Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1611 tot 1615 van 11897
Nummer
1915, nr.43, 27 mei. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 340 SPORT-PANORAMA DE SPORTDEMONSTRATIE VOOR DE WERKLOOZEN IN HET STADION TE AMSTERDAM. KORFBAL. Het Amsterdamsche twaalftal dat met 6—5 van het Leidsciie woil. TURNEN. Vrije oefeningen door turnsters der werkloozenklas.se. Cricket Opening van het cricketseizoen op Zondag 23 Mei, met een ontmoeting tusschen Rood-Wit, Haarlem en Hilversum, op het terrein aan de Spanjaardslaan te Haarlem; welke wedstrijd door Rood-Wit gewonnen werd. Wielrennen. Onder tamelijk groote belangstelling hadden er Pinksterrennen plaats op de Scheveningsche baan. Jan van Gent bleek de beste van de lange afstandsrennen te zijn. (foto Hijmans). KORFBAL., OM DEN „HOLLAND”-BEKER. De korfbalwedstrijd te Haarlem tusschen het Noordelijk en Zuidelijk 12-tal, eindigde na verlenging in een gelijk spel, zoodat de beker in het bezit van het Noordelijke 12-tal bleef, dat nem moest verdedigen. Foto links: een aardig moment uit den wedstrijd; foto midden: de twee 12-tallen; foto rechts: het uitreiken van den beker door den heer H Krijn. DE 35 K.M. WANDELTOCHT. PADVINDERS-MUZIEK. Door de Nederl. Athlethiek Unie, afd. 's-Gravenhage, werd een wandeltocht gehouden over 35 K.M. De Vereeniging voor padvinderij onder de volksklasse „Wij zijn bereid” te ’s-Gravenhage heeft thans die binnen 7’/2 uur moesten worden afgelegd. Onze foto is genomen bij den start aan de Boschbrug. een eigen muziekkorps. Voor de oefeningen trekken zij nu uit voorafgegaan door eigen muziek.
PDF
Nummer
1915, nr.43, 27 mei. 1915
Blad
05
Tekst
341 PANORAMA OORLOGSNIEUWS UIT VERSCHILLENDE LANDEN Gene bevelhebbers, geeft zijn commando's. raal Di Mayor, een van de Italiaansche Naar de Italiaansch-Oostenrijksche grensstreken is er vooral de laatste dagen voor de oorlogsverklaring, een ontzettend aantal kanonnen getransporteerd. DE BEDREIGDE ITALI AANSCH-OOSTENRIJ KSCH E GRENSSTREEK. Een der zware auto's, die vroeger voor het Italiaansche post verkeer in Tyrol dienden, doch die nu voor het leger gereauireerd zün Het Companil te Picoe di Cadora (Ital. Tyrol), de geboorteplaats van den beroemden schilder Titiano. Misurina aan het Misurina-meer aan de I taliaansch-Oostenrijksche grens. PANORAMA VAN TRIEST, de veel besproken stad in het door Italië begeerde Oostenrij ksche gebied. CATTARO, DE M O NTE N EGR I J N SC H E VESTING, waarvan beweerd wordt, dat ze een vluchthaven voor de Italiaansche vloot is. DE LANDBOUW IN DUITSCHLAND. In hun vrijen tijd gaan de schoolkinderen onder leiding van hun onderwijzers naar het land, om aldaar landbouwwerkzaamheden te verrichten, opdat de oogst zoo groot mogelijk zij. DE OBSERVATIEPOST. Een Duitsche kabelballon wordt naar een nieuwe basis in Polen getransporteerd
PDF
Nummer
1915, nr.43, 27 mei. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 342 4 OEFENINGEN DER N E D E R L_ A N DSC H E SOLDATEN ACHTER DE DUINSTROOK BIJ ’S-GRAVENHAGE. De landstorm heeft zich daar loopgraven ingericht, die geheel volgens de eischen van een modernen oorlog zijn gebouwd. Aan ’t verkeerde Adres neer men een vruchtboompje plant, zijn wortels drenkt, zijn uitspruitsels afsnijdt, Wa ziJn stam ondersteunt en de rupsen van zijn bladeren zoekt en dan —• als nog pas de ~ eerste vruchten u verleidelijk uit de, groene bladeren tegenlachen — een geheel onbekende persoon langs den weg komt en zegt: „Geef mij die vruchten en bezorg mij een bord én een mes, opdat ik er mij een maal van kan maken 1” zou men dan dien persoon niet grenzenloos onbeschaamd noemen ? Doch wanneer men een