Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1596 tot 1600 van 11897
Nummer
1915, nr.41, 20 mei. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 324 OORLOGSNIEUWS UIT VERSCHILLENDE LANDEN GEWONDE AFRIKANEN. Président Poincaré brengt een bezoek aan het hospitaal Couchon, waar de gewonde Afrikaansche soldaten verpleegd worden. DE STRIJD IN HET ARGONNERWOUD. Ook het eens zoo schilderachtige kerkje van Clermont is door de verschillende bombard menten geheel in een ruïne veranderd. Oorlogs-Kroniek. 24 April. De Franschen en En gelschen doen tegenaanvallen bij Steenstraete. Op de hoogten van de Maas treden de Geallieerden offensief op. De Duitschers doen een nieuwen aanval op den linkeroever van de Yser. Ten Noorden van Yperen duren de gevechten voort. In België vinden nieuwe requisities plaats. — In de omgeving van het dorp Polen, in de Karpathen, wordt hevig gestreden. Russische vliegers werpen bommen op Neidenburg. — De Finsche boot ,,Fraak” wordt tot zinken gebracht. Het Deensche stoomschip ,.Nidiros” wordt door de Duitschers opgebracht. 25 April. De Duitschers zetten hun offensief ten Noorden van Yperen en bij Combres voort. — Bij La Bassée treden de Duitschers ook offensief op. De Hartmannsweilerkopf wordt door de Duitschers heroverd.. De gevechten tusschen Lens en de zee zijn algemeen. — De tsaar vertoeft te Przemysl. Bialostok wordt gebombardeerd. — De operaties tegen de Dardanellen worden hervat. Het Engelsche slagschip de „Triumph” dringt de straat der Dardanellen binnen, beschiet de forten en wordt getroffen. — Amerika stelt een eisch tot schadevergoeding in voor de „Frye”. UIT HET BEZETTE NOORD-FRANKRIJK. Via Zwitserland worden er nu uit het door de Duitschers bezette gedeelte van Noord-Frankrijk vrouwen en kinderen naar ZuidFrankrijk verzonden. Op onze foto ziet men de Zwitsersche soldaten den armen vluchtelingen de behulpzame hand reiken. HET BEMIDDELINGSBUREAU TE GEN ÈVE. Het bureau voor krijgsgevangenen te Genève belast zich o.a. ook met het doorzenden der brieven van krijgsgevangenen aan familieleden en omgekeerd. ZWITSERSCHE BEMIDDELING. Duitsche Roode-Kruissoldaten worden in het dorp de la Plaine aan de Zwitsersche autoriteiten uitgeleverd. VOOR DE GEVANGENEN. Ook worden er door het Zwitsersche comité pakjes enz. voor alle krijgsgevangenen in de verschillende landen doorgezonden. 26 April. De Duitschers zetten hun offensief voort bij Yperen, La Bassée, op de Maashoogten en in de Vogeezen, daarbij gebruik makende van een stof, die verstikkende gassen verbreidt. De Franschen maken bij Yperen eenige vorderingen. — Aan den Uzsokpas duren de gevechten voort. De Russische vloot bombardeert de forten van den Bosporus. De Geallieerden landen troepen op Gallipoli. — De „Kronprinz Wilhelm1’ wordt te Newport News geïnterneerd. 27 April. De Engelschen doen krachtige aanvallen ten N.-Oosten van Yperen. Poperinghe wordt gebombardeerd. De Franschen heroveren gedeeltelijk den Hartmannsweilerkopf. Een Fransche vlieger werpt bommen op Oberndof. — ’n Oostenrijksche torpedoboot brengt den Franschen kruiser ,,Leon Gambetta” tot zinken in de Jonische zee. — De troepen der Geallieerden landen op verschillende plaatsen op het schiereiland Gallipoli. Aan beide oevers van de Dardanellen wordt hevig gestreden. Den Sultan van Turkije wordt de titel van Ghazi aangeboden. — De trawler „Recolo” vliegt op de Noordzee in de lucht. 28 April. De Engelschen treden offensief op aan den straatweg Yperen-Pilhem. — De strijd aan de Dardanellen duurt voort. & OP DEN UITKIJK. Het ontluikende groen biedt den verkenners nu weer meer gelegenheid zich verdekt op te stellen, ’t Torentje van het bijgebouw van een kasteel in N.-Frankrijk is door de Duitschers tot uitkijktoren ingericht. EEN ,,VLOTTER”. In het ondergeloopen land en op de rivieren en kanalen wordt er door de Duitschers een veelvuldig gebruik van houtvlotten gemaakt. SPION NENJACHT. Duitsche uhlanen, die een spion reeds eenigt dagen achtervolgen, onderzoeken een gedeeltelijk verwoeste boerenhoeve.
