|
PANORAMA 318
□E BAMBOÊ-HOEDENINDUSTRIE IN N.O. INDIÊ.
De grondstof voor deze hoeden wordt geleverd door de bamboe-tali, die in het wild groeit en dus zeer goedkoop is. De jonge, nog groene stengels worden met zorg gekozen en daarna, met
gebruikmaking van slechts grove gereedschappen, in dunne reepjes gesplitst, zoodat dunne, buigzame linten ontstaan. Dit werk geschiedt in hoofdzaak door mannen (zie foto links), in tegenstelling
met het vlechten der hoeden, dat meer door vrouwen en kinderen geschiedt (zie de foto rechts).
’N WANHOPIGE DAAD
3 et was lente, bijna zomer. De voorjaarswinden
waren heen en het weer werd heerlijk
warm, een ware zomerwarmte.
Een jong meisje wierp de ramen van een
groote boerenwoning open en keek naar
buiten. Het was een slank meisje met zwart
haar en donkere oogen, met een gelaat dat vol leven,
jeugd en geluk wezen moest, doch in plaats daarvan bleek,
lusteloos en kwijnend was.
Ze zuchtte, haar hoofd buiten het venster, opdat de
oude vrouw, die in de kamer zat te breien,
het niet hooren zou. Niets ontging evenwel
haar scherpe grijze oogen en haastig haar
breiwerk neerwerpende, stond ze op en zei :
,, Kindlief, gelóóf je niet dat het verstandiger
zou wezen om naar een badplaats te gaan.
Het is hier saai; ja, ik weet ’t, natuurlijk,
jij vindt ’t hier prettig, maar kindlief, je moet
meer van het leven genieten. Je moet weer ontwaken!
In de badplaatsen is het seizoep
begonnen, er zijn' daar theaters en . . . .”
Enid trok haar hoofd naar binnen en keerde
zich om.
„Ja, ja, Merie! Ik weet er alles van. Maar
wat kan mij dat schelen, ik ben beu van alles,
ik ben beu van iedereen.”
„Maar waarom vga je dan niet naar huis?”
vroeg zij. „Jammer van het mooie huis. En
de dienstboden doen niets dan je opeten.
Laat ons naar huis terugkeeren, daar zul je
genoeg vinden waarin je belang stelt, en we
zijn er al niet geweest, sinds . . . .”
Enid huiverde. »
„Neen, ik weet ’t,” zei ze zacht, „we zijn er
niet geweest, sinds ik van mijzelve een dwaas
gemaakt heb. O, ik weet het! En de gedachte
alleen maakt me gek. Hoe kun je denken dat
ik het verdragen kan, terug te gaan, te
voelen dat iedereen mij aanstaart, te denken
aan de praatjes die ze vertellen, te zien hoe ze
elkander aanstooten — o, wat was ik een
dwaas ! Wat was ik een dwaas !”
Ze hield plotseling op met een snik. Mevrouw Maxwel
kwam naast haar staan en legde de hand op haar schouder.
„Lieve,” zei ze, „neem de zaak niet zoo tragisch op.
Je was dwaas, ja lieve, heel, heel dwaas, maar je had niemand
die je leiden kon. Denk hoe alleen je was en dan het geld . . .
Het was verleidelijk.”
„Verleidelijk ?” riep Enid uit. „Het was zoo verleidelijk,
dat ik er mijn leven voor verwoestte. Geld was alles wat ik
verlangde ! Het leven scheen ellendig zonder dat 1 En toen,
ging ik —en deed dat!” Zij huiverde en wrong de handen
in haar schoot. Haar donkere oogen stonden vol tranen.
„Het leek toen zoo weinig ernstig,” zei ze, „en het was
zoo gemakkelijk, bijna een grap. O, ik begrijp niet hoe ik
het ooit als een grap kon opnemen. Maar ik was zoo onervaren
en het was een schandelijk testament — afschuwelijk,
misdadig!”
Ze brak in snikken uit en verborg haar gelaat aan mevrouw
Maxwels borst.
„Nou, nou, lieve,” zei de oude dame, „laat ons trachten
het kwaad zooveel mogelijk ten goede te keeren. Het is
nu drie jaar geleden en we hebben sedert niets meer van
hem gehoord. Misschien is hij dood, of stervende. Er is
zeker iets met hem gebeurd. En bovendien er is nog zooveel
om voor te leven, buiten den man.”
OVERSTROOMING OP JAVA.
