Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1551 tot 1555 van 11897
Nummer
1915, nr.35, 29 april. 1915
Blad
07
Tekst
279 PANORAMA „Jack, ik heb je nog nooit reden gegeven tot deze dwaze veronderstelling.” „Laten we dan zeggen : half krankzinnig, omdat als je mij trouwt, je iemand trouwt met geld.” „Daaraan denk ik niet!” „Waaraan dan wel ?” „Dat ik niet gedwongen wil worden.” „Maar je wil met me trouwen.” „Ja!” „Wel, doe het dan en neem het geld.” „Neen, neen !” „We zouden het geld aan de armen kunnen geven.” „Wat ’n idee!” „Wel, kunnen we niet ?” „Jack praat toch niet zoo dwaas. Het geld zou me best te pas komen.” „Zeker,” zei hij nadrukkelijk, „maar, aangezien we niet trouwen is het geld voor jou van geen nut.” Op dit oogenblik klonk de introductie voor een quadrille tot hen door. „Voor dezen dans ben ik geëngageerd,” zei ze, uit zijn omarming ontsnappende. „Wie is de gelukkige ?” „Bertie Farington !” „O, die nabob ! Zeg, Kitty, je deed verstandig als je met hem trouwde. Geen mensch zou zeggen dat hij je om je geld neemt.” „Neen, maar ze zouden zeggen dat ik hem trouwde om het zijne, Jack.” Ze vouwde haar waaier dicht en tikte hem ermee onder de kin, terwijl ze vervolgde: „Wat een malle, jaloersche jongen ben jij ! Hoe zou ik hem trouwen, terwijl ik krankzinnig — o, neen, excuseer!— half krankzinnig verliefd ben op jou ?” Een heldere lach klonk door de serre terwijl ze heen zweefde aan den arm van haar cavalier, Herbert Farington, die gedurende den dans zich met haar onderhield over allerlei alledaagsche onderwerpen en haar na het beëindigen der quadrille weer bij den ongeduldig wachtenden Jack Dagnal terugbracht. „De volgende wals is voor mij,” zei hij. „Zullen we dansen ?” „Ik geloof niet dat we onze conversatie geëindigd hadden, is ’t wel ?” vroeg Kitty en bij stilzwijgende overeenkomst wandelden ze naar het stille hoekje tusschen de bloemen in de serre. „Waar waren we ook weer gebleven ?” vroeg Kitty, toen beiden gezeten waren. „Je was juist aan het vertellen, dat je me wanhopig liefhebt !” „Schaam je, Jack I” „Maar ’t is toch zoo I Dat zul je niet ontkennen 1” „Goed, ’tis zoo! Dat isuitgemaakt 1 En ik zou je hebben willen trouwen, da’s ook uitgemaakt! Maar nu zegt dat afschuwelijke testament, dat ik je trouwen móét en nu wil ik niet, da’s ook uitgemaakt!” „Op die manieris alles uitgemaakt, en valt er niets meer te bepraten,” voegde de jonge man er mismoedig aan toe. „Mag ik rooken ?” „Dat weet je wel!” Hij haalde zijn zilveren sigarettenkoker uit zijn zak, opende dien, nam er een sigaret uit en terwijl hij dit deed, viel er een klein opgevouwen papiertje op den vloer. Hij merkte het niet en dus vestigde Kitty er zijn aandacht op. „Je laat een minnebrief vallen, Jack,” zei ze. Hij bukte en raapte het papiertje op.” „Het is geen minnebrief,” protesteerde hij, terwijl hij het weer in zijn sigarettendoos legde. „Wat is het dan ? Mag ik het zien ?” Hij overhandigde het haar. Zij vouwde het open en las het onder het licht van de groote Chineesche lantaarn, die midden tusschen de planten hing. „Het is een gedeelte uit dat akelig testament I” zei ze teleurgesteld. „Het is het gedeelte, liefste ! Het is de fons et origo malorum.” „Wat is dat, Jack?” „Latijn, Kitty !” „Hè, vervelende jongen ! Wat beteekent ’t ?” „Het beteekent dat dit nietige zinnetje is de voornaamste oorzaak en bron van alle kwaad. Het beteekent,” ging hij voort, welsprekend wordende, „dat defee simpele woorden het geluk in den weg staan van twee jonge, minnende harten. Het beteekent. . . .” „Stop, Jack! Je wordt romantisch!” „In ’t geheel niet! Ik constateer slechts feiten.” „Lees dan de feiten in hun eigen koele wettelijke phraseologie,” beval ze, terwijl ze haar ontplooiden waaier