Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1581 tot 1585 van 11897
Nummer
1915, nr.39, 13 mei. 1915
Blad
05
Tekst
309 VERDUIVELD, TOEN IK OP ZEE ZWIERF... G. A. DIETERLE nkelen beweerden, dat captain Brown een man was die bovennatuurlijke avonturen had meegemaakt, terwijl anderen geloofden dat hij gek was. Ook de meeningen omtrent het karakter van Brown liepen zeer uiteen en er werden daarvan de meest fantastische verhalen gedaan, doch één ding was zeker, de man was even excentriek als ongenaakbaar. Hij ging tegeneen ieder, die in zijn nabijheid kwam, te keer als een woesteling en beleedigde hem op de meest grove wijze ; daartegenover stond het feit, dat wanneer iemand op het dorp ziek was of hulp noodig had, captain Brown onmiddellijk steun verleende, maar dit deed op een manier, die eenig in haar soort was. Een voorbeeld: toen de vrouw van den vrachtrijder ziek was, liet hij haar man door de politie zeggen, dat ’s morgens om acht uur op de stoep van Brown’s huis een mand zou staan, met voddenrommel, om een halfsleetsch karkas weer op te kalefateren. Geld, vruchten, een flesch wijn en levensmiddelen vertegenwoordigden den voddenrommel......... ,,De mand terug, beroerlingen,” stond op het briefje, dat op den bodem van de mand lag. Brown was een dikke, groote kerel met een zwaren, langen baard, die bijna zijn geheele gelaat bedekte, tot op zijn buik hing en van vele kleurnuanceeringen was. Zijn woning verliet hij nooit en als het winter was en hij niet sliep, zat hij bij den haard, waarin het houtvuur knetterde; zomers zat hij in den tuin voor zijn huisje in de gloeiende zon en bij de bloeiende geraniums, hetgeen de kinderen en dorpelingen, die er voorbij moesten, lang niet plezierig vonden, want hij schold hen altijd uit voor al wat leelijk en laag was. Hoe oud hij precies was, wist niemand, maar hij moest heel, heel oud zijn, want minstens driekwart eeuw lang had hij op zee gezworven. De redactie van het maandblad „The Strange things of life” vroeg een redacteur en ik kon die post krijgen, als ik een interview met Brown inleverde, vergezeld van een door Brown onderteekende schriftelijke verklaring, dat hij de juistheid van den inhoud van het verhaal erkende. „Ik neem het aan, doodslaan zal hij me niet........... ” De hoofdredacteur lachte medelijdend en zeide alleen maar dat ik niet zou worden aangesteld wanneer ik geen bevredigend resultaat verkreeg. Ik heb hem geïntex vieuwd en ik ben niet doodgeslagen. Zijn verhaal was verbazend interessant en Zn/ gaf ook die verklaring, dat het authentiek was. Hoe ik bij Brown ontvangen werd is op zichzelf al de moeite waard om te vertellen. De dorpsbewoners deden allerlei moeite om mij van mijn voorgenomen bezoek terug te houden ; want zij vreesden het ergste. Toen ik het huisje, waarvan de deur geregeld openstond binnen trad, sloeg hen de schrik om het hart en bleven ze vóór de deur heen en weer draaien en naar binnen gluren. Een juffrouw, vermoedelijk zijn huishoudster, een heel gewoon menschje, kwam me tegemoet en ik gaf haar mijn kaartje, met verzoek bij Brown toegelaten te worden. „Dat tref je niet” zeide ze, „want de ouwe heeft juist zijn bokkepruik op en is gewoonweg dol; als hij in zijn sas is, is er al niets met hem te beginnen laat staan wanneer hij den brom in heeft.” Ze ging de kamer in en een oogenblik later hoorde ik een leven als een oordeel, hevige hamerslagen, afgewisseld door het geschreeuw van een zware, schorre stem. Wat de oude zeide verstond ik niet maar wel hoorde ik hem meermalen het woord „kakkerlak” uitdonderen. Ik had een sterk vermoeden dat ik dat insect vertegenwoordigde. De juf kwam terug en zeide : „Wat hij wil weet ik niet, hij schold je voor kakkerlak uit en beukte op de tafel, of je weg of naar binnen wilt gaan moet je zelf weten . . . !” Ik ging naar binnen ; daar zat de woesteling. Ik kreeg een gevoel, zooals Klein Duimpje gehad moet hebben, toen hij bij den reus op visite was. Wat een kerel 