Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1601 tot 1605 van 11897
Nummer
1915, nr.42, 24 mei. 1915
Blad
10
Tekst
PANORAMA 330 „Een bedelares”, die haar wijk weet te kiezen. je wat in dezen tijd het gevaarlijkste is, it je doen kunt?” vroeg ons onlangs een ede vriend. We raadden van allerlei. Op alles zei hij „neen”. Totdat we het opgaven en hem beleefd verzochten zijn grapje te luchten. En goedmoedig deed hij het. Reizen is het allergevaarlijkste, zoo was zijn oordeel. Waarom? — Wel, ’s morgens ga je rustig van huis, op straat in de stad van je inwoning merk je niets, de trein vertrekt op tijd, komt op tijd aan (als ’t niet precies op tijd is, noem je het ook niets bijzonders), je stapt het station uit. .. floep, daar komen drie of meer jonge dames naar je toe, boeketjes worden je onder je neus geduwd, in je hand gestopt, aan je jas vastgemaakt ’t Is bloemendag ten bate van .... Vul die puntjes zelf maar in, lieve lezeres en beste lezer, die het met mijn vriend eens zijt, dat de „gepermitteerde bedelarij” een van de weinige instituten is, welke door de mobilisatie eerder meer uitgebreid, dan beperkt werd. ’t Is ons zelf overkomen, dat we op één dag in vier verschillende plaatsen, voor goed geld en om een lief gezicht, drie bloempjes (twee valsche en een echte), en één vlaggetje op den revers van onze jas gestoken kregen. * * ♦ Om een lief gezicht.... Hebt ge wel eens studie gemaakt van de jonge dame, die op liefdadigheidsdagen haar werk verricht voor het goede doel, dat haar harte stal (of dat van een goede kennis of van iemand waarom ze wat te geven heeft)? Niet? Wij wel. En ’t is een interessante studie. Hoe kan het ook anders! Wat een aardige variatie in karakter, in opvatting, in ernst en in geschiktheid. Je hebt dames, die je een muntje uit je zak kunnen tooveren, in ruil voor een liefdadigheidspenning, -bloem of -vlaggetje, terwijl je dan nog het gevoel hebt van „och, wat ben ik blij, dat ze mij niet overgeslagen heeft”. Wij kennen er een, natuurlijk een allerliefst figuurtje en een alleraardigst pittig snuitje, die in den regel voor haar rekening meer weet te verkoopen, dan a.1 haar bedelzusters samen. En vraagt ge ons of ze brutaal optreedt of onbescheiden, dan is het antwoord naar waarheid: Absoluut niet. Wie haar op straat niet tegenkomt, is in zijn woning EEN ONSCHOONE „GEPERMITTEERDE” BEDELAAR. Een buldog die voor het Duitsche Roode Kruis gelden inzamelt en het blijkbaar met veel succes doet. DE BUIT WORDT GETELD. — Resultaten van den bloemendag voor het Joodsche Nationaal fonds. EEN ONSCHOONE „ONGEPERMITTEERDE-’ BEDELARES. — Als een typische tegenstelling geven wij hier de bekende Haagsche „zangeres” Josephine. Zij heeft haar beroep thans opgegeven en geniet nu rustin ’t Gemeentelijke Bestedelingenhuis (zie foto pag. 334 ) binnen en over de grenzen niet veilig. Aanbellen, ’n kaartje afgeven, mevrouw of mijnheer persoonlijk willen spreken, nou ja, dat-is het aanloopje. Maar als ze eenmaal aan het praten gaat, dan is er niets opdringerigs in haar manieren, neen, daarvoor is ze te tip-top-lady. De „slachtoffers” koopen, geven royaal en zeggen dankje, alsof hun een plezier werd gedaan. En ’t ligt niet in haar aangenaam uiterlijk alleen, ’t Is de tact en de ijver waarmee ze optreedt. * * * Voor zulke verkoopsters hebben wij diep respect. Gij herkent trouwens direct het „goede” soort. Aan de manier waarop ze op je aan komen stappen. Niet houterig, niet aarzelend, niet alsof ze je lastig komt vallen. Neen, doodleuk, aardig, ongedwongen, zoodat je als man zegt: Dim, dom, wat een schat van ’n meiske, ik wou, dat die me ereis aansprak, daar zou ik wel een bloempje van willen hebben. En je als dame zegt: ze doet het werkelijk geschikt. De tegenstelling onderscheidt ge ook direct. Piekerig en houterig, slecht gekleed en zonder tact, net altijd de menschen uitkiezend, die pas iets gekocht hebben en door het herhaalde gevraag kribbig worden. Arme ziel. Er zou een handboek over het „goede, gepermitteerde bedelen” te schrijven zijn en het