|
PANORAMA 274
INFANTERIE-KEUKENWAGEN.
VELDKEUKENS ï
................ ............ü8
en behoorlijke verpleging van de troepen te
velde was en is nog steeds een der moeilijkste
problemen, die zich bij de oorlogvoering
voordoen. „Door de maag naar het
hart” geldt zeker voor den soldaat en vooral
voor den Nederlandschen militair, die allesbehalve
sober is en in dit opzicht nog al eischen heeft.
Het is hem niet gauw naar den zin. Moppert hij in het
algemeen spoedig^ wat de voeding betreft geldt dit in
hooge mate. Daarbij laat hij door slechte elementen zeer
snel invloed op zich uitoefenen, zoodat, waar officieren
het eten goedkeuren, het kan voorkomen, dat mindere
militairen daarover klachten uitbrengen. Plezierig is dit
niet, maar eenmaal dat feit vastgesteld, dienen de troepencommandanten
en de intendance er voor te waken, wil
er een goede geest in den troep blijven, dat het eten
overvloedig en goed is. Daar dit zich weer niet verdraagt
met den koopmansgeest, die den Hollander van nature
eigen is, zien wij, dat het verplegingsvraagstuk ook heden
ten dage nog zeer lastig is.
Er is een tijd geweest, dat de operaties zelfs geheel door
de eischen der verpleging werden beheerscht. Die tijd is
gelukkig voorbij. Onder Lodewijk XIV bestond de z.g.
magazijnsverpleging. Telkens als de legers eenige dagmarschen
vooruitgerukt waren, werden ten behoeve der verpleging,
groote magazijnen opgericht, waaruit de troepen
konden putten. Dit stond natuurlijk in nauw verband
met de toentertijde gebrekkige verkeersmiddelen, maar
daardoor waren de operaties ook geheel aan het verplegingsvraagstuk
ondergeschikt. De revolutie heeft met
dit systeem grondig gebroken en Napoleon grondvestte
de geheele voeding van den soldaat op moderne basis.
Daar het Frankrijk der omwentelingslegers geen geld
genoeg had tot het bouwen van dure depots, werd het
parool, te leven van de landstreek waar men zich bevond.
In plaats van het magazijnsstelsel, trad het requisitiesysteem
in werking, zooals dat thans nog bestaat. Onwillekeurig
denken wij hier aan de talrijke opvorderingen,
die de Duitschers in België gedaan hebben. Napoleon had
dit systeem natuurlijk noodig bij de verrassende snelheid,
waarmee hij met zijn legers optrad en waarbij hij zich
natuurlijk niet door magazijnen kon laten binden.
Sindsdien is dit stelsel behouden en verbeterd en geldt
dus als beginsel, dat de troep te velde zich in de eerste
plaats voedt met wat ze ter plaatse vindt. Eerst wanneer
de landstreek, waar geopereerd wordt, den troep in den
steek laat, heeft aanvulling van achteren plaats.
Elk tactisch onderdeel beschikt over een z.g. trein, die
verdeeld wordt in de gevechts- en bagagetrein. Eerstgenoemde,
waartoe ook de veldkeukens behooren, volgt
den troep zelfs op het gevechtsveld, laatstgenoemde blijft
meer buiten de eigenlijke gevechtssfeer. In dien bagagetrein
nu zitten verschillende voorraden, waaruit de troep in
geval van nood kan putten. Wordt er iets uit den bagagetrein
verbruikt, dan moet dit onmiddellijk worden aangevuld,
opdat, wanneer de troep werkelijk zoo geïsoleerd
is, dat ze niets kan koopen of aangevuld kan krijgen, ze geen
honger behoeft te lijden. Te dien einde bezit de man zelf ook
nog het z.g. noodrantsoen, dat hij alleen mag opeten in
uitersten nood. De troepencommandant gelast, wanneer dit
noodrantsoen aangesproken mag worden. Het bestaat uit
een soort scheepsbeschuit en verduurzaamd vleesch.
Verder heeft een daarvoor in aanmerking komend tactisch
onderdeel een z.g. verplegingsofficier, die, staande
onder den commandant van dat onderdeel, speciaal voor
de voeding van den troep zorgt. Zoo spoedig als hij weet,
waar de troep gelegerd wordt, snelt hij dezen vooruit,
opdat hij tijdig door aankoop of requisitie in het benoodigde
kan voorzien. Een zeer verantwoordelijke betrekking
dus, die veel tact en handigheid eischt en waaraan, naast
het kokspersoneel, de troep het voor een groot gedeelte
te danken heeft, hoe ze gevoed wordt.