1 Wat een baard 1 Wat een handen 1 En wat een woeste dierlijke oogen had hij ! Hij zat in een houten stoel, die veel in vorm overeen kwam met een club-fauteuil, uitgezonderd de rug, die veel hooger was. Vlak bij hem stond een tafel, die met landkaarten bedekt was en waarop hij zijn groote behaarde hand leunde, waarin hij een zwaren houten hamer vasthield .... „Wat moet je hier, piepzak-bleekneus ? ... . Wat moet je van me . . . ?” snauwde hij me toe, terwijl hij na iedere vraag met den hamer op tafel sloeg .... Ik trachtte hem de reden van mijn komst duidelijk te maken, maar voor ik daarmede gereed was riep hij uit: „Hou je bek ... Je verveelt me, kerel 1 ... of neen, een kerel ben je niet . . . een piepzak-bleekneus.... een slappewas-vent ... Er zijn geen kerels meer... I Lamzakken zeg ik 1 Hoor je het l” Aan het einde van eiken zin timmerde hij* op tafel; nu hield hij op en grijnslachte me minachtend toe . . . Ik vond alles best, als ik hem maar aan het vertellen kreeg en dat zou ik tot eiken prijs trachten te doen......... Ik probeerde hem milder te stemmen door hem een sigaar (met toestemming van Goupil & Cie.) VAN DER HEM’S PORTRET VAN ENNY VREDE. Bizarre bloem op langen stengel... Met het bijna te oranje haar (dat onze afbeelding - niets immers bedrieglijker dan de fotografie — in gebreke blijft weer te geven), de bijna te krasse omtrekken van kin, neus, wangen, de bijna te violette oogen en den bijna te langen hals — is dit portret bijna een charge. Toch — beheerscht is het, als al Van der Hem’s werk. Toen de oorlog uitbrak, kwam ook over Van der Hem de onrust der tijden. Wrevel en ergernis over de vernietiging van zooveel kunstschatten, de onzekere gevoelens voor de toekomst die de gedrukte stand der kunstmarkt wekte — het een en het ander had invloed op hem als op zoovele artiesten. En ook toen hem bleek dat de Haagsche kunsthandelaar die zijn werk koopt, hem bleef steunen — onbewogen door de op paniek gerichte, speculatieve pogingen van inhalige verzamelaars, die op „steun-tentoonstellingen” aasden — bleef hii langen tijd den nieuwen weg gaan dien hij zich moedig gezocht had: het schilderen wilde, in al dit nerveus-makend oorlogsrumoer, zoo goed nog niet vlotten. En zoo danken wij aan den oorlog Van der Hem’s voortreffelijke platen in de Nieuwe Groene, vele zijner affiches, zijn kalender, de scherp doordachte portretten van Odette Myrtil, Mata Hari, Enny Vrede. .. Inderdaad, het kon slechter getroffen hebben. Mevirotmw Engelen-Sewing Vonder twijfel nog steeds een der meest populaire zangeressen, zoo niet dè meest populaire. Welk muziekvriend, vooral welk opera-liefhebber kent haar niet, en haar kénnen is haar bewónderen. Wie herinnert zich niet den bloeitijd der Nederlandsche Opera onder de Groot en later onder C. v. d. Linden, waar zulke kranige voorstellingen gegeven werden en waarbij het succes steeds gedragen werd door het toen zoo populaire drietal: Pauwels, Orelio, en niet het minst mevrouw Engelen-Sewing. En nóg glanst haar fraaie stem. nog is zij zeer in aanzien bij het zanglievend publiek. Dinsdag 11 Mei was het 25 jaar geleden dat zij voor het eerst als operazangeres van hare schoone talenten blijk gaf, en in al die vijf twintig jaren heeft de mooie stem niet van haar glans, haar soepelheid, haar verrukkelijken toon verloren. Heuglijk feit, in den Stadsschouwburg dien avond met een jubileum-voorstelling herdacht.' — Mevrouw Engelen zingt als een vogel, als een nachtegaal. De jubilaresse is een Amsterdamsche van geboorte. Als meisje van 14 jaar was zij op de zangles bij den bekenden musicus G. A. Heinze, later kreeg zij les van Jacob Kwast, van Frans Coenen, en ook van Messchaert. Bij het eindexamen van de muziekschool zong zij de aria uit de Traviata, en zoo pakkend was dit, dat de directeur der toenmalige Ned. Opera, De Groot, haar, het jonge meisje, dadelijk als zangeres engageerde. En zij werd een sieraad van dat instituut, en werd gaandeweg meer en meer