|
309
VERDUIVELD, TOEN
IK OP ZEE ZWIERF...
G. A. DIETERLE
nkelen beweerden, dat captain Brown
een man was die bovennatuurlijke
avonturen had meegemaakt, terwijl
anderen geloofden dat hij gek was.
Ook de meeningen omtrent het karakter
van Brown liepen zeer uiteen en er
werden daarvan de meest fantastische verhalen gedaan,
doch één ding was zeker, de man was even
excentriek als ongenaakbaar. Hij ging tegeneen ieder,
die in zijn nabijheid kwam, te keer als een woesteling
en beleedigde hem op de meest grove wijze ; daartegenover
stond het feit, dat wanneer iemand op
het dorp ziek was of hulp noodig had, captain
Brown onmiddellijk steun verleende, maar dit deed
op een manier, die eenig in haar soort was. Een
voorbeeld: toen de vrouw van den vrachtrijder ziek
was, liet hij haar man door de politie zeggen, dat
’s morgens om acht uur op de stoep van Brown’s
huis een mand zou staan, met voddenrommel, om
een halfsleetsch karkas weer op te kalefateren.
Geld, vruchten, een flesch wijn en levensmiddelen
vertegenwoordigden den voddenrommel......... ,,De
mand terug, beroerlingen,” stond op het briefje,
dat op den bodem van de mand lag. Brown was
een dikke, groote kerel met een zwaren, langen
baard, die bijna zijn geheele gelaat bedekte, tot op
zijn buik hing en van vele kleurnuanceeringen was.
Zijn woning verliet hij nooit en als het winter was
en hij niet sliep, zat hij bij den haard, waarin het
houtvuur knetterde; zomers zat hij in den tuin
voor zijn huisje in de gloeiende zon en bij de bloeiende
geraniums, hetgeen de kinderen en dorpelingen, die
er voorbij moesten, lang niet plezierig vonden, want
hij schold hen altijd uit voor al wat leelijk en laag
was.
Hoe oud hij precies was, wist niemand, maar hij
moest heel, heel oud zijn, want minstens driekwart
eeuw lang had hij op zee gezworven.
De redactie van het maandblad „The Strange
things of life” vroeg een redacteur en ik kon die
post krijgen, als ik een interview met Brown inleverde,
vergezeld van een door Brown onderteekende
schriftelijke verklaring, dat hij de juistheid
van den inhoud van het verhaal erkende.
„Ik neem het aan, doodslaan zal hij me niet........... ”
De hoofdredacteur lachte medelijdend en zeide alleen
maar dat ik niet zou worden aangesteld wanneer ik geen
bevredigend resultaat verkreeg.
Ik heb hem geïntex vieuwd en ik ben niet doodgeslagen.
Zijn verhaal was verbazend interessant en Zn/ gaf ook die
verklaring, dat het authentiek was.
Hoe ik bij Brown ontvangen werd is op zichzelf al de
moeite waard om te vertellen.
De dorpsbewoners deden allerlei moeite om mij van mijn
voorgenomen bezoek terug te houden ; want zij vreesden
het ergste. Toen ik het huisje, waarvan de deur geregeld
openstond binnen trad, sloeg hen de schrik om het hart en
bleven ze vóór de deur heen en weer draaien en naar binnen
gluren.
Een juffrouw, vermoedelijk zijn huishoudster, een heel
gewoon menschje, kwam me tegemoet en ik gaf haar mijn
kaartje, met verzoek bij Brown toegelaten te worden.
„Dat tref je niet” zeide ze, „want de ouwe heeft juist
zijn bokkepruik op en is gewoonweg dol; als hij in zijn
sas is, is er al niets met hem te beginnen laat staan wanneer
hij den brom in heeft.”
Ze ging de kamer in en een oogenblik later hoorde ik een
leven als een oordeel, hevige hamerslagen, afgewisseld
door het geschreeuw van een zware, schorre stem. Wat
de oude zeide verstond ik niet maar wel hoorde ik hem
meermalen het woord „kakkerlak” uitdonderen. Ik had
een sterk vermoeden dat ik dat insect vertegenwoordigde.
