|
PANORAMA 334
DE BRAVE BRUIGOM
EEN NIEUWE STU DENTEN-SOCI ËTEIT.
Te Amsterdam heeft de plechtige opening plaats gehad van de nieuwe Studenten-Sociëteit „Nos Jungit Amicitia”, in het gebouw „Eensgezindheid”. Op den
voorgrond mr. C, P. van Eeghen, mr. van Brakel, dr. Delprat, prof. Bruining, burgem. Tellegen, van de Zande, rector v. h. Stud.-Corps, mr. Romme, prof. Scholte.
de Waal was altijd een van de gezelligste
plakkers van onze kletstafel in ,,Polen” geweest.
Wat kon hij genoeglijk-ouderwets doorslaan,
druk gebarend achter zijn zooveelste
Urquell; hoe kon hij de vroolijkheid erin
houden wanneer menig onzer reeds wat
saai keek en op den glanzend gladden asfaltvloer der
Kalverstraat nog slechts schaarsche voorbijgangers langs
ons venster tippelden.
Wiewaseenjdominospeler
ais hij ? Wie hanteerde
de Biljartkeu, dat de
omstanders bewonderend
het hoofd heen en weer
bewogen en qualificaties
als „een professeur, gewoonweg”
van hoogachtende
lippen gleden? Wie
kegelde met zulk een
kracht en zuiverheid? En
bovenal, wie kon ons met
zijn gemoedelijke kwinkslagen
nog na den langen,
vermoeienden dag uren
op de been houden en aan
een straffe whiskey soda
zijn geest nog lang uit
den slaap omhoog hijschen
? Het was Jaap de
Waal, zooals ge reeds lang
begrepen hebt, vriendelijke
lezers. O, en Jaap
was nog veel meer, Jaap
was alles wat er maar
aan leutigs denkbaar was,
hij bleef in onze herinnering
leven als een der
plezierigste kerels, die er
ooit met het hoofd omhoog
door dit aardsche tranendal hebben rondgepassagierd.
In onze herinnering, zeg ik, want Jaap , voor een jaar
naar Haarlem vertrokken, zat al lang niet meer temidden
van zijn oude kameraden aan de kletstafel, en werd door
ons, zijn achtergelaten betrekkingen, aldoor nog steeds diep
betreurd. Tot op een avond zich het belangwekkend feit
voordeed dat Weel, Jaap’s vroegere intiemste vriend, een brief
van Jaap uit zijn zak haalde en dien aan ons, diepverbaasde
oud-kameraden, voorlas. Jaap ging trouwen en noodde ons
allen op zijn bruiloft. We namen aan, hè. Dat spreekt. En
zoo geschiedde het, dat we alle vier (want we waren nog
met ons vieren overgebleven) ons op een knussen voorjaarsmiddag
aan het centraalstation voor Haarlem inscheepten
om het trouwfeest van den onsterfelijken Jaap te gaan
bijwonen.
Op den gestelden tijd, om drie uur prompt, stonden wij
op de stoep van de woning der bruid, en onze feeststemming,
dien voormiddag in de Bodega door een enkelen vermouth
(met een tik) verhoogd, wies voortdurend. Het vooruitzicht
van de heetgloeiende fuif, die ons wachtte, deed
onze weelderige ceiibatairstronies glanzen van verrukking.
Ha, als Jaap uitpakte, Jaap dien wij nu al zoo’n tijd achtereen
niet gesproken hadden, en die zijn hartelijkheid en
vriendschap zoolang had moeten opzouten — Jaap, die te
Amsterdam een Lucullus, een Sardanapalus, in èèn woord:
een veelzijdige lekkerbek en een diepe gewetensvolle fijnproever
was, — als Jaap uitpakte, i. c. door zijn schoonouders
uitpakken liét, nu .... dan zou het in orde zijn.
We neurieden met een blik van verstandhouding reeds een
eens te Amsterdam inheemsch bacchantenrefrein, en onze
gehemelten snakten gelijk hijgende herten.............
