Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1571 tot 1575 van 11897
Nummer
1915, nr.38, 10 mei. 1915
Blad
11
Tekst
299 PANORAMA De hernieuwde actie der Duitschers en Oostenrijkers OPGEBORGEN. Russische krijgsgevangenen, onder wie zich een groot aantal lichtgewonden bevinden, zijn voorloopig in een huis in Suwalki ondergebracht. ASSISTENTIE. Zevenbergsche buffeldrijvers zijn gerequireerd om te helpen bij ’t transport v. h. zware geschut. Achter deze niet zeer gunstig uitziende assistenten ziet men Duitsche zoowel als Oostenrijksche soldaten. NIEUWE BEZETTINGSTROEPEN. H ERSTELLI N G VA N VERNIELDE BRUGGEN. IN DE KARPATHEN. Oostenr. troepen trekken Radom (bij Iwangorod), Oostenrijksche geniesoldaten zijn bezig met de herstelling van een door de Russen Een Oostenrijksch transport verdedigt zich dat eerst door de Duitschers bezet was, binnen. vernielde brug in de Karpathen. tegen een Russischen aanval. OOSTENRIJKSCHE ARTILLERIE-STELLINGEN IN DE WOUD-KARPATHEN. De Duitsche troepen, die door Oostenrijksche zijn afgelost, trekken uit Radom. Duitsche troepen trekken door een verwoest dorp bij Augustowo.
PDF
Nummer
1915, nr.38, 10 mei. 1915
Blad
12
Tekst
PANORAMA 300 DE SPANNING TUSSCHEN JAPAN EN CHINA JOEAN TSÏ KAI, de president der Chineesehe republiek. DE KEIZER VAN JAPAN (rechts) met Prins Eushimi, (links). GRAAF OKOEMA, de minister-premier van Japan. Het inschepen der Japansche soldaten te Tokio. _ Het transport van een Japansch machinegeweer. Japansche soldaten aan den maaitijd. Drie hoofdaanvoerders van het Japansche leger: de generaals Terauchi, Hasegawa en Yamagawa. Japan beschikt over een goed georganiseerd RoodeKruisleger.
PDF
Nummer
1915, nr.38, 10 mei. 1915
Blad
13
Tekst
301 PANORAMA GROOTVORST MlCHAEL een broer van den Tsaar van Rusland is bij Kalwarja in Russisch-Polen levensgevaarlijk gewond. DE DUITSCHE KROONPRINS. Nieuwste opname van den Duitschen Kroonprins, genomen in het hoofdkwartier in Noord-Frankrijk. IN HET DONKERSTE UUR VAN DEN NACHT! (Vervolg), ;is door een wonder kwam men het te weten, eerst de een, dan de ander, tot weldra iedereen over ons sprak. Dan volgden bedekte toeWö spelingen; mijn lieve jongen werd afgesnauwd, beleedigd, gemeden door de andere kinderen, wien door hun ouders verboden werd met den zoon van een inbreker te spelen. O, ’t was vreeselijk! Men mag den misdadiger opsluiten, de misdaad gaat vrij rond ! De vader mag boete doen, den zoen betalen voor zijn misdrijf, toch moeten vrouw en kind lijden. Ontsnappen is tevergeefs. En jij — jij die dit over ons bracht, komt eindelijk terug, als het te laat is - bij toeval en — wat een toeval!” Ieder woord trof hem als een dolksteek: hij kon niet antwoorden. De pijnlijke stilte, die volgde, werd plotseling verbroken door een geluid beneden. Beiden luisterden. Iemand was bezig een blind te openen, en bijna tegelijkertijd werd er luid gescheld. „Wat beteekent dat?” vroeg zij. Hij stond op en liep terneergeslagen naar de deur. „Dat beteekent zeven jaar,” zei hij. „Ze hebben mij opgejaagd als een stuk wild van af het oogenblik dat ik die vervloekte gevangenis verliet. Nooit gaven ze mij een kans een beter leven te beginnen. Ze joegen me van de eene misdaad in de andere. En nu hebben ze me weer en ik ben blij, blij.... Ja blij! Mocht nu maar spoedig het einde komen !