dochtertje bezit, schoon als een belle-fleur en aanvallig als een sprookjesprinses, en men heeft het meisje een zorgvuldige opvoeding gegeven en het achttien, negentien jaar trouw voor alle stormen behoed en het met geheel zijn hart liefgehad, en er komt dan een wildvreemde man en zegt: „Waarde heer, geef mij als ’t u belieft het meisje tot vrouw !” dan maakt men een beleefde buiging en antwoordt: „Zeer veel eer voor ons, mijnheer ! Hoeveel linnen, tafellakens, hoofdkussens, hoeveel geld moet u nog bovendien hebben ?” —• Neen, het is mij volkomen duidelijk, dat de menschheid menigen vader aanwijst, wien het zwaar valt, die soort van logica te verduwen. Papa Lingbeek was in elk geval daartoe niet in staat, en de gedachte, dat deze of gene indringer zijn Eliza van hem mocht vragen, was hem even onaangenaam als warme champagne, zakkenrollers of iets dergelijks. Doch niemand kan zijn noodlot ontgaan, en toen zijn kleine Eliza eens van een reisje naar haar tante was teruggekeerd, kon zij eten noch drinken, pianospelen noch eenig verstandig woord spreken. In zichzelve gekeerd, de groote blauwe oogen met onbestemde uitdrukking op het plafond gevestigd, zat zij doorgaans zwijgend en bewegingloos te peinzen. Daar het plafond echter eerst onlangs opnieuw gewit was en er absoluut geen vlekje aan te ontdekken viel, scheen deze buitengewone manier eer een naderende ziekte dan een lastige, overdreven zucht naar zindelijkheid aan te duiden. „Moeder, onderzoek toch eens, of zij zich niet te sterk heeft geregen,” zeide papa tot mama. Neen, de knoop van den korset-veter zag nog juist op dezelfde plaats, als toen zij naar tante was gereisd. Bovendien was het kind sedert dien tijd eer magerder dan zwaarder geworden. Op zekeren morgen, toen papa na een stevig ontbijt in zijn kamer zat en, zonder zich om iets ter wereld te bekommeren, coupons knipte, verscheen zijn dochter bij hem onder een vloed van tranen. De armen om haar papa s hals geslagen, drukte zij hem zoo hartstochtelijk aan haar berst, als hom sedert zijn verlovingstijd niet meer was overkomen. Daarop ging ze zitten op zijn knie en kuste hem zoo teeder, dat zelfs een Soerates er door in verrukking moest zijn geraakt. En toen kwam het er eindelijk uit: dat zij bij tante een jongen advocaat had leeren kennen en dat zij van dat oogenblik af zoo’n eigenaardig gevoel in haar hart had gehad, dat zij het nauwelijks had kunnen uithouden .... en dat hij zoo verrukkelijk danste .... en vandaag .... misschien aanstonds al. . . zou hij komen, om papa een bezoek te J. G. VOGELt Dr. A. G. H. MULLER + Op 91-jarigen leeftijd is te Velp overleden de kunstschilder J. G. VOGEL, oud-president van Pulchri Studio, Ridder v. d. Ned. Leeuw en Gouden Leeuw van Nassau. — Op 60-jarigen leeftijd is te’s-Gravenhage overleden Dr. A. G. H. MULLER, vroeger gemeente-geneeskundige belast met de armenpraktijk, een algemeen bekend en geacht ingezetene, zeer gezien bij zijn patiënten onder de behoeftige bevolking dier gemeente en bij de politie-ambtenaren. aan wie hij ook geneeskundige hulp verleende. Kardinaal HENSEN. M r. H. G. R. KOLFSCHOTEN. t Te ’s-Hertogenbosch is op 76-jarigen leeftijd overleden Mr. H. G. P. KOLFSCHOTEN, oud-vice-president van het Gerechtshof aldaar. — Tot Directeur van het Nederlandsch Historisch Instituut te Rome is. in opvolging van den onlangs overleden dr. G. Brom, Kardinaal HENSEN benoemd. brengen en . . . zij was zoo vreeselijk bang ... Zij wist, dat papa zoo ontzettend kort aangebonden kon zijn en ... . Papa echter schoof haar van zich af, als was zij van den booze bezeten, en riep een geheel leger onderaardsche machten tot getuigen