de lieveling van het publiek; geen wonder, met haar betooverend geluid; haar keel is (als wij deze eenigszins vreemde, maar niettemin passende vergelijking mogen bezigen), haar keel is als een prachtige speeldoos. Wanneer men haar coloratuur hoort, komt onwillekeurig verbazing bij u op, dat deze schitterende trillers, loopjes, overgangen door zoo te zeggen, zoo’n gewoon, zoo’n eenvoudig instrument als de menschelijke stem voor den dag gebracht worden. Het is werkelijk verbazingwekkend. Wenschen wij mevrouw Engelen nog vele jaren toe, in het bezit van haar prachtige stem, en dat is tevens een goede wensch voor ons zelven, daar wij er nog menigmaal van genieten kunnen. PANORAMA te geven, maar dat had een verkeerde uitwerking. Hij trok de sigaar uit m’n vingers, kneep die in zijn hand fijn en wierp de tabak in het vuur, terwijl hij me toesnauwde : „zwijnerij !” Hij wierp me nog een nijdigen blik toe boog zich over zijn kaarten, en lette verder niet meer op mij. Mijn besluit was vooreerst niet weg te gaan en desnoods het ergste af te wachten. Ik nam het vertrek eens op, doch er was niet veel bijzonders te zien, uitgezonderd de oude roeiboot, die hij als ledikant gebruikte. De boot was gevuld met beslapen stroo; een rol kabeltouw diende als hoofdkussen en een inelkaar gefrommelde deken lag aan het voeteneind. Hij tuurde maar steeds op de kaarten en gromde nu en dan binnensmonds. Ongeveer een kwartier zal verstreken zijn, toen hij eensklaps op keek en schreeuwde: „Donder je nog niet op?” „Denk er niet aan, eerst vertellen !” „Ik duld geen tegenspraak !” „Je wordt heelemaal niet tegen gesproken”......... „Je bent gek 1” Als je zegt dat je me niet tegenspreekt, dan spreek je me tegen en donder nou op . . . donder op . . . donder op I” Hij schreeuwde, brulde, sloeg met den hamer op tafel en stampte op den grond .... Hij maakte zoo’n leven, dat de juf krijtwit van schrik binnen kwam en mij' smeekte om heen te gaan. „Mensch, bemoei je er niet mee, al trapt hij het heele huis in elkaar, dan blijf ik hier toch zitten . . Ze begon te jammeren . . . „Oh mensch, die is nog erger dan de ouwe .... dat geeft bloed 1” en verdween weer zoo snel mogelijk. Brown richtte zich nu in zijn volle lengte op...........Wat een reus van een kerel .... zooals hij er uit zag had ik me de cyclopen, de smidsgezellen van Vulcanus, altijd voorgesteld. De Kapitein brulde en dreigde mij met zijn hamer m’n schedel te verpletteren, waarop ik hem antwoordde dat zóó iets gemakkelijker gezegd is dan gedaan. „Alle duivels, dat heb ik nog nooit beleefd, dat iemand niet bang voor me is”... . riep hij iets kalmer uit.— „Dan heb je nog niet veel beleefd!” Ik wist niet dat dit kleine antwoord, dat ik alleen gelanceerd had, om hem te plagen, mij zooveel nader tot mijn doel zou brengen. „Heb ik niet veel meegemaakt. . . dat zegt zoo’n bleeke slappe-was-kerel ... Ik, die tegen Principo Infierno gevochten heb ...” „Heb jij tegen den gevreesden Principo Infierno gevochten . . . ?” „Ja ... Jij gelooft aan zijn bestaan ?” Ik zeide „Ja!” Vóór dien tijd had ik nimmer van Principo Infierno gehoord, doch bij intuïtie voelde ik dat ik nu op weg was om het gewenschte resultaat te verkrijgen. „Dat is wat anders! Geef me een poot, dan weetik dat je m’n verhaal gelooft.... Want ik zal hét je vertellen .... Je bent toch niet zoo’n lammeling als de rest, die van zoo’n oude drommedaris als ik ben, bang is.........Ga maar op tafel of op den grond zitten . . . Ook kan je in m’n schuit gaan liggen . . ’t Kan me niets bommen 1” En hij vertelde : „Verduiveld, toen ik op zee zwierf was het een andere tijd, toen was de zee, zoodra land uit ’t zicht was, een groote watervlakte vol geheimzinnigheden. „Verduiveld, toen ik op zee zwierf, waren de schepen geen drijvende paleizen, waarin de vrouwen rondliepen in toiletten, waarvoor m’n grootmoeder zich geschaamd zou hebben ze aan te trekken. Wie wist in mijn dagen van een stateroom met ledikant, waschtafel, electrisch