PDF
Nummer
1915, nr.41, 20 mei. 1915
Blad
05
Tekst
325 PANORAMA DE REVOLUTIE IN PORTUGAL Portugal, het land der onzeker- * heid en woelingen, heeft niets met meer zekerheid gehandhaafd als zijn onzekere regeeringsvormen. Een blik in de geschiedenis van dit eens zoo machtige en roemrijke land doet ons dit reeds gewaarworden; de tijd die er ligt achter de regeeringen van Johan II en Emanuel I in het eind der XVe en het begin der XVIe eeuw, toen het een positie innam, die het invloed deed uitoefenen op het groote wereldgebeuren, is er een van voortdurende ontevredenheid over zijn verloren grootheid, van voortdurende onlusten en ^evoluties. Nog steeds draagt de Portugees de overtuiging met zich rond, dat hij bestemd is, een plaats in de wereld in te nemen, overeenkomstig zijn vroegeren roem; het verlangen dezen te herstellen kan soms zoo hevig in hem opkomen, dat hij, indien de regeering de teugels van het bewind iets glippen laat, zijn heil zoekt in een omwenteling. Panorama van Lissabon. Op den voorgrond de Taag, van waaraf de stad door de vloot gebombardeerd is. van den president der republiek, Manuel de Arriaga, dus niet, vooral niet waar hij niet eens kan rekenen op de trouw van zijn eigen vloot, die hem in zijn eigen standplaats komt.... bedreigen. Wat de aanleiding is, tot deze laatste revolutie? Een onbeteekenend incident, dat in Januari van dit jaar plaats had, als het verplaatsen van een kapitein uit een provincie-dorp, gaf aanleiding tot het aftreden van den minister van oorlog en eindelijk tot aftreding van het geheele ministerie. Toen zetten de woelingen zich voort met allengs betreurenswaardiger gevolgen. In Lissabon en andere steden vonden nu en dan ongeregeldheden plaats, die met meer of minder succes bedwongen werden. In den strijd tusschen de partijen weerden de royalisten zich het krachtigst en het bombardement op 15 Mei van Lissabon door de vloot kan misschien daarvan wel de laatste uiting zijn. MANUEL D’ARRIAGA, président van de Portugeesche republiek. Zoo was de laatste eeuw van portugals geschiedenis steeds een wankelen tusschen een republikeinschen en een royalistischen regeeringsvorm. Toen koning Johan VI in 1821 dan ook uit Brazilië terugkeerde, werd hem geweigerd aan land te komen, voor hij een nieuwe constitutie onderteekend had, hetgeen echter niet verhinderde, dat hij na enkele jaren genoodzaakt werd op een Engelsch oorlogsschip te vluchten. Sedert dien tijd was de invloed, dien Engeland in Portugal uitoefende, meer openlijk. De onmiddellijke aanleiding tot den republikeinschen regeeringsvorm, die thans nog in Portugal heerscht, was wel de poging van minister Franco, om in 1906 met geweld hervormingen in te voeren, waarvan de meerderheid van het volk niet gediend was. Sedert dien tijd volgden de ongeregeldheden elkaar op: kamerontbinding, de moord op den koning en den kroonprins enz. Eindelijk kwam dan Manuel II in 1908 aan de regeering, om den 5en Oct. 1910 te vluchten, toen de republiek geproclameerd werd, hetgeen niet belette, dat de onlusten voortduurden, waarvan de royalisten thans gebruik maken om weer den ouden regeringsvorm te herstellen.... om dan.... Ach in’t verleden van een volk vindt men ook zijn toekomst. Portugal is en blijft Portugal, het land der revoluties en woelingen, waar niets bestendig is en het allerminst zijn regeeringsvormen. Benijdenswaardig is de positie AFFONSO COSTA, de leider der democratische partij, hoofd leider van de vorige revolutie, die het uitroepen van de republiek tengevolge had. DE ARENA. EEN PAAR MOOIE GEZICHTEN UIT LISSABON. DE EGREJA DA ESTRELLA.
PDF
Nummer
1915, nr.41, 20 mei. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 326 W. R. HORA ADEMA, t de bekende letterkundige, is op 68-jarigen leeftijd te den Haag overleden. A. L. H. OBREEN, + de bekende journalist, is op 69-jarigen leeftijd plotseling overleden. VERGADERING VAN DE VEREENIGING VAN N EDERL.AN DSCH E GEMEENTEN. In deze vergadering werd o.m. door den Heer A. R. Veenstra, secretaris der gemeente Amersfoort, de quaestie ingeleid betreffende de dekking der buitengewone uitgaven, door de crisis veroorzaakt. Voorts kwam in bespreking de tweede circulaire van den minister van Landbouw enz., inzake de beschikbaarstelling van levensmiddelen. Ook werden in behandeling genomen de voorstellen tot wijziging der statuten en van het huishoudelijk reglement, in verband met de toetreding tot de Vereeniging van gemeenten met een zielental beneden de 10.000. Aan de bestuurstafel v. 1. n. r. mr. P. Drooglever Fortuyn, weth. v. Financiën te ’s-Hage, penningm.; Jhr. mr. dr. N. C. de Gijselaar, burgem. v. Leiden; mr. J. A. van Royen, burcjem v. Zwolle, ondervoorz.; Jhr. mr. dr. H. A. v. Karnebeek, burgem. v. ’s-Hage, eere voorz.; E. Bergsma, burgem. v. Enschede, voorz; H. Simons, oud-weth. v. Fin. v. ’s-Hage, dir. der Vereen, v. Nederl. Gemeenten; mr. A. Jonker, Ref. ter Gem.