Maar al heeft dus de verplegingsofficier de benoodigde
levensmiddelen aangeschaft, daarmee zijn ze nog niet
bereid. Ook dit bereiden is weder een lange lijdensperiode
geweest, voor de troep onmiddellijk na marsch of gevecht
een warmen maaitijd kon nuttigen.
Gaan wij die lijdensperiode in ons eigen land na, dan
waren en zijn de groote manoeuvres feitelijk de eenige
gelegenheid, waarbij belangrijke troepenmassa’s te velde
worden gevoed. De exceptioneele mobilisatietoestand van
AUTO- KEU KENWAGEN.
tegenwoordig kunnen wij eigenlijk niet meerekenen. Eenige
jaren terug werd bij de groote manoeuvres de voeding
zoodanig geregeld, dat hiervoor de inwoners zorgden. Het
was het z.g. inkwartieren met voeding dat toen regel
was. De Generale Staf had van te voren een treffen
tusschen twee partijen zoodanig uitgezocht, dat men
precies wist, waar de troepen na afloop van een gevecht
gelegerd en gevoed zouden worden. Dit nu was gekunsteld.
Het bond de partij-commandanten veel te veel.
Deze werden in een bepaalde richting gedreven en eigenlijk
waren dus ook hier weder de operaties van de verpleging
afhankelijk.
In het buitenland, vooral in Rusland, waren de veldkeukens
in staat van wording. Wij hadden nog niets van
dien aard. Ons land heeft toen eerst proeven genomen
ARTILLERIE-KEUKENWAGEN.
met de z.g. hooikistwagens. Eten, dat den vorigen dag
gekookt was, werd in den hooikistwagen warm gehouden
en na afloop van het gevecht of den marsch aan
de troepen uitgereikt. Op die wijze heeft men de nieuwe
aera op het gebied der verpleging bij ons ingewijd. Het
voldeed echter allerminst. De troep, die doodmoe in haar
legeringsgebied aankwam, moest nog een veldkeuken
graven, aardappelen schillen enz. waarna het kokspersoneel
kon gaan koken. Dat moest de ketels schoonmaken, deze
met nieuwe spijs vullen en daarna in den wagen zetten.
Aangezien dit schoonmaken niet altijd even zorgvuldig
gebeurde, verzuurde dit eten soms en was den volgenden
dag ongenietbaar.
Gebleken was er evenwel, dat een dergelijke wijze van
verpleging, onafhankelijk van de inwoners, de troepenleiding
veel meer vrijheid liet en dat dus de oorlogstoestand
beter nagebootst werd.
Ons legerbestuur had echter ingezien, dat in de veldkeukens,
de keukenwagens, de eigenlijke oplossing gezocht
moest worden. In die keukenwagens wordt het eten tijdens
den marsch bereid en in de rust krijgen de manschappen
dus een warmen, voedzamen maaltijd, zonder dat ze nog
een keuken behoeven te graven of bang behoeven te zijn,
dat het eten verzuurd is. Rusland was op dit gebied al
zeer ver en dit blijkt ook uit dezen oorlog. Want de
Duitschers zijn zeer blij, wanneer ze Russische veldkeukens
kunnen inpikken, daar deze zoo goed ingericht zijn. Ook
de overige groote mogendheden hebben ze in grooten
getale.
Bij ons is een artillerie-officier van de Constructiewerkplaatsen
te Delft, de 1ste Luitenant Van der Werff,
naar Boeda-Pest geweest, om het vraagstuk daar ter
plaatse te bestudeeren. Wij maken ze thans zelf en de
afbeeldingen toonen aan, dat zij er mogen zijn. De infanterie
en artillerie hebben keukenwagens, die een weinig
verschillen. Zoo wordt die voor de infanterie van den bok
gereden en die voor de artillerie is met twee paarden
bespannen en wordt uit het zadel gereden. Aanvankelijk
zou de cavalerie de auto-keukenwagen krijgen, maar
waarschijnlijk wordt die oplossing toch nog in andere
richting gezocht.
In die keukenwagens bevindt zich alles, wat men in
een keuken behoort aan te treffen (Zie afbeeldingen).
Tijdens' den marsch wordt een vuurtje gestookt en bereidt
het kokspersoneel het eten. Daar de keukenwagens
den troep ook desnoods op het gevechtsveld moeten volgen,
kan den manschappen dus ook hier een warmen, voedzamen
maaltijd uitgereikt worden.
Tenslotte is men geheel onafhankelijk van de bewoners.
De veldkeukens hebben dus wel een nieuwe aera ingeleid.
ARTILLERIE-KEUKENWAGEN.
INFANTERIE-KEUKENWAGEN.
|