zacht op de tonen van den „II Bacio”-wals, die juist gespeeld werd, heen en weer bewoog. Jack wierp zijn sigaret weg, schraapte zijn keel als wilde hij een lange toespraak houden en las van het blaadje papier : „En in geval mijn nicht, Kate Weston, huwt met voornoemden Jack Dagnal, binnen een jaar na dagteekening van dezen mijn uitersten wil, vermaak ik aan haar een som van tweehonderdduizend gulden. Doch in geval zij weigert dezen achtenswaardigen jongeman . . ..” Kitty schoot in een schaterlach en Jack hield dus even op. C. C. VAN SCHOONHOVEN, als de Pastoor van Neuvilette, in welke rol hij zijn 40-jarig jubileum als tooneelspeler viert. (foto Couvée). „Zal ik vervolgen ?” vroeg hij, trachtende een ijzigen toon aan te slaan, hetgeen totaal mislukte. „Ja, zeker!” „Welnu,” ging hij voort, „mocht zij weigeren te huwen met dezen achtenswaardigen jongeman,” — zij smoorde een opkomenden lach en hij las verder —• „zooals ik vrees, dat zij doen zal, wetende welk een eigenwijs, stijfkoppig, grillig STANDBEELD VOOR STADHOUDER WILLEM III. In het Gebouw voor Beeldende Kunsten te *s-Gravenhage wordt een tentoonstelling gehouden van een drietal ontwerpen van dit standbeeld. Links het ontwerp van den heer Ch. van Wijk; middenfoto dat van den heer L. J. Vreugde; rechts van den heer Toon Dupuis. en dom meisje...” — „O, hemeltjelief!” schaterde Kitty. „Ik lees slechts wat er staat,” protesteerde Jack. „Ja, ja, ga voort l” „Dan wensch ik, als een schadeloosstelling voor zijn arm, gewond hart.... Werkelijk, Kitty, ik fantaseer niet.” ,.O, excuseer me!’ En ze smoorde een lachbui in haar kanten zakdoekje. EEN ROODE-KRUISVERPLEEGSTER. Als pendant van de onlangs door ons gereproduceerde foto „De lichting 1931 onder de wapenen”, stuurt een onzer abonné’s ons bovenstaande foto van zijn dochtertje geheel in het kostuum van een Duitsche Roode-Kruisverpleegster gestoken. „Voor zijn gewond hart, dat genoemde som van twee honderdduizend gulden aan gezegden Jack Dagnal zal worden uitgekeerd.” Hij vouwde het papier dicht, deed het weer in zijn sigarettenkoker en dezen laatsten in zijn zak. Hij had nog een sigaret opgestoken, en blies nadenken de blauwe rookwolkjes voor zich uit. Er was in de balzaal een pauze en er klonk nu een damesstem die een sentimenteel liedje zong. Jack kwam geheel onder den indruk van de melodie van het liefdeliedje. Hij was immers tot over zijn ooren verliefd op Kitty en zij zouden reeds maanden geleden getrouwd zijn als dat noodlottige testament geen spaak in het wiel gestoken had. Kitty Weston was, zooals de goede of booze oom (naar men hem noemen wil) in zijn uitersten wil had verklaard, een zelfstandige, stijfhoofdige jongedame, die zooals zij kort en bondig verklaarde „niet op bevel wilde trouwen.” De zorgzame oom had er zijn hart op gezet dat de beide jongelui een paar zouden worden, weinig vermoedende dat ze reeds hun harten aan elkaar verpand hadden, zonder eenige hulp van zijn kant. En daarom had hij in zijn uitersten wil een bepaling gemaakt die haar, meende hij, wel zou doen besluiten aan zijn heimelijk gekoesterden wensch gevolg te geven. Als zij Jack niet trouwen wil, krijgt hij de erfenis en dan zal ze wel eieren kiezen voor haar geld en hem daarna nemen. Het testament had evenwel juist het tegenovergestelde uitgewerkt en Kitty in het diepst van haar trotsche hartje gewond. Had ze eerst volgaarne den geliefden man getrouwd, nu wilde ze niet, omdat ze ertoe gedwongen werd. Jack had nu reeds gedurende tien maanden, die sedert het bekend worden van de clausule in het testament verloopen waren, gepoogd den tegenstand van de stijfhoofdige jonge dame te breken, doch te vergeefs. En nu, na deze laatste vruchtelooze poging, was hij geheel ontmoedigd. Een uitroep