-Secretarie van ’s-Hage, Secr.; S. Ypey, burgem. v. Sliedrecht; jhr. mr. E. A. v. Berensteijn, burgem. v. Veendam. (foto Couvée). Mr. W. C. TACK, + oud-burgemeester v. Aalten, is op 76-jarigen leeftijd overleden. Dr. H. v. d. STADT, t oud-directeur van de H. B. S. te Arnhem, is in den ouderdom van 73 jaar overleden. G. A. DIETERLE ZIJN ERFENIS ’ijn vriend, William Latton, was al drie maanden „Rittergutbesitzer” toen ik de telegraphische uitnoodiging ontving om onmiddellijk op zijn landhuis „Delarosa” te komen. Alvorens ik m’n avontuur vertel, moet ik U het een en ander over ,,Delarosa” mededeelen en U zeggen dat m’n brave William, vóór hij landheer werd, ’s morgens niet wist of hij ’s avonds nog geld voor eten zou hebben, en dat hij beroemd was in het loskrijgen van voorschot bij uitgevers, die zoo te hooi of te gras een artikel van hem plaatsten. William Latton had een zonderlingen oom, waarvan hij voor diens dood nooit iets gehoord had. Die oom vermaakte hem, alleen omdat het hem als rechtmatige toe kwam, het landhuis „Delarosa” en frcs 500.000.. Die half millioen francs moesten verdiend worden en wel door twee jaar op „Delarosa” te wonen, en in dien tijd dat hij dat zware werk verrichtte mocht hij de rente van het kapitaal verteren. William had me het een en ander van het landhuis verteld en om de waarheid te zeggen was er heel wat volharding en wilskracht noodig om het op „Delarosa” uit te houden, want van een landhuis had het al heel weinig, ’t geleek meer op een ruïne. Een dak had „Delarosa” niet, wel een geraamte van een dak en een zolder vol kalkgruis en gebroken dakpannen. De kamers, die nog tamelijk bewoonbaar waren, waren met meubels voorzien, de wanden met gobelins en met schilderijen behangen, die zeker eeuwen oud moesten zijn. Het landhuis stond op een rots aan de zee en de voorgevel werd geheel door hoog, zwaar geboomte bedekt. Mijn vriend nam de erfenis aan voor zoo ver hij er al recht op had en ging zich voor twee jaar op „Delarosa” installeeren. Wij namen afscheid en hij beloofde mij spoedig te zullen schrijven, maar gedurende drie maanden had ik niets van hem vernomen, totdat op zekeren dag de uitnoodiging kwam. Nog denzelfden dag vertrok ik en ’s avonds stonden wij tegen over elkaar. „William, kerel, wat zie je er uit...! Wat is er met je gebeurd .... 1” riep ik uit, want zijn gelaat zag bleek, uit zijn blik sprak een voortdurende angst en hij was zoo mager geworden dat zijn kleeren veel te ruim waren. „Ulrich, ik ben dankbaar dat je zoo gauw gekomen bent.........Ik word hier gek gemaakt.......... ’t spookt hier I” „Hé, wat zeg je?” riep ik verbaasd uit. „Maak me niet dol of razend . . .. ’t Spookt hier, zeg ik je ! Hier op deze kamer, m’n slaapkamer...........Kijk me niet zoo aan, want gek ben ik niet...........Misschien ook wel...... Ik weet ’t niet...........Ik ga hier vandaan en dat geld kan een ander krijgen...........Ik leef liever van de hand in den tand, dan hier vermoord te worden !” „Kom jongen, kalmeer wat... je bent overspannen . . . ga zitten en vertel me eens iets van je avontuur . . . Wat is er gebeurd?” Hij begon weer door de sombere slaapkamer te loopen en toen hij tweemaal van de deur naar het venster en terug was gegaan, bleef hij voor me staan en brulde als iemand die hevige ruzie heeft: „Wat er gebeurd is . . . . ? 1 Sinds een week is hier de hel losgebroken. Alles leeft en dondert door elkaar...........Een week is die heksensabbat aan den gang en ik houd het geen week meer uit.... Ik ben kapot van angst en schrik.” „William, we zullen samen de spoken afwachten en dan . . . .” „Goed.... goed.... Ja, blijf bij me......... Je bent DE NIEUWE TURKSCHE GEZANT aan ons hof, Nousret Sadoullah Bey, verlaat het Hotel des Indes, alwaar Z. Exc. zijn intrek heeft genomen. (foto Hijmans). DE LARENSCHE KUNSTHANDEL heeft zijn intrek genomen in een nieuwe „Villa Mauve”, gelegen aan de Brink te Laren. een brave vriend,”.........riep hij als een blij kind uit, terwijl hij mijn handen drukte. We gingen samen aan tafel zitten en begonnen te praten over den tijd dat we samen ons bohémien-leventje leidden. Toen de geanimeerdheid van het gesprek verslapte, ging ik de perkamenten folio’s uit het archief doorsnuffelen en William strekte zich op het bed uit. De geheele spookgeschiedenis, die zou moeten gebeuren, was ik