licht en roomkleurige wanden. Wie had gehoord van een dining-room, smoking-room, ladies-saloon en ik weet al niet meer van wat voor niets-nutte-dingen.........In mijn tijd had je een houten karkas met zeilen en beneden kooien en in een ander gedeelte van het ruim was een lange houten tafel, met aan weerszijden banken, en een paar flinke scheepslantaarns gaven ’t noodige licht. . . Scheepsvolk en passagiers konden toen op zee nog wat beleven. „Verduiveld, dat gevecht tegen Principo Infierno in de Zeeslangen-baai, dat was je wat! . . . . „Principo Infierno was een zeespook, dat alle schepen waarop mooie vrouwen waren, liet zinken en als die schepsels in hun doodsangst in zee sprongen, pikte hij ze op en verdween er mede. „ïk was nog vrij jong, maar toch een kerel, die al menig kaper een watjekouw gegeven had, dat hij met een snelheid van zooveel mijlen per minuut den aftocht blies, toen de regeering mij opdroeg het koninklijk zeilschip „Dauphine” naar de overzijde van den Oceaan te vergezellen. De koningin van dat land, waarvan ik den naam niet noem, zou de eenige passagier van de Dauphine zijn. Zij was een bizonder mooie vrouw en zeer bang voor de reis ; daarom besloot de regeering mij op te dragen het schip te konvooieeren met tien schepen. „De meeste der heeren geloofden niet aan Principo Infierno, maar ik dacht er anders over en ik heb goed gedacht ......... „Wij gingen bij prachtig weer onder zeil ... De zee was effen als een spiegel en de lucht was blauw met hier en daar een klein wit wolkje. Wind was er niet, zoodat we zachtjes van de kust dreven. De „Dauphine” dreef te midden van de tien schepen, en ik ging met de „Walker” vooruit. De „Walker” was eer* pracht van een boot, met tien kanonnen en veel munitie aan boord. „Tien dagen hadden we al gevaren en er was nog niets bizonders gebeurd. Den elfden dag zag ik iets vreemds ; een zwart ding met schelpen en wier begroeid stak nu en dan uit zee...........
PDF
Nummer
1915, nr.39, 13 mei. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 310 DE AM ERI KAANSCH E MILLIONNA1R A. VANDERB1LT, SLACHTOFFER VAN DEN ONDERGANG VAN DE ..LUSITAN IA'*. De millionnair A. Vanderbilt die bij den ondergang van de „Lusitania” omgekomen is, was een groot liefhebber van „coaching”. Op bovenstaande foto ziet men hem zijn geliefkoosd span besturen. „Ik seinde met den wimpel „Wees op uw hoede” ... De overeenkomst was dat bij een overval, ik den strijd zou beginnen en dat de andere schepen, de „Dauphine” zoo spoedig mogelijk buiten gevaar zouden brengen. Was het schip eenmaal veilig, dan zouden ze mij komen helpen. „Het was avond en de eerste sterren twinkelden aan den nachthemel, toen ik in het noorden plotseling een vreemd amber-kleurig schijnsel zag. ik richtte m’n kijker en zag nu verscheidene groote zwarte koppen uit zee opsteken en onder duiken. Ook hoorde ik een vreemd geloei ... De andere schepen gaven met fakkels een teeken, dat ze het ook gemerkt hadden en ik seinde terug, dat ik er op af zou gaan. M’n mannen laadden de kanonnen en maakten de „Walker” tot vechten gereed. Het konvooi ging zuidelijker, zoodat we nu de volgende stelling hadden aangenomen : naar het zuiden eèn ander schip, een paar mijlen verder weer een en dan nog een paar mijlen verder de Dauphine omringd door acht schepen. . . Zoo bleven we in één richting drijven.... „Het was nacht geworden en het amber-kleurig licht was verdwenen, maar zuiver was het niet, want groote scholen visschen trokken met groote snelheid van het noorden naar het zuiden. „In eens zag heel ’t noorden bloedrood, met breede paarse strepen, die als een waaier uiteenliepen. Daar, waar die strepen samen kwamen dreef een schip met groote zeilen ; ’t geleek wel of schip en zeilen van bliksemlicht gemaakt waren. Om het schip doken zeeslangen. . . Die zwarte heuvels waarvan ik daareven gesproken heb, waren hun koppen. — .... Wat een monsters, zé waren wel vijftig VOOR DE GEVALLENEN. Te Namen is er