|
PANORAMA 290
Qls de jonge lente in Zweden de aodendaken met bloemen tooit.... 6en nationale Zweedsche dans, uitgevoerd op het 7Aeifeest te Stockholm.
7A.ei~Z>r. Telix dutten
Me rrt.J. Opgewekt en blij i, de maand van vogelzang
en bloesemweelde, van
stille beloften en zoete mingedachten
is weer over de
velden gegaan en heeft er
haar tooi gebracht van gouden
dotter- en lila pinksterbloemen. En met een
geurigen mantel vol wisselende schakeering
van licht- en donkergroen is alles wat
ontspruiten kan en teere blaadjes maakt,
thans omhangen.
Nu kan men weer juichen en zingen,
nu ziet men weer tot waarheid worden,
wat de dichter heeft uitgejubeld in „Die
Welt wird schoner mit jedem Tag, wer
weiss was noch geschehen mag” ... nu is
de schoone Mei, weer lustich in saisoene
getreden. In alle landen klinkt dan het
blijde lied, waarmede het eenvoudige landvolk
het zachtere jaargetijde verwelkomt,
waarmede het uiting geeft aan zijn vreugde,
dat de sombere winterdagen weer tot het
verleden behooren en overal rondomme
het jonge leven vol intieme geheimen en
stille beloften is voor den komenden zomer en den belangrijken
oogsttijd.
In het hooge Noorden van Scandinavië voegt zich bij dat alles
nog de oprechte vreugde over het wederkeerende licht. Het plotselinge
contrast tusschen dood en leven, tusschen sneeuw en bloemen
is er zoo wondergroot en geschiedt er als door de toovermacht
van een weldoende fee, want in eens zonder wekenlangen overgang
kan het groote Eddawonder geschieden.
. . . scheint die Sonne von Süden auf die Felsen • Und entgrünt dem Grund grüner Lauch ’.
Dan verzamelt het Zweedsche volk zich in de dorpen en gehuchten,
het roeit in lange smalle kerkbooten urenlang over de
weer open meren en rivieren naar zijn schilderachtige kerkjes, die
aan boomrijke meeroevers hun blanke muren en lage torentjes
verheffen. Na dank- en bedestond, na God den zegen afgesmeekt
te hebben voor het aan de moederaarde toevertrouwde kiemende
zaad, wordt er in de vriendelijke dorpjes het lentefeest gevierd,
de Meiboom opgericht, oude nikkelharpen en kanteelen worden
bespeeld en de herinnering wordt weer voor een dag opgewekt
aan de hymnen en heldensagen uit het ver verleden. Wanneer ge
u een oogenblik onttrekt aan de joelende drukte rond den pas
opgerichten Maistangen, dan komt ge gewis onder de bekoring
van de stille melancholieke muziek, die een eenvoudige Dalkar?
weet te onttokkelen aan zijn kanteele, dan zult ge u ook kunnen
scharen in den kring van hoorders, die luisteren naar verhalen,
welke hun oorsprong vinden in het oude heiligdom toen na een
zevenmaanden lange regeering van den valschen Odin eindelijk de geweldenaren op de
vlucht gedreven werden en de terugkomst van den goeden God in heel Zweden werd
gevierd met groote optochten, meiritten, waarin een met bloemen getooide Meikoning
(Odin) den in bont gehulden winter (zijn valschen dubbelganger) met bloesems wierp
tot hij hem op de vlucht dreef. En verbleekt door de tijden, zijn ook ten onzent nog
zeden en gewoonten
blijven bestaan, die
herinneren aan de
hooge beteekenis
van het Meifeest.
Wel is waar is het
planten van Meiboomen
niet meer
een gebruik, waaraan
zelfs vorsten
door hun tegenwoordigheid
een
grooteren luister
schonken, zooals
onder meer in 1584
geschiedde, toen de
dochter van Prins
Willem, Maria van
Nassau aan haar
nicht van Egmond schreef: „je me souheiderois
sete nuyt aupres de vous, pour
vous planter eung May” ... maar in uithoeken
van ons landje is de herinnering
aan dat oude gebruik nog niet geheel
uitgedoofd, ja op het eiland Schiermonnikoog
bestaat nog steeds de gewoonte
Zaterdagnacht 12 uur voor Pinksteren een
grooten mast op te richten, de „Kallemoc”’.
