|
stof getrapt ligt en mishandeld wordt als honden door
een koninklijk despoot. Op het welzijn van het volk!”
De Lisle zat in gedachten, met het glas in zijn handen
en staarde in het haardvuur. Dietrick, ziende dat hij indruk
gemaakt had, boog zich tot den jongen man over en fluisterde
hem in het oor:
„Jou dwaas! Zie je niet hoe ze lijden? Zie je niet wat
Frankrijk is ? Ze is de voetveeg van een tiran! Het
volk is verpletterd, het is als schapen geschoren en geslagen
zoo vaak Louis het verkiest. Frankrijk is versuft, maar
wek het, schud het weer wakker en het zal zijn tranen
drogen en lachen als vroeger. Geef het moed, hoop en nieuw
leven! Jij kunt het! Jij hebt de macht, de betoovering van
de muziek — jij kunt ze opwekken, — bij den hemel jij
kunt het!” — Hij was op
de knieën gevallen, zijn
gelaat gloeiend van opwinding
en zijn hand rustende
op die van den jongeling,
die ineengedoken
in zijn stoel zat. De woorden,
die van zijn lippen
vloeiden, werden metzoo’n
kracht van overtuiging
en zoo’n hartstochtelijken
gloed geuit, dat ze een
hart van steen zouden hebben
verteederd.
„Wek hen uit hun gevoel -
loosheid en Violette is voor
jou! Geef hun de vrijheid
en ze zijn je slaven! Muziek
is er in je ziel en jij kunt
hun een lied schenken dat
hen in beroering zal brengen,
hen wakker zal schudden
en weer menschen zal
maken. Wil je niet? Je
moet! Wat beteekent een
eed, als heel Frankrijk lijdt,
omdat er niemand is die
haar leidt. Jij zult zijn leider
zijn en jouw naam zal genoemd
worden in de toekomst
als de redder van
Frankrijk! Drink!”
De Lisle dronk zijn glas
le^g en Dietrick vulde het
opnieuw, wel wetende, dat
twee glazen van den krachtigen
wijn zijn geest zouden
\ benevelen; drie zouden er
muziek uit doen ontspringen
als-uit een fontein;
vier, en zijn weerspannigheid
zou gebroken zijn.
Hij liep naar het venster,
snel ademhalende.
„Kom hier!” beval hij,
en De Lisle, half in een
droom, gehoorzaamde en
plaatste zich naast Dietrick
i die de gordijnen ter zijde
schoof.
„Zie je die vrouw?”
vroeg hij schor, terwijl hij
in de straat wees. „Zie
hoe ze strompelt en wankelt
van honger en kou.
Twee dagen geleden heeft
ze het laatste voedsel gehad
aan de kathedraal. Ze
is dakloos! Morgen zal men
haar waarschijnlijk dood
vinden! Gestorven van gebrek
en koude! Sluit nu je
oogen, en open ze dan weder
! Zoo! Daar staat een
andere vrouw — ’t is Violette
! — ze lijdt gebrek, is
stervende! Een gouden
louis scheidt haar nog van
dat vreeselijk lot, dat ook
haar lot zal zijn, — tenzij
jij het volk doet ontwaken.
Doe dat en we zullen onze
rechten herwinnen; we zullen
niet langer bestolen
worden door een vorst; we
zullen kunnen werken en
geld krijgen voor onzen arbeid
! Drink nog eens! Wat
zal het zijn: de koning of Violette!” —De Lisle waggelde
achteruit en bedekte zijn oogen met beide handen.
„Pijnig me niet!” kreunde hij. „God in den hemel! Wat
is een eed als een vrouw in den weg staat?”
Dietrick staarde hem aan met een onderzoekenden blik
en een glimlach van triumf op het gelaat. Eindelijk langzaam
den arm oplichtende wees hij naar het spinet dat in
een hoek stond.
„Zul je het doen... van avond?” vroeg hij.
„Van avond of nimmer,” antwoordde De Lisle, met
onbestemden blik naar het instrument ziende, terwijl
alle uitdrukking uit zijn gezicht week. „Van avond ben ik
* niet mijzelf; morgen ben ik weer Rouget de Lisle, dienaar
van den koning.”
Dietrick liep langzaam de kamer door. Aan de deur keerde
303
hij zich om, wachtte en keek het vertrek nog eens rond.
De Lisle stond bij de tafel, vulde met bevende hand zijn
glas, lichtte het op hoog boven zijn hoofd en riep met trillende
stem:
„Op het heil van het volk!”
Hij dronk den wijn op, maar toen de laatste druppel
over zijn lippen was, viel het glas hem uit de hand en in
duizend splinters op den grond.
Laat in den avond zat De Lisle nog op het bankje voor
het spinet, zijn vingers gleden doelloos op en neer over de
toetsen. Zijn voeten waren ijskoud, maar in zijn hoofd
gloeide het, brandde het. Nu en dan klonken kleine gedeelten
van een melodie uit het instrument, zoodat een eenzame
voorbijganger in de straat blijft stilstaan en luistert.