van Kitty stoorde hem in zijn overpeinzingen. „Jack! Jack!” riep ze uit. „Ik heb ’t! Ik heb den weg gevonden !” „Wat heb je?” vroeg hij verbaasd. „Den weg gevonden ? Wat voor ’n weg?” „Den weg . . .” en bij deze bekentenis bloosde ze allerbekoorlijkst, „den weg om dat dwaze testament te negeeren en . . .” ze hield op. „En wat ?” „Het geld te behouden 1” „Goede hemel, Kitty ! Hoe ?” „Wel, jou malle domme jongen ! Ik weet zeker dat je die draconische bepaling, die je als een minnebrief op je hart draagt, meermalen gelezen hebt en toch heb je nog geen middel gevonden om er aan te ontkomen. Ik kan met je trouwen uit vrijen wil, zonder door ooms laatsten wil er toe gedwongen te worden.” „Het kan me niets schelen, hoe je met me trouwt, als je ’t maar doet.” „Jack, niet zoo ruw 1 Luister! Dat nare testament bepaalt dat ik jou binnen een jaar moet trouwen om het geld te erven.” „Ja!” „Welnu, ik wil het geld niet erven. Ik bedoel: ik wil niet gedwongen worden het te nemen, en ik wil niet gedwongen worden jou te trouwen.” „Ik begrijp niet waar je heen wilt!” „Dat pleit niet voor je doorzicht, want het is zoo helder als glas. Het jaar is bijna om !” „Helaas ja!” „En dan erf jij het geld!” „Ik ben je erg dankbaar!” „Dan mocht je wel een dankbaarder gezicht zetten. Ha, ha! Jack, wat ben je toch een uilskuiken!” „Dank-je!” „Begrijp je het dan niet! Er is toch geen enkele bepaling in het testament die jou verbiedt om mij te trouwen als het jaar om is?” „Drommel, neen!” „Wel, dan trouwen we!” „Wil je?” „Natuurlijk wil ik!” „Wanneer ?” „Den dag nadat het jaar verstreken is als je wilt.” „Waarom? Om het geld?” — „Neen Jack, om je zelf.” „Prachtig ! En wat moet er met het geld gebeuren ?” „Wel,” zei ze, schalks lachende, „twee ton voor een jonggetrouwden man is veel te veel, daarom geef je mij de helft als speldengeld.” „Akkoord 1 Laat ons de overeenkomst bezegelen 1” De balmuziek begon opnieuw. „Onze wals!” zei hij vroolijk en ontstal haar een kus. BELANGRIJK! Door de Uitgevers van PANORAMA zijn MAPPEN verkrijgbaar gesteld, om de nummers te bewaren totdat zij gebonden worden. Deze Mappen, gemaakt nêer hetzelfde ontwerp als de bekende prachtbanden, zijn zoo vervaardigd, dat men de nummers zönderdeze te schenden erin bevestigen kan, en op deze wijze dus het beschadigen kan voorkomen. De prijs bedraagt slechts 50 Cents. Waar geen boekhandelaar gevestigd is, bestelle men rechtstreeks aan: A. W. SIJTHOFF’s UITGEVERS-Mij. LEIDEN,
PDF
Nummer
1915, nr.35, 29 april. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 280 ONZE BOEKENTAFEL M. VAN LOON, Het geheim van het oude Huis. Amsterdam, H. J. W. Becht. Het moge een weitje proefd succes-recept zijn : de oude oom. die, tot nog toe norsch en ontembaar, door een jong, lief. zonnig nichtje ontdooid wordt, zoodat de gansche omgeving versteld staat over de verandering die met „den ouden draak” heeftjdaats gevonden — wanneer het in zulk een aantrekkelijken vorm wordt toegediend als de schrijfster van „Het Geheim van het Oude Huis” dat weet te doen, dan blijft ons niet anders over dan hulde te brengen aan haar talent. Wij doen dit gaarne, want „Het Geheim” is inderdaad een boek dat we kunnen aanbevelen. Meisjes van vijftien, zestien jaar zullen ervan genieten, omdat ze er zich in zullen terugvinden, met al haar aantrekkelijkheden en . . . nesterigheden, ten voeten uit naar de natuur geschilderd. Maar ook voor die van achttien en negentien is er veel moois in te genieten, moois van humor zoowel als ernst. En wij mannen dan ? Heeft ook niet de recensent- van Panorama een avond van voldoening met dit boek doorgebracht ? Het zou valsche schaamte zijn, niet te bekennen dat we veel van Edith, het zonnige nichtje, zijn gaan houden ; wat zag de