aan, dat die advocaat, zoo hij het werkelijk dorst wagen hem onder de oogen te komen, geen prettige ontvangst zou te wachten hebben. Zijn dochter drukte bij deze krachtige verzekering haar zakdoek voor de oogen en gaf snikkende te kennen, dat het dan maar voor haar het beste zou zijn dadelijk te sterven. Daarop begaf zij zich naar haar kamer, om in stomme ver twijfeling een paar sentimenteele novelletjes te verslinden. Papa Lingbeek stikte bijna van ergenis en verdriet. Zoo’n onnut wezen, zoo’n advocaat zonder praktijk 1 En zoo maar brutaal de hand naar zijn kleinood, zijn Eliza uit te strekken. Wel had hem zoo nu en dan eens, in de nevelachtige verte, een met bloemen versierd altaar voor den geest gezweefd, waarvoor zijn dierbare Eliza zou knielen, doch zooals vanzelf sprak, aan de zijde van een rijken, voornamen, in elk opzicht uitmuntenden man, die ten minste één ridderorde droeg en eigenaar was van een aanzienlijk handelshuis of zoo iets. En nu . . . zoo’n windbuil, zoo’n slungel1 .. . en Eliza was immers nog maar een kind . . . , hemelsche goedheid, daar wordt waarachtig al geklopt. „Binnen !” Een jonge man, buigende als een knipmes, trad over den drempel. „Ik wilde . . . .” „Ja, ik weet al wat je wilt. Zooeven heb ik van de zaak kennis gekregen. Jij wilt den vrede van een tot heden gelukkige familie verstoren, om niets anders kom je hier...” „Pardon, ik kom om ...” „Ik verzoek u vriendelijk elke woordverdraaiing achterwege te laten. Hier zit ik rustig met vrouw en kind, en daar kom je nu als een bom . . .” „Het spijt mij dat ik u misschien stoor.” „Of je ons stoort ? I Mijnheer, kun je dan niet begrijpen, hoe boosaardig het is, ouders hun kind te ontrukken ? Kunt u . . . .” „Maar dat ligt geheel niet in mijn bedoeling . . . .” „Bedoeling ? O neen, natuurlijk .... Dat kennen we! U zal uw dochter niet verliezen, integendeel, door deze verbintenis wint u nog een zoon. Zoo luidt immers de phrase ? Natuurlijk zal het steeds mijn aangenaamste plicht zijn, den kostbaren schat, waarvan ik u nu beroof, zoo dikwerf mij jnaar mogelijk is, tot u terug te voeren. Niet waar? Dacht je soms, dat ik nog nooit op een bruiloft geweest ben en gehoord heb, welk een onzin de heeren schoonzoons in zulke gevallen gewoon zijn uit te kramen, terwijl de ouders der bruid vervuld zijn van kommer over de naderende scheiding ?” „Mijnheer . . . een betreurenswaardige dwaling ..." „Jawel, een betreurenswaardige dwaling van de ouders is het, aan zulken praat geloof te slaan, want als men zijn ongelukkige dochter eens terug wenscht te zien, moet men zelf de reiskosten dragen en bovendien alle wissels van haar heer gemaal onderteekenen, die zij in haar koffer meesleept. Het is een gruwel....’’ „Mijnheer, ik vind uw privaat-aangelegenheden wel interessant, maar . ., „Maar verder gaan ze u niet aan. Natuurlijk niet. Ge neemt immers maar alleen het meisje met daarenboven zooveel duizend gulden, en als die op zijn, schrijft gij of uw vrouw om meer.” „Maar mijn hemel, ik wilde u eenig en alleen ...” VASTGELOOPEN. De Jan Pieterszoon Coen”, het nieuwste en grootste schip van de Stoomvaart-Mij. „Nederland” werd de voriqe week naar het Oosterdok gesleept om vandaar naar buiten te worden gebracht. In de Manmerbrug bleef de kolossus steken, daar de vaargeul iets te smal was. Na eenige uren hard werken had men het schip er door getrokken. waarbij de brug nogal eenige schade beliep. EEN VLIEGTOCHT. De vorige week Vrijdag daalde de vliegenier van Heyst, die te Soesterberg was opgestegen, met zijn toestel aan het strand te Scheveningen. Als passagier had Lt. van Heyst, kapitein Darlang bij zich. (foto Sije',).
