|
PANORAMA 328
EEN GROMPOT
door PIET VERSCHUUR
ijn oom Jacob is een toonbeeld van menschelijke
volmaaktheid ! Dit vooropgesteld zal
het menigeen vreemd schijnen als ik er op
volgen laat: hij is tevens het meest onhebbelijke
wezen, dat op twee beenen rondloopt.
Ongelukkigerwijs is het voor een armen
broodschrijver ais ik ben, allernoodzakelijkst om met den
welgestelden, ongetrouwden oom van mijn vrouw op
goeden voet te staan. Om der wille van het toekomstige
„smeer” likte ik dus, ik bedoel: inviteerde ik ieder jaar
oom Jacob de Paaschvacantie bij ons door te brengen.
Ik weet zeker dat hij op dezen jaarlijks terugkeerenden
vacantietijd zeer gesteld was, en ik weet even zeker, dat wij
het niet waren. Hij las mij steeds de les over de luchthartige
wijze waarop ik het leven opnam ; mijn vrouw
kapittelde hij over haar wijze van huishouden; ons zestienjarig
hitje om haar stommiteiten en mijn voorbeeldig
kroost om zijn jeugd-misdrijven.
Oom Jacob was op den morgen, waarover ik thans schrijven
wil, al in een bijzonder onaangename stemming.
We aten ons eerste ontbijt om acht uur en het was juist
drie minuten over achten, toen de thee werd binnengebracht.
Oom Jacob stond met zijn rug naar den haard gekeerd
en zijn groot, ouderwetsch horloge in de hand.
„Zeg, Marie, weet je wel dat je vijf minuten te laat bent ?
Het gevolg hiervan is, dat je nu den geheelen dag hollen
moet. Een kloeke huisvrouw, mijn kind, is een kroon
haars heeren, zegt Salomo.”
Mijn vrouw begon thee te schenken en merkte op dat
het mooi weer was. Oom Jacob was er evenwel de man
niet naar om zich door een praatje over het weer te laten
afleiden van zijn geliefkoosde bezigheid zijn arme slachtoffers
te kwellen. Hij wendde zich tot mij.
Ik had, (dat is nu eenmaal het
lot van ons arme auteurs) pas een
niet geplaatst artikeltje van de redactie
van „Panorama” terugontvangen.
Mijn vrouw met haar beminnelijken
vrouwelijken tact vermeed, als ze zoo’n
noodlottige enveloppe zag, zorgvuldig
het onderwerp letterkunde aan te
roeren, maar trachtte veeleer door
een vroolijk gesprek mijn teleurstelling
weg te praten. Niet alzoo mijn waarde
oom. Met zijn arendsblik had hij
weldra de half weggemoffelde enveloppe
ontdekt.
„Wat heb je daar, Piet? Proeven
jongen ?”
„Neen,” antwoordde ik kort, „teruggezonden
manuscript1”
„Ik vind dat dit bij jou nog al
dikwijls gebeurt, veel te dikwijls! Weet
je wat jij doen moet? Je moet wat
meer uitvoeren ; je moet ’s morgens
om vijf uur beginnen, dan kun je
iederen dag een paar artikelen meer
schrijven en zoo je inkomen wat vergrooten.
Toen ik nog in steenkolen
handelde, was ik altijd bezig door hard
werken mijn schadepostjes te verminderen
en zoo mogelijk wat over te
houden. Een beetje meer ijver en bekwaamheid
zou je goed te pas komen.”
Met deze smakelijke toespijs nuttigde
ik stil en vol verbeten woede mijn
ontbijt, mij zelven afvragende, hoe
het mogelijk was dat oom Jacob in
zijn leven niet één keer vermoord was.
Onderwijl had oom zijn gewaardeerde belangstelling
van mij op Karei, mijn oudsten telg, overgebracht. De knaap
zat stil aan tafel met zijn oogen op zijn bord, hij had al
zoo vaak zijn aandeel gehad van ooms zedelessen, dat hij
hiernaar niet in ’t minst nieuwsgierig meer was en zoo min
mogelijk de aandacht van den brompot tot zich wilde
trekken.
„Zeg, Karei,” begon oom, „ik weet een moois ommetje
voor je ! Stel je voor: ik koop een dozijn eieren tegen 5
Cent per stuk en een dozijn tegen 7 cent het stuk en meng
deze dooreen. Tegen welken prijs moet ik dan ieder ei
verkoopen om er 50% aan te verdienen ?”