stemmige redactie-kamer er gezellig uit zoolang ze er was .... Wat nu het „Geheim” aangaat — een geheim mag men immers niet verklappen, en we blijven dus trouw aan onze gewoonte u daarvan niets te zeggen. Het betreft trouwens intieme familiezaken. De oude oom heeft, om de waarheid te zeggen, in dat oude huis, met de holle gangen en de krakende deuren, de knarsende hengsels en de zuchtende schoorsteenen, geen prettig leven; dat is, tusschen u en ons gezegd, zijn eigen schuld, want jaren geleden heeft hij Edith’s ouders lang niet mooi , ja oneerlijk behandeld. Hij gaat onder de* herinnering daaraan gebukt, en ’t ergste is dat hij ’t niet weer goed kan maken . . . Nu komt het nichtje, dat van niets weet en hem met haar aanhankelijke toegenegenheid vurige kolen op ’t hoofd stapelt, zoodat hij z’n schuld er des te zwaarder om voelt wegen. Wat moet hij doen ? Hij weet heelemaal niet, oude, sombere man die hij is, hoe met zoo’n jong, levenslustig ding om te springen. Maar hij voelt wel dat hij nu iets herstellen kan, iets, hoe weinig ook, van zijn schuld boeten . . . En eerlijk, op zijn onhandige, wat ruwe manier, beproeft hij het. Totdat Edith het geheim van ’t oude huis, het geheim dat haar oom met wroeging in zich omdraagt, door een toeval ontdekt. De catastrofe schijnt nabij, maar Edith, levenswijs geworden in die ernstige omgeving, vindt ook meteen de oplossing, den uitweg, en terwijl zij de schuld, dien zwaren last, van den ouden kluizenaar afwentelt, verkeert zij die voor hem in een laat maar hech* geluk. En — eind goed, al goed . . . Ja, Edith is wel de heldin van dit boek, in de ouderwetschc beteekenis. Maar schuilt niet in alle jonge lieden, die een warm hart en zin voor recht hebben, iets van die oude, ridderlijke romantiek ? Wat we op later leeftijd met een glimlach van meerderheid en beter-weten van ons wuiven, daarvoor zouden we in onze jeugd aan de heele wereld den oorlog hebben verklaard ; en voor een ideaal, dat we nu met gemoedsrust beschouwen als een aardig verbleekt prentje in ons herinneringsboek, zouden we op ons achttiende jaar met heiligen ernst gestorven zijn. In onze modernste jongens en meisjes is gelukkig nog iets over van den riddertijd ; de ouderdom moge de wijsheid bezitten, te samen met andere teekenen van verval, aan de jeugd behoort het voorrecht zonder nadenken zijn instinct te mogen volgen. De dwaasheid van de jeugd kan goddelijk, die van den ouderdom slechts belachelijk zijn. Met de tragiek van den grijsaard die het onrecht zijn gang laat gaan, omdat hij den strijd moe is, hebben we medelijden : voor de tragiek van den hoogere-burgerscholier die liegt, omdat hij zijn besten vriend niet wil verklappen, voelen we bewondering. Er is in „Het Geheim” een tooneeltje, zoo juist geobserveerd, zoo krachtig en tegelijk gevoelig geschreven, dat wij er in ’t bizonder de aandacht op willen vestigen. Edith, en Hertha, boezemvriendinnen, strijden op school om de eerste plaats in haar klasse. Edith is verreweg de knapste, en nu steekt dit Hertha zoo, dat ze — in afwijking van haar rechtschapen aard — er toe geraakt tersluiks Edith’s werk na te schrijven. Fan, de booze genius van de school, die beide meisjes om haar goede rapporten benijdt, ontdekt dit . . . terwijl ze zelf Hertha’s schriften copiëert: ze weet haar lagen zoo te leggen, dat Edith, die ze nog ’t meest „haat”, openlijk voor de klasse beschuldigd wordt haar knapheid van Hertha gestolen te hebben. Ziedaar de geheele intrige van ’t drama dat dan volgt. Elke Droogstoppel kan nu zeggen : „wel. wat is daar voor ergs aan ? Edith heeft niet anders te doen dan haar schouders op te halen en haar beschuldigsters toe te voegen dat ze naar de pomp kunnen loopen. Ik» rest komt vanzelf.” Maar