PDF
Nummer
1915, nr.43, 27 mei. 1915
Blad
07
Tekst
3+3 PANORAMA NATIONALE TENTOONSTELLING TE 'S-GRAVENHAGE, georganiseerd door de sub-commissie te ’s-Gravenhage van het Nederlandsche Steuncomité voor Beeldende Kunstenaars in Pulchri Studio, Lange Voorhout. Foto links: Groep der Organisators (De sub-commissie Ned. Steuncomité) V. 1. n.r., zittend: B. A. Bongers, Willy Martens, Mej. R. M. van Dantzig en E. R. D. Schaap. Daarachter: Xeno Münninahoff, E. S. Suermondt, A. L. Koster, J. H. van Mastenbroek en Conrad Rickert. Daarachter: H. J. Haverman, J. G. v. d. Stok. J. v. Noord, B. Ferwerda. André Broedelet en A. M. Luyt. Foto rechts: de dames, die zich welwiliénd belastten met de bediening der ververschingen, waarvoor vrijwillig aardige prijzen betaald werden! ,,Uitplunderen. Daar komt echter niets van in. Of dacht ge soms— „Hoor mij dan ten minste toch aan . . „Nooit en nimmer, zeg ik u f” „Maar wil dan ten minste deze papieren inzien ; dat zijn toch geen . . . „Wat moeten die vodden ? Meent u misschien, dat ik twijfel aan de echtheid van uw diploma’s ? Steek die papieren maar rustig weer in den zak.” „Maar mijnheer, laat mij dan toch eindelijk eens uitspreken, anders moet ik het recht. . . „Wat, wilt ge mij dreigen ? Aha, nu vertoont ge u in uw ware gedaante 1 — Ja zeker, zoodra het kind meerderjarig is geworden, kan het tegen den wil der ouders den eersten den besten vreemden snuiter volgen. Ik wil je echter opmerkzaam maken, jongmensch, dat mijn dochter eerst over twee jaar meerderjarig wordt.” „Maar mijnheer, wat ter wereld heeft uw dochter toch met onze gasrekening te maken ?” „Ga . . . ga . . . gasreke . . . ning ?. . . Wie bent u dan toch eigenlijk, mijnheer ?” „Ik ben de kassier van de stedelijke gasfabriek. De rekening bedraagt vijf en twintig gulden.” Intusschen zaten Eliza en de jonge advocaat in het vertrouwelijkst gesprek in het salon. Papa, wiens kwade bui door het geschetste intermezzo aanzienlijk was afgekoeld, leed bij den nu volgenden stormloop van het verliefde paartje de nederlaag. et electrisch licht ging uit met een geklik van den schakelaar en dompelde de kamer in totale duisternis, die slechts onderbroken werd door een zwakke schemering veroorzaakt door de lantarens in de straat. De tweede kassier van de firma Bruinsma en Co. zonk met een zucht van verlichting in den gemakkelijken stoel van zijn superieur. Zooals gewoonlijk waren zijn collega’s reeds uren geleden vertrokken hem in zijn afzondering alleen latende om staten met onafzienbare rijen cijfers af te werken. Eindelijk was hij met zijn werk gereed en zocht rust voor zijn pijnlijk vermoeide oogen door in een weldadige duisternis te staren. Bernard Richter was overwerkt en werd slecht betaald en dit waren waarschijnlijk de oorzaken van de wilde gedachten die door zijn vermoeid brein joegen. Zooals hij daar zat in de duisternis drong de hopeloosheid van zijn positie tot zijn hersenen door. Waarom werkte hij eigenlijk als een slaaf, tot klokke twaalf uur in den nacht, zooals hij nu gedaan had ? Wat won hij daarmee ? Geld ? Neen ; hij had meermalen om verhooging van salaris gevraagd, tot de nutteloosheid van die pogingen hem had doen zwijgen. Waardeering? Neen; de chef der comptabiliteit had zich nog nimmer moeite gegeven voor Richter een goed woord te doen, hoewel hij op zijn werk zelden aanmerkingen had. Vooruitzichten 1 Die waren er niet 1 Hij had zichzelf deze vragen zoo vaak gesteld, tot de gedachte eraan hem bijna ziek maakte. Dat was niet langer te dulden ! Hij wilde niet langer slavendienst verrichten in een duf kantoor ; hij wou naar de directie gaan, den volgenden morgen, ontslag vragen en als hem naar de reden hiervan gevraagd werd, zou hij zijn patroons deze bittere argumenten in het gezicht slingeren en weggaan, weg naar Indië, Amerika, onverschillig waar, als hij maar ver was van deze gehate muren. Maar des