De deur werd geopend dóór een dienstmeisje dat heel
niet tegen ons glimlachte. Dit laatste feit bevreemdde ons
reeds een weinig. Onze tweede verwondering gold den aanblik
van de ontvangkamer, een ruim vierkant vertrek, hygiënisch
gestoffeerd, d. w. z. zoogoed als niét gestoffeerd ;
afsponsbare muren en vloer, waschbare gordijnen, rechtHet
nieuwe politie-bureau te Nijmegen.
hoekige, Licht-eiken meubels als angstwekkende grillige
geraamten, eveneens afneembaar. De eenige versiering
bestond uit een reusachtige tinnen schaal met Cura$aosche
mangelen. Onze derde verbazing wekten de aanwezigen.
Ofschoon allen lieden van goeden huize, hadden ze iets
kouwelijks en armoedigs aan zich, terwijl hunne gelaatstrekken,
ofschoon zachtzinnig, toch tevens iets fanatieks
en propagandistisch vertoonden. Jaap was de eenige. die
onder dit belangwekkend en degelijk gezelschap den indruk
maakte, dat hij evenals wij, maar een mensch was; met
zwakheden, goed, doch ook met de plezierigheden, die den
gewonen mensch kunnen aankleven. Het was, ofschoon
de temperatuur er eigenlijk aangenaam kon heeten, toch
DE NIEUWE STUDENTEN-SOCIËTEIT.
Het bestuur van de Sociëteit. V. 1. n. r. J. H. de Jong, tweede commissaris,
J. S. Th. C. Speyart van Woerden, ab-actis.; Fr. H. A. de Graaff, praeses; W. H. J. Ivens, Quaestor; D. van Deventer, eerste commissaris. N. H. de
Graaf, derde commissaris.
bevriezend koel, tusschen deze afgemeten, en mag ik zeggen :
óver degelijke lieden. Ik had mijn kraag wel op willen zetten.
Was hier iets in de lucht, dat mij aan Nova Zembla
denken deed? De warme handdruk van Jaap voerde mij
als het ware van deze expeditiereis met luitenant Shackleton
huiswaarts in de gemeenzamer temperatuur van het
Amsterdamsche vaderland.
We werden voorgesteld aan Jaap’s nieuwbakken echtgenoote,
een aardig frisch menschje, wier bekoorlijkheden
echter spoorloos werden vernietigd door een gladde tricotachtige
reformjurk van doodelijk flauwe kleur en een nog
gladder kapsel ; aan de schoonouders, den heer en mevrouw
Reeding, edeldenkende lieden ; dat zag men bij den eersten
oogopslag. Mijnheer droeg een goudblonden baard, een
lavallière en gevlochten rijglaarzen ; hij droeg nog wel meer
kleeren, maar die waren niet opvallend. Mevrouw was in
een lap van dezelfde flauwe kleur als die van haar dochter
gerold, en heur haar was zoo plat om haar hoofd gelegd,
dat dit schier een blondgeverfden kalen schedel geleek. Er
waren drie dochters behalve J aap’s vrouw ; zij geleken met
kleine variaties allen op de moeder. Nog eenige dames en
heeren, van ongeveer dezelfde snit als de gastvrouw en
den gastheer, waren in dit hygiënisch vertrek aanwezig.
Een dienstmeisje presenteerde thee en gebakjes. Tevergeefs
zochten onze blikken naar eenig blad met glazen, flesschen
of karaffen in den omtrek. Den eenigen alcohol, dien
wij op dit feest ontwaarden, was een spiritus-lichtje onder
den waterketel op het buffet. Niet zonder grimmigheid
slikten wij op dit uur de heete thee en vergruizelden de gebakjes
met even lange ais kwaadaardige tanden. De gastheer,
een beminnelijk man, praatte inmiddels voortdurend met
ons, en glimlachte daarbij telkenmale zeer zachtzinnig, en
volkomen zonder reden. Zonder reden, zeg ik u, want, bij
Jupiter, er was hier niets om te lachen, tenzij dan diezelfde
zachte zachtzinnigheid van mijnheer Reeding, vergeleken
bij de bazige flinkheid van zijn vrouw en dochters, die hier
de lakens van het feminisme naarstiglijk uitdeelden. Dat
had zelfs een pasgeborene met eenigen goeden wil kunnen
observeeren.
Jaap was gezellig als vroeger. Zijn plezierige, niet gewichtige
gezicht stak nogal af tegen de edele rechtschapen gelaatstrekken
zijner thans definitief aangetrouwde omgeving.