is een voordeel voor de(n) OVER HET HEKJE. auteur, die zulk een werk ondernemen gaat, in tegenstelling met Bernard Canter, die zich indertijd heel wat beproevingen en opofferingen getroosten moest om zijn welbekend geschrift over de bedelarij te schrijven, dat men bij de voorstudie zoo maar in z'n gewone pakje kan blijven rondloopen. en dat het te bestudeeren materiaal de fine fleur der jeugd is, gezwegen nog ervan dat, zooals gezegd, de gelegenheid voor deze bestudeering eiken dag bijkans wordt geboden. Dat handboek zou dan niet bestemd zijn voor de ideale verkoopster, die een „bedelares” met geniale aangeboren gaven is, noch voor de „stumper” die het nooit Een tactvol woord en een vriendelijk gezicht doen wonderen. leert, doch wel voor de tusschensoort, de groote middenstof, die oefening noodig heeft om, in belang van het goede doel en tot genoegen van de „bebedelden”, tot beter resultaten te komen. * * * Zoo er in onzen lezerskring personen zijn, die er iets voor voelen, zij vinden onderstaand de hoofdstukken aangegeven, welke in een dergelijk werk niet mogen ontbreken. Wettelijke bepalingen betreffende de inzamelingen aan de huizen en op de publieke straat. Welke voorwerpen verkoopen zich het beste? Hoe werkt men het gemakkelijkst op de menschelijke ijdelheid? Wie moet vriendelijk, wie vrij, wie bedeesd, wie met beslistheid worden aangesproken ? De psychologie der menigte. Geschikte punten. Is verkoop binnenshuis mogelijk en hoe? Publieke middelen van vervoer en plaatsen van vermaak. * * ♦ Natuurlijk kan dit lijstje naar eigen smaak en opvatting aangevuld worden. We geven het alleen maar, om ereis te laten zien, wat er alzoo aan het onderwerp vast zit. ♦ * * Op deze pagina hebben we, als naar gewoonte, verschillende plaatjes verzameld. Goede voorbeelden van gepermitteerde bedelarij binnen en over de grenzen. Het zal onzen lezers zeker aangenaam zijn, dat wij ook met prentjes kwamen uit het buitenland, evengoed als van binnen onze grenzen. Aan hun borst ontsnapt wellicht heimelijk de zucht: plaatjes van buiten de grenzen zijn nog te accepteeren, als de vraagpartijen zelf dan maar, wat aantal betreft en wijze van organiseeren, binnen de grenzen van het opbrengbare blijven. 4 * * * Iets waaraan blijkbaar onze bovengenoemde vriend heel erg twijfelde. En hij niet alleen! Gepermitteerde bedelarij
PDF
Nummer
1915, nr.42, 24 mei. 1915
Blad
11
Tekst
331 PANORAMA Kunsttentoonstellingen te Amsterdam kl. van leeuwen, - Hortensia’s <3. Westermann - „’t ‘Js vechtens tijd, woo vechten helpen mag”, ((sijsbrecht van TfrnsteL) De Onafhankelijken. Yk/e zijn op een regenachtigen dag naarde Onafhankelijken gegaan. Het is een heel eind. In de zaal was weinig bezoek en veel water; dit laatste deels geschilderd en grootendeels echt. Het lekte; ’t zag er zoo uit naar een wrakke boel die op z’n eind loopt. Voor vele schilderijen lag ’n inundatie, en dat is misschien niet kwaad — om erger te voorkomen. Nu zijn ze ongenaakbaar. Er waren nog ’n paar dingen die ons troffen: een kast met aardewerk, dat allicht niet oud, maar heel smaakvol van vorm en kleur is; en achter in de zaal een groote tak lelie’s en rosé rozen, die er zoo voornaam uitzagen en zoo discreet geurden, dat we telkens weer tot dat brandpunt der tentoonstelling, dat stukje natuur, terugkeerden. Iets was er overigens dat ons in deze tentoonstelling niet op z’n plaats leek: een reeks portretten en portretstudies van Spoor. Die zijn nu letterlijk van alles afhankelijk, geheel beheerscht als ze zijn door vakkennis, vaardige techniek, juist begrip van compositie, goeden smaak, gevoel voor kleur en lijn, beschaafdheid. Daar moet wat tegen gedaan worden .... St Lucas. In Sint-Lucas was ’t ook al stil. Er zijn de laatste jaren veel te veel schilderijen te zien; het publiek is er geblaseerd van. Misschien ligt de wonde plek ook hierin: is er nog wel publiek? Het publiek schildert tegenwoordig immers zelf. Volgens de opgaven van het Centraal Bureau voor de Statistiek schilderen alleen in Amsterdam en Den Haag 92.38 pCt. van de mannelijke en 97.13 pCt. van de vrouweiijke bevolking, huisschilders en schildwachten niet meegerekend, omdat de eersten door de mobilisatie abnormaal af-,de laatsten om dezelfde reden abnormaal toegenomen zijn; in’t Gooi Frans Hogerwaard, - pierrette bevinden zich slechts 17 non-schilders, waarvan 4 wegens totale afwezigheid van alle ledematen, 3 door het gemis van beide handen en den rechter groote-toon, 7 wegens verblijf elders, 1 wegens imbecillitas, (wat ons geen afdoende reden lijkt), 1 wegens St.