morgens zou op al deze vragen het ontmoedigende antwoord luiden: „Je kunt niet 1 Je hebt geen geld!” en hij zou weer moeten gaan denzelfden treurigen weg, naar hetzelfde kantoor, op denzelfden hoogen kruk in dezelfde eentonige sleur. Hij zou dit gemakkelijker verdragen hebben, had hij zichzelf meermalen gezegd, als het niet was om Betsy, zijn lieve Betsy, die zoo geduldig wachtte, tot hij genoeg gespaard zou hebben, en die zelf zoo ijverig spaarde voor den dag, die nog zoo ver weg scheen. En terwijl Richter daar zat in de duisternis Iuchtkasteelen bouwende, die den volgenden dag weer in puin zouden vallen, viel zijn blik op een donker voorwerp op den achtergrond. Ja, daar achter die ijzeren deur was genoeg om Betsy en hem naar een nieuw vaderland te voeren, waar hij een nieuw en meer succesvol leven kon beginnen. Hij lachte bitter om de speling van het noodlot. Het geld in de kluis was in zijn macht ; hij had den sleutel in zijn bezit. Waarom zou hij er geen gebruik van maken ? Ja, waarom eigenlijk niet ? Wat zou het uitmaken voor zoo’n rijke firma als Bruinsma en Co. ? En wat beteekende het niet voor hem ? Hij zou slechts zooveel nemen als voor zijn overtocht noodig was en iederen gulden uitzuinigen, om zijn schuld terug te betalen. Dat was geen diefstal, slechts een leening. En aan een duizend gulden had hij genoeg voor de eerste behoeften in het nieuwe vaderland. Ja, er was ruim duizend gulden aan goud in de kluis, en goud leverde geen gevaar op om uit te geven, zooals bankpapier. Hij zou ’t doen, morgen kon hij reeds buiten gevaar wezen. Ja. hij deed het, ter wille van Betsy. Half rees hij uit zijn stoel op, betastte den sleutel in zijn zak, doch zonk onmiddellijk weer ineen, verschrikt door schuldbesef. Ja, ’t kost strijd om van eerlijk man een dief ANDRINA SAVELLI, van de Brusselsche „Monnaie”, die als „Mireille” is opgetreden op het Concert in den Haagschen Schouw burg ten bate van de Beeldende Kunstenaars. ABR. DE WINTER, de populaire karakter-komiek, vierde de vorige week in de Haagsche Bioscoop zijn 35-jarig tooneel-jubileum. ANDRINA SAVELLI IN DE ROL VAN „MIREILLE”. (Ie Acte). te worden. Op dit óogenblik vangt zijn oor een licht knarsend geluid op. Het komt van het venster, waar hij de schaduw ziet van een gebogen gestalte. Richter zit onbeweeglijk als uit steen gehouwen. Langzaam en voorzichtig gaat de gestalte voort met haar nachtelijk werk. Een voorwerp als een potlood gaat over het glas en teekent vier lijnen, dan een zacht gekraak, een smalle hand komt door de kleine vierkante opening, schuift geruischloos den grendel weg, nog een oogenblik en een man staat in de kamer, die met behulp van een dievenlantaarn de duisternis doorzoekt. Het onderzoek schijnt bevredigend, want de man gromt voldaan en begeeft zich naar den hoek van het vertrek, waar de kluisdeur zich bevindt. Richter twijfelde geen oogenblik aan de bedoelingen van den vreemde, terwijl hij daar weggedoken, zat in den stoel, nauwelijks adem durvende halen en zich afvragende, hoe dit avontuur eindigen zou. Hij was geen lafaard, maar dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan dat hij zich nog nauwelijks in de werkelijkheid kon indenken. Het zou niet het minste nut hebben uit het duister op te staan, want wat kon hij doen, tegen een man zooveel forscher dan hij en die bovendien wel met een revolver gewapend zou zijn. Al de plannen die zijn geest hadden bezig gehouden, waren weggevaagd, alleen de plicht bleef over. Hij was aansprakelijk voor den inhoud van de kluis en zou dezen redden, ’t kostte wat het wilde. Kon hij de kamer uitsluipen en politiehulp inroepen 1 Neen, dat was onmogelijk : in deze beperkte ruimte en in die doodsche stilte, zou het minste geluid door den inbreker gehoord worden. Terwijl Richter hierover nadacht, hoorde hij een geknars aan het andere eind der kamer en opnieuw een tevreden gebrom. Hij