door de bezettingstroepen in hun vrijen tijd een steenen gedenkteeken opgericht voor de om die stad gesneuvelde Duitsche soldaten. Het gebouw is 10 meter lang, 7 meter hoog en 4.50 meter diep. voet lang en gitzwart en met groene oogen in hun monsterachtigen kop. De luchtstroom was zeer vreemd en verdeeld in smalle banen van een ijskoude en smoorheete temperatuur. „Het spookschip naderde snel. „Wij vuurden vijf onzer kanonnen af en het spookschip zond ons bliksemstralen terug*, die over ons schip in zee sloegen, en een geluid maakten alsof een gloeiende staaf in ’t water werd gestoken. . „Het schip naderde nog een mijl en toen bleef het liggen. Met een scheepsroeper werd ons toegeschreeuwd : „Ik ben Principo Infierno. . . . geef mij de vrouw, die je aan boord hebt. . . . geef mij haar, want anders wordt het voor u noodlottig. . . . Principo Infierno beveelt je, die vrouw over te leveren. . . . Weiger je, dan wordt de zee jelui graf en de vrouw is toch mijn buit.” „Als antwoord liet ik nu de tien kanonnen afvuren. . . . „Principo Infierno stond op den voorsteven. . . . ’t Was een slanke kerel in een nauwsluitend rood kleed en op zijn hoofd een roode puntmuts. Zijn gelaat had scherpe trekken en onder de zware wenkbrauwen schitterden zijn zwarte oogen. Met zijn floret wierp hij de bliksemstralen naar ons schip. . . . „Nogmaals gaven wij hem de volle laag en met zijn floret weerde hij de kogels af. . . . „Nu begon hij met een rooden doek te zwaaien, eerst zacht en daarna sneller ; de zee begon eerst te deinen, en hoe sneller de doek bewoog, hoe heviger de golfslag werd, en al spoedig was de zee alsof er een orkaan heerschte ; doch in de lucht was het stil. „ De „Walker” kraakte en ik moet je zeggen dat we elkaar ereis aankeken. ... De overige schepen waren geheel verscholen achter de hooge golven en ons schip werd als een bal op en neer gesmeten. „Wij bleven vuren, maar ’t gaf niets. ... we hadden geen enkelen treffer. Toen riep ik de mannen bij elkaar. „Mannen”, zeide ik, „’t kruit is droog, we moeten ons leven voor een mooie vrouw wagen. ...” „Natuurlijk, kapitein 1” riepen ze. „Die duivel denkt dat we haar aan boord hebben. . . . Wij geven ons over, maar leggen de lont in het kruit en als hij op de „Walker” komt, vliegt de heele boel de lucht DEMONSTR ATI E VAN POLITIEHONDEN. Te Haarlem is op het Sportterrein aan de Spanjaardslaan op Zondag 9 Mei een demonstratie van Politiehonden gehouden, waarvan de baten worden afgedragen aan het Haarlemsch Steun-Comité. Het programma bestond uit drie afdeelingen, n.1. Gehoorzaamheidsoefeningen, Speurdienst en Veiligheidsdienst. Foto link3 : sprong over een haag van 1 meter hoog; foto midden: het weigeren van aangeboden voedsel; foto rechts: het bewaken van vooa verpen.
PDF
Nummer
1915, nr.39, 13 mei. 1915
Blad
07
Tekst
31 1 PANORAMA BLOEMENTENTOONSTELLING IN KRASNAPOLSKV TE AMSTERDAM, In Krasnapoisky te Amsterdam wordt een bloemententoonstelling gehouden, waarvan de opbrengst komt ten bate van het Algemeen Steuncomité. Onze foto links geeft de plechtige opening door den Burgemeester. Op den voorgrond de burgemeester, de heer Tellegen, en diens vrouw; tusschen hen in staande de heer Admiraal, voorzitter van het tentoonstellingsbestuur. Foto rechts: Een kijkje op de tentoonstelling zelve. (foto's D. v. Kreveld). in. . . . Daar zal Principo Infierno met zijn heele bende wel niet tegen bestand zijn. Nog wat ; het geraamte, dat in de hut van den dokter staat, wikkelen jelui in lappen, maar zbo dat het op het eerste gezicht op een vrouw gelijkt, en de reddingboot gooien we in zee/’ ..Met den scheepsroeper riep ik hem toe. dat wij ons overgaven en de zee was ineens kalm. De ,.Walker" werd naar het spookschip gezogen. „De reddingboot ging over boord en nadat wij den lont hadden aangestoken sprongen wij overboord. Het water was op enkele plaatsen koud, op andere plaatsen warm. „Wij zwommen snel naar de reddingboot en met veel moeite hielpen we elkaar