*' Hij stond even stil, liep toen terug naar het ledikantje en drukte de lippen op het koude voorhoofd van den kleine. Terwijl .hij dit deed, werd er opnieuw gescheld. De kamer willende verlaten, zag hij zijn vrouw in de deuropening staan. „Wat wil je gaan doen?” „O, je denkt dat ik zal gaan vechten," zei hij, „dat er een scene zal zijn. Neen, neen! Dat heeft geen nut. Ik zal mij zelven overgeven om weer teruggezonden te worden naar die aardsche hel.” Ze zweeg eenige oogenblikken, en stond daar voor hem, terwijl ze hem aanstaarde. Ze was aan een hevige gemoedsaandoening ten prooi en de vraag doorflitste haar brein hoe zij handelen zou. De strijd was kort. Toen zij weer sprak, was het op kalmen, beslisten toon. „Je zult niet gaan! Snel, hier in deze kamer! Kleed je uit en veins te slapen!” WATERLINIES. Het smelten van de sneeuw beeft in Galicië waterlinies doen ontstaan, welke zeer moeilijk zijn te nemen. VOOR DE HERSTELLENDEN. Prinses van Sleeswijk-Holstein heeft de vorige week in de Easton Road een recreatie-cottage geopend voor alle Engelsche soldaten. Deze inrichting is een instelling van de Joung Men’s Christian Association GETORPEDEERD. De Engelsche torpedo-jager „Recruit”, die de vorige week in de Noordzee door een onderzeeër getorpedeerd werd en daardoor gezonken is. GENERAAL LIMON VON SANDERS, dc commandant van hetTurksehe leaer. dat tegen de Gealliëerden aan dc Daröaneücn strijdt. Er was geen tijd voor vragen of het maken van tegenwerpingen. De vrouw, die eens de zwakste geweest was, een onwetend, bedeesd en toegevend schepseltje, was in dit uur der crisis herboren in een vrouw met stalen zenuwen, een moed en wilskracht, die haar zonder aarzelen den strijd met de wereld deden aanvaarden. En de man, zich haastig ontkleedende, was ten hoogste verwonderd over deze zeldzame verandering. Zij had zelfvertrouwen en zelfstandigheid geleerd in de jaren van haar verlatenheid. Maar waarom wilde ze hem redden? Was de liefde, die hij dood waande, vermoord door hem, jaren geleden, slechts ingeslapen en nu door zijn onverwachte terugkomst weder ontwaakt? Een vreemd, ongekend gevoel overweldigde hem. Onbewust was de vrouw bezig te veroveren wat nooit in werkelijkheid haar eigendom geweest was: het hart van haar man. Zich in haar peignoir wikkelende ging ze langzaam de trap af. Beneden in de vestibule bleef ze eenige oogenblikken aarzelend staan, tot een vernieuwd geschel aan haar besluiteloosheid een einde maakte. Na eenig getalm met grendel en sleutel ging de deur open. Een politie-inspecteur stond voor haar. „We hebben reden om te gelooven, dat zich in uw woning een inbreker verborgen heeft,” zei hij. „Het blind van uw keukenraam is opengebroken. Een ontslagen gevangene die nog onder politietoezicht staat en van verschillende inbraken verdacht wordt, is hier in den omtrek gezien. We meenen er zeker van te zijn dat hij bij u is ingebroken en hebben uw woning omsingeld.” „Dank u,” antwoordde zij eenvoudig. „Ik meende ook eenig gerucht te hooren, doch durfde mijn man niet te wekken. De laatste dagen zijn zeer vermoeiend voor hem geweest en hij is dood-op! Onderzoekt u mijn woning, maar doe het, bid ik u, gauw en stil. Het is hier een huis van rouw. Mijn — eenigst — kind — „Ik begrijp u volkomen,” antwoordde de inspecteur op sympathieken toon. „Het spijt mij u in deze droeve omstandigheden te moeten lastig vallen. Er is echter geen twijfel aan of de man bevindt zich hier. We moeten een nauwkeurig onderzoek instellen, doch zullen, in allen geval, met uw wenschen zooveel mogelijk rekening houden.” Naar de keuken gaande ontsloot hij de keukendeur en liet een paar politieagenten binnen, eenige anderen liepen surveilleerende rondom het huis. gereed om zoo noodig handelend op te treden. En nu begon het onderzoek: eerst de kelder en de kasten in de benedenverdieping. In de keuken waren de sporen van den dief onmiskenbaar. „Een koelbloedige kerel, gewend aan bet werk,” mompelde de inspecteur, toen hij de overblijfselen van het maal zag. „’t Is een oude bekende, Colmans* (Wordt vervolgd).