begreep wat er plaats had : de kluisdeur was door hem nog niet gesloten, de dief had hem dus zonder moeite, alleen door een draaien van de handel kunnen openen. Maar nu had Richter zijn kalmte weer volkomen terug. Voorzichtig lichtte hij den arm op tot aan den wand. Daar, in zijn bereik zat de knop van het electrisch licht. Klik ! ging de schakelaar en op hetzelfde moment was het vertrek hel verlicht. De inbreker was door deze allerminst verwachte gebeurtenis volkomen verrast en versuft en pinkte in het electrisch licht. Dat was hem noodlottig, met den sprong van een tijger is Richter bij hem en geeft hem zoo’n krachtigen vuistslag tusschen de oogen dat de inbreker verdoofd neervalt in de kluis. Met ongewone kracht werpt Richter de zware deur dicht en doet ze op slot. Met een zucht van verlichting blijft hij daarna een oogenblik tegen de kluisdeur geleund staan-, waarachter hij een dof gevloek en verwenschingen hoort. Doch nu het gevaar voorbij is, komt de reactie, de kamer draait rond voor zijn oogen en zonder een woord te slaken, valt hij bewusteloos neer. De ondervonden emoties waren te sterk voor zijn overwerkt brein. ♦ * ♦ Toen Bernard Richter de oogen weer opende, lag hij niet langer op den grond in het kantoorvertrek, maar op een gemakkelijken divan in de directeurskamer, terwijl de heer Bruinsma in angstige verwachting over hem heengebogen stond. „’t Is goed afgeloopen, mijn jongen,” zei hij vriendelijk. „Je hebt een vermoeiende taak gehad gisteravond, maar het had erger kunnen wezen. Neen, zeg niets, vermoei je niet,” ging hij voort, toen Richter zich wilde oprichten, „dat kan wachten tot je goed geslapen hebt.” „Maar ik moet,” hield Richter vol met zwakke stem. „Hij zal sterven als hij er niet gauw uitgehaald wordt en dan ben ik zijn moordenaar.” „Wat bedoel je ?” vroeg de firmant verwonderd en nu vertelde Richter hortend en stootend wat er na middernacht gebeurd was. De heer Bruinsma zou nu met zijn ziel borg staan voor zijn eersten kassier Richter, zonder in ’t minst te vermoeden, hoe weinig het gescheeld had of hij was bestolen door den man, die nu zijn geld gered had. IN VERZOEKING
PDF
Nummer
1915, nr.43, 27 mei. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 344 DE GEMEENTERAAD VAN ROERMOND, gefotografeerd ter gelegenheid van de herdenking van de 100-jarige inlijving van Roermond bij het Koninkrijk der Nederlanden. (foto Wccrs). vermoorden,” merkte ik op. De kapitein schoot op eens in een hartelijken lach. „Mijnheer Verschuur,” zei hij „heb je mij niet eens verteld dat die gekke ouwe paai — excuseer, ik bedoel je oom --- last heeft van rheumatiek ?” „Ja, dat is zoo 1 Hij houdt soms klaagliederen, welke die van Jeremia in lengte beduidend overtreffen.” „Luister, ik heb een plannetje!” Hij leunde over de heg en fluisterde mij iets in het oor. „Bravo, kap’tein !” riep ik uit, toen hij mij zijn plan geopenbaard had. „Er is een goed novellist in u verloren gegaan. U heeft talent om een complot te smeden.” „Dus je stemt toe?” „Zeker ! Ik zal mijn rol er in spelen, maar — ik ben niet verantwoordelijk voor uw handelingen.” De kapitein grinnikte, terwijl hij weer aan zijn arbeid toog en toen een uur later zijn vrouw opnieuw met een glas van haar brouwsel kwam aandragen, dronk hij den lijdensbeker zonder mopperen tot den bodem alleen opmerkende, dat de wijn zoo sterk was dat deze hem naar het hoofd steeg. EEN GROMPOT door PIET VERSCHUUR (Vervolg). g^^Il^g^^aarom krijg ik nu driemaal daags haar afS' schuwe!ijk brouwsel te slikken, dat volkomen J fe onschadelijk is, zegt ze, en zeer weldadig op gjj KWOI mijn verstand werkt! Wees dus niet al te gjl verbaasd als je dezer dagen hoort, dat ik twwmwwiJ gebarsten fcen< gn denk er aan, dat wanneer dat gebeurt, jij voor de rechtbank getuigt, dat ik met voorbedachten rade vermoord ben!” „Maar waarvoor heb je dan toch eigenlijk een vrouw ?” „Maar