te Dordrecht
gehouden. In het midden Jhr. van Riemsdijk, daarnaast rechts de heer
Marcellus Emants.
van toen we kinderen waren? John, de oudste, ^vijfendertig.
Hij ging naar Ceylon op zijn twintigste jaar. Nu is hij een
planter, heeft een groote rubberplantage.”
„En jij gaat in Ceylon wonen, lieveling?”
Weer kwam er een moede, teleurstellende glimlach op
Lois gelaat. Violet greep haar beide handen.
„Natuurlijk zal ik je vreeselijk missen. Het is afschuwelijk,
maar ....”
„Ik heb zijn zuster Elizabeth ontmoet, gisteravond, voor
het eerst sedert ik Engeland verlaten had,” barstte Lois los.
„Ze negeerde mij.”
„Ze herkende je natuurlijk niet!”
„Ze herkende mij wel. Ze negeerde me, omdat ze wist dat
haar broeder mij liefheeft. Ze negeerde mij, omdat ze een oude
geschiedenis gehoord had van een jong meisje op een bal,
een gèmaskerd bal, en haar verhouding met Anthony Hale.
Van haar dwaasheid, van den champagne dien ze dronk en
de wijze waarop ze zich blameerde. Ze negeerde mij, omdat
mijn vader mij het huis ontzegde, wijl ik bekend had, de
schuldige te zijn. Dat is ’t, Vi 1”
„En .... en .... John Linley . . . weet hij hiervan ?”
vroeg Lady Fernhill op zwakken toon.
„Die geschiedenis? Ik denk ’t niet. Hij was buitenslands.
Hij weet alleen, dat ik thuis oneenigheid had en naar het
buitenland ging ... in betrekking ; dat ik voor mijn brood
werkte in Amerika. Gouvernante hier, kinderjuffrouw daar,
actrice .... o, van alles wat ik krijgen kon.”
„En hij bewondert jouw moed. Ik weet zeker dat hij ’t
doet. Net zooals ik jou bewonder en zegen eiken dag.”
„Ik geloof dat hij mij bewondert. Maar hij zou niet bewonderen
het meisje van het gemaskerd bal.”
„Misschien niet 1” stemde Lady Fernhill aarzelend toe.
„Maar dat is reeds vijf jaar geleden. Ik was toen zestien,
jij nauwelijks twintig. Ik zal nimmer vergeten, hoe goed je
voor mij was. Jouw bewonderenswaardige liefde, jouw zelfopofferende
liefde . . . .”
„Stil,” viel Lois haar zuster in de rede, „wacht tot ik alles
FEESTMAALTIJD VAN M r. TH. DE MEESTER,
lid vc de Tweede Kamer, aangeboden door de club der Unie-liberalen, ter gelegenheid van de herdenking van den dag, waarop de heer de Meester
40 jaar geleden promoveerde, fittend v. I. n. r. de heeren: Van Raalte, Goeman Borgesius, de Meester, Eland, Rink, Lieftinck. de nestor van onze Kamerleden,
die 8 Juni zijn 80sten verjaardag viert. Naast hem de heer van Hamel. Staande v. 1. n. r. de heeren: Dolk, Eerdmans, Utto. Roodhuyzen, Patijn.
Fock, Smeenge. de Jong, Jannink, Schim y. d. Loeff, de Muralt.
J.SIMONS. J. J. STOOKER.t
Op 5 Juni viert de heer J. SIMONS, oud-wethouder van’s-Gravenhage, zijn
70sten verjaardag. Velen zullen niet kunnen begrijpen, dat deze altijd ijverige
werker, wiens arbeid als directeur van de Vereeniging van Nederl. gemeenten,
van jeugdig vuur getuigt, dezen leeftijd reeds bereikt heeft. —
De heer J. J. STOOKER, oud-kapitein-luitenant ter Zee, is de vorige week
op 69-jarigen leeftijd te Hilversum overleden. De overledene was Ridder
van de Militaire Willemsorde en verder begiftigd met verschillende buitenlandsche
orden.
A. L. PAULEZ. t T. DOUMA.
De heer A. L. PAULEZ, eigenaar van het bekende Hotel Paulez te
’s-Gravenhage, is de vorige w^ek op 72-jarigen leeftijd aldaar overleden. —
De heer ’T. DOUMA, hoofdagent van politie te Zutphen, heeft de vorige
week zijn 30-jarig ambtsfeest gevierd. Vanwege den Alg. Ned. Politie-Bond
werd hem de gouden medaille geschonken.