Droogstoppel kent niet het meisjeshart dat gloeit voor recht en billijkheid ; de schrijfster toont het beter te kennen, en zoo is het hoofdstuk waarin Edith het geknoei en gekuip ontmaskert, een voortreffelijk éen-actertje geworden, vol gloed en hartstocht. „Een groote ontroering ging door de klasse......... Edith stond nu naast haar bank. rechtop, uitdagend. Haar klein figuurtje scheen gegroeid, heur schrandere oogen waren een en al gloed.” De klasse is met electriciteit geladen ; voor- en tegenstandsters doen kreten van instemming en protest hooren ; uit Hertha’s gezicht is alle kleur geweken, Kiet’s wangen zijn vurig beplekt. En dit alles om ’n kleinigheid ? Neen — om ’n ideaal van rechtvaardigheid, en het is heerlijk dat onze jeugd zich daarvoor geestdriftig ófferen wil. Zóo denkt ook de directrice van de schooi, mevrouw Van der Hoeven, bij dc leerlingen beter bekend als „Beton”, omdat ze uiterlijk zoo hard en hoekig schijnt. Met een enkel menschkundig woord lost zij de kwestie op. En — Kiet barst plotseling in tranen uit ; ze had Beton kunnen zoenen. Was dat Beton, die zoo sprak ? „Ik huil van blijdschap, geloof ik, omdat Beton dat zoo nobel zei . . . .” En denk nu niet dat de schrijfster geen humor kent : dadelijk daarop stapt de oude oom, dien niemand in jaren buiten had gezien, op hooge beenen naar de school. „Ik moet oogenblikkelijk mevrouw Beton spreken,” zegt hij opgewonden, stampend met zijn stok op den grond. Het komische effect is er, en onze aandacht ontspant zich in een glimlach. Dit goede boek zal in den stroom van meisjeslectuur niet onopgemerkt voorbij drijven. Wie het zijn kinderen te lezen geeft, draagt er toe bij hun karakter te vormen naar een schoon en edel voorbeeld. Boekenieh. QflEtftUNC IN HET DONKERSTE UUR VAN DEN NACHT! klik! Het was een eenzaam huis en de inbreker had geen reden om eenige stoornis te vreezen. Hij werkte vol ijver en gebruikte zijn gereedschap op een wijze die den man van het vak deed kennen. Klik I Klik ! Eindelijk liet het blind los. Rustig deed hij het open, schoof het raam op, klom in de keuken, deed het raam weer dicht en wierp zich voldaan in een stoel alvorens tot verdere exploratie over te gaan. Na eenige oogenblikken stond hij op, stak een lucifer aan, vond een kandelaar en begaf zich hiermede naar de provisiekast. Zijn onderzoek was niet tevergeefs: hij haalde brood, vleesch, melk en boter te voorschijn en zette zich met kalme voldoening aan de tafel om zijn avondmaal te nuttigen. Als men den man zoo zag zitten bij het schijnsel van het kaarslicht, viel het op dat hij niet tot het slag der gewone inbrekers behoorde. Hij had een knap, intelligent gelaat en het misdadige leven dat hij leidde, had niet alle sporen van een betere opvoeding kunnen uitwisschen. „Het schijnt me hier een smaakvol ingerichte woning toe,” mompelde hij. „Het herinnert me aan de lieve woning, die Nellie en ik bewoonden, toen we pas getrouwd waren, voordat ik zoo’n idioot was om mij in te laten met dien schurk Haaimans en zijn vervloekte bende. Waar zou de kleine Nellie nu wezen ? Als ik nog eens .... Och, kom, waarover zal ik nu mijmeren I Gedane zaken nemen geen keer. Laat ’k liever aan het werk gaan.” Hij haalde zijn kleine electrische zaklantaarn te voorH.K.H. PRINSES JULIANA, die den 30sten dezer haar 6den verjaardag vierde, gekiekt op een harer morgenwandelingen met Freule v. d. Poll. (foto Sijes.) ~NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN. schijn, blies de kaars uit en zocht den weg naar de eetkamer. Zonder moeite vond hij het tafelzilver. Het was niet veel, en menigeen van zijn bentgenooten zou er verachtelijk den neus voor hebben opgehaald, doch het was gemakkelijk mee te nemen en, hij had geldgebrek 1 In den hoek