|
319 PANORAMA
H. M. de Koningin
TROEPENINSPECTIE.
inspecteert de troepen te Numansdorp. (foto Stranss’
KEGELEN.
Op het concours, uitgeschreven door den Nijmeegschen kegelbond is het de kegelclub „De Kampioen” gelukt voor
de derde maal den Beker te winnen, zoodat dit kegelpronkstuk thans voorgoed 't eigendom van „De Kampioen” is.
dorp. Het was een rit van een tiental kilometers en toen
ze aan het dorp kwam, was het reeds middag. Ze kende
het plaatsje heel goed, was er meermalen met haar groom
heengereden. Het had een schoone omgeving, en werd
daarom druk door schilders bezocht.
Zij herinnerde zich dat alles, terwijl ze het naderde en
keek onderzoekend de weiden langs met het bosch op den
achtergrond. Haar hart begon luider te kloppen. Het was
toch eigenlijk een gewaagd ding, en toen ze eindelijk een
artist ontmoette, die ijverig werkte, bleef ze eenige minuten
besluiteloos zitten.
Eindelijk steeg ze af en wandelde naar hem toe. Haar
gelaat was doodsbleek en haar hart klopte wild in haar
borst en toch kon ze hebben gelachen om het grappige
van het geval, dat toch geen grap was.
De schilder keek op, nam zijn pet af en ging toen weer
ijverig aan het werk. Hij leek arm en haveloos, een tweederangs
artist, die hard werken moest voor zijn schamel
onderhoud en nimmer vooruit zou komen.
Ze kuchte.
,,Mijnheer,” zei ze, „ik moet u spreken. Ik . . . ik ...
o, ik ben in groote moeilijkheid en heb uw hulp noodig.”
Hij was dadelijk opgerezen.
„Tot uw dienst,” zei hij.
„U weet niet wat het is 1” riep ze uit. „U weet niet wat
ik van u verlang 1 Ik... ik”. Ze brak plotseling in een
zenuwachtigen lach uit. „Ik wensch dat u mij trouwt 1”
Hij staarde haar ten hoogste verbaasd aan en zag hoe
een diep schaamrood haar lief gelaat overtoog.
„O, ik weet dat het krankzinnig lijkt, maar ik kan ’t niet
helpen, ’t Is de eenige weg. Het zal mijn leven verwoesten
als u weigert. Ik zal u eeuwig dankbaar zijn.”
Ze legde hem uit op ademloozen toon, waarom zij tot
hem gekomen was met dit zonderlinge voorstel. Haar gelaat
trilde van afkeer, toen zij van Jasper Dee sprak. De
schilder zag dit en dat maakte dat hij later besloot te doen,
zooals hij deed.
„Dat is de reden,” eindigde zij. „Ik kan hem niet trouwen.
Het zou mijn hart breken. En als u mij trouwen wilt en ...
en.. . belooven mij nimmermeer te ontmoeten, dan .. .
dan zal ik u tienduizend gulden geven.”
De schilder staarde haar in de grootste verbazing aan.
Zijn gelaat was plotseling zeer bleek geworden. Hij keek
naar zijn schilderstuk op den kreupelen ezel, hij keek en
dacht en eindigde met toe te stemmen. Tienduizend gulden!
Het was meer dan hij noodig had. Hij had slechts een
klein kapitaal noodig om te kunnen leven, tot hij beroemd
was en dan ....
Hij wendde zich weer tot haar. Ze zag er bijzonder lief
uit met den diepen blos op haar wangen en de schitterende
oogen, en hij werd met medelijden voor haar bevangen.
Was het nobel tegenover haar? Hij aarzelde! Maar toen
dacht hij aan haar afschuw voor Jasper en aan zijn eigen
vooruitzichten.
VOOR HET STEUNCOMITÉ.
De bekende Belgische beeldhouwer W. Schoutelen heeft te
’s-Gravenhage een tentoonstelling geopend, waarvan 20 pCt.
van de opbrengst ten bate van het Steuncomité komt.
„Ik zal het doen als u volkomen zeker is van u zelf,”
begon hij langzaam. „D heeft mij alleen noodig voor een
ceremonie, natuurlijk. Ik zal u onmiddellijk daarna verlaten.
Maar u moet toch de zekerheid hebben, dat ik niet
reeds getrouwd ben!”
Zij keek hem aan.
„Als u mij zegt van niet, geloofikhet,” was haar antwoord.
Hij bloosde en zijn lippen beefden.
„Het is niet eerlijk, niet nobel,” zei hij, „maar... maar
het geld verleidt mij. Met het geld kan ik een studiereis
gaan doen, ik kan afwachten, het beteekent roem voor mij.
Als u vastbesloten is, stem ik toe.”
Zij was vastbesloten; toch stond hij erop een maand
te wachten, om haar tijd tot beraad te geven, doch na verloop
van die maand was ze nog even b loten. Zij trouwden
dus op een morgen in alle stilte en na afloop der plechtigheid
gingen ze elk huns weegs en van dien dag tot op
dit oogenblik na vijf jaar had ze niets meer van hem gehoord.