vergeten. We hadden er niet meer over gesproken dan een paar woorden, en William, toen hij hoorde dat ik bij hem zou blijven, was zóó opgevroolijkt, dat ik het beter vond op nadere bijzonderheden niet aan te dringen......... Eensklaps zag ik William van het bed glijden en naar mij toe sluipen. Zijn gezicht had een woeste uitdrukking en met een van angst trillende stem fluisterde hij mij in het oor: „Ulrich, kijk achter je... . gauw 1 Ik keek om en stond als versteend. Op den donkeren muur zag ik twee oogen, waaruit blauw licht straalde en daaronder een grooten bek, waaruit met kracht een rooden gloeienden damp geblazen werd, die pijn op mijn gezicht deed. De oogen draaiden en de bek veranderde van vorm, van ovaal in hoekig en van hoekig in ovaal. . Ik gaf een schreeuw en greep mijn vriend bij de mouw van zijn jas . . . Zoo iets monsterachtigs had ik nooit gezien. Een schaterlach klonk door de kamer en de kop was verdwenen. Ik sprong naar den muur waar het spook zich vertoond had en voelde daar een veel hoogere temperatuur dan in het overige gedeelte van de kamer. Een oogenblik later werd de kamerdeur opengeworpen en door de geopende deur werden drie zware stukken steen naar binnen gesmeten; daarna sloeg de deur weer met een harden slag dicht. Nu volgde een vreeselijk gegil en weer ging de deur open ; een vreemdsoortig gedrocht maakte op de vloermat van onze kamer een 'paar zonderlinge sprongen, en verdween nadat het de deur weer gesloten had .... Even was het stil, doch de stilte werd spoedig weer verbroken door een gebrul als van een stuk of tien leeuwen. Het lawaai werd hoe langer hoe zwakker en daarna was het geheel verdwenen en bleef het stil en rustig. Eerst nu merkten we op dat de kaarsen gedoofd waren. Ik stak het licht weer op en zag nu dat William geheel en al van streek was. „Kijk eens, hier liggen drie groote stukken bazalt I Zoo duurt het nu al een week lang, Ulrich !” jammerde William zonder naar de keien te kijken. „Moed en geduld, jongen !” antwoordde ik. „Vooral moed ... We zullen de spoken wel te pakken krijgen...........Heb je na zoo’n avontuur de buitendeur wel eens nagekeken ....?” „Neen, nooit....” „Nu, dan zal ik het doen 1” Ik ging de kleine trap af naar beneden en kwam nu in een lange marmeren gang, waar aan het einde de buitendeur was. Maar wat een teleurstelling, de buitendeur was van binnen gegrendeld, dus er was niemand uitgegaan. Met mijn lantaarn verlichtte ik de wijzerplaat van de staande klok en zag dat het half twee was............. Ik ging de trap weer op, maar halverwege deed ik een ontdekking : tusschen twee treden was een barst in het hout en door die opening zag ik licht. Ik blies m’n lantaarn uit en trachtte door de opening te zien, maar ze was daarvoor te smal. Wel hoorde ik stemmen, die heel ver uit de diepte schenen te komen. Onmiddellijk vertelde ik mijn ontdekking aan mijn vriend, die ontkende dat er nog andere menschen behalve wij op „Delarosa” konden zijn. „Ga mee en je zult het zien 1” riep ik uit. Wij gingen samen naar de trap en er was geen spoor van een opening waardoor licht kwam te vinden. „Nee, Ulrich, daar was heusch geen licht, je hebt je door overspanning laten leiden 1” zeide William. Ik gaf daarop geen antwoord, maar maakte een nauw-
PDF
Nummer
1915, nr.41, 20 mei. 1915
Blad
07
Tekst
327 PANORAMA keurige studie van de muren en den vloer, en zie: vlak bij de trap ontdekte ik een steenen luik. • Met veel moeite kregen William en ik het open en we stonden boven een kuil, waaruit een koude luchtstroom kwam. Ook hoorden wij uit de diepte de golven van de zee tegen de rotsen slaan. Bij het schijnsel der lantaarn bleek ons, dat wij met gemak in den kuil konden springen’; ik ging'eerst en William volgde mij onmiddellijk. Het was een onderaardsche gang, met vochtige muren, waartegen de paddestoelen groeiden, en die tevens verblijfplaats was van ratten, hagedissen, padden en vleermuizen. Wij liepen op het geluid van de zee af, doch William maakte mij op een straal-kunstlicht opmerkzaam, die door een kier in den muur drong. Onmiddellijk deden wij de lantaarn uit en naderden zoo stil en dicht mogelijk de opening, waarachter wij nu twee mannen hoorden praten die blijkbaar ruzie hadden. De een schreeuwde en wilde niet naar den andere luisteren, die hem fluisterende tot bedaren trachtte te brengen. De eerste, die een ruwe, onbeschaafde spraak had, schreeuwde: ,,En ik verdraai ’t langer .... Is me dat een gezanik en een komedie-spel. . .. Als ik dien kerel vermoord en in zee keil is ’t afgeloopen .... zoo’n arme donder als hij zal op de vlucht gaan......... ” „Wees nou