Eenigen tijd terug werd door de zware buien, waardoor de rivier Tjepper te Solo op Java
overstroomde, het bruggenhoofd van de spoorbrug te Tjepper ondermijnd. Het stortte in
en slechts de rails bleven boven de rivier hangen. De brug was 16 meter lang en werd
50 jaar geleden gebouwd. Op de foto ziet men duidelijk met hoeveel kracht het water
heeft huisgehouden. Beneden ziet men de noodbrug voor voetgangers, boven het monteeren
van de nieuwe brug.
Ze hield plotseling op, om haar ontroering niet te doen
blijken, en keek snel naar het jonge meisje. In mevrouw
Maxwel’s hart was een leegte, die niet meer gevuld kon worden,
een leegte, ontstaan door het overlijden van haar man,
vijf jaar geleden, en ze wist, in spijt van haar woorden, dat
er zonder hem voor haar niets meer was in dit leven.
Misschien voelde Enid iets van wat er in het gemoed van
haar gezellin omging, want ze keek haastig op met haar
wilde oogen. >
„O maar jij weet wat een echtgenoot is voor de meeste
vrouwen ! Jij weet hoe het een vrouweleven gelukkig
maken' kan, terwijl ik . . . .”
Ze hield op en lachte bitter.
„Maar ik . . . .” ging ze voort. „Vervloekt is mijn leven
door mijn dwaasheid en slechtheid. Want het was slecht,
slecht een doode aldus te bedriegen !”
Ze snakte naar adem.
„Stil lieve!” suste mevrouw Maxwel.
„’t Was zoo,” vervolgde Enid een weinig bedaarder. „Maar
het was ook een slecht testament. Oom wist dat ik Jasper
Dee haatte en daarom was het afschuwelijk ons te willen
doen trouwen, zooals hij dacht dat gebeuren zou. Hij had
niemand aan wien hij zijn geld kon nalaten, dan mij en
daarom maakte hij de voorwaarde dat ik voor mijn meerderjarigheid
getrouwd moest wezen. Hij wist wat hij daarmee
bedoelde, iedereen wist het. Er was slechts
één persoon en dat was Jasper. O, hoe kon
hij zoo iets willen ?”
Zij sidderde bij de herinnering aan hetgeen
thans opnieuw haar geest bezig hield. Alle
details kwamen haar weer duidelijk voor
oogen. In het eerst had het haar niet zoo verschrikkelijk
toegeleken. In haar eerste woede
en wanhoop over haar ooms uitersten wil
had ze kalm haar besluit genomen. Niets
zou haar dwingen den gehaten Jasper te
trouwen en niets zou haar verhinderen de
erfenis te aanvaarden. Ze was groot gebracht
in luxe en welvaart, hoe kon ze dan daarbuiten
leven ? Haar jeugdig hart kromp ineen bij de
gedachte aan de armoede die haar deel zou
zijn als ze haar ooms fortuin niet erfde. Ze kon
niet in haar eigen onderhoud voorzien en had
slechts weinig vrienden. Ze was van af haar
tiende jaar, sedert den dood harer ouders
bij haar oom geweest, die haar zeer lief gehad
had en het haar nimmer aan iets had laten
ontbreken. Alleen bij zijn dood had hij haar
wreed behandeld. Zijn testament was afschuwelijk
geweest, zoo afschuwelijk, dat Enid
er zich uit alle macht tegen verzet had.
Ze was een dapper meisje en zonder vrees.
Ze had nimmer voor iets behoeven te vreezen.
Ze was vrij geweest, en gelukkig als een vogel
in de lucht, totdat het testament hieraan
een einde maakte. Zij en iedereen had gedacht,
dat haar de nalatenschap zonder esnige restrictie zou zijn
nagelaten, en iedereen was verwonderd.
Enid was zeer terneergeslagen geweest en had dagenlang
haar kamer niet verlaten, zich slechts aan haar verdriet
en ergernis overgevende. Eindelijk had ze op een dag de
zorgen van zich afgeschud en 1 evolen haar paard te zadelen.
Toen de groom haar paard bracht tegelijk met het zijne,
had ze hem weggezonden, zeggende dat ze alleen wilde rijden.
Zij reed langs eenzame landwegen naar het naastbijzijnde
UIT HET VLUCHTELINGENKAMP TE EDE.
Enkele Amerikaansche dames van het Internationaal congres hebben een bezoek gebracht aan het Belgische vluchtelingenkamp te Ede. Foto links: Bezoek aan de werkkamer, waar de kleeren
voor de bewoners worden gemaakt. De machines zijn een gift v. Rockefeller. Foto midden : Belgische jongens op weg naar school. Foto rechts: De Amerik. bezoeksters voor „Lustoord” in ’t Belgische kamp.
|