Bovenin wappert de vaderlandsche driekleur,
iets lager is een dwarsstaak, waaraan
twee flesschen hangen, de een gevuld met
water, de andere met sterken drank. In
alle stilte is uit een kippenhok een haan
gehaald en deze toeft er nu gedurende
de Pinksteren hoog opgeheschen in een
mand, om eerst op den avond van den
derden Pinksterdag weer aan den rechtmatigen
eigenaar te worden teruggeven.*
Elders onder andere, in het aardige straatwegdorpje
Dorst bij Breda, werd een kermis
gehouden, wijdvermaard als „Meikesdorst”,
waarheen de bloem der Baronie-jongelingschap
trok om er de ronde Brabantsche
dochteren te ontmoeten en gezamenlijk langs
de haagwegjes te dolen, waar de blanke
trossen der vogelkers hun bruidsbouquetten
om niet boden. Maar de lustige rondedansen
met het prettig-vroolijke refrein
Hei, ’t was in de Mei zoo blij 1 worden niet meer gehoord op Meiavond, het plattelandsvolk heeft
zijn symboliek feest verloren. Daarvoor is in de plaats getreden
de internationale arbeidersfeestdag, de strijddag voor den wettelijken
acht uren werktijd, voor het algemeen kiesrecht, in het
kort de propaganda voor de rechten van het proletariaat. Maar
de liederen, die gehoord worden in de lange optochten, die met
muziek aan het hoofd en ontplooide banieren onder politiegeleide
hun rondgang door de steden maken zijn heel andere, dan
vroeger op het land gezongen werden en opgewekte Meizangen
als die van Felix Rutten en Jac de Jong zijn nog veel te onbekend
... want een spontane rondedans is natuurlijk met het oog
op ordeverstoring „polizeilich untersagt”. Toch kan ik als tegenhanger
van een Zweedsch danswijsje mijn lezers niet den eenvoudigen
Meizang van den onvermoeiden Haarlemschen strijder voor de
veredeling van onzen volkszang onthouden, misschien, dat meerdere
bekendheid ook tot hoogere populariteit brengt.
Hierin is nog iets van de jolyt, die in vroeger dagen ook in ons
land overal uiting vond in het oprichten van Meiboomen, in het
aansteken van Meivuren, op Texel nog voortlevend in de Meierblits
... in de Meigilden met den Meigraaf aan het hoofd, in al
de vaak uitbundige leute door onze voorouders betoond bij de
jaarlijksche terugkomst van de schoone lentemaand.
Ook in het Scandinavische Noorden heeft het verkeer en de
moderne beschaving — hoe vasthoudend de boeren er ook mogen
zijn — de Maistangen teruggedrongen naar de stille heuveldorpen
van Dalecarlië, maar in de groote cultuurhistorische monumenten,
die het Zweedsche volk ter rechter tijd heeft opgericht voor het
verdwenen en verdwijnende volksleven, wordt de herinnering aan al dat voorbije
levendig gehouden en het „Varfest”, waarbij de oude, symboliek versierde Meiboom
het middelpunt van het feestterrein vormt, trekt ieder jaar weer duizenden en duizenden,
die er komen om op de oude landsmuziek en in de schilderachtige kleurrijke
nationale dracht te dansen, luisterend naar vriendelijke melodieën, waarvan we hier
een der aardigste
bijvoegen als een
herinnering aan de
langvervlogen tijden
toen Meidag
ook voor ons plattelandsvolk
een
feestdag was.
D. J. v. d. Ven.
Arnhem, 1 Mei ’ 15.
Ju Jieè.
w Uz . loc 'ba Act ^0/ 'ia., Atb Kb 'ta- Ja,, vfo- 'kb lo süi 'ibi/b p - U',
J..) 1 j, ■ j................................................... ■ -I.........*.............................. 1
L tdz /te/
i 11
J-fca. Wj Afk Sl. - -tiv kó -fa , It 'fa. 'b W Xe.
Meidag-Viering
|