En nu onherroepelijk verbonden aan een man, dien ze
slechts twee- a driemalen had gezien, begon die band haar
loodzwaar te drukken en voelde zij zichzelve als een slavin.
Zij zou nu nimmer kunnen trouwen, hoezeer ze het ooit
zóu willen. En hoe kon zij eerlijke menschen ontmoeten
en zich laten noemen bij een naam die een leugen was?
Mevrouw Cassilas 1 En haar echtgenoot, waar was die ?
Iedereen vroeg het haar natuurlijk en stuitte het haar hoe
langer hoe meer tegen de borst te liegen, dat hij aan het
schilderen was buitenslands. Ze was beu van alles en nu,
plotseling, scheen het haar toe, dat hij een lafaard geweest
was, een verachtelijke lafaard, om misbruik te maken
van den gemoedstoestand van een jong onnadenkend
meisje.
Ze lichte het hoofd op en zag haar oude vriendin aan.
„Hij was wreed, mij zoo aan mijn woord te houden I”
weende zij.
* *
*
Dienzelfden avond was er in het landelijk pension
de drukte van een nieuwen gast. Deuren werden open- en
dichtgeslagen, een portemanteau stond er in de hal en de
reuk van een sigaar drong tot Enids zitkamer door.
Ze trok haar neus op.
„We zullen moeten vertrekken,” zei ze, „ik wil alleen
zijn. Ik haat menschen 1”
Mevrouw Maxwel ondervroeg de hospita wie de nieuw
aangekomene was en voelde zich onaangenaam getroffen,
toen ze hoorde dat het een schilder was uit Londen, Villiers
genaamd.
Wie kon weten wat hij te zeggen zou hebben van Cassilas ?
Hij zou hem-zeker wel kennen. Ze werd onrustig en angstig
en beschouwde Enid met bezorgden blik. ’t Was echt onaangenaam.
Wat moesten ze doen? Hier blijven, kennis met
hem maken en hem vragen of hij iets wist betreffende
Cassilas ? Of was het beter heen te gaan ?
Enid besloot te blijven.
„Misschien als ... . als hij dood is, kan deze man het ons
zeggen.”
De eerste dagen wachtten de beide vrouwen tevergeefs
op eenig teeken van den vreemdeling ; hij ging des morgens
reeds heel vroeg uit voor zijn studies en kwam eerst laat
thuis. Doch eindelijk zagen ze hem op een dag thuis komen.
Het was een flinke man met donker haar en baard en een
blauwen bril op.
Boden wij onzen waarden lezers in 1914 een gezicht op het Hyacintenveld van de firma Joh. Guldemond & Zoon
te Hillegom aan, thans geven wij van ’t zelfde plekje grond een schoon-zicht op een veld Darwin-tulpen. Schooner
plekje als dit veld zal wel moeilijk aan te wijzen zijn in de bloembollenstreek. Darwin-tulpen onderscheiden zich
van andere tulpen, zoowel van de vroegbloeiende als van de late tulpen, van de Breeders, van de Rembrandttulpen
en alle andere species, door de kleur allereerst, wijl ze steeds éénkleurig zijn, voorzoover althans b.v.
rosé in wit vervloeit. — Zij zijn over ’t algemeen zeer forsch van bouw, dragen hare bloemen, die veelal bokaalvormig
zijn, op loodrechten stengel, die somtijds een hoogte van 80 c.m. bereikt, terwijl de bloembladen een wasachtig
matten glans vertoonen en daardoor ’toog aangenaam aandoen. — Al zijn gele en zuiverwitte weinig of
niet vertegenwoordigd, toch vindt men er een ongelooflijke massa kleurschakeeringen in. Zoo heeft men honderden
soorten liggen tusschen ’t diepste rood en ’t schoonste karmijn, van het helderste lila tot het donkerste purper.
Zwart zou men er enkele kunnen noemen, tooverden de helle zonnestralen nog niet een tikje violet voor den dag.
Onder deze kleur is La tulipe noire nog wel degeen die ’t meest ’t zwarte nadert, al geven namen als Niger en
Zulu reeds aan, dat ook deze mede dingen; de Zulu is dan ook werkelijk blauw-wit. De plant van La tulipe
noire is zeer stevig, massief zou men geneigd zijn te zeggen, de bloemstengel die bij groote bollen bijna een middellijn
van 1 c.m. heeft, draagt trotsch zijn groote bloem, wier bloembladen drie aan drie resp. rechtop en beschermend,
half cirkelvormig omgebogen liggen bij zonnige dagen. Onmiddellijk naast deze, staat zeker de eveneens
donkere „Faust”, die zelfs in hoogte van den stengel en grootte der bloem de eerste overtreft. Majestueus verheft ze zich
en wiegt ze zich bij eik windje. Van breken door wind, hij mag nog zoo hevig zijn, is bij Darwintulpen geen sprake.
|