waarvoor heb jij dan toch eigenlijk je oom Jacob ?” „Kan ik nou helpen dat ik een oom heb?” „En ik kan niet helpen, dat ik een vrouw heb. Ik trouwde haar niet; ze deed het mij. Heb ik je niet verteld, dat ik haar het hof maakte om kapitein Blink, van de „Heemskerk” in zijn kielzog te varen. Ik heb altijd met Blink overhoop gelegen, en toen ik zag, dat hij een oogje op Mina had, begon ik ook naar haar te vrijen en — voor ik goed wist waar ik was, had ze me getrouwd. Als ik nou Blink tegenkom, kijkt hij me woedend aan, omdat Mina met mij getrouwd is en ik kijk hem nog woedender aan, omdat hij haar niet getrouwd heeft. Het klinkt misschien berouwvol, maar ik zou Blink alles vergeven als hij haar schaakte.” „Zeg, kapitein, als je nu eenmaal wil hebben dat ze wegloopt, laat ze ’t dan met mijn oom doen, dan zijn we allebei gebaat! ’ „Sst 1” zei de kapitein tragisch, „daar komt ze 1 Hmm !” Mevrouw Blommers kwam den tuin in met een groot glas. Ze knikte stijfjes tegen mij en zei toen ; „Hier, Blommers, drink dit op I” „Zet maar even neer, lieve, ik zal het aanstonds uitdrinken, als ik met mijn werk hier klaar ben.” „Nee, nee ! Drink dadelijk uit! Ik moet het glas omwasschen.” Pastoor VERBRAAK vierde 24 Maart te Malelang op Java zijn 80sten verjaardag. Het merkwaardige is, dat deze grijsaard 43 jaar onafgebroken in Indië heeft vertoefd waar hij o.a. de Atjeh-oorlog als Aalmoezenier van ons leger heeft medegemaakt. Dr. H. P. v. PRAAG Sr. te Oudewater herdacht 26 Mei den dag, waarop hij 66 jaar medicus was. Dagelijks nog kan men voor zijn woning de tram zien stilhouden waaruit patiënten stappen, die hem komen consulteeren als specialist voor galen leverziekten. Allen, die hem kennen, wenschen ongetwijfeld den krassen 88-jarigen dokter, dat hij nog lang voor zijn vrienden en pa tiënten gespaard moge blijven. Aan het diner d;en middag stelde oom Jacob een nauwkeurig onderzoek in naar onze inkomsten en uitgaven. Hij was verschrikt over onze gasrekening en raadde mij aan onmiddellijk een watermeter te nemen. Voorts wilde hij er mij toe overhalen om mijn reclame in te dienen over de inkomstenbelasting. Terwijl hij aldus voortging zijn neus in mijn zaken te steken, verhardde mijn gemoed en kwam ik tot het besluit den kapitein op hem los te laten. Ik gaf hem dus in alles volmondig gelijk en merkte terloops op dat ik door den guren noordenwind van morgen in den tuin bepaald rheumatische pijnen opgedaan had. „Rheumatiek 1” riep oom gretig uit. „je weet niet wat dat is. Als je een flauw vermoeden had welke onduldbare pijnen ik op het oogenblik in de vingers van mijn rechterhand heb, zou je niet durven spreken van rheumatiek! Wat weet jij van rheumatiek ? Weet je wel dat ’t de grootste moreele inspanning kost om de hevigste smart te verduren en te gelijker tijd een verstandige en aangename conversatie te leiden.” {Wcrdi vervolgd} HET HOOFDBESTUUR VAN DE LIBERALE UNIE, gefotografeerd ter gelegenheid van de Algemeene Vergadering op 22 Mei 1915 in „Parkzicht” te Amsterdam. V. l.n.r.: de heeren D. de Klerk: mr. A. F. v. Hall; mr. J. v. Gilse; mr. M. M. Schim v. d. Loeff; D. J. v. Houten; mr. P. Rink, onder-voorz.; mr. D. Fock, voorz.; A. Roodhuysen, secr.; W. P. Kops; mr. H. Smeenge; 1. E. L. I. Breda Kleynenberg; J. B Ament, adj.-secr. Met een wanhopigen blik op mij, dronk de kapitein het glas leeg. HOE DE ASPERGE GEOOGST WORDT. Een barstje in de gladgestreken bedden geeft de plaats aan waar er een zal doorbreken. Die wordt dan uitgegraven en afgebroken of afgestoken. „Kan ik u ook dienen met een glas kruidenwijn, mijnheer Verschuur? Het is verwonderlijk zoo goed als mijn man er zich bij bevindt.” Diplomatiek antwoordde ik, dat ik gaarne van haar welwillend aanbod gebruik zou maken, doch dat ik zware hoofdpijn had en vreesde dat dit er erger door zou worden. „O, maar daar is mijn kruidenwijn uitstekend voor,” antwoordde