-Vitusdans (naar onze meening een laffe uitvlucht), en 1 wegens gemoedsbezwaren. Hoe het zij: er zijn te veel schilderijen, wat alleen al blijkt uit de opgaven van het Departement van Landbouw, dat berekend heeft dat de onrustbarende ontbossching van ons land (ruim 21 millioen boomen in 1914) voor 7/9 gedeelte op het debet der lijstenfabrieken komt. Het weinig meer gebruikte paneel speelt hierin geen rol van beteekenis, doch wat het linnen betreft is bekend geworden, dat de in het vorige jaar beschilderde hoeveelheid toereikend zou zijn om thans de, voorzichtig geschatte, 467 millioen behoeftige schilders der aarde te kleeden. Deze moeilijke kwestie dient krachtig aangegrepen te worden, vooral en niet het minste in het belang der schilders zelf, en wij vragen ons af of niet de tijd gekomen is voor het stichten eener Maatschappij tot automatischen Aankoop en machinale Vernietiging van Schilderijen, op te richten voor den aanvankelijken duur van 99 jaar. Deze overpeinzingen hebben ons niet belet op St.-Lucas enkele verdienstelijke schilderijen te waardeeren: „De zeven hoofdzonden” van Lizzy Ansingh, die een eigen, moeilijken weg gegaan is en er na aan toe is een zelfgekozen doel te bereiken; het „Naakt” van Frans Hogerwaard, dat voor ons het glanspunt der tentoonstelling is, en dat we zeker zouden reproduceeren als we geen abonné’s hadden die geen naakt kunnen zien zonder ons anonieme brieven te schrijven of hun abonnement op te zeggen; „Een kleurige hoek”, het smaakvol en knap geschilderd landschap van J. L. Kleintjes; de opgevoerde vlakschildering van Henk Meijer „En Jezus, de schare ziende . ..met zijn prachtige typeering der figuren; het „Polderwerk” van J. Zon, die van de Haagsche School geleerd heeft zonder zijn persoonlijkheid te verliezen. Maar wie men mist op St.-Lucas, dat is — „De Hollandsche Kunstenaarskring.” C. Spoor. - Oud moedertje. B.J. van Oosterhoudt. - Grijze avondstemming. Lizzy Ansingh, - De zeven hoofdzonden.
PDF
Nummer
1915, nr.42, 24 mei. 1915
Blad
12
Tekst
PANORAMA 332 OORLOGSNIEUWS UIT VEI VELDSMEDERIJ. DE STRIJD TUSSCHEN OOSTEN Een Oostenrijksche veldsmederij van een motorbatterij aan den arbeid. Een Oostenrijksche loopgraaf wordt tegen een Russischen aanval verdedigd. AFGESLAGEN. Oostenrijksche soldaten hebben met succes een aanval der Russen doorstaan. DE TRAMSTAKING IN LONDEN. Daar er slechts weinig trams liepen, was het natuurlijk zeer moeilijk een plaatsje te bemachtigen. Er werd dan ook bijna om gevochten. EEN ENGELSCH MINISTERIE VAN I BALFOUR, oud-voorziter van het Lagerhuis, wiens naam als aanstaand minister genoemd wordt. LORD DERBY, oud-part. secretaris van Lord Roberts, wiens benoeming tot minister ook verwacht wordt. MINISTER ASQUITH, de mier, die in het Lagerhuis c kabinetsverwisseling heeft a LORD HALDANE, die al aftreedt. STEEDS MEER VERWOESTING. I Het eeuwenoude kerkje van Foncquevillers (Pas-de-Galais) is ook door <|pe het granaatvuur in een ruïne veranderd. alle o
PDF
Nummer
1915, nr.42, 24 mei. 1915
Blad
13
Tekst
333 PANORAMA IT VERSCHILLENDE LANDEN :hen oostenrijkers en russen. herstel, van de spoorwegen. lanval verdedigd. Rechts ziet men een gewonde het voorloopig verband aanleggen. Russische krijgsgevangenen herstellen onder leiding van Duitsche ingenieurs een spoorbaan bij Suwalki. :RIE VAN NATIONALE VERDEDIGING iR ASQUITH, de minister-pre- ; in het Lagerhuis de plannen tot verwisseling heeft aangekondigd. BONAR LAW, de leider der oppositie, die vermoedelijk ook minister zal worden. GEKNIPT.
