|
PANORAMA 280
ONZE BOEKENTAFEL
M. VAN LOON, Het geheim van het oude Huis.
Amsterdam, H. J. W. Becht.
Het moge een weitje proefd succes-recept zijn : de oude oom.
die, tot nog toe norsch en ontembaar, door een jong, lief. zonnig
nichtje ontdooid wordt, zoodat de gansche omgeving versteld
staat over de verandering die met „den ouden draak” heeftjdaats
gevonden — wanneer het in zulk een aantrekkelijken vorm wordt
toegediend als de schrijfster van „Het Geheim van het Oude
Huis” dat weet te doen, dan blijft ons niet anders over dan hulde
te brengen aan haar talent.
Wij doen dit gaarne, want „Het Geheim” is inderdaad een
boek dat we kunnen aanbevelen. Meisjes van vijftien, zestien
jaar zullen ervan genieten, omdat ze er zich in zullen terugvinden,
met al haar aantrekkelijkheden en . . . nesterigheden, ten voeten
uit naar de natuur geschilderd. Maar ook voor die van achttien
en negentien is er veel moois in te genieten, moois van humor
zoowel als ernst. En wij mannen dan ? Heeft ook niet de
recensent- van Panorama een avond van voldoening met dit boek
doorgebracht ? Het zou valsche schaamte zijn, niet te bekennen
dat we veel van Edith, het zonnige nichtje, zijn gaan houden ;
wat zag de stemmige redactie-kamer er gezellig uit zoolang ze
er was ....
Wat nu het „Geheim” aangaat — een geheim mag men immers
niet verklappen, en we blijven dus trouw aan onze gewoonte u
daarvan niets te zeggen. Het betreft trouwens intieme familiezaken.
De oude oom heeft, om de waarheid te zeggen, in dat oude
huis, met de holle gangen en de krakende deuren, de knarsende
hengsels en de zuchtende schoorsteenen, geen prettig leven;
dat is, tusschen u en ons gezegd, zijn eigen schuld, want jaren
geleden heeft hij Edith’s ouders lang niet mooi , ja oneerlijk behandeld.
Hij gaat onder de* herinnering daaraan gebukt, en ’t
ergste is dat hij ’t niet weer goed kan maken . . . Nu komt het
nichtje, dat van niets weet en hem met haar aanhankelijke toegenegenheid
vurige kolen op ’t hoofd stapelt, zoodat hij z’n
schuld er des te zwaarder om voelt wegen. Wat moet hij doen ?
Hij weet heelemaal niet, oude, sombere man die hij is, hoe met
zoo’n jong, levenslustig ding om te springen. Maar hij voelt wel
dat hij nu iets herstellen kan, iets, hoe weinig ook, van zijn schuld
boeten . . . En eerlijk, op zijn onhandige, wat ruwe manier, beproeft
hij het. Totdat Edith het geheim van ’t oude huis, het
geheim dat haar oom met wroeging in zich omdraagt, door een
toeval ontdekt. De catastrofe schijnt nabij, maar Edith, levenswijs
geworden in die ernstige omgeving, vindt ook meteen de
oplossing, den uitweg, en terwijl zij de schuld, dien zwaren last,
van den ouden kluizenaar afwentelt, verkeert zij die voor hem
in een laat maar hech* geluk. En — eind goed, al goed . . .
Ja, Edith is wel de heldin van dit boek, in de ouderwetschc
beteekenis. Maar schuilt niet in alle jonge lieden, die een warm
hart en zin voor recht hebben, iets van die oude, ridderlijke
romantiek ? Wat we op later leeftijd met een glimlach van meerderheid
en beter-weten van ons wuiven, daarvoor zouden we
in onze jeugd aan de heele wereld den oorlog hebben verklaard ;
en voor een ideaal, dat we nu met gemoedsrust beschouwen als
een aardig verbleekt prentje in ons herinneringsboek, zouden we
op ons achttiende jaar met heiligen ernst gestorven zijn. In onze
modernste jongens en meisjes is gelukkig nog iets over van den
riddertijd ; de ouderdom moge de wijsheid bezitten, te samen met
andere teekenen van verval, aan de jeugd behoort het voorrecht
zonder nadenken zijn instinct te mogen volgen. De dwaasheid van
de jeugd kan goddelijk, die van den ouderdom slechts belachelijk
zijn. Met de tragiek van den grijsaard die het onrecht zijn gang
laat gaan, omdat hij den strijd moe is, hebben we medelijden :
voor de tragiek van den hoogere-burgerscholier die liegt, omdat hij
zijn besten vriend niet wil verklappen, voelen we bewondering.