er in. ..Wat zou er nu gebeuren ? De „Walker" naderde het spookschip zeer snel. De roode lucht met zijn paarse waaierstrepen werd nu donkerblauw, en het schip heel licht blauw... We werden bang dat de lont gedoofd zou zijn, want dan werd natuurlijk het konvooi overvallen. . . . De „Walker" werd geënterd en we zagen kleine monsterachtige zwarte negers als een troep slingerapen op het schip springen. ..In eens een vuurzuil met een kroon van zwarten rook. . . . Een zware donderslag. . . . Een geloei. . . . een blauwe vonkenregen. ... en op de oppervlakte der zee dreven planken en stukken vleesch, vermoedelijk van zeeslangen. „Principo Infierno was met zijn schip en de „Walker" verdwenen. „We zwierven nog twaalf uur in de reddingboot rond eer een onzer schepen bij ons was om ons op te pikken, en toen wij op de plaats onzer bestemming waren heeft de Koningin mij een gouden halsketen geschonken. „Haar schoonheid was onze opoffering waard I „En hier heb je de keten, zij hangt op m'n bloote karkas en die boot waar ik in slaap is de bewuste reddingboot...." „Zeg Brown" zeide ik, „ik mag het zeker wel oververtellen in een tijdschrift ?" „Zeker, kerel, zeker!’’ „Je moet me een briefje geven, dat het waar is. . . . Mij gelooven ze niet en jou wel!" „’t Publiek gelooft mij ?" „Natuurlijk. . . . wie zou captain Brown niet gelooven." Hij krabbelde met groote hanepooten wat op papier, gaf het mij en liet me uit. Bij de deur bleef hij staan en zeide : „Verduiveld kerel, jij moet nog ereis bij me binnenloopen. ... Je bevalt me, je bent net een kerel als ik, voor den duivel niet bang — !" Ik was blij toen ik weer buiten was. . . . Een geheele. volksmenigte wachtte me op en scheen zeer teleurgesteld te zijn, dat ik niet half vermoord was geworden. Het postje van redacteur aan de „Strange things of life" heb ik gekregen. CG.JR. vI.ETHUYSEN. WIE HELPT ZOEKEN? , opzichter bij de Staatsspoor op Sumatra die door Koelies is vermoord, waarbij ook zijn K. HOEKSTRA De heer K. HOEKSTRA, vrouw licht verwond werd. - Te Bennekóm is plotseling overleden de heer C. J. v. GR1ETHUYSEN. gepensionneerd kapitein der artillerie van het N. I. leger. Sinds eind September vertoeft in het „Gesticht Voorburg” te Vught, Maria Jos. v. d. Poel. vrouw van J. F. Petermans uit Merxem. Zij verkeert in ongerustheid omtrent het lot van haar man en zes kinderen: Johanna, Maria, Martha. Mathilda. Bertha. Constant, van wie zij in ’t geheel niets af weet. Wie kan eenige inlichtingen geven? Door de Uitgevers van PANORAMA zijn MAPPEN verkrijgbaar gesteld, om de nummers te bewaren totdat zij gebonden worden. Deze Mappen, gemaakt naar hetzelfde ontwerp als de bekende prachtbanden, zijn zoo vervaardigd’, dat men de nummers zonder deze te schenden erin bevestigen kan, en op deze wijze dus het beschadigen kan voorkomen. De prijs bedraagt slechts 50 Cents. Waar geen boekhandelaar gevestigd is, bestelle men rechtstreeks aan: A W. SIJTHOFF’s UITG.-Mij. LEIDEN. D. V. D. KAMPIOEN VAN NEDERLAND. Op onzijdig terrein te Leiden speelde Zondag 9 Mei de Amsterdamsche korfbalclub D. V. D. tegen Vitesse (Den Haag) om het kampioenschap van Nederland. Door schitterend spel wist D V. D. met 4 1 te winnen daardoor den eerelitel verwervend van kampioen van Nederland (foto Jonker.) DE OPENINGSWEDSTRIJD VAN DE S C H E V E N I N G S C H E WIELERBAAN. Niettegenstaande het programma van den openingswedstrijd op de Scheveningsche baan voor liefhebbers veel interessants bevatte, was de belangstelling voor dezen eersten wedstrijd niet bijzonder groot. Het vijftal nummers, dat den middag vulde, werd door een groot aantal deelnemers bevochten, doch tenslotte bleven weer de beste renners van vorige jaren overwinnaars. Wij geven (foto links) een groep der deelnemers; staande in het midden Moeskops (X) die steeds zoowel in den wedstrijd met levende gangmaking als zonder gangmaking, als nummer 1 aankwam; en (foto rechts) een groep renners aan den start. 'foto's Hijmans.)