van de kamer lag een hoop speelgoed : een spoortrein, een paard, een boot en een grappig uitziende clown. „Mijn kleine Tonny zal wel groot genoeg wezen voor zulk speelgoed. De kleine kerel, hoe herinner ik hem mij nog met zijn blonde krullen en blauwe oogen. Wat zal hij wel van zijn vader denken ? Zou zijn moeder het hem verteld hebben ?” Hij keerde zich ongeduldig om en liep de kamer uit. In de gang vond hij de trap en nu ging hij voorzichtig naar boven. Halverwege bleef hij plotseling staan, hij meende boven zich iets te hooren. Hij luisterde, instinctmatig de rechterhand in zijn zak stekende. Toen hij overtuigd was dat hij zich vergist had, vervolgde hij zijn weg. Boven gekomen zag hij een deur half open staan. Hij luisterde een oogenblik, doch niets hoorende, sloop hij op de teenen naar binnen. In den versten hoek stond een kinderledikant, de gordijnen waren boven het hoofd van den kleinen slaper dichtgetrokken en in een kastje links van het ledikant lagen de kleeren van den kleine netjes opgevouwen: een pluchen kieltje, korte broek, kousen en lage schoentjes. De gordijnen voorzichtig een weinig terugschuivende, keek hij nieuwsgierig naar het gelaat, dat rustte op het kussen. Eerst nu begreep de verstokte inbreker waarom hem bij de intrede in deze woning zoo’n vreemd beklemmend gevoel had bevangen : de engel des doods zweefde in dit huis. Het kindergelaat, waarop hij staarde, was als uit marmer gehouwen ; bleek en strak, met gesloten oogen, geleek het een beeld van vrede en onschuld door kunstenaarshand gebeiteld. (Wordt vervolgd).
PDF
Nummer
1915, nr.36, 3 mei. 1915
Blad
09
Tekst
No. <30 (44b) 3 Mei 15>15. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.075 UITGAVE A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERS=MAATSCHAPPIJ, LEIDEN - RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. 1. HET BESCHIETEN VAN EEN VIJANDELIJKE VLIEGMACHINE. Zoodra zich ergens boven België een vijandelijke vliegmachine vertoont, trachten de Duitsche troepen deze met machinegeweren enz. naar beneden te schieten.
PDF
Nummer
1915, nr.36, 3 mei. 1915
Blad
10
Tekst
PANORAMA 282 EenVrouwenOorlog tegen den Haat o g liefde alleen kunnen we niet leven. We bedoelen niet in de eerste plaats dat ze maag ’ter niet bij uithoudt: ook onze est is er niet mede tevreden. Die moet i en dan geprikkeld en opgezweept worden •or een gezonden haat tegen wat klein, slecht, onrechtvaardig is. Maar de liefde moet hem op den voet volgen, zaad strooiend waar hij onkruid wiedde. Want met haat alleen komen we nog veel minder uit — vooral niet wanneer hij geen spontaan, kortstondig verschijnsel van verontwaardiging is, maar integendeel met toeleg en verfijning wordt gekweekt. Aan deze laatste cultuur is nooit meer ijver en zorg gewijd dan sedert het uitbreken van den grooten Europeeschen oorlog. De internationale haat is een nieuw uitvoermiddel geworden, waarvoor zelfs de scherpst bewaakte grens niet gesloten is. Het is de vraag of er feller, venijniger wapen te vinden is, beter passend in een oorlog als deze, die geen middelen te onridderlijk acht. Een sluipmoordenaars-wapen, dat niet de lichamen treft, maar de gemoederen vergiftigt. De haat als cultus, als een uiting niet van oogenblikkelijken, echt menschelijken, zelfs edelen toorn om onrecht of onwaarheid, maar als een in koelen bloede zorgvuldig geconserveerd venijn, stelselmatig en langdurig toegepast — zulk een haat is het wapen van den laffe en den domme. Dat de een of andere bekleeder van een hoog ambt, in de eerste opbruising van wrevel omdat zijn vaderland belaagd wordt, met tegenzin de eerbewijzen van zich wierp, hem door vroegere vrienden verleend — niets is begrijpelijker, al had het hem ook kunnen invallen dat die ,,vroegere” vrienden