Karei is een jongen met een vriendelijk open gelaat;
toen hij evenwel naar oom Jacob keek op dat oogenblik,
was ik ontsteld door den moordlust die hem uit de oogen
blonk. Zijn blik herinnerde mij aan Kaïn !
„Acht cent,” antwoordde hij op de gis.
„Wel heb ik van mijn leven,” riep oom uit, zich tot mij
wendende. „En jij betaalt daar zestig gulden per jaar voor ?
Een van beiden : het onderwijs deugt niet, of de jongen is
schandelijk lui, misschien is wel allebei het geval. Het zou
wel nuttig zijn, vind ik, als hij ’s middags in plaats van te
gaan spelen een paar uur bij mij kwam ; ik wil hem met
plezier, den tijd dat ik hier ben, wat beter uit het hoofd
leeren rekenen.” •
Ik dacht juist, in de stellige overtuiging dat het plezier
zeker maar aan een kant was, er over na op welke diplomatieke
wijze ik dit welwillend aanbod zou afsiaan, toen
mijn zoon zelf den knoop doorhakte, met te zeggen :
„Vader, ik moet weg, anders kom ik te laat op school!”
De uitval van den jongen was niet bijzonder beleefd,
doch — ik ben vader en kon mij bovendien tegenover den
P. VAN DER HEM. — Circus-Bar.
(uit de verzameling T., Amsterdam).
gemeenschappelijken vijand onmogelijk neutraal houden
Ik knikte dus en weg vloog mijn stamhouder.
Eindelijk was het ontbijt afgeioopen. Oom Jacob nam
in een gemakkelijken stoel plaats met zijn geliefd ochtendblad
en ik vloog naar boven naar mijn studeerkamer. Op
KINDERBIJEEN KOMSTEN.
De Amsterdamsche studenten hebben gelden bijeengezameld voor het organiseeren van Kinderbijeenkomsten.
Een aantal van de armste kinderen van de stad werden onthaald. Mevrouw Wensma-Klaassen
vertelde sprookjes en zong. liedjes, zoodat de kinderen een aangenamen middag hadden. De feestjes
hadden plaats op 4, 6, 11 en 12 Mei in het gebouw v. d. Handwerkers Vriendenkring. De senaat van
het Amst. Stud. Corps trad als uitvoerend Comité op.
de trap kwam ik mijn vrouw tegen. „Je hebt nog al wat
’n haast om aan het werk te gaan van morgen !” zei ze
lachend tegen mij.
„Ik maak me uit de voeten, omdat ik de verzoekingbijna
niet weerstaan kon, je dierbaren oom bij den kraag te
pakken.”
„Maar, lieve, ik weet zeker hij zegt alles uit goedheid.”
„Welnu, laat hem dan zijn goedheid van morgen maar
eens op jou uitstorten. Ik ben een grootmoedig echtgenoot
en zal je zijn gezelschap in het geheel niet misgunnen.”
Juist had ik voor mijn bureau plaats genomen, een
sigaar aangestoken en zat ik naar het plafond te staren in
afwachting dat in mijn geest de stof voor een artikel zou
LANG GEWACHT, STIL GEZWEGEN ....
De aankomst op het terrein der Philips’ fabrieken van den
extra-trein met 17 wagons glasballons, welke 3 maanden door
de Duitsche regeering werden opgehouden.
opdoemen, toen ik een slependen stap op de gang hoorde
en oom Jacob binnentrad.
„Het is in de huiskamer wat frisch van morgen,” begon
hij. „Je weet ze ligt op het noorden. In jouw kamerschijnt
nu het zonnetje zoo lekker en daarom kom ik zoolang hier
zitten, ten minste als ik je niet stoor.”
„O. .o! Heelemaal niet,” antwoordde ik, een verwensching
met bovenmenschelijke inspanning inslikkende.
Oom Jacob is, moet je weten, als krantenlezer al even
ongenietbaar. Hij heeft de onuitstaanbare gewoonte om
halfluid voor zich te lezen en telkens met de krant te ritselen;
manipulaties die nog verergeren, als hij, per ongeluk,
een artikel leest, dat hem niet bevalt. Dien morgen
scheen hij al bijzonder veel van dergelijke artikelen onder
de oogen te krijgen.
Ondertusschen zat ik met de pen in de hand een half
uur lang in een staat van geestelijke verlamming. Het was
mij onmogelijk een regel op het papier te brengen. Eindelijk
vouwde oom zijn krant dicht.
„Wat l Heb je al dien tijd nog niets uitgevoerd, Piet?