PDF
Nummer
1915, nr.39, 13 mei. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 312 IN HET DONKERSTE UUR VAN DEN NACHT! (Slot). et is bepaald de man dien we zoeken I ” Beneden was niets te vinden; nu gingen ze de trap op, voorzichtig, overtuigd van succes, maar eveneens overtuigd van het gevaar, dat aan ’t succes verbonden was. De inspecteur had den kandelaar genomen, de agenten elk een lantaarn; achteraan kwam mevrouw. Het eene vertrek na het andere werd nauwkeurig onderzocht; de ring werd al meer en meer toegehaald, de prooi kon nu niet meer ontsnappen. „Er zijn nu nog slechts twee kamers over, onze eigen appartementen, in het een slaapt mijn man, in de andere ligt mijn.... hier behoeft u toch zeker niet te zoeken?” „Ik wenschte dat het niet noodig was, mevrouw,” zei de inspecteur beleefd, „maar dieven gebruiken geen consideratie I Niets is heilig voor hen. Blijkbaar heeft hij zich juist daar verborgen, omdat hij meent dat men daar niet zoeken zal.” Stil en bescheiden traden de inspecteur en de brigadier de sterfkamer binnen. Het gordijn van het ledikantje was nog opengeschoven en het gezichtje van den aanvalligen knaap in zijn vredige schoonheid viel den binnentredenden mannen dadelijk in ’t oog. Colmans bleef met open mond verwonderd staan. „Dezelfde knaap 1” mompelde hij. „Wie had dat gedacht! De kleine jongen trok mijn kleine meid van onder een sleeperswagen, toen Mina de kinderwagen liet omvallen. Hij kreeg zelf den boom tegen het hoofd en raakte bewusteloos. Een kranig kereltje! Even naar hem kijken! Men reed snel met hem weg in een rijtuig. Maar ik herken hem toch. En nou — wel! — wel!” De inspecteur keek onderwijl de verschillende kasten en schuilhoeken zorgvuldig na en Colmans, na teeder den kleinen doode over het gelaat gestreken te hebben, .volgde zijn superieur. „Hier is nu nog alleen onze slaapkamer,” zei de jonge vrouw. „Ik weet zeker dat daar niemand anders is dan mijn man. Ik bid u stoor hem niet. De inbreker moet ontsnapt zijn, voor u hier aankwam. Het zou beter geweest zijn, dat ge u hieromtrent zekerheid verschaft had, alvorens mij lastig te vallen, dunkt mij.” „Hoor je dat, Colmans?” zei de inspecteur. „Ik ben zeker van mijn zaak,” antwoordde de brigadier. „Ik heb hem den geheelen nacht op de hielen gezeten en wat meer is; ik zag een licht in de keuken. Hij moet bepaald ontsnapt zijn, toen ik hulp ging halen; of misschien is hij door het vallicht ontsnapt, terwijl wij vooraan toegang vroegen.” „Ja, ja! Je hebt ’t zaakje goed aangepakt,” antwoordde de inspecteur sarcastisch. „Jij zal gauw bevorderd worden, geloof je niet? Je hadt den man niet uit het oog moeten verliezen. Dat zal een mooi rapport worden.” „Nou, we hebben het huis toch nog niet heelemaal doorzocht,” mopperde de man. „Ik durf er op te zweren, dat ik -;j niet vergist heb.” „Ja, er is nog een kamer,” stemde de inspecteur toe. „Ik vrees dat we u nog even lastig moeten vallen; we moeten zekerheid hebben. Colmans en ik zullen even voorzichtig rondkijken. We zullen uw echtgenoot niet wakker maken. Natuurlijk dood-op, voortdurend opgezeten met den kleinen kerel! Ik ken dat! Ik heb er verleden jaar zelf een verloren !” Het voorzichtige onderzoek van den inspecteur en zijn ondergeschikte was van dien aard, dat het een gewoon slaper dadelijk gewekt zou hebben. De man in bed scheen echter in diepen slaap. In de kleerenkast, eronder, achter JUBILEUM KINDERZIEKENHUIS. Het kinderziekenhuis (Emma Kinderziekenhuis) te Amsterdam bestond de vorige week 50 jaar, welk feit feestelijk werd herdacht. Onze foto geeft een blik in een der door de kinderen zelf versierde zalen. C. GORDIJN Jr. JERONIMO DE VRIES, t Tot commandant van de Amsterdamsche brandweer is benoemd de heer C. GORDIJN Jr. — De bekende Hollandsche letterkundige JERONIMO DE VRIES is onlangs overleden. de toilettafel, onder bed, overal zocht de inspecteur. Colmans was even onverdroten aan het zoeken. Hierbij wierp hij toevalligerwijs een blik op het gedeeltelijk in de dekens verborgen gezicht van den slapenden man. Het effect was verrassend. Secondenlang stond hij daar met wijd