PDF
Nummer
1915, nr.38, 10 mei. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA 302 AUTO-DIENST IN HET WESTLAND. Maandag 3 Mei had te Rijswijk de officieele indienststelling plaats van den auto, die een verbinding zal brengen tusschen Rijswijk, Wateringen en Monster. 1. De Burgemeester van Monster. 2. De Dir. v. d. Union Garage, die den auto leverde. 3. De Burgem. v. Wateringen, (foto Sijes). KINDERFEESTEN. In het Gebouw van den Handwerkersvriendenkring te Amsterdam heeft een dezer dagen de eerste der kinderfeesten plaats gehad, die de Amsterdamsche studenten aanbieden aan arme kinderen Ongeveer 500 kinderen namen er aan deel. DE MACHT VAN HET LIED ^Kat u vraagt is onmogelijk. Ik wil niet met den graaf trouwen, al was hij nog tienmaal zoo rijk, omdat....” Het meisje hield plotseling op. Zij stond met de eene hand rustende op den rand der tafel en staarde met een vastberaden trek op het gelaat in het hoog opvlammende haardvuur. Haar vader, een man van omstreeks zestig jaar met een streng uiterlijk, keek haar vragend aan. Hij was niet iemand om gedwarsboomd te worden. „Wel,” zei hij, „ga voortl Er is een reden, goed! Zeg opl Een minnaar misschien?” „Ja!” „Wie ?” „De man, dien ik bemin,” ging het meisje langzaam voort, „is Rouget de Lisle.” „Aha!” Augustin Dietrick, eereburger en burgemeester van Straatsburg in het jaar 1796, wandelde langzaam naar het venster en keek naar buiten. De sneeuw dwarrelde in de straat neer en hoopte zich op in de goten en op drempels en vensterkozijnen. „Hondenweer!” mompelde de man, met een poging aan zijn gedachten een andere richting te geven. „De hemel helpe hen die geen dak boven hun hoofd hebben, want zich zelf helpen willen ze niet. Dwazen! Wat zouden ze kunnen doen als zij slechts kozen! Maar neen; ze laten toe dat Louis hen naar de hel drijft en sterven voor de deuren van het paleis, terwijl ze zijn goede daden roemen.” Hij keerde tot zijn dochter terug, en legde haar de hand op den schouder. „Violette, mijn kleine Violette! Jij bent het mooiste meisje van de stad. Ik heb je zorgvuldig opgevoed en ben trotsch op je. Jij hebt de macht door je schoonheid om deze domme menigte in actie te brengen. Zie hoe ze lijden. Maak je meester van het geld en geef hun de macht. Vandaag zwoegen ze nog voor een schamel loon, / maar morgen, morgen zal de gerechtigheid de tyrannie verweldigen.” Hij hield op ; tranen stonden in zijn oogen. „Rouget de Lisle,” mompelde hij, meer tot zichzelf, dan tot haar, „artillerist en — pauper! Diep in de schulden en muziek zijn eenige troost. Rouget de Lisle! Droomer; en jij bemint hem ? Zijn bezoeken hier hadden dus dit ten doel? Is dat zoo?” „Neen, neen!” riep het meisje uit. „Hij weet het niet! Hij mag het nimmer weten ! Ik vertel u alleen de waarheid, omdat ik geen liefde voor een ander huichelen wil!” „Ik houd wel van den jongen,” ging Dietrick voort. „Hij is een zonderling mengsel van tegenstrijdigheden: uitwendig een ijskegel, inwendig een vulkaan! Als de vulkaan maar eens in hem wilde uitbarsten, om dit volk te doen ontwaken, ik zou hem mijn kleine Violette geven binnen een maand.” De woorden waren nauwelijks geuit