nu niet opeens zijn persoonlijke vijanden waren geworden. Maar dat een autoriteit op welk gebied ook, een man van ontwikkeling en ervaring, niet spoedig daarna kalmeert en het belachelijke van zijn handelwijze inziet, is gladweg dom. We zullen er nu maar niet over spreken in hoeverre hij dwaas deed door zich indertijd met zilveren en gouden voorwerpen te laten behangen ; doch toen hij ze eenmaal had aanvaard, ware het beter geweest het daar maar bij te laten. De wetenschap, de kennis, het vernuft, de edelmoedigheid, die in zijn persoon geëerd werden, zijn ze door de catastrofe minder, of niet langer internationaal geworden? De professor die de wereld een grootsche uitvinding rijker heeft gemaakt en daarvoor van den geestdriftigen senaat eener buitenlandsche universiteit een eere-bul ontving — meent hij werkelijk dat hij door het kleine gebaar der terugzending iets anders verricht dan een benepen persoonlijk handelingetje, zonder eenige universeele beteekenis? Zou het mogelijk zijn dat hij, omdat er oorlog uitbrak, geen waarde meer hechtte aan de ongeëvenaard geniale ontdekkingen van een beroemd „vijandelijk” collega? Wanneer het land van hem, die het helium vloeibaar maakte, in strijd geraakte met het land van haar, die de eigenschappen van het radium hielp ontdekken — zouden die twee elkaar daarom minder hoog moeten stellen ? Wanneer de groote geleerden dom doen, doen ze het grondig. Zij hebben het voorbeeld gegeven tot het kweeken van haat uit domheid. En wanneer zij meenen dat na den oorlog de wetenschap, de kennis en de wijsheid zuiver omlijnd zullen zijn door de grenzen van elk hunner landen, dan kan een neutrale schooljongen, die z’n hoofd koel gehouden heeft, hun met reden het tegendeel verzekeren. Ondanks hun ijverig pogen zal het geestelijk verkeer, dwars door de dorenhaagjes van hun haat, het onbegrensde zoeken; in het Oosten zal de roepstem klinken van een wiens naarstig streven de menschheid wederom dichter tot geestelijke vrijmaking gaat brengen — en uit het Westen zal een juichkreet opgaan van hem, die zijn krachten aan het nieuwe werk mee wil wijden; uit het Noorden zal vreugdevol de triomfroep schallen van het genie dat de wereld opnieuw een schrede nader tot het geluk voerde — en het Zuiden zal antwoorden met zijn INTERNATIONAAL VROUWENCONGRES. Mevrouw Thoumaian, echtgenoote van een Armenisch predikant en lid van het Ottomaansche parlement, in de kleederdracht van haar land. Mevrouw Thoumaian heeft een beweging op touw gezet tot bescherming van den vrede door middel van een internationaal leger. blijdschap, zijn steun en zijn medewerking. Wetenschap, wijsheid, kennis, kunst — zij zijn onpersoonlijk en internationaal; zij staan boven de partijen en zijn sterker dan de haat. Wie meent, dat na den vrede hun wisselwerking tot stilstand zou gekomen zijn, is — dom. Hij ontkent de onbegrensdheid van den geest, den geest die geen vaderland bezit; hij ziet in zijn blinden haat voorbij dat in het groote raderwerk van het universeele denken geen onderdeel hoe klein gemist kan worden. * * * Erger misschien nog dan dom, is het laf te zijn. En wie tegen het internationalisme, tegen de verbroedering en verevening der menschheid — eenig middel om in den langen duur den oorlog te keeren — gansch een volgend geslacht te wapen roept, handelt laf. Wat hij in eigen hart verstikken wil, hij hebbe die schade aan zijn ziel tegenover zichzelf te verantwoorden. Maar hij mist het recht de jeugd op te voeden in haat tot den naaste en ontkenning der komende eenhe;d. Want alleen aan de jeugd behoort de toekomst, in haar handen ligt de beslissing over het lot der menschheid. Wie het gemoed van de jeugd vergiftigt, haar onderscheidingsvermogen verduistert, haar