geopende oogen naar den slaper te staren, tegelijkertijd merkte hij op dat er maar éen sok op den grond lag. Colmans lachte grimmig. Hij dacht niet meer aan den slapenden echtgenoot, want hier, verborgen in diens bed, lag de inbreker dien hij had nagejaagd, de man, wiens signalement in ieder politiebureau bekend was, de man, die verdacht werd de hand te hebben in een half dozijn diefstallen van den laatsten tijd. „Wat ’n gladjakker,” mompelde hij. Instinctmatig strekte hij de hand uit om de dekens weg te trekken, toen zijn blik viel op een gelaat aan de andere zijde van het ledikant, een gelaat verwrongen door doodelijken angst en vrees. En in dit bleeke vrouwengelaat las de domme politieman, die zooeven nog door zijn superieur beschimpt was wegens zijn gebrek aan doorzicht, de geheele waarheid. „De vader van ’t kind ! Haar man I” Zijn hand viel slap neer. „Niets gevonden, Colmans?” vroeg de inspecteur. „Niets, mijnheer!” antwoordde Colmans. „Alleen de vader van het kereltje daar! De vogel is bepaald gevlogen!” „Oef!” zei de inspecteur. Een paar minuten later was het weer rustig in de woning. En toen de vrouw des huizes weer boven kwam, nadat zij de politie. had uitgelaten, vond zij boven op de gang haar echtgenoot, geheel gekleed. „Vaarwel!” zei hij. „Je hebt me gered! Geloof me, ik ben je zeer dankbaar; onuitsprekelijk dankbaar!” „Ga — je — heen?” snikte zij. „Ja, waarom niet? Je dacht toch niet dat ik voornemens was hier te blijven? Hoe zou ik dat kunnen en nog meer schande brengen over jouw hoofd en dat van de kleine? Neen, Nellie, ik ben te ver gegaan. Zelfs al zou ik het willen, dan zouden ze mij niet met rust laten. Je hebt me vannacht gered uit de klauwen van die bloedhonden; jij en het kind hebben mij van nog iets ergers gered — van mij zelven. Als ik met Gods hulp uit het land vluchten kan, begin ik een nieuw leven. Na vijf jaar, — misschien eerder als ik het kan en — als ik het weer waardig ben, zal ik je schrijven en . . .” Hij ving haar op in zijn armen, de emoties van den nacht deden nu haar terugwerking voelen. „Je geeft natuurlijk niets meer om mij. Ik was een schurk voor jou, Nelly, ik heb je mishandeld, gebrek doen lijden; ik heb alle liefde in jou gedood. Neen, neen, ik ben je niet meer waard! Ween niet. Er is. . . . vergeet me, vergeet me! Ik ben onwaardig dat je nog aan mij denkt.” Ze onderdrukte haar snikken. „Robert, is er . . . geen . . . kans . . . geen hoop meer? Om een . . . nieuw leven te beginnen, . . . bedoel ik?” „Daarvoor is alle kans, alle hoop! Niet hier, maar in het buitenland!” „Waarom mag ik dan dat nieuwe leven niet deelen ?” je? Liefste, ’t is meer dan ik durfde vragen — nieuwe met je „Wil durfde hopen l Hij drukte haar tegen het hart. „De nacht is zeer donker geweest,” zei ze, „en het donkerste uur is altijd tegen de morgenschemering. Zie, het daglicht schijnt door de jaloezieën. Goddank, de dageraad is gekomen!” NOODLOTTIG ONGELUK. In de bierbrouwerij „De Oranjeboom” te Rotterdam, is door het springen van een ammoniakbuis, een kelder vol vergiftige gassen geraakt, waardoor drie werklieden het leven verloren. BRAND TE ILPENDAM. In de smederij van den heer G. Oudejans, Kerkstraat 124 te Ilpendam heeft een zeer hevige brand gewoed. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.40, 17 mei. 1915
Blad
09
Tekst
De Studenten-Roeiwedstrijd op het Noordzee-Kanaal De winnaar van het nummer Skiff (2000 M.), de heer E. van Slooten (Laga). De finish van het nummer „Twee-persoons wherries met vaste banken, bestuurd door een dame”. De belangstelling der autoriteiten, o.a. gen.- maj. Ophorst, vice-adm. Tydeman, Jhr. mr. dr. A. Roëll,burgemeesterJ. W. C. Tellegen. De huldiging v. d. oude-vier van „Laga”, de winnaars van het hoofdnummer. De Laga”-ploeg, winner van het Hoofdnummer (Oude Vier). Rechts bovenaan de heer D. van Houten, de trainer van „Laga”. De „Laga”-ploeg komt met grooten voorsprong bij de finish aan. Een overzicht van de nieuwe wedstrijdbaan; rechts de tribune. (foto's V. F. B. en Jonker).
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1581 tot 1585 van 11897