PDF
Nummer
1915, nr.42, 24 mei. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA 334 DE BRAVE BRUIGOM EEN NIEUWE STU DENTEN-SOCI ËTEIT. Te Amsterdam heeft de plechtige opening plaats gehad van de nieuwe Studenten-Sociëteit „Nos Jungit Amicitia”, in het gebouw „Eensgezindheid”. Op den voorgrond mr. C, P. van Eeghen, mr. van Brakel, dr. Delprat, prof. Bruining, burgem. Tellegen, van de Zande, rector v. h. Stud.-Corps, mr. Romme, prof. Scholte. de Waal was altijd een van de gezelligste plakkers van onze kletstafel in ,,Polen” geweest. Wat kon hij genoeglijk-ouderwets doorslaan, druk gebarend achter zijn zooveelste Urquell; hoe kon hij de vroolijkheid erin houden wanneer menig onzer reeds wat saai keek en op den glanzend gladden asfaltvloer der Kalverstraat nog slechts schaarsche voorbijgangers langs ons venster tippelden. Wiewaseenjdominospeler ais hij ? Wie hanteerde de Biljartkeu, dat de omstanders bewonderend het hoofd heen en weer bewogen en qualificaties als „een professeur, gewoonweg” van hoogachtende lippen gleden? Wie kegelde met zulk een kracht en zuiverheid? En bovenal, wie kon ons met zijn gemoedelijke kwinkslagen nog na den langen, vermoeienden dag uren op de been houden en aan een straffe whiskey soda zijn geest nog lang uit den slaap omhoog hijschen ? Het was Jaap de Waal, zooals ge reeds lang begrepen hebt, vriendelijke lezers. O, en Jaap was nog veel meer, Jaap was alles wat er maar aan leutigs denkbaar was, hij bleef in onze herinnering leven als een der plezierigste kerels, die er ooit met het hoofd omhoog door dit aardsche tranendal hebben rondgepassagierd. In onze herinnering, zeg ik, want Jaap , voor een jaar naar Haarlem vertrokken, zat al lang niet meer temidden van zijn oude kameraden aan de kletstafel, en werd door ons, zijn achtergelaten betrekkingen, aldoor nog steeds diep betreurd. Tot op een avond zich het belangwekkend feit voordeed dat Weel, Jaap’s vroegere intiemste vriend, een brief van Jaap uit zijn zak haalde en dien aan ons, diepverbaasde oud-kameraden, voorlas. Jaap ging trouwen en noodde ons allen op zijn bruiloft. We namen aan, hè. Dat spreekt. En zoo geschiedde het, dat we alle vier (want we waren nog met ons vieren overgebleven) ons op een knussen voorjaarsmiddag aan het centraalstation voor Haarlem inscheepten om het trouwfeest van den onsterfelijken Jaap te gaan bijwonen. Op den gestelden tijd, om drie uur prompt, stonden wij op de stoep van de woning der bruid, en onze feeststemming, dien voormiddag in de Bodega door een enkelen vermouth (met een tik) verhoogd, wies voortdurend. Het vooruitzicht van de heetgloeiende fuif, die ons wachtte, deed onze weelderige ceiibatairstronies glanzen van verrukking. Ha, als Jaap uitpakte, Jaap dien wij nu al zoo’n tijd achtereen niet gesproken hadden, en die zijn hartelijkheid en vriendschap zoolang had moeten opzouten — Jaap, die te Amsterdam een Lucullus, een Sardanapalus, in èèn woord: een veelzijdige lekkerbek en een diepe gewetensvolle fijnproever was, — als Jaap uitpakte, i. c. door zijn schoonouders uitpakken liét, nu .... dan zou het in orde zijn. We neurieden met een blik van verstandhouding reeds een eens te Amsterdam inheemsch bacchantenrefrein, en onze gehemelten snakten gelijk hijgende herten............. De deur werd geopend dóór een dienstmeisje dat heel niet tegen ons glimlachte. Dit laatste feit bevreemdde ons reeds een weinig. Onze tweede verwondering gold den aanblik van de ontvangkamer, een ruim vierkant vertrek, hygiënisch gestoffeerd, d. w. z. zoogoed als niét gestoffeerd ; afsponsbare