afbrengt van den weg naar verdraagzaamheid en vrede, haar vrijen groei naar eigen gewonnen denkbeeld^.1 beïnvloedt en belemmert — is een lafaard. • Hier is een zware, maar schoone en loonende taak te verrichten. Velen, gelukkig, hebben dat reeds begrepen; hun blik is verder gegaan dan de nauwe grenzen die verblinding stelt. Het spreekt wel vanzelf dat de eersten, die hun waarschuwende stem verhieven, vooral wanneer zij tot de oorlogvoerende partijen behoorden, . met een schouderophalen en zelfs met hoon beantwoord werden. Het is niet gemakkelijk, tegen den stroom op te roeien. Maar de beweging won aan kracht, en het was merkwaardig, en toch zoo begrijpelijk, dat zij in de eerste plaats van paedagogen uitging. In de oorlogvoerende landen kon zij uit den aard der zaak zich zoo vrij niet ontplooien; wat natuurlijker dus dan dat een neutraal land haar overnam ? Wederom was het dus aan Nederland een grootsche plicht te vervullen, den vrede te helpen voorbereiden. Want verstaat dit wel, gij die na den oorlog uw land en uw geest met een Chineeschen muur zoudt willen omringen: als het vrede is, moeten wij weer aan den arbeid; we moeten vooral aan ons zelf arbeiden, ons zelf ontvankelijker maken voor de grootsche gedachte van het geestelijk internationalisme, opdat de mogelijkheid van een nieuwen oorlog op dat sterke pantser afstuit. En daartoe zullen wij elkander zeer noodig hebben. De oorlog aan den oorlog moet opnieuw verklaard worden. Een krachtige groep mannen en vrouwen heeft dat werk reeds aangepakt: den haat uit te roeien, de volkeren nader tot elkaar te brengen. Mannen en vi ouwen — maar vooral de vrouwen, de moeders, de opvoedsters, die het volgend geslacht sterker en edeler zullen maken, nader zullen brengen tot waarheid en rechtvaardigheid, opdat de wereld ontwake uit haar bangen droom van haat tot een nieuwen morgenstond van liefde. Op Nederlandschen grond, waar zoo dikwijls reeds is gespot met ,,idealisten” en „droomers”, en waar, de nuchterheid zijner bewoners ten spijt, toch reeds zooveel droomen en idealen tot werkelijkheid zijn geworden, zijn vrouwen van velerlei nationaliteit bijeen gekomen, om met al de geweldige kracht hunner zachtheid den oorlog te overwinnen. Met de onverbiddelijkheid hunner liefde zullen zij allereerst den haat aantasten. Aan u, vrouwen van alle landen, deze grootsche taak: uw medestandsters op te roepen tot dezen nieuwen strijd tegen wat dom is en laf, opdat uw naam gezegend worde door alle moeders der aarde!
PDF
Nummer
1915, nr.36, 3 mei. 1915
Blad
11
Tekst
283 PANORAMA HET INTERNATIONAAL VROUWENCONGRES TE ’s-GRAVENHAGE DE EERSTE ALGEMEENE CONGRES -VERGADERING IN DEN DIERENTUIN. In het midden een der meest bekende vrouwen in de Vereenigde Staten, Miss Jane Addams uit Chicago, die als Presidente van dit Congres heeft gefungeerd. BERTHA VON SUTTNER, de onlangs overleden strijdster voor den vrede, wier naam gedurende de congresdagen op zoo veler lippen is geweest. Mr. & Mrs. Pathick Lawrence, die zich steeds buitengewoon voor de Vrouwen-Beweging en Vredes-Beweging interesseerden. Mr. Lawrence is de zoon van een vroegeren Lord-Mayor van Londen, advocaat en lid van den Londenschen County Gouncil (Gemeenteraad). Het congres-presidium; van links naar rechts: Florence Holbrook, Chicago; Dr. Mia Boissevain, Holland; Miss Thora Daugaard, Denemarken; Mrs. Fanny Fern Andrews, U.S.A.; Miss Jane Addams, Presidente, U.S.A.; Rosa Manus, Secretaresse, Holland; Dr. Aletta Jacobs, Holland; Miss Chrystal Macmillan, Gt. Britain; Miss Kathleen Courtney, Gt. Britain; Miss Emma Hansson, Zweden; Miss Anna Kleman, Zweden; Frau Rosika Schwimmer. Hongarije (in het Spreekgestoelte).
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1551 tot 1555 van 11897