|
3+3 PANORAMA
NATIONALE TENTOONSTELLING TE 'S-GRAVENHAGE,
georganiseerd door de sub-commissie te ’s-Gravenhage van het Nederlandsche Steuncomité voor Beeldende Kunstenaars in Pulchri Studio, Lange Voorhout. Foto links: Groep der Organisators (De sub-commissie Ned. Steuncomité)
V. 1. n.r., zittend: B. A. Bongers, Willy Martens, Mej. R. M. van Dantzig en E. R. D. Schaap. Daarachter: Xeno Münninahoff, E. S. Suermondt, A. L. Koster, J. H. van Mastenbroek en Conrad Rickert. Daarachter: H. J. Haverman,
J. G. v. d. Stok. J. v. Noord, B. Ferwerda. André Broedelet en A. M. Luyt. Foto rechts: de dames, die zich welwiliénd belastten met de bediening der ververschingen, waarvoor vrijwillig aardige prijzen betaald werden!
,,Uitplunderen. Daar komt echter niets van in. Of dacht
ge soms— „Hoor mij dan ten minste toch aan . .
„Nooit en nimmer, zeg ik u f”
„Maar wil dan ten minste deze papieren inzien ; dat zijn
toch geen . . .
„Wat moeten die vodden ? Meent u misschien, dat ik
twijfel aan de echtheid van uw diploma’s ? Steek die papieren
maar rustig weer in den zak.”
„Maar mijnheer, laat mij dan toch eindelijk eens uitspreken,
anders moet ik het recht. . .
„Wat, wilt ge mij dreigen ? Aha, nu vertoont ge u in uw
ware gedaante 1 — Ja zeker, zoodra het kind meerderjarig
is geworden, kan het tegen den wil der ouders den eersten
den besten vreemden snuiter volgen. Ik wil je echter opmerkzaam
maken, jongmensch, dat mijn dochter eerst over
twee jaar meerderjarig wordt.”
„Maar mijnheer, wat ter wereld heeft uw dochter toch
met onze gasrekening te maken ?”
„Ga . . . ga . . . gasreke . . . ning ?. . . Wie bent u dan
toch eigenlijk, mijnheer ?”
„Ik ben de kassier van de stedelijke gasfabriek. De rekening
bedraagt vijf en twintig gulden.”
Intusschen zaten Eliza en de jonge advocaat in het vertrouwelijkst
gesprek in het salon. Papa, wiens kwade bui
door het geschetste intermezzo aanzienlijk was afgekoeld,
leed bij den nu volgenden stormloop van het verliefde
paartje de nederlaag.
et electrisch licht ging uit met een geklik van
den schakelaar en dompelde de kamer in
totale duisternis, die slechts onderbroken
werd door een zwakke schemering veroorzaakt
door de lantarens in de straat. De
tweede kassier van de firma Bruinsma en Co.
zonk met een zucht van verlichting in den gemakkelijken
stoel van zijn superieur.
Zooals gewoonlijk waren zijn collega’s reeds uren geleden
vertrokken hem in zijn afzondering alleen latende om
staten met onafzienbare rijen cijfers af te werken. Eindelijk
was hij met zijn werk gereed en zocht rust voor zijn pijnlijk
vermoeide oogen door in een weldadige duisternis
te staren.
Bernard Richter was overwerkt en werd slecht betaald
en dit waren waarschijnlijk de oorzaken van de wilde
gedachten die door zijn vermoeid brein joegen.
Zooals hij daar zat in de duisternis drong de hopeloosheid
van zijn positie tot zijn hersenen door. Waarom werkte
hij eigenlijk als een slaaf, tot klokke twaalf uur in den
nacht, zooals hij nu gedaan had ? Wat won hij daarmee ?