stil,” fluisterde de andere, „met dat vermoorden schiet je niets op, want je krijgt daarmede geen bewijs in handen dat hij van Delarosa en de half millioen francs afstand doet......... 1 „Dan zet je een valsche. handteekening,” brulde de eerste. „Nu, daar komt niets van .... We zullen het eerst nog ereis een maand aanzien, en het hem nog wat benauwder maken .... Hij wordt ten slotte gek van angst en hij geeft den brui aan zijn erfenis .... Morgenavond beginnen we wat vroeger . . . doen .. . ?” De stem werd minder hoorbaar en verdween ten slotte geheel, evenals het licht; vermoedelijk was er nog een gang. „Nou, William, je hebi het gehoord... ’t Is precies zooals ik vermoedde .... Ze wilden je zoo de angst op het lijf jagen, dat je van Delarosa afstand doet.... Wie die twee zijn kan ons op het oogenblik niet schelen, maar wel hoe de vertooning van den kop in elkaar zit. . .” We gingen naar boven en terug naar de slaapkamer. Aan den muur, waarop de monsterkop verschenen was, was niets te zien, maar bij het bekloppen bleek dat de muur op die plaats hol was. Naast de slaapkamer was een lokaal geweest, waarvan twee muren in puin gevallen waren ; aan de zijde van onze kamer was in den muur een gleuf, die juist genoeg ruimte gaf om er zijdelings in te gaan. Ik deed dat en kwam nu in een klein hokje, dat wel op een vroegere stookplaats geleek. Ik voelde langs de steenen wanden, en jawel, daar bemerkte ik een knop en toen ik eraan trok ging een luik open en ik zag de slaapkamer, waar William achtergebleven was. Ik vroeg hem mij even bij te lichten en op den grond stond het vuurspook . . . Wat zag het vreeselijk spook in zijn rustuur er zonderling en vreedzaam uit. Zijn oogen waren donkergroene glazen ballen en de bek was gevormd door een ovaal van compositie-buizen, die van kleine gaatjes voorzien waren. Het geheel was verbonden met een elastieken slang aan een draagbaar gas-reservoir, terwijl aan het ovaal nog een blaaspijp bevestigd was, waarmede de gasvlam de kamer in geblazen werd. We wisten genoeg, ik sloot het luik en liet de geheele installatie zoo als ik deze gevonden had. Ik lag den geheelen nacht wakker, maar William,sliep direct in........... Hij was nu gerust........... 1 * * ♦ Den volgenden dag was reeds vóór zonsondergang alles ZEILSPORT. Zondag j.1. hadden er handicap-wedstrijden plaats voor zeiljachten, uitgeschreven door de „Koninklijke”. Onze foto is genomen bij den start. Op den voorgrond de „Breezand” van den heer Kersken. J. D. DONKER T. L. C. BAARSLAG, t DUVVIS. + In den ouderdom van 65 jaar is te ’s-Gravenhage overleden de heer J. D. DONKER DUYV1S, directeur van de SemarangJoana, Oost-Java-Seragoedal en Semarang-Cheribon Stoomtrammaatschappijen. — Te Amsterdam is overleden de heer T. L. C. BAARSLAG, hoofdcommies aan het telegraafkantoor aldaar. in orde om de spoken te ontvangen. Uit de naburige stad, waarvan ik den naam niet noemen wil, was een kleine politiemacht aangekomen, die heel omzichtig Delarosa binnen gesmokkeld werd. Op verschillende plaatsen, waar het den vorigen avond gespookt had, werd een paar man verdekt opgesteld en in onze kamer verschool zich de inspecteur achter meubelstukken. We mochten geen woord spreken en we hielden ons bezig met lezen, wat mij meer gelukte dan William, die brandde van nieuwsgierigheid om te weten hoe of het met zijn spoken zou afloopen ...... De zon ging onder en de kamer stond in den rossigen schijn van de groote vuurschijf, die achter een rand van donkerviolet wegzonk. William ging naar het venster en riep mij om van het aspect van den zonsondergang te genieten, ’t Was een heerlijk kleurenspel, dat groote watervlak als een paarlmoeren schelp, met daarover een strook van gloeiend rood, loopende van den horizon naar de rots en de enkele plassen op het zand bij de rotsen geleken wel groote bloedplekken. Gelijktijdig ontdekten we een roeibootje, waarin twee menschen zaten, dat naar de rots voer ; toen het bootje den grond raakte, gingen ze er uit, trokken het met moeite over het ondiepe en verdwenen er mede achter de rots. We keken elkaar aan en begrepen elkaar......... ’t Was reeds ver in den avond en we hadden nog niets van de spoken gemerkt. Wij waren in een nerveuze stemming. In het geheele huis werd geen geluid gehoord, ofschoon er elf politie-agenten aanwezig waren. ’t Was zoo stil, dat William dacht dat zij er vandoor waren gegaan ; maar de inspecteur vertelde uit zijn schuilhoek dat hij daarvoor niet bang behoefde te zijn en ’t verstandigste deed geen klank te uiten, ook niet wanneer de spoken op visite kwamen. Een paar minuten later werd de stilte verbroken