De juf kwam terug en zeide : „Wat hij wil weet ik niet,
hij schold je voor kakkerlak uit en beukte op de tafel,
of je weg of naar binnen wilt gaan moet je zelf weten . . . !”
Ik ging naar binnen ; daar zat de woesteling. Ik kreeg
een gevoel, zooals Klein Duimpje gehad moet hebben,
toen hij bij den reus op visite was. Wat een kerel 1 Wat
een baard 1 Wat een handen 1 En wat een woeste dierlijke
oogen had hij ! Hij zat in een houten stoel, die veel in vorm
overeen kwam met een club-fauteuil, uitgezonderd de rug,
die veel hooger was. Vlak bij hem stond een tafel, die
met landkaarten bedekt was en waarop hij zijn groote
behaarde hand leunde, waarin hij een zwaren houten hamer
vasthield ....
„Wat moet je hier, piepzak-bleekneus ? ... . Wat moet
je van me . . . ?” snauwde hij me toe, terwijl hij na iedere
vraag met den hamer op tafel sloeg ....
Ik trachtte hem de reden van mijn komst duidelijk te
maken, maar voor ik daarmede gereed was riep hij uit:
„Hou je bek ... Je verveelt me, kerel 1 ... of neen, een kerel
ben je niet . . . een piepzak-bleekneus.... een slappewas-vent
... Er zijn geen kerels meer... I Lamzakken
zeg ik 1 Hoor je het l” Aan het einde van eiken zin timmerde
hij* op tafel; nu hield hij op en grijnslachte me minachtend
toe . . .
Ik vond alles best, als ik hem maar aan het vertellen
kreeg en dat zou ik tot eiken prijs trachten te doen.........
Ik probeerde hem milder te stemmen door hem een sigaar
(met toestemming van Goupil & Cie.)
VAN DER HEM’S PORTRET VAN ENNY VREDE.
Bizarre bloem op langen stengel... Met het bijna te oranje haar (dat onze afbeelding - niets
immers bedrieglijker dan de fotografie — in gebreke blijft weer te geven), de bijna te
krasse omtrekken van kin, neus, wangen, de bijna te violette oogen en den bijna te langen
hals — is dit portret bijna een charge. Toch — beheerscht is het, als al Van der Hem’s
werk. Toen de oorlog uitbrak, kwam ook over Van der Hem de onrust der tijden. Wrevel
en ergernis over de vernietiging van zooveel kunstschatten, de onzekere gevoelens voor de
toekomst die de gedrukte stand der kunstmarkt wekte — het een en het ander had invloed
op hem als op zoovele artiesten. En ook toen hem bleek dat de Haagsche kunsthandelaar
die zijn werk koopt, hem bleef steunen — onbewogen door de op paniek gerichte,
speculatieve pogingen van inhalige verzamelaars, die op „steun-tentoonstellingen”
aasden — bleef hii langen tijd den nieuwen weg gaan dien hij zich moedig gezocht had:
het schilderen wilde, in al dit nerveus-makend oorlogsrumoer, zoo goed nog niet vlotten.
En zoo danken wij aan den oorlog Van der Hem’s voortreffelijke platen in de Nieuwe
Groene, vele zijner affiches, zijn kalender, de scherp doordachte portretten van Odette
Myrtil, Mata Hari, Enny Vrede. .. Inderdaad, het kon slechter getroffen hebben.
Mevirotmw Engelen-Sewing
Vonder twijfel nog steeds een der meest populaire zangeressen, zoo niet
dè meest populaire. Welk muziekvriend, vooral welk opera-liefhebber
kent haar niet, en haar kénnen is haar bewónderen. Wie herinnert
zich niet den bloeitijd der Nederlandsche Opera onder de Groot en later
onder C. v. d. Linden, waar zulke kranige voorstellingen gegeven werden en
waarbij het succes steeds gedragen werd door het toen zoo populaire
drietal: Pauwels, Orelio, en niet het minst mevrouw Engelen-Sewing. En
nóg glanst haar fraaie stem. nog is zij zeer in aanzien bij het zanglievend
publiek.