VERGADERING VAN DEN BOND VOOR ZIEKENVERPLEGING.
Vergadering van den Bond voor Ziekenverpleging op 27 Mei j. 1. te Utrecht gehouden, onder Voorzitterschap van Dr. J. v. d. Hoeve uit Eefde.
gezegd heb, wat ik je wensch te zeggen. Bedank me niet.
Wacht 1 Omdat we moederloos waren, omdat je vijf jaar
jonger was dan ik, omdat ik jou liefhad en me voor jou
verantwoordelijk gevoelde, heb ik aan niemand ooit verteld,
dat ƒ/ƒ alleen, ondanks vaders verbod, heimelijk naar dat bal
gegaan bent. Het is al die jaren ons geheim geweest. Geen
sterveling weet, dat terwijl ik sliep, jij danste, jij flirte, jij . .
ja, te veel dronk.”
„Lois, Lois, ik was pas zestien.”
„Ik weet het, dat èn mijn liefde voor jou, waren de eenige
redenen waarom ik jouw schuld op mij nam.”
„En ik heb er je voor gedankt, op mijn knieën ; iederen
avond, iederen morgen dankte ik jou, zegende ik jou, aanbad
ik jou!”
„Het was verkeerd,” ging Lois kalm voort. „Van jou,
nog zoo jong, was het een dwaasheid, een onverantwoordelijke
roekeloosheid. V^n mij, ruim twintig jaar, was het meer:
het was slecht. VaJttzou jou vergeven hebben ; de wereld
eveneens. Jij was nog een kind. Mij kon niemand vergeven."
„Maar je bood jezelf aan ! Ik dacht er niet aan, niet in ’t
minst . . .”
„Je was overspannen,” zei Lois ernstig. „Je kwam bij mij,
’t was ’s morgens vijf uur. Je praatte wild, onsamenhangend ;
sprak van zelfmoord. Je bracht mij buiten mezelf van angst.
En ik lag te bed met kloppend hoofd, toen jij mijn kamer verlaten
had bevende, geestelijk ziek. Ik dacht aan onze lieve
moeder en hoe ze mij gebeden had voor je te zorgen, jou te
beschermen. Ja, dat was haar woord „beschermen.” Maar er
waren twee wegen om je te beschermen, één door middel van
leugen en een. ander door een krachtige, helpende en steunende
hand. Dat laatste was ’t wat ze meende. Zij vroeg me
niet mijn goeden naam op te offeren . . .”
„Noch ik . . . noch ik ! Lois, wees rechtvaardig..........”
„Jij vroeg mij niets ! Niets met woorden. Je lag alleen voor
mijn bed, snikkende, wenschende dat je dood was, en ik . .”
Ze hield op en verborg haar hoofd in de handen.
„Opzittende in bed op dien grauwen morgen schreef ik
Hale een brief en vertelde hem van mijn voornemen. Ik
schreef hem dat ik vader zou vertellen dat ik het was geweest,
die op het bal geflirt had en ...”
„Ik weet het, ik weet het! Je liet mij den brief lezen.
Je zei dat jij de schuld op je wilde nemen ; je verbood me
tusschenbeide te komen en beval me te zwijgen ...”
„Jij gehoorzaamde 1” Lois glimlachte en sloot de oogen.
„Dat is ’t wat Elizabeth weet en dat ze voornemens is aan
John te zeggen. Ze schreef ’t mij van morgen. Een klein briefje,
Vi, en geen aangename. Ze schreef dat ze het haar plicht
acht haar broeder bekend te maken, — bekend maken,
waren haar woorden — met die geschiedenis, tenzij ik het
zelf deed of er de voorkeur aan gaf . . . terug te gaan naar
waar ik vandaan gekomen was ...”
„Alsof hij boos zou zijn over wat vijf jaar geleden is voorgevallen,
voor jullie elkander kenden, Lois 1 Dat zal toch geen
verschil voor hem maken, is ’t wel ?”
„Wil je dat ik ook tegen hem lieg ? Wil je, dat ik mijn eerste
leugen bevestig ? Ik bemin hem, Vi. Dat schijn jij niet te
begrijpen.”
„Dus jij . . .”
Lady Fernhill’s angstige oogen zochten die van haar zuster.
„Ik kan niet dulden dat Elizabeth tegen hem kwaad van
mij spreekt. En ik kan ook niet heengaan, hem verlaten en
„vaarwel” zeggen.
|