Er is in „Het Geheim” een tooneeltje, zoo juist geobserveerd,
zoo krachtig en tegelijk gevoelig geschreven, dat wij er in ’t bizonder
de aandacht op willen vestigen. Edith, en Hertha, boezemvriendinnen,
strijden op school om de eerste plaats in haar klasse.
Edith is verreweg de knapste, en nu steekt dit Hertha zoo, dat
ze — in afwijking van haar rechtschapen aard — er toe geraakt
tersluiks Edith’s werk na te schrijven. Fan, de booze genius van
de school, die beide meisjes om haar goede rapporten benijdt,
ontdekt dit . . . terwijl ze zelf Hertha’s schriften copiëert: ze
weet haar lagen zoo te leggen, dat Edith, die ze nog ’t meest
„haat”, openlijk voor de klasse beschuldigd wordt haar knapheid
van Hertha gestolen te hebben.
Ziedaar de geheele intrige van ’t drama dat dan volgt. Elke
Droogstoppel kan nu zeggen : „wel. wat is daar voor ergs aan ?
Edith heeft niet anders te doen dan haar schouders op te halen
en haar beschuldigsters toe te voegen dat ze naar de pomp kunnen
loopen. Ik» rest komt vanzelf.”
Maar Droogstoppel kent niet het meisjeshart dat gloeit voor
recht en billijkheid ; de schrijfster toont het beter te kennen, en
zoo is het hoofdstuk waarin Edith het geknoei en gekuip ontmaskert,
een voortreffelijk éen-actertje geworden, vol gloed en
hartstocht. „Een groote ontroering ging door de klasse.........
Edith stond nu naast haar bank. rechtop, uitdagend. Haar klein
figuurtje scheen gegroeid, heur schrandere oogen waren een en al
gloed.” De klasse is met electriciteit geladen ; voor- en tegenstandsters
doen kreten van instemming en protest hooren ; uit
Hertha’s gezicht is alle kleur geweken, Kiet’s wangen zijn vurig
beplekt. En dit alles om ’n kleinigheid ? Neen — om ’n ideaal van
rechtvaardigheid, en het is heerlijk dat onze jeugd zich daarvoor
geestdriftig ófferen wil.
Zóo denkt ook de directrice van de schooi, mevrouw Van der
Hoeven, bij dc leerlingen beter bekend als „Beton”, omdat ze
uiterlijk zoo hard en hoekig schijnt. Met een enkel menschkundig
woord lost zij de kwestie op. En — Kiet barst plotseling in tranen
uit ; ze had Beton kunnen zoenen. Was dat Beton, die zoo sprak ?
„Ik huil van blijdschap, geloof ik, omdat Beton dat zoo nobel
zei . . . .”
En denk nu niet dat de schrijfster geen humor kent : dadelijk
daarop stapt de oude oom, dien niemand in jaren buiten had gezien,
op hooge beenen naar de school. „Ik moet oogenblikkelijk
mevrouw Beton spreken,” zegt hij opgewonden, stampend met
zijn stok op den grond. Het komische effect is er, en onze aandacht
ontspant zich in een glimlach.
Dit goede boek zal in den stroom van meisjeslectuur niet onopgemerkt
voorbij drijven. Wie het zijn kinderen te lezen geeft,
draagt er toe bij hun karakter te vormen naar een schoon en edel
voorbeeld. Boekenieh.
QflEtftUNC
IN HET DONKERSTE UUR
VAN DEN NACHT!
klik!
Het was een eenzaam huis en de inbreker
had geen reden om eenige stoornis te vreezen.