door een schaterlach en het grijnzende vuurmonster blies zijn gloeienden adem de kamer in. De monstrueuze kop scheen nog vreeselijker dan den vorigen dag en ofschoon ik wist dat het niets bovenmenschelijks was, imponeerde de verschijning mij zoo dat ik mijn hart voelde bonzen. De inspecteur blies op een fluit, die een vreemd trillend geluid voortbracht en onmiddellijk daarna verduisterde de kop en hoorden wij geschreeuw en gestommel; ook in de gang was een groot lawaai ontstaan. We ontstoken onze lantaarns, gingen de gang in en hoorden verscheidene menschen de trap afvluchten. Wij volgden hen door de onderaardsche gang en tijdens de jacht werden over en weer schoten gelost. De atmosfeer werd al frisscher en frisscher en weldra stonden we bij de rotsen aan de zee. Aan den blauwen nachthemel twinkelden' milliarden sterren en de zee geleek een groot zwart vlak. De nachtstilte werd alleen verbroken door de golven die nu en dan op het strand sloegen. Wij waren met ons zessen, vier politie-beambten, William en ik. Uit aanwijzingen der manschappen bleek, dat ze één man achtervolgd hadden, die zich nu in de rots verscholen moest hebben. Ik raadde hun aan in de richting te zoeken, waar ik de boot achter de rotsen had zien verdwijnen. Nauwlijks hadden we een paar meter geloopen of wij ontdekten den kerel, die bezig was de boot vlot te brengen. Hij begon dadelijk te vuren, wat door de politie onmiddellijk met revolverschoten beantwoord werd. De boot geraakte vlot en de vluchteling plonsde zenuwachtig met de riemen in het water. De mannen riepen hem toe terug te keeren, doch een schot was het antwoord. Weer werd er op de boot geschoten, doch toen bleef het stil, ook hoorde men het plonzen der riemen niet meer. Een oogenblik later voegden de overige mannen zich bij ons, die ons vertelden dat hun arrestant over den muur op de rotsen was gesprongen. Zij hadden hem overvallen toen hij den kop vertoonde, doch hij had zich weten los te rukken. Wij gingen zoeken en vonden pp het strand een lijk liggen van een man, dat William als het lijk van zijn notaris herkende. Den volgenden morgen spoelde de boot aan en daarin lag het met kogels doorboorde lichaam van den kantoorknecht van den notaris. * * * M’n vriend was van zijn spoken bevrijd en vond het nu niet meer noodig twee jaar op Delarosa te blijven. Hij verkocht de ruïne aan een hotelier^ die er dicht bij een pension liet bouwen en als een bijzondere attractie van de omgeving Delarosa als spookhuis aanbeval. HEVIGE BRAND TE WEIWERD. Te Weiwerd (Gr.) heeft de vorige week een hevige brand gewoed, waarbij de boerderij van den heer Anninga in de asch werd gelegd. „LEEUWENDAAL.” UITGEBRAND. Het bij velen bekende Hotel en Café-Restaurant „Leeuwendaal” te Rijswijk bij ’s-Gravenhage is j.I. Zondag voor het grootste gedeelte uitgebrand. (foto Hijmans).
PDF
Nummer
1915, nr.41, 20 mei. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 328 EEN GROMPOT door PIET VERSCHUUR ijn oom Jacob is een toonbeeld van menschelijke volmaaktheid ! Dit vooropgesteld zal het menigeen vreemd schijnen als ik er op volgen laat: hij is tevens het meest onhebbelijke wezen, dat op twee beenen rondloopt. Ongelukkigerwijs is het voor een armen broodschrijver ais ik ben, allernoodzakelijkst om met den welgestelden, ongetrouwden oom van mijn vrouw op goeden voet te staan. Om der wille van het toekomstige „smeer” likte ik dus, ik bedoel: inviteerde ik ieder jaar oom Jacob de Paaschvacantie bij ons door te brengen. Ik weet zeker dat hij op dezen jaarlijks terugkeerenden vacantietijd zeer gesteld was, en ik weet even zeker, dat wij het niet waren. Hij las mij steeds de les over de luchthartige wijze waarop ik het leven opnam ; mijn vrouw kapittelde hij over haar wijze van huishouden; ons zestienjarig hitje om haar stommiteiten en mijn voorbeeldig kroost om zijn jeugd-misdrijven. Oom Jacob was op den morgen, waarover ik thans schrijven wil, al in een bijzonder onaangename stemming. We aten ons eerste ontbijt om acht uur en het was juist drie minuten over achten, toen de thee werd binnengebracht. Oom Jacob stond met zijn rug naar den haard gekeerd en zijn groot, ouderwetsch horloge in de hand. „Zeg, Marie, weet je wel dat je vijf minuten te laat bent ? Het gevolg hiervan is, dat je nu den geheelen dag hollen moet. Een kloeke huisvrouw, mijn kind, is een kroon haars heeren, zegt Salomo.” Mijn vrouw begon thee te schenken en merkte op dat het mooi weer was. Oom Jacob was er evenwel de man niet naar om zich door een praatje over het weer te laten afleiden van zijn geliefkoosde bezigheid zijn arme slachtoffers te kwellen. Hij