Geld ? Neen ; hij had meermalen om verhooging van salaris
gevraagd, tot de nutteloosheid van die pogingen hem
had doen zwijgen. Waardeering? Neen; de chef der comptabiliteit
had zich nog nimmer moeite gegeven voor Richter
een goed woord te doen, hoewel hij op zijn werk zelden
aanmerkingen had. Vooruitzichten 1 Die waren er niet 1
Hij had zichzelf deze vragen zoo vaak gesteld, tot de
gedachte eraan hem bijna ziek maakte. Dat was niet langer
te dulden ! Hij wilde niet langer slavendienst verrichten
in een duf kantoor ; hij wou naar de directie gaan, den volgenden
morgen, ontslag vragen en als hem naar de reden
hiervan gevraagd werd, zou hij zijn patroons deze bittere
argumenten in het gezicht slingeren en weggaan, weg
naar Indië, Amerika, onverschillig waar, als hij maar ver
was van deze gehate muren.
Maar des morgens zou op al deze vragen het ontmoedigende
antwoord luiden: „Je kunt niet 1 Je hebt geen geld!”
en hij zou weer moeten gaan denzelfden treurigen weg,
naar hetzelfde kantoor, op denzelfden hoogen kruk in dezelfde
eentonige sleur. Hij zou dit gemakkelijker verdragen
hebben, had hij zichzelf meermalen gezegd, als het niet
was om Betsy, zijn lieve Betsy, die zoo geduldig wachtte,
tot hij genoeg gespaard zou hebben, en die zelf zoo ijverig
spaarde voor den dag, die nog zoo ver weg scheen.
En terwijl Richter daar zat in de duisternis Iuchtkasteelen
bouwende, die den volgenden dag weer in puin
zouden vallen, viel zijn blik op een donker voorwerp op den
achtergrond. Ja, daar achter die ijzeren deur was genoeg
om Betsy en hem naar een nieuw vaderland te voeren,
waar hij een nieuw en meer succesvol leven kon beginnen.
Hij lachte bitter om de speling van het noodlot. Het geld
in de kluis was in zijn macht ; hij had den sleutel in zijn bezit.
Waarom zou hij er geen gebruik van maken ? Ja, waarom
eigenlijk niet ? Wat zou het uitmaken voor zoo’n rijke
firma als Bruinsma en Co. ? En wat beteekende het niet
voor hem ? Hij zou slechts zooveel nemen als voor zijn
overtocht noodig was en iederen gulden uitzuinigen, om
zijn schuld terug te betalen. Dat was geen diefstal, slechts
een leening. En aan een duizend gulden had hij genoeg
voor de eerste behoeften in het nieuwe vaderland.
Ja, er was ruim duizend gulden aan goud in de kluis,
en goud leverde geen gevaar op om uit te geven, zooals
bankpapier. Hij zou ’t doen, morgen kon hij reeds buiten
gevaar wezen. Ja. hij deed het, ter wille van Betsy.
Half rees hij uit zijn stoel op, betastte den sleutel in zijn
zak, doch zonk onmiddellijk weer ineen, verschrikt door
schuldbesef. Ja, ’t kost strijd om van eerlijk man een dief
ANDRINA SAVELLI,
van de Brusselsche „Monnaie”, die
als „Mireille” is opgetreden op het
Concert in den Haagschen Schouw
burg ten bate van de Beeldende
Kunstenaars.
ABR. DE WINTER,
de populaire karakter-komiek, vierde
de vorige week in de Haagsche
Bioscoop zijn 35-jarig tooneel-jubileum.
ANDRINA SAVELLI IN DE ROL VAN „MIREILLE”.
(Ie Acte).
te worden. Op dit óogenblik vangt zijn oor een licht knarsend
geluid op. Het komt van het venster, waar hij de
schaduw ziet van een gebogen gestalte. Richter zit onbeweeglijk
als uit steen gehouwen. Langzaam en voorzichtig
gaat de gestalte voort met haar nachtelijk werk. Een voorwerp
als een potlood gaat over het glas en teekent vier lijnen,
dan een zacht gekraak, een smalle hand komt door de
kleine vierkante opening, schuift geruischloos den grendel
weg, nog een oogenblik en een man staat in de kamer,
die met behulp van een dievenlantaarn de duisternis doorzoekt.