Hij werkte vol ijver en gebruikte zijn gereedschap
op een wijze die den man van het
vak deed kennen.
Klik I Klik !
Eindelijk liet het blind los. Rustig deed hij het open,
schoof het raam op, klom in de keuken, deed het raam weer
dicht en wierp zich voldaan in een stoel alvorens tot verdere
exploratie over te gaan.
Na eenige oogenblikken stond hij op, stak een lucifer aan,
vond een kandelaar en begaf zich hiermede naar de provisiekast.
Zijn onderzoek was niet tevergeefs: hij haalde
brood, vleesch, melk en boter te voorschijn en zette zich met
kalme voldoening aan de tafel om zijn avondmaal te nuttigen.
Als men den man zoo zag zitten bij het schijnsel van het
kaarslicht, viel het op dat hij niet tot het slag der gewone
inbrekers behoorde. Hij had een knap, intelligent gelaat
en het misdadige leven dat hij leidde, had niet alle sporen
van een betere opvoeding kunnen uitwisschen.
„Het schijnt me hier een smaakvol ingerichte woning
toe,” mompelde hij. „Het herinnert me aan de lieve woning,
die Nellie en ik bewoonden, toen we pas getrouwd waren,
voordat ik zoo’n idioot was om mij in te laten met dien
schurk Haaimans en zijn vervloekte bende. Waar
zou de kleine Nellie nu wezen ? Als ik nog eens .... Och,
kom, waarover zal ik nu mijmeren I Gedane zaken nemen
geen keer. Laat ’k liever aan het werk gaan.”
Hij haalde zijn kleine electrische zaklantaarn te voorH.K.H.
PRINSES JULIANA,
die den 30sten dezer haar 6den verjaardag vierde, gekiekt op een
harer morgenwandelingen met Freule v. d. Poll. (foto Sijes.)
~NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN.
schijn, blies de kaars uit en zocht den weg naar de eetkamer.
Zonder moeite vond hij het tafelzilver. Het was niet veel, en
menigeen van zijn bentgenooten zou er verachtelijk den neus
voor hebben opgehaald, doch het was gemakkelijk mee te
nemen en, hij had geldgebrek 1
In den hoek van de kamer lag een hoop speelgoed : een
spoortrein, een paard, een boot en een grappig uitziende
clown.
„Mijn kleine Tonny zal wel groot genoeg wezen voor
zulk speelgoed. De kleine kerel, hoe herinner ik hem mij
nog met zijn blonde krullen en blauwe oogen. Wat zal hij
wel van zijn vader denken ? Zou zijn moeder het hem verteld
hebben ?”
Hij keerde zich ongeduldig om en liep de kamer uit. In de
gang vond hij de trap en nu ging hij voorzichtig naar boven.
Halverwege bleef hij plotseling staan, hij meende boven
zich iets te hooren. Hij luisterde, instinctmatig de rechterhand
in zijn zak stekende.
Toen hij overtuigd was dat hij zich vergist had, vervolgde
hij zijn weg. Boven gekomen zag hij een deur half open staan.
Hij luisterde een oogenblik, doch niets hoorende, sloop hij
op de teenen naar binnen.
In den versten hoek stond een kinderledikant, de gordijnen
waren boven het hoofd van den kleinen slaper dichtgetrokken
en in een kastje links van het ledikant lagen de
kleeren van den kleine netjes opgevouwen: een pluchen
kieltje, korte broek, kousen en lage schoentjes.
De gordijnen voorzichtig een weinig terugschuivende,
keek hij nieuwsgierig naar het gelaat, dat rustte op het
kussen.
Eerst nu begreep de verstokte inbreker waarom hem bij
de intrede in deze woning zoo’n vreemd beklemmend gevoel
had bevangen : de engel des doods zweefde in dit huis. Het
kindergelaat, waarop hij staarde, was als uit marmer gehouwen
; bleek en strak, met gesloten oogen, geleek het een
beeld van vrede en onschuld door kunstenaarshand gebeiteld.
(Wordt vervolgd).
|