Daar kan je schoorsteen niet van rooken.”
• Ik momp'elde vaag iets over inspiratie, zoeken naar een
idee.
„Een idee ?” riep hij uit. „Daar kan ik je wel aan helpen.
Jij moet eens een serie artikelen schrijven over de steenkolenbranche.
Je begint bij de mijn, schrijft dan verder
over de export, den groothandel, het verschepen en je
eindigt met den kleinhandel en het gebruik in de huishouding.
Dat is een onderwerp dat iedereen interesseert,
want iedereen brandt steenkolen.”
Een halfuur lang werd ik onthaald op allerlei wereldschokkende
bijzonderheden over steenkool, bruinkool en
allerlei andere kool. ’t Was niets als kool! Aan het eind
van de peroratie juichte ik het idee uitbundig toe, maar
verklaarde tevens dat het indenken in dat gewichtig onderwerp
mij een weinig hoofdpijn bezorgd had en ik dus in
den tuin wat versche lucht ging happen.
De trap afgaande bedacht ik, dat ik ten minste eenige
uren lang van ooms gezelschap ontslagen zou zijn, want
hij had de gewoonte nooit voor den
middag in den tuin te komen. Buiten
gekomen nam ik een spa en ging een
van mijn bloemperken omspitten.
Terwijl ik aldus bezig was, zag ik
mijn buurman, kapitein Blommers zijn
tuin inwandelen. Hij knikte tegen me
met een gezicht als een oorworm.
We waren overigens beste vrienden
en ik wist dat zijn ongenaakbaarheid
een gevolg was van huiselijke troebelen.
Met een woedenden ijver begon hij
zijn rozen te snoeien en er heerschte
eenigen tijd stilte aan weerszijden van
de haag, die onze lustoorden scheidde.
Eindelijk hield de kapitein op, stopte
zijn pijp en sprak mij aan :
„Wat ben jij vroeg in je tuin bezig
van morgen !”
Ik naderde de heg en antwoordde :
„Ik ben het huis uitgedreven door
een afschuwelijk specimen van ’n oom,
kap’tein.”
De oude zeerob kende oom Jacob ;
hij had al eens ongevraagde en ongewenschte
inlichtingen van mijn gewaardeerden
bloedverwant ontvangen, betreffende
de zeevaart.
„Hm! Dan varen we in één schuitje,”
zei de kapitein. „Mijn vrouw wordt
bij den dag onhandelbaarder. Wat
denk je dat ze nu weer uitgedacht
heeft ? Ze haalt ’s morgens de keuken
het onderste boven, zoodat ik daar
mijn pijp niet rooken kan ; in de
huiskamer mag geen vuur branden voor den namiddag
en als de kachel aan is, mag ik er niet rooken, want dan
krijgt ze ’t op d’r borst! Maar dat is nog lang het ergste
niet 1” voegde hij er grimmig aan toe.
„Wat is ’t dan ! Heeft ze een nieuwe foltering uitgedacht ?*
vroeg ik deelnemend.
„Luister! Toen ik verleden week ’s avonds uit de socië
teit kwam, ben ik over den regenton gevallen. Je weet
wat een sta-in-den-weg dat beroerde ding is. Welnu van
af dien avond stelt mijn wederhelft alle pogingen in ’t werk
om mij te vergiftigen.”
„Wat zeg je, vergiftigen ?”
„Jawel, mijnheer! Van af dat oogenblik bereidt ze voor
mij een vergif. Kruidenwijn, noemt ze ’t, en dat geeft ze
me ’s morgens, ’s middags en ’s avonds te drinken.
Ze zegt dat ik lijd aan een onnatuurlijken dorst en dat alles,
wat ik daarvoor op de sociëteit gebruik, de kwaal slechts
verergert. * (Wordt vervolgd).
DE BEZORGING VAN „PANORAMA”
Waar de uitgevers en de redactie van „Panorama" al
het mogelijke doen, zooals door 2 maal per wetr. verschijnen,
enz., om de abonné’s steeds al het belangrijke
nieuws zoo spoedig mogelijk te geven, stellen zij er
natuurlijk grooten prijs op, dat ook de bezorging niets
te wenschen overlaat. Mochten er derhalve geabonneerden
zijn, die over het bezorgen klachten hebben, dan worden
zij verzocht deze direct de Administratie van Panorama
mede te deelen. Het adres is:
Administratie van „Panorama”
Doezastraat 1, 3, 5. Leiden.
NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
|