mevrouw Blommers op een toon, die geen tegenspraak duldde. „Als de kapitein hoofdpijn heeft gaat ze er dadelijk mee weg. Ik zal uw vrouw het recept ervan geven !” Zij stevende weg met het leege glas, terwijl de kapitein haar somber nakeek. „Dat is nou net iets voor haar om twist en tweedracht te zaaien in eens andermans huishouden. Als het mij niet tegen de borst stuitte om een vrouw te slaan, zou ik haar een opstopper verkoopen, die haar weer tot haar zinnen zou brengen.” „Misschien is het gelukkig voor sommige lieden dat een zedelijk vooroordeel den mensch verbiedt, om zijn oom te Het „bossen” der asperges. o ASPERGES o EEN ASPERGEVELD. Het ophoogen der bedden teneinde de asperge zoo lang mogelijk te doen uitgroeien onder den grond. E n weet U hoe de asperge verkregen wordt ?’’ Doe die vraag in deze enkele weken dat de meest aristocratische aller groenten op ’tmenu prijkt en van Uw tafelaenooten zal er op de tien wellicht geen enkele zijn, die wat meer van de blanke stengels afweet dan dat zij „onder den grond groeien”. En juist de aspergeteelt is zoo interessant. Zoo heel anders dan die van andere groenten. Minder banaal. Peen, nietwaar, trek je zoo uit den grond als het loof groot genoeg is. Bloemkool zie je zoo maar „riip worden”; spinazie is niets dan duizenden simpele blaadjes. In elk liefhebberij moestuintje tref je kropsla en rabarber... Met de asperge is het anders. Zooals de perzik onder de vruchten, de orchidee onder de bloemen, is de asperge de aristocrate van de groenten. Door haar uiterlijk al, door haar blank voorkomen en de mooie gelijkmatige bossen. Dan door den prijs, ja natuurlijk door den prijs, die zelden zoo laag daalt, dat zij binnen allemans bereik valt. En niet het minst door de zorg-eischende teelt. Enkele jaren duurt het aleer de aspergeplant eetbare wortels geeft. Want de witte stengels zijn niets anders dan de vïeezige spruiten van den wortelstok der aspergeplant. Een jaar na het uitzaaien wordt het plantje overgeplaatst in een los-zanderigen bodem (Westland, Voorne, Bergen op Zoom). Naarmate de wortels opwaarts groeien, wordt de grond opgehoogd, zoodat die eigenaardige „bedden” ontstaan, welke speciaal aan de aspergecultuur eigen zijn. In die bedden dringt de asperge opwaarts naar het licht... naar haar einde. Want daarop is de cultuur ingericht: dat zij tot vlak onder de oppervlakte doorgroeit en geoogst wordt, juist vóórdat zij doorbreekt. Want is zij eenmaal in het licht, dan wordt de stuwende kop direct blauw gekleurd. En ofschoon dit niets aan den smaak afdoet, wellicht door het minder ooglijke is de prijs wel 25 o/o lager. Dus let de tuinder goed op het juiste moment van oogsten. De bedden worden daartoe met een blokje volkomen glad gestreken. Voortdurend, doch vooral in den ochtendschemer, vóór het licht ontledingskracht heeft, wordt gezocht naar barstjes en scheurtjes in die gladde oppervlakte. Want die wijzen aan. dat een asperge op het punt is door te breken. Voorzichtig wordt de aarde rondom met de hand weggegraven en zoo diep mogelijk de asperge afgebroken of afgestoken. Het gat wordt weer gevula. weer gladgestreken en speurend gaan de oogen weer over de bedden. Geen barstje ontsnapt aan de geroutineerde oogen ... Zoo uit de aarde heeft de asperge nog niet het blanke voorkomen als bij den verkoop. De vuilbruine schillen worden dan ook verwijderd: „geschroeid ’ worden ze en daarna „opgebost”. Een uitgehold houtblokje van vasten inhoud bepaalt de grootte der bossen. In het Westland komen meer dan 200.000 bos per seizoen aan de veiling. Dat seizoen is maar kort: van begin Mei tot 18 Juni. Die datum is de traditioneeie dag, waarop de huurder, die zijn planten sterk wil houden zoodat zij een tiental jaren rendabel zijn, ophoudt met snijden. NEDERL. ROTOCRAVURE-MAATSCHAPPIJ. LEIDEN.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1611 tot 1615 van 11897