of twee krachtige slagen klonken buiten op de deur. Violette liep haastig de gang in, ontsloot de deur, waarna een jonge man, lang en slank, gekleed in een dikken militairen mantel, stilzwijgend de woning binnenstapte. Zonder iets te zeggen, zonder zelfs te groeten, schudde hij de sneeuw van zijn mantel op N I EUW-AM STER DAM. Het oude Beurspoortje aan den Vijgendam te Amsterdam is verdwenen, doch op dezelfde plaats is er toch een nieuwe doorgang gekomen, waarvan wij hierboven een foto geven, genomen van de Rokinzijde. waar eens het oude Beurspleintje was, (foto van Steijn). De Lisle sprong op. 3O-JARIG JUBILEUM ARNOLD SPOEL.. (foto Henri de Louw). Onder buitengewone blijken van belangstelling vierde de bekende Haagsche Toonkunstenaar Arnold Spoel, Vrijdag en Zaterdag j.1. zijn 30-jarig jubileum. Behalve zijn roep als Zanger, Zangleeraar, Dirigent, Componist, verwierf Spoel zich den laatsten tijd een bijzondere populariteit als leider der volkszangavonden. De afd. v.d. Nat. Volkszang te ’s-Gravenhage b.v., die aan het einde v. h. vorig jaar nog slechts een kleinen omvang had en niet meer dan 30 è 40 leden telde, mag zich, sinds hij in October de leiding op zich nam, verheugen in een ledental van pl.m. 500. Zaterdag werd den jubilaris, bij een receptie in het Hotel de „Witte Brug” te ’s-Gravenhage in tegenwoordigheid van ontelbare vrienden en vereerders een geschenk aangeboden. de roode vloersteenen in het voorhuis uit en even stilzwijgend hing hij het kleedingstuk op. Dietrick kwam naar voren, een lamp boven zijn hoofd houdende, zoodat het flikkerende licht zijn stralen op het bleeke gezicht van den jongen man wierp. „De Lisle!” mompelde hij. De Lisle knikte en volgde zijn gastheer naar de zitkamer en Violette sloop weg naar haar klein boudoir op de bovenverdieping. „Je ziet,” zei Dietrick, naar de overblijfselen van het spaarzaam ontbijt wijzende, dat nog op tafel stond, „overvloed heerscht hier niet, maar brood, dat niet meer dan twee dagen geleden gebakken is, is tot je beschikking. Doch wat hindert het als we maar vuur in het hart hebben; leven en hoop om te wachten op den zonnigen morgen, die eenmaal moet aanbreken.” „Flink gezegd,” merkte De Lisle op, in zijn stoel vooroverleunende, terwijl zijn hoofd in zijn handen rustte. Dietrick, die tegenover hem zat, merkte op dat zijn gelaat kommer en angst uitdrukte. Er waren donkere kringen om zijn oogen, en zijn ongekamde haren hingen in dikke lokken over zijn voorhoofd. Dietrick haalde een gouden louis uit zijn zak en hield dezen den jongen man voor. „Zie je dit!” vroeg hij. „Gebrek is aan de andere zijde hiervan. Ja, ja, Straatburg’s burgemeester zal weldra moeten bedelen aan de deur van de kathedraal, tenzij....” „Ja?” „Tenzij er iets gebeurt! De Lisle, heb je wel eens aan trouwen gedacht !” „Meermalen! Als er niet iets was als trouwen zou ik thans niet hier zijn. Ik ben gekomen om aan u toestemming te vragen met Violette te mogen spreken.” Dietrick schrikte op; hij keek zijn bezoeker even zwijgend aan, toen, naar een oude hoekkast gaande, nam hij er een kraft wijn uit. „Ik heb nog slechts twee kraften over,” zei hij „en die