muren en vloer, waschbare gordijnen, rechtHet nieuwe politie-bureau te Nijmegen. hoekige, Licht-eiken meubels als angstwekkende grillige geraamten, eveneens afneembaar. De eenige versiering bestond uit een reusachtige tinnen schaal met Cura$aosche mangelen. Onze derde verbazing wekten de aanwezigen. Ofschoon allen lieden van goeden huize, hadden ze iets kouwelijks en armoedigs aan zich, terwijl hunne gelaatstrekken, ofschoon zachtzinnig, toch tevens iets fanatieks en propagandistisch vertoonden. Jaap was de eenige. die onder dit belangwekkend en degelijk gezelschap den indruk maakte, dat hij evenals wij, maar een mensch was; met zwakheden, goed, doch ook met de plezierigheden, die den gewonen mensch kunnen aankleven. Het was, ofschoon de temperatuur er eigenlijk aangenaam kon heeten, toch DE NIEUWE STUDENTEN-SOCIËTEIT. Het bestuur van de Sociëteit. V. 1. n. r. J. H. de Jong, tweede commissaris, J. S. Th. C. Speyart van Woerden, ab-actis.; Fr. H. A. de Graaff, praeses; W. H. J. Ivens, Quaestor; D. van Deventer, eerste commissaris. N. H. de Graaf, derde commissaris. bevriezend koel, tusschen deze afgemeten, en mag ik zeggen : óver degelijke lieden. Ik had mijn kraag wel op willen zetten. Was hier iets in de lucht, dat mij aan Nova Zembla denken deed? De warme handdruk van Jaap voerde mij als het ware van deze expeditiereis met luitenant Shackleton huiswaarts in de gemeenzamer temperatuur van het Amsterdamsche vaderland. We werden voorgesteld aan Jaap’s nieuwbakken echtgenoote, een aardig frisch menschje, wier bekoorlijkheden echter spoorloos werden vernietigd door een gladde tricotachtige reformjurk van doodelijk flauwe kleur en een nog gladder kapsel ; aan de schoonouders, den heer en mevrouw Reeding, edeldenkende lieden ; dat zag men bij den eersten oogopslag. Mijnheer droeg een goudblonden baard, een lavallière en gevlochten rijglaarzen ; hij droeg nog wel meer kleeren, maar die waren niet opvallend. Mevrouw was in een lap van dezelfde flauwe kleur als die van haar dochter gerold, en heur haar was zoo plat om haar hoofd gelegd, dat dit schier een blondgeverfden kalen schedel geleek. Er waren drie dochters behalve J aap’s vrouw ; zij geleken met kleine variaties allen op de moeder. Nog eenige dames en heeren, van ongeveer dezelfde snit als de gastvrouw en den gastheer, waren in dit hygiënisch vertrek aanwezig. Een dienstmeisje presenteerde thee en gebakjes. Tevergeefs zochten onze blikken naar eenig blad met glazen, flesschen of karaffen in den omtrek. Den eenigen alcohol, dien wij op dit feest ontwaarden, was een spiritus-lichtje onder den waterketel op het buffet. Niet zonder grimmigheid slikten wij op dit uur de heete thee en vergruizelden de gebakjes met even lange ais kwaadaardige tanden. De gastheer, een beminnelijk man, praatte inmiddels voortdurend met ons, en glimlachte daarbij telkenmale zeer zachtzinnig, en volkomen zonder reden. Zonder reden, zeg ik u, want, bij Jupiter, er was hier niets om te lachen, tenzij dan diezelfde zachte zachtzinnigheid van mijnheer Reeding, vergeleken bij de bazige flinkheid van zijn vrouw en dochters, die hier de lakens van het feminisme naarstiglijk uitdeelden. Dat had zelfs een pasgeborene met eenigen goeden wil kunnen observeeren. Jaap was gezellig als vroeger. Zijn plezierige, niet gewichtige gezicht stak nogal af tegen de edele rechtschapen gelaatstrekken zijner thans definitief aangetrouwde omgeving. Slechts één ding aan hem viel ons op : hij had iets . . . iets gehandicapts over zich. Ja, men kon zich verbeelden, dat hij een soort van dwangbuis