Dinsdag 11 Mei was het 25 jaar geleden dat zij voor het eerst als operazangeres
van hare schoone talenten blijk gaf, en in al die vijf twintig
jaren heeft de mooie stem niet van haar glans, haar soepelheid, haar
verrukkelijken toon verloren. Heuglijk feit, in den Stadsschouwburg dien
avond met een jubileum-voorstelling herdacht.' — Mevrouw Engelen zingt
als een vogel, als een nachtegaal.
De jubilaresse is een Amsterdamsche van geboorte. Als meisje van 14 jaar
was zij op de zangles bij den bekenden musicus G. A. Heinze, later kreeg
zij les van Jacob Kwast, van Frans Coenen, en ook van Messchaert. Bij
het eindexamen van de muziekschool zong zij de aria uit de Traviata, en
zoo pakkend was dit, dat de directeur der toenmalige Ned. Opera, De
Groot, haar, het jonge meisje, dadelijk als zangeres engageerde. En zij
werd een sieraad van dat instituut, en werd gaandeweg meer en meer de
lieveling van het publiek; geen wonder, met haar betooverend geluid; haar
keel is (als wij deze eenigszins vreemde, maar niettemin passende vergelijking
mogen bezigen), haar keel is als een prachtige speeldoos. Wanneer
men haar coloratuur hoort, komt onwillekeurig verbazing bij u op, dat deze
schitterende trillers, loopjes, overgangen door zoo te zeggen, zoo’n gewoon,
zoo’n eenvoudig instrument als de menschelijke stem voor den dag gebracht
worden. Het is werkelijk verbazingwekkend.
Wenschen wij mevrouw Engelen nog vele jaren toe, in het bezit van
haar prachtige stem, en dat is tevens een goede wensch voor ons zelven,
daar wij er nog menigmaal van genieten kunnen.
PANORAMA
te geven, maar dat had een verkeerde uitwerking.
Hij trok de sigaar uit m’n vingers, kneep die in zijn
hand fijn en wierp de tabak in het vuur, terwijl hij me
toesnauwde : „zwijnerij !” Hij wierp me nog een nijdigen
blik toe boog zich over zijn kaarten, en lette
verder niet meer op mij.
Mijn besluit was vooreerst niet weg te gaan en
desnoods het ergste af te wachten. Ik nam het vertrek
eens op, doch er was niet veel bijzonders te
zien, uitgezonderd de oude roeiboot, die hij als
ledikant gebruikte. De boot was gevuld met beslapen
stroo; een rol kabeltouw diende als hoofdkussen
en een inelkaar gefrommelde deken lag aan het
voeteneind. Hij tuurde maar steeds op de kaarten en
gromde nu en dan binnensmonds. Ongeveer een
kwartier zal verstreken zijn, toen hij eensklaps op
keek en schreeuwde: „Donder je nog niet op?”
„Denk er niet aan, eerst vertellen !”
„Ik duld geen tegenspraak !”
„Je wordt heelemaal niet tegen gesproken”.........
„Je bent gek 1” Als je zegt dat je me niet tegenspreekt,
dan spreek je me tegen en donder nou op . . .
donder op . . . donder op I” Hij schreeuwde, brulde,
sloeg met den hamer op tafel en stampte op den
grond .... Hij maakte zoo’n leven, dat de juf krijtwit
van schrik binnen kwam en mij' smeekte om
heen te gaan.
„Mensch, bemoei je er niet mee, al trapt hij het
heele huis in elkaar, dan blijf ik hier toch zitten . .
Ze begon te jammeren . . . „Oh mensch, die is nog
erger dan de ouwe .... dat geeft bloed 1” en verdween
weer zoo snel mogelijk.
Brown richtte zich nu in zijn volle lengte
op...........Wat een reus van een kerel .... zooals
hij er uit zag had ik me de cyclopen, de smidsgezellen
van Vulcanus, altijd voorgesteld. De Kapitein
brulde en dreigde mij met zijn hamer m’n schedel
te verpletteren, waarop ik hem antwoordde dat zóó
iets gemakkelijker gezegd is dan gedaan.
