Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1531 tot 1535 van 11897
Nummer
1915, nr.33, 22 april. 1915
Blad
03
Tekst
259 PANORAMA BETOOGINGEN VOOR DEN OORLOG IN ITALIË Geregeld hebben er in Italië betoogingen plaats ten gunste van het deelnemen aan den oorlog. Zoo o.a. de vorige week Zondag te Rome. Het kwam tot een botsing tusschen burgers en de militaire autoriteiten. Gelukkig bedaarde de oproerige stemming eenigszins toen de militairen de straten afzetten en de samenscholingen uiteen werden gejaagd. Natuurlijk hadden er verschillende arrestaties plaats, waaronder van op politiek gebied vooraanstaande personen. Op bovenstaande foto ziet men hoe de straten door een cordon van politieagenten werden afgezet. Automobielen enz. moesten op bevel van de politie stilhouden en werden benut om de gearresteerden te vervoeren, teneinde zoo spoedig mogelijk buiten het bereik der menigte te zijn. Generaal Garibaldi, die zich tusschen de menigte bewoog, werd overal met gejuich begroet. — Oorlog moest er komen beweerde hij, anders was een revolutie onvermijdelijk. Niet alle arrestaties gingen even gemakkelijk. Soms was het verzet hevig, begonnen de burgers den arrestant te, helpen en leek een oproer ophanden ~ Studenten trokken door de straten met vlaggen waarop opschriften als: „Weg met Oostenrijk”, „Leve de oorlog” enz.
PDF
Nummer
1915, nr.33, 22 april. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 260 OORLOGSFOTO'S VAN VERSCHILLENDE FRONTEN Gen. Hubert (links op de foto), de chef v. d. Oostenr. staf van Przemysl, in gesprek met een Russisch officier. DE RUSSISCHE BEZETTING VAN PRZEMYSL. Een inwoonster van Przemysl komt aan de Russische soldaten onderstand vragen. Rechts op de foto ziet men enkele van de Oostenrijksche officieren, die, hoewel krijgsgevangen, nog in de stad vertoeven. Oostenrijksche officieren (rechts op de foto), sfaan te kijken naar ’t aanplakken van ’n Russische kennisgeving. Oorlogs-Kroniek. 28 Febr. De toestand op het Westelijke front is onveranderd. De acties bepalen zich in hoofdzaak tot artillerie-duels. — Van ’t Oostelijke front wordt gemeld dat de Russen ten Noord-Westen van Grodno, ten Westen van Lomza en ten Zuiden van Przasnysz nieuwe troepenmachten hebben geconcen treerd en tot den aanval overgingen. 1 Mrt. In Champagne gaan de Franschen tot het offensief over. — Aan het Oostelijke front drijven de Russen de Duitschers bij Przasnysz terug. In den Kaukasus hebben de Russen de Rivier Khapatchai bereikt. In het Dnjestr-gebied winnen de Russen terrein. 2 Mrt. Aan het Westelijke front is de toestand ondanks hevige aanvallen van beide partijen, onveranderd. De actie bepaalt zich in hoofdzaak tot een levend’g artillerie-duel. Reims wordt opnieuw gebombardeerd. — De Russen gaan aan de Njemen tot het offensief over. In de Karpathen treden de Oostenrijkers aanvallend op en bepalen de Russen zich tot een defensieve houding. — De vloot der Geallieerden zet het bombardement der Dardanellen voort. 3 Mrt. De Franschen behalen eenig succes in Champagne. — De Russen ageeren bij de Bobr en Naref, — De Dardanellenforten worden opnieuw gebombardeerd; generaal d’Amade is belast met het bevel over de landingstroepen. De Engelsche oorlogsschepen ,,