De Lisle dronk nogmaals. Zij hart sloeg onstuimig en zijn
oogen waren zoo beneveld, dat hij nog nauwelijks de witte
toetsen onderscheiden kon.
Hij begon met zijn voeten op den grond te stampen om
ze wat warmer te krijgen en dit gestamp vereenigd met de
onsamenhangende klanken, die hij aan het klavier ontlokte
en den geur van den wijn, die in zijn brein opsteeg,
schiep in zijn verhitte verbeelding de meest fantastische
beelden.
Slaan! Slaan! Slaan!
Hij zag een groote volksmenigte optrekken, hoorde bij
iederen slag het gestamp van duizenden voeten; de verwoede
hartstocht op hun gezichten maakte indruk op hem.
En toen de dageraad aanbrak en de eerste lichtstralen
PANORAMA
van den nieuwen dag door de gordijnen vielen, welden er
woorden en melodie in hem op, woest, onweerstaanbaar
als een niet te weerhouden bergstroom.
Drie uren later, toen Violette de kamer binnentrad en
de gordijnen openschoof, vond ze Rouget de Lisle liggen
aan den voet van het spinet, slapende met de rechterhand
nog op de nu stomme toetsen. En in den slaap lachte hij.
Toen De Lisle eindelijk ontwaakte, was het reeds diep
in den morgen en scheen de zon hem vol in het gelaat.
Hij sprong op met een verbaasde uitdrukking in de oogen
en streek met vermoeide hand over het voorhoofd.
„Ik geloof dat ik geslapen
heb,” merkte hij vrij
onnoozel op.
„Verwondertudat, mijnheer?”
hoorde hij vragen
en hij zag de oogen van
Violette een veelbeteekenenden
blik van hem op
de ledige wijnflpsschen en
glazen werpen. „Er is een
sterk hoofd voor noodig om
twee flesschen zwaren wijn
te verdragen.”
Het volgende oogenblik
trad Dietrick de kamer
binnen. Een onmerkbare
glimlach speelde om zijn
lippen, toen hij op De Lisle
toetrad en hem de hand op
den schouder legde.
„Het was precies twintig
minuten over vieren vannacht
toen Frankrijk werd
bevrijd,” zei hij. „Ik heb
het gehoord! Ik lag wakker
in koortsachtig ongeduld
— en wachtte, wachtte,
wachtte! Eindelijk kwam
ze, de melodie, die Frankrijk
in beroering zal
brengen. En ik 'sliep in
toen jouw muziek wegstierf
; en Jn mijn droomen
zag ik het volk, door jouw
akkoorden gewekt de tyrannie
van zich afschudden
; en jij leidde de menigte,
ging aan haar hoofd,—
jij met dat lied. Ik zag
den dageraad van een groote
republiek. Kom laat ons
nog eens het lied hooren.”
De Lisle ging voor het
spinet zitten, zijn vingers
vlogen over de toetsen en
opeens klonk een der meest
aangrijpende refreinen, die
de wereld ooit gehoord
heeft. De schoone Violette
aan het venster gezeten,
boog het hoofd van eerbied
en ontroering, want
terwijl hij speelde, begon
de Lisle te zingen, te zingen
met zijn rijke tenorstem,
de woorden, die hij op de
melodie had gedicht. Een
paar maal richtte Dietrick
zijn oogen ten hemel als
om de Voorzienigheid te
danken voor deze hemelsche
muziek; hij vouwde
de handen te zamen en
bij iedere rijzing van de
gloedvolle melodie kneep
hij zijn vingers zoo krampachtig
ineen, dat de nagels
hem in het vleesch drongen.
Ten laatste sloop hij, de
oogen vol tranen, stil de
kamer uit.
De muziek was geëindigd,
De Lisle stond op en
Violette vast in de oogen
ziende, kwam hij haar met
uitgestrekte handen te gemoet.
„Den afgeloopen nacht
was ik een beest,” zei hij. „En toch — werd in dezen nacht
dit lied geboren. Waarom moest een liederlijke ongebondenheid
geheiligd worden door dezen zang? Ik heb geen
verontschuldigingen! Ik kwam hierheen om je mijn liefde
aan te bieden, de liefde van een trouw hart, en nu.... nu
ben ik meer overtuigd van mijn nietswaardigheid dan
ooit te voren!”
Hij was eenige stappen teruggegaan, maar nu stond
zij op, trad op hem toe en bleef vlak voor hem staan.
„Heb je er nooit aan gedacht,” zei ze „dat genieën als
jij tot het toppunt van roem zouden klimmen, als zij niet
ten onder gingen door hun groote gebreken. Ik bewonder
je, en — ja ten spijt van je fouten — heb ik de grootste
achting voor je. Zou je nu niet, dit wetende, en omdat
ik het je vraag, een jaar, twaalf maanden lang den wijnbeker
|