zullen we vanavond ledigen.” En den tintelenden wijn in twee glazen schenkende ging hij voort: „Jij bemint Violette? Zoo ! Violette bemint jou ! Ik heb het daar straks van haar lippen vernomen.” -• „Den hemel zij dank!” riep hij uit. „U meent het — 't is waar wat u zegt?” „Ik ben een magistraat,” antwoordde Dietrick verontwaardigd. „Drink! Ah! De wijn is goed! Nu zullen we praten. Ongetwijfeld ben je eindelijk tot de conclusie gekomen dat de Seine een geschikt graf voor zijn majesteit zou wezen, anders zou je zeker niet denken aan een huwelijk met de dochter van ’s konings besten vriend!I” „Je vergist je, vriend,” antwoordde De Lisle. „Ik ben een geboren royalist en zal als zoodanig sterven. Mijn vader stierf voor zijn vorst en bad mij op zijn sterfbed trouw mijn eed aan den koning te houden/’ De Lisle nam zijn glas op en terwijl zijn oogen schitterden van enthousiasme, riep hij uit: „Vive la France! Vive le....” Dietrick sprong op en sloeg hem het glas uit de handen, voordat het zijn lippen bereikt had. „Niet hier!” riep hij woedend uit. „De naam van Louis is een naam om te vervloeken; we noemen hem niet met wijn. Kom, een ander gevuld en gedronken op hef volk dat in het
PDF
Nummer
1915, nr.38, 10 mei. 1915
Blad
15
Tekst
stof getrapt ligt en mishandeld wordt als honden door een koninklijk despoot. Op het welzijn van het volk!” De Lisle zat in gedachten, met het glas in zijn handen en staarde in het haardvuur. Dietrick, ziende dat hij indruk gemaakt had, boog zich tot den jongen man over en fluisterde hem in het oor: „Jou dwaas! Zie je niet hoe ze lijden? Zie je niet wat Frankrijk is ? Ze is de voetveeg van een tiran! Het volk is verpletterd, het is als schapen geschoren en geslagen zoo vaak Louis het verkiest. Frankrijk is versuft, maar wek het, schud het weer wakker en het zal zijn tranen drogen en lachen als vroeger. Geef het moed, hoop en nieuw leven! Jij kunt het! Jij hebt de macht, de betoovering van de muziek — jij kunt ze opwekken, — bij den hemel jij kunt het!” — Hij was op de knieën gevallen, zijn gelaat gloeiend van opwinding en zijn hand rustende op die van den jongeling, die ineengedoken in zijn stoel zat. De woorden, die van zijn lippen vloeiden, werden metzoo’n kracht van overtuiging en zoo’n hartstochtelijken gloed geuit, dat ze een hart van steen zouden hebben verteederd. „Wek hen uit hun gevoel - loosheid en Violette is voor jou! Geef hun de vrijheid en ze zijn je slaven! Muziek is er in je ziel en jij kunt hun een lied schenken dat hen in beroering zal brengen, hen wakker zal schudden en weer menschen zal maken. Wil je niet? Je moet! Wat beteekent een eed, als heel Frankrijk lijdt, omdat er niemand is die haar leidt. Jij zult zijn leider zijn en jouw naam zal genoemd worden in de toekomst als de redder van Frankrijk! Drink!” De Lisle dronk zijn glas le^g en Dietrick vulde het opnieuw, wel wetende, dat twee glazen van den krachtigen wijn zijn geest zouden \ benevelen; drie zouden er muziek uit doen ontspringen als-uit een fontein; vier, en zijn weerspannigheid zou gebroken zijn. Hij liep naar het venster, snel ademhalende. „Kom hier!” beval hij, en De Lisle, half