onder zijn frak droeg. Hij was spraakzaam en vroolijk, maar bleef nooit heel lang met denzelfden persoon praten. Zijn gansche verschijning hier deed aan als die van een kat in een vreemd pakhuis, of, gelijk men ook wel zegt: een gek in een kolfbaan. Hij bespeurde onze duizelingwekkende diepe verbazing om dit gezin en dezen bevroren levensstijl, maar niet zoodra ving hij een onzer vragende blikken op, of hij knipoogde ietwat geheimzinnig. Al spoedig waren wij overtuigd, dat in de ziel van dien dierbaren Jaap een tafereel van grootsche binnenpret werd ontrold. Hij had een geheim onder de leden, en zijn speelsche geest vermaakte zich tot in het weerzinwekkende daarmede. Eenmaal zag ik hem vol geheime verstandhouding ons allen, zijn oude vrienden, als het ware omvangen in één weidsch knipoog vol verstandhouding. Onze gefolterde zielen weerspiegelden zich op onze gezichten in een getemperd grimassenspel; te vertalen als: „wat een kale boel,” „dat wordt hier een teraardebestelling,” „had ons aan de kletstafel in „Polen” gelaten,” „wél gecondoleerd,” enzoovoorts. Wie schetst echter onze vreugde (ik zeker niet) toen een dienstmeisje met glazen Port verscheen. Jaap’s binnenpret steeg hier tot een soort van mysticisme; zijn gelaat scheen een roode lampion. Wij dronken, en . . . het was of een onzichtbare hand ons een aardverschuivenden muilpeertoediende. Wij rilden van afschuw, smakten zacht, kokhalsden verholen. Was het aangelengde bessensap met dropwater vermengd en een snufje borsthoning ? Of wat ter wereld was het ? We keken temidden van ons afgrijzen Jaap aan. Die lachte stiekum-blijmoedig, en stond, naar ons knipoogend, in zijn kopje thee te roeren. Inmiddels kwamen nog verscheidene andere gasten, en Jaap maakte van de drukte misbruik om ons mannen der kletstafel, mee naar de suite te nemen, teneinde ons daar quasi eenige geschenken te laten zien. In waarheid echter voerde hij ons met een vertoon van allerlei dwaze gebaren naar een groote kelderkast. Op bloedverstijvende wijze fluisterend, telkens schichtig gelijk een opgejaagde hinde zijwaarts springend bij het minste gerucht, deelde hij ons mede, dat zijn schoonouders en hun dochters allen strenge geheel onthouders waren „maar ons nemen ze niet,” voegde hij er, griezelig dof fluisterend aan toe, —,, aan ons lijf geen polonaise, o zoo,” en geruischloos schrapte hij een lucifer aan, deed een gaspit opfloepen. „Ziehier wat ik herwaarts wist binnen te smokkelen,” zei hij geheimzinnig, en hij wees naar een plank, die beladen was met de zoetste heerlijkheden gelijk een aardsch paradijs. Een buikige flesch Bénédictine met zijn eerbiedwaardige zegels stond naast de mat gemerkte heldere literflesch met vergiftig - groene Chartreuse ; de bruine kelderflesch van Cointreau’s Triple - Sec deed degelijk naast wufter uitziende, kantige karaf met Elixir d’ Anvers. Achter dit adele stilleven was een fond van flesschen Port en Sherry. Op den voorgrond bloeiden kristallen kelken als tulpen op, en een geopende kurketrekker en opgevouwen theedoek flankeerden deze dierbare heerlijkheden. We hieven allen een gejuich aan, dat echter ook weder in de geboorte werd vermoord, en in een soort van diep, onderaardsch gezucht ontaardde. Wanneer DE „HAAGSCHE ZANGERES”. Het ook bij vreemdelingen welbekende Haagsche straattype Josephine, is nu in het Bestedelingenhuis ondergebracht en bij vergelijking met de foto op pagina 330 .ziet men dat haar uiterlijk al zeer veel in haar voordeel veranderd is.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1601 tot 1605 van 11897