Het onderzoek schijnt bevredigend, want de man gromt
voldaan en begeeft zich naar den hoek van het vertrek,
waar de kluisdeur zich bevindt.
Richter twijfelde geen oogenblik aan de bedoelingen
van den vreemde, terwijl hij daar weggedoken, zat in den
stoel, nauwelijks adem durvende halen en zich afvragende,
hoe dit avontuur eindigen zou. Hij was geen lafaard, maar
dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan dat hij zich nog
nauwelijks in de werkelijkheid kon indenken. Het zou niet
het minste nut hebben uit het duister op te staan, want
wat kon hij doen, tegen een man zooveel forscher dan hij
en die bovendien wel met een revolver gewapend zou zijn.
Al de plannen die zijn geest hadden bezig gehouden, waren
weggevaagd, alleen de plicht bleef over. Hij was aansprakelijk
voor den inhoud van de kluis en zou dezen redden,
’t kostte wat het wilde. Kon hij de kamer uitsluipen en
politiehulp inroepen 1 Neen, dat was onmogelijk : in deze
beperkte ruimte en in die doodsche stilte, zou het minste
geluid door den inbreker gehoord worden.
Terwijl Richter hierover nadacht, hoorde hij een geknars
aan het andere eind der kamer en opnieuw een tevreden
gebrom. Hij begreep wat er plaats had : de kluisdeur was
door hem nog niet gesloten, de dief had hem dus zonder
moeite, alleen door een draaien van de handel kunnen openen.
Maar nu had Richter zijn kalmte weer volkomen terug.
Voorzichtig lichtte hij den arm op tot aan den wand. Daar,
in zijn bereik zat de knop van het electrisch licht. Klik !
ging de schakelaar en op hetzelfde moment was het vertrek
hel verlicht.
De inbreker was door deze allerminst verwachte gebeurtenis
volkomen verrast en versuft en pinkte in het electrisch
licht. Dat was hem noodlottig, met den sprong van een tijger
is Richter bij hem en geeft hem zoo’n krachtigen
vuistslag tusschen de oogen dat de inbreker verdoofd
neervalt in de kluis. Met ongewone kracht werpt Richter
de zware deur dicht en doet ze op slot.
Met een zucht van verlichting blijft hij daarna een oogenblik
tegen de kluisdeur geleund staan-, waarachter hij een dof
gevloek en verwenschingen hoort. Doch nu het gevaar
voorbij is, komt de reactie, de kamer draait rond voor zijn
oogen en zonder een woord te slaken, valt hij bewusteloos
neer. De ondervonden emoties waren te sterk voor zijn
overwerkt brein.
♦ *
♦
Toen Bernard Richter de oogen weer opende, lag hij niet
langer op den grond in het kantoorvertrek, maar op een
gemakkelijken divan in de directeurskamer, terwijl de
heer Bruinsma in angstige verwachting over hem heengebogen
stond.
„’t Is goed afgeloopen, mijn jongen,” zei hij vriendelijk.
„Je hebt een vermoeiende taak gehad gisteravond,
maar het had erger kunnen wezen. Neen, zeg niets, vermoei
je niet,” ging hij voort, toen Richter zich wilde oprichten,
„dat kan wachten tot je goed geslapen hebt.”
„Maar ik moet,” hield Richter vol met zwakke stem.
„Hij zal sterven als hij er niet gauw uitgehaald wordt
en dan ben ik zijn moordenaar.”
„Wat bedoel je ?” vroeg de firmant verwonderd en nu
vertelde Richter hortend en stootend wat er na middernacht
gebeurd was.
De heer Bruinsma zou nu met zijn ziel borg staan voor
zijn eersten kassier Richter, zonder in ’t minst te vermoeden,
hoe weinig het gescheeld had of hij was bestolen door
den man, die nu zijn geld gered had.
IN VERZOEKING
|