„Alle duivels, dat heb ik nog nooit beleefd, dat
iemand niet bang voor me is”... . riep hij iets
kalmer uit.— „Dan heb je nog niet veel beleefd!”
Ik wist niet dat dit kleine antwoord, dat ik alleen
gelanceerd had, om hem te plagen, mij zooveel
nader tot mijn doel zou brengen.
„Heb ik niet veel meegemaakt. . . dat zegt zoo’n
bleeke slappe-was-kerel ... Ik, die tegen Principo
Infierno gevochten heb ...”
„Heb jij tegen den gevreesden Principo Infierno
gevochten . . . ?”
„Ja ... Jij gelooft aan zijn bestaan ?”
Ik zeide „Ja!” Vóór dien tijd had ik nimmer van
Principo Infierno gehoord, doch bij intuïtie voelde ik dat
ik nu op weg was om het gewenschte resultaat te verkrijgen.
„Dat is wat anders! Geef me een poot, dan weetik dat
je m’n verhaal gelooft.... Want ik zal hét je vertellen ....
Je bent toch niet zoo’n lammeling als de rest, die van zoo’n
oude drommedaris als ik ben, bang is.........Ga maar op
tafel of op den grond zitten . . . Ook kan je in m’n schuit
gaan liggen . . ’t Kan me niets bommen 1”
En hij vertelde :
„Verduiveld, toen ik op zee zwierf was het een andere
tijd, toen was de zee, zoodra land uit ’t zicht was, een groote
watervlakte vol geheimzinnigheden.
„Verduiveld, toen ik op zee zwierf, waren de schepen
geen drijvende paleizen, waarin de vrouwen rondliepen
in toiletten, waarvoor m’n grootmoeder zich geschaamd
zou hebben ze aan te trekken. Wie wist in mijn dagen
van een stateroom met ledikant, waschtafel, electrisch
licht en roomkleurige wanden. Wie had gehoord van een
dining-room, smoking-room, ladies-saloon en ik weet al niet
meer van wat voor niets-nutte-dingen.........In mijn tijd
had je een houten karkas met zeilen en beneden kooien
en in een ander gedeelte van het ruim was een lange houten
tafel, met aan weerszijden banken, en een paar flinke
scheepslantaarns gaven ’t noodige licht. . . Scheepsvolk
en passagiers konden toen op zee nog wat beleven.
„Verduiveld, dat gevecht tegen Principo Infierno in
de Zeeslangen-baai, dat was je wat! . . . .
„Principo Infierno was een zeespook, dat alle schepen
waarop mooie vrouwen waren, liet zinken en als die schepsels
in hun doodsangst in zee sprongen, pikte hij ze op en
verdween er mede.
„ïk was nog vrij jong, maar toch een kerel, die al menig
kaper een watjekouw gegeven had, dat hij met een snelheid
van zooveel mijlen per minuut den aftocht blies, toen de
regeering mij opdroeg het koninklijk zeilschip „Dauphine”
naar de overzijde van den Oceaan te vergezellen. De koningin
van dat land, waarvan ik den naam niet noem, zou de eenige
passagier van de Dauphine zijn. Zij was een bizonder mooie
vrouw en zeer bang voor de reis ; daarom besloot de regeering
mij op te dragen het schip te konvooieeren met tien schepen.
„De meeste der heeren geloofden niet aan Principo
Infierno, maar ik dacht er anders over en ik heb goed
gedacht .........
„Wij gingen bij prachtig weer onder zeil ... De zee was
effen als een spiegel en de lucht was blauw met hier en daar
een klein wit wolkje. Wind was er niet, zoodat we zachtjes
van de kust dreven. De „Dauphine” dreef te midden van
de tien schepen, en ik ging met de „Walker” vooruit.
De „Walker” was eer* pracht van een boot, met tien kanonnen
en veel munitie aan boord.
„Tien dagen hadden we al gevaren en er was nog niets
bizonders gebeurd. Den elfden dag zag ik iets vreemds ;
een zwart ding met schelpen en wier begroeid stak nu en
dan uit zee...........
|