Slechts één ding aan hem viel ons op : hij had iets . . . iets
gehandicapts over zich. Ja, men kon zich verbeelden, dat
hij een soort van dwangbuis onder zijn frak droeg. Hij was
spraakzaam en vroolijk, maar bleef nooit heel lang met denzelfden
persoon praten. Zijn gansche verschijning hier deed
aan als die van een kat in een vreemd pakhuis, of, gelijk men
ook wel zegt: een gek in een kolfbaan. Hij bespeurde onze
duizelingwekkende diepe verbazing om dit gezin en dezen
bevroren levensstijl, maar niet zoodra ving hij een onzer
vragende blikken op, of hij knipoogde ietwat geheimzinnig.
Al spoedig waren wij overtuigd, dat in de ziel van dien dierbaren
Jaap een tafereel van grootsche binnenpret werd
ontrold. Hij had een geheim onder de leden, en zijn speelsche
geest vermaakte zich tot in het weerzinwekkende daarmede.
Eenmaal zag ik hem vol geheime verstandhouding
ons allen, zijn oude vrienden,
als het ware omvangen
in één weidsch knipoog
vol verstandhouding.
Onze gefolterde zielen
weerspiegelden zich op
onze gezichten in een
getemperd grimassenspel;
te vertalen als:
„wat een kale boel,” „dat
wordt hier een teraardebestelling,”
„had ons
aan de kletstafel in „Polen”
gelaten,” „wél gecondoleerd,”
enzoovoorts.
Wie schetst echter onze
vreugde (ik zeker niet)
toen een dienstmeisje met
glazen Port verscheen.
Jaap’s binnenpret steeg
hier tot een soort van
mysticisme; zijn gelaat
scheen een roode lampion.
Wij dronken, en . . . het
was of een onzichtbare
hand ons een aardverschuivenden
muilpeertoediende.
Wij rilden van afschuw,
smakten zacht, kokhalsden
verholen. Was het
aangelengde bessensap met dropwater vermengd en een
snufje borsthoning ?
Of wat ter wereld was het ?
We keken temidden van ons afgrijzen Jaap aan.
Die lachte stiekum-blijmoedig, en stond, naar ons knipoogend,
in zijn kopje thee te roeren.
Inmiddels kwamen nog verscheidene andere gasten,
en Jaap maakte van de drukte misbruik om ons mannen
der kletstafel, mee naar de suite te nemen, teneinde ons
daar quasi eenige geschenken te laten zien. In waarheid
echter voerde hij ons met een vertoon van allerlei dwaze
gebaren naar een groote kelderkast. Op bloedverstijvende
wijze fluisterend, telkens schichtig gelijk een opgejaagde
hinde zijwaarts springend bij het minste gerucht, deelde hij
ons mede, dat zijn schoonouders en hun dochters allen
strenge geheel onthouders waren „maar ons nemen ze
niet,” voegde hij er, griezelig dof fluisterend aan toe, —,, aan
ons lijf geen polonaise, o zoo,” en geruischloos schrapte hij
een lucifer aan, deed een gaspit opfloepen. „Ziehier wat ik
herwaarts wist binnen te smokkelen,” zei hij geheimzinnig, en
hij wees naar een plank, die beladen was met de zoetste
heerlijkheden gelijk een aardsch paradijs. Een buikige flesch
Bénédictine met zijn eerbiedwaardige zegels stond naast
de mat gemerkte heldere literflesch met vergiftig - groene
Chartreuse ; de bruine kelderflesch van Cointreau’s Triple
- Sec deed degelijk naast wufter uitziende, kantige karaf
met Elixir d’ Anvers. Achter dit adele stilleven was een
fond van flesschen Port en Sherry. Op den voorgrond bloeiden
kristallen kelken als tulpen op, en een geopende kurketrekker
en opgevouwen theedoek flankeerden deze dierbare
heerlijkheden. We hieven allen een gejuich aan, dat
echter ook weder in de geboorte werd vermoord, en in een
soort van diep, onderaardsch gezucht ontaardde. Wanneer
DE „HAAGSCHE ZANGERES”.
Het ook bij vreemdelingen welbekende Haagsche straattype
Josephine, is nu in het Bestedelingenhuis ondergebracht en bij
vergelijking met de foto op pagina 330 .ziet men dat haar
uiterlijk al zeer veel in haar voordeel veranderd is.
|