in een droom, gehoorzaamde en plaatste zich naast Dietrick i die de gordijnen ter zijde schoof. „Zie je die vrouw?” vroeg hij schor, terwijl hij in de straat wees. „Zie hoe ze strompelt en wankelt van honger en kou. Twee dagen geleden heeft ze het laatste voedsel gehad aan de kathedraal. Ze is dakloos! Morgen zal men haar waarschijnlijk dood vinden! Gestorven van gebrek en koude! Sluit nu je oogen, en open ze dan weder ! Zoo! Daar staat een andere vrouw — ’t is Violette ! — ze lijdt gebrek, is stervende! Een gouden louis scheidt haar nog van dat vreeselijk lot, dat ook haar lot zal zijn, — tenzij jij het volk doet ontwaken. Doe dat en we zullen onze rechten herwinnen; we zullen niet langer bestolen worden door een vorst; we zullen kunnen werken en geld krijgen voor onzen arbeid ! Drink nog eens! Wat zal het zijn: de koning of Violette!” —De Lisle waggelde achteruit en bedekte zijn oogen met beide handen. „Pijnig me niet!” kreunde hij. „God in den hemel! Wat is een eed als een vrouw in den weg staat?” Dietrick staarde hem aan met een onderzoekenden blik en een glimlach van triumf op het gelaat. Eindelijk langzaam den arm oplichtende wees hij naar het spinet dat in een hoek stond. „Zul je het doen... van avond?” vroeg hij. „Van avond of nimmer,” antwoordde De Lisle, met onbestemden blik naar het instrument ziende, terwijl alle uitdrukking uit zijn gezicht week. „Van avond ben ik * niet mijzelf; morgen ben ik weer Rouget de Lisle, dienaar van den koning.” Dietrick liep langzaam de kamer door. Aan de deur keerde 303 hij zich om, wachtte en keek het vertrek nog eens rond. De Lisle stond bij de tafel, vulde met bevende hand zijn glas, lichtte het op hoog boven zijn hoofd en riep met trillende stem: „Op het heil van het volk!” Hij dronk den wijn op, maar toen de laatste druppel over zijn lippen was, viel het glas hem uit de hand en in duizend splinters op den grond. Laat in den avond zat De Lisle nog op het bankje voor het spinet, zijn vingers gleden doelloos op en neer over de toetsen. Zijn voeten waren ijskoud, maar in zijn hoofd gloeide het, brandde het. Nu en dan klonken kleine gedeelten van een melodie uit het instrument, zoodat een eenzame voorbijganger in de straat blijft stilstaan en luistert. De Lisle dronk nogmaals. Zij hart sloeg onstuimig en zijn oogen waren zoo beneveld, dat hij nog nauwelijks de witte toetsen onderscheiden kon. Hij begon met zijn voeten op den grond te stampen om ze wat warmer te krijgen en dit gestamp vereenigd met de onsamenhangende klanken, die hij aan het klavier ontlokte en den geur van den wijn, die in zijn brein opsteeg, schiep in zijn verhitte verbeelding de meest fantastische beelden. Slaan! Slaan! Slaan! Hij zag een groote volksmenigte optrekken, hoorde bij iederen slag het gestamp van duizenden voeten; de verwoede hartstocht op hun gezichten maakte indruk op hem. En toen de dageraad aanbrak en de eerste lichtstralen PANORAMA van den nieuwen dag door de gordijnen vielen, welden er woorden en melodie in hem op, woest, onweerstaanbaar als een niet te weerhouden bergstroom. Drie uren later, toen Violette de kamer binnentrad en de gordijnen