wendde zich tot mij. Ik had, (dat is nu eenmaal het lot van ons arme auteurs) pas een niet geplaatst artikeltje van de redactie van „Panorama” terugontvangen. Mijn vrouw met haar beminnelijken vrouwelijken tact vermeed, als ze zoo’n noodlottige enveloppe zag, zorgvuldig het onderwerp letterkunde aan te roeren, maar trachtte veeleer door een vroolijk gesprek mijn teleurstelling weg te praten. Niet alzoo mijn waarde oom. Met zijn arendsblik had hij weldra de half weggemoffelde enveloppe ontdekt. „Wat heb je daar, Piet? Proeven jongen ?” „Neen,” antwoordde ik kort, „teruggezonden manuscript1” „Ik vind dat dit bij jou nog al dikwijls gebeurt, veel te dikwijls! Weet je wat jij doen moet? Je moet wat meer uitvoeren ; je moet ’s morgens om vijf uur beginnen, dan kun je iederen dag een paar artikelen meer schrijven en zoo je inkomen wat vergrooten. Toen ik nog in steenkolen handelde, was ik altijd bezig door hard werken mijn schadepostjes te verminderen en zoo mogelijk wat over te houden. Een beetje meer ijver en bekwaamheid zou je goed te pas komen.” Met deze smakelijke toespijs nuttigde ik stil en vol verbeten woede mijn ontbijt, mij zelven afvragende, hoe het mogelijk was dat oom Jacob in zijn leven niet één keer vermoord was. Onderwijl had oom zijn gewaardeerde belangstelling van mij op Karei, mijn oudsten telg, overgebracht. De knaap zat stil aan tafel met zijn oogen op zijn bord, hij had al zoo vaak zijn aandeel gehad van ooms zedelessen, dat hij hiernaar niet in ’t minst nieuwsgierig meer was en zoo min mogelijk de aandacht van den brompot tot zich wilde trekken. „Zeg, Karei,” begon oom, „ik weet een moois ommetje voor je ! Stel je voor: ik koop een dozijn eieren tegen 5 Cent per stuk en een dozijn tegen 7 cent het stuk en meng deze dooreen. Tegen welken prijs moet ik dan ieder ei verkoopen om er 50% aan te verdienen ?” Karei is een jongen met een vriendelijk open gelaat; toen hij evenwel naar oom Jacob keek op dat oogenblik, was ik ontsteld door den moordlust die hem uit de oogen blonk. Zijn blik herinnerde mij aan Kaïn ! „Acht cent,” antwoordde hij op de gis. „Wel heb ik van mijn leven,” riep oom uit, zich tot mij wendende. „En jij betaalt daar zestig gulden per jaar voor ? Een van beiden : het onderwijs deugt niet, of de jongen is schandelijk lui, misschien is wel allebei het geval. Het zou wel nuttig zijn, vind ik, als hij ’s middags in plaats van te gaan spelen een paar uur bij mij kwam ; ik wil hem met plezier, den tijd dat ik hier ben, wat beter uit het hoofd leeren rekenen.” • Ik dacht juist, in de stellige overtuiging dat het plezier zeker maar aan een kant was, er over na op welke diplomatieke wijze ik dit welwillend aanbod zou afsiaan, toen mijn zoon zelf den knoop doorhakte, met te zeggen : „Vader, ik moet weg, anders kom ik te laat op school!” De uitval van den jongen was niet bijzonder beleefd, doch — ik ben vader en kon mij bovendien tegenover den P. VAN DER HEM. — Circus-Bar. (uit de verzameling T., Amsterdam). gemeenschappelijken vijand onmogelijk neutraal houden Ik knikte dus en weg vloog mijn stamhouder. Eindelijk was het ontbijt afgeioopen. Oom Jacob nam in een gemakkelijken stoel plaats met zijn geliefd ochtendblad en ik vloog naar boven naar mijn studeerkamer. Op KINDERBIJEEN KOMSTEN. De Amsterdamsche studenten hebben gelden bijeengezameld voor het organiseeren van Kinderbijeenkomsten. Een aantal van de armste kinderen van de stad werden onthaald. Mevrouw Wensma-Klaassen vertelde sprookjes en zong. liedjes, zoodat de kinderen een aangenamen middag hadden. De feestjes hadden plaats op 4, 6, 11 en 12 Mei in het gebouw v. d. Handwerkers Vriendenkring. De senaat van het Amst. Stud. Corps trad als uitvoerend Comité op. de trap kwam ik mijn vrouw tegen. „Je hebt nog al wat ’n haast om aan het werk te gaan van morgen !” zei ze lachend tegen mij. „Ik maak me uit de voeten, omdat ik de verzoekingbijna niet weerstaan kon, je dierbaren oom bij den kraag te pakken.” „Maar, lieve, ik weet zeker hij zegt alles uit goedheid.” „Welnu, laat hem dan zijn goedheid van morgen maar eens op jou uitstorten. Ik ben een grootmoedig echtgenoot en zal je zijn gezelschap in het geheel niet misgunnen.” Juist had ik voor mijn bureau plaats genomen, een sigaar aangestoken en zat ik naar het plafond te staren in afwachting dat in mijn geest de stof voor een artikel zou LANG GEWACHT, STIL GEZWEGEN .... De aankomst op het terrein der Philips’ fabrieken van den extra-trein met 17 wagons glasballons, welke 3 maanden door de Duitsche regeering werden opgehouden. opdoemen, toen ik een slependen stap op de gang hoorde en oom Jacob