openschoof, vond ze Rouget de Lisle liggen aan den voet van het spinet, slapende met de rechterhand nog op de nu stomme toetsen. En in den slaap lachte hij. Toen De Lisle eindelijk ontwaakte, was het reeds diep in den morgen en scheen de zon hem vol in het gelaat. Hij sprong op met een verbaasde uitdrukking in de oogen en streek met vermoeide hand over het voorhoofd. „Ik geloof dat ik geslapen heb,” merkte hij vrij onnoozel op. „Verwondertudat, mijnheer?” hoorde hij vragen en hij zag de oogen van Violette een veelbeteekenenden blik van hem op de ledige wijnflpsschen en glazen werpen. „Er is een sterk hoofd voor noodig om twee flesschen zwaren wijn te verdragen.” Het volgende oogenblik trad Dietrick de kamer binnen. Een onmerkbare glimlach speelde om zijn lippen, toen hij op De Lisle toetrad en hem de hand op den schouder legde. „Het was precies twintig minuten over vieren vannacht toen Frankrijk werd bevrijd,” zei hij. „Ik heb het gehoord! Ik lag wakker in koortsachtig ongeduld — en wachtte, wachtte, wachtte! Eindelijk kwam ze, de melodie, die Frankrijk in beroering zal brengen. En ik 'sliep in toen jouw muziek wegstierf ; en Jn mijn droomen zag ik het volk, door jouw akkoorden gewekt de tyrannie van zich afschudden ; en jij leidde de menigte, ging aan haar hoofd,— jij met dat lied. Ik zag den dageraad van een groote republiek. Kom laat ons nog eens het lied hooren.” De Lisle ging voor het spinet zitten, zijn vingers vlogen over de toetsen en opeens klonk een der meest aangrijpende refreinen, die de wereld ooit gehoord heeft. De schoone Violette aan het venster gezeten, boog het hoofd van eerbied en ontroering, want terwijl hij speelde, begon de Lisle te zingen, te zingen met zijn rijke tenorstem, de woorden, die hij op de melodie had gedicht. Een paar maal richtte Dietrick zijn oogen ten hemel als om de Voorzienigheid te danken voor deze hemelsche muziek; hij vouwde de handen te zamen en bij iedere rijzing van de gloedvolle melodie kneep hij zijn vingers zoo krampachtig ineen, dat de nagels hem in het vleesch drongen. Ten laatste sloop hij, de oogen vol tranen, stil de kamer uit. De muziek was geëindigd, De Lisle stond op en Violette vast in de oogen ziende, kwam hij haar met uitgestrekte handen te gemoet. „Den afgeloopen nacht was ik een beest,” zei hij. „En toch — werd in dezen nacht dit lied geboren. Waarom moest een liederlijke ongebondenheid geheiligd worden door dezen zang? Ik heb geen verontschuldigingen! Ik kwam hierheen om je mijn liefde aan te bieden, de liefde van een trouw hart, en nu.... nu ben ik meer overtuigd van mijn nietswaardigheid dan ooit te voren!” Hij was eenige stappen teruggegaan, maar nu stond zij op, trad op hem toe en bleef vlak voor hem staan. „Heb je er nooit aan gedacht,” zei ze „dat genieën als jij tot het toppunt van roem zouden klimmen, als zij niet ten onder gingen door hun groote gebreken. Ik bewonder je, en — ja ten spijt van je fouten — heb ik de grootste achting voor je. Zou je nu niet, dit wetende, en omdat ik het je vraag, een jaar, twaalf maanden lang den wijnbeker
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1571 tot 1575 van 11897