binnentrad. „Het is in de huiskamer wat frisch van morgen,” begon hij. „Je weet ze ligt op het noorden. In jouw kamerschijnt nu het zonnetje zoo lekker en daarom kom ik zoolang hier zitten, ten minste als ik je niet stoor.” „O. .o! Heelemaal niet,” antwoordde ik, een verwensching met bovenmenschelijke inspanning inslikkende. Oom Jacob is, moet je weten, als krantenlezer al even ongenietbaar. Hij heeft de onuitstaanbare gewoonte om halfluid voor zich te lezen en telkens met de krant te ritselen; manipulaties die nog verergeren, als hij, per ongeluk, een artikel leest, dat hem niet bevalt. Dien morgen scheen hij al bijzonder veel van dergelijke artikelen onder de oogen te krijgen. Ondertusschen zat ik met de pen in de hand een half uur lang in een staat van geestelijke verlamming. Het was mij onmogelijk een regel op het papier te brengen. Eindelijk vouwde oom zijn krant dicht. „Wat l Heb je al dien tijd nog niets uitgevoerd, Piet? Daar kan je schoorsteen niet van rooken.” • Ik momp'elde vaag iets over inspiratie, zoeken naar een idee. „Een idee ?” riep hij uit. „Daar kan ik je wel aan helpen. Jij moet eens een serie artikelen schrijven over de steenkolenbranche. Je begint bij de mijn, schrijft dan verder over de export, den groothandel, het verschepen en je eindigt met den kleinhandel en het gebruik in de huishouding. Dat is een onderwerp dat iedereen interesseert, want iedereen brandt steenkolen.” Een halfuur lang werd ik onthaald op allerlei wereldschokkende bijzonderheden over steenkool, bruinkool en allerlei andere kool. ’t Was niets als kool! Aan het eind van de peroratie juichte ik het idee uitbundig toe, maar verklaarde tevens dat het indenken in dat gewichtig onderwerp mij een weinig hoofdpijn bezorgd had en ik dus in den tuin wat versche lucht ging happen. De trap afgaande bedacht ik, dat ik ten minste eenige uren lang van ooms gezelschap ontslagen zou zijn, want hij had de gewoonte nooit voor den middag in den tuin te komen. Buiten gekomen nam ik een spa en ging een van mijn bloemperken omspitten. Terwijl ik aldus bezig was, zag ik mijn buurman, kapitein Blommers zijn tuin inwandelen. Hij knikte tegen me met een gezicht als een oorworm. We waren overigens beste vrienden en ik wist dat zijn ongenaakbaarheid een gevolg was van huiselijke troebelen. Met een woedenden ijver begon hij zijn rozen te snoeien en er heerschte eenigen tijd stilte aan weerszijden van de haag, die onze lustoorden scheidde. Eindelijk hield de kapitein op, stopte zijn pijp en sprak mij aan : „Wat ben jij vroeg in je tuin bezig van morgen !” Ik naderde de heg en antwoordde : „Ik ben het huis uitgedreven door een afschuwelijk specimen van ’n oom, kap’tein.” De oude zeerob kende oom Jacob ; hij had al eens ongevraagde en ongewenschte inlichtingen van mijn gewaardeerden bloedverwant ontvangen, betreffende de zeevaart. „Hm! Dan varen we in één schuitje,” zei de kapitein. „Mijn vrouw wordt bij den dag onhandelbaarder. Wat denk je dat ze nu weer uitgedacht heeft ? Ze haalt ’s morgens de keuken het onderste boven, zoodat ik daar mijn pijp niet rooken kan ; in de huiskamer mag geen vuur branden voor den namiddag en als de kachel aan is, mag ik er niet rooken, want dan krijgt ze ’t op d’r borst! Maar dat is nog lang het ergste niet 1” voegde hij er grimmig aan toe. „Wat is ’t dan ! Heeft ze een nieuwe foltering uitgedacht ?* vroeg ik deelnemend. „Luister! Toen ik verleden week ’s avonds uit de socië­ teit kwam, ben ik over den regenton gevallen. Je weet wat een sta-in-den-weg dat beroerde ding is. Welnu van af dien avond stelt mijn wederhelft alle pogingen in ’t werk om mij te vergiftigen.” „Wat zeg je, vergiftigen ?” „Jawel, mijnheer! Van af dat oogenblik bereidt ze voor mij een vergif. Kruidenwijn, noemt ze ’t, en dat geeft ze me ’s morgens, ’s middags en ’s avonds te drinken. Ze zegt dat ik lijd aan een onnatuurlijken dorst en dat alles, wat ik daarvoor op de sociëteit gebruik, de kwaal slechts verergert. * (Wordt vervolgd). DE BEZORGING VAN „PANORAMA” Waar de uitgevers en de redactie van „Panorama" al het mogelijke doen, zooals door 2 maal per wetr. verschijnen, enz., om de abonné’s steeds al het belangrijke nieuws zoo spoedig mogelijk te geven, stellen zij er natuurlijk grooten prijs op, dat ook de bezorging niets te wenschen overlaat. Mochten er derhalve geabonneerden zijn, die over het bezorgen klachten hebben, dan worden zij verzocht deze direct de Administratie van Panorama mede te deelen. Het adres is: Administratie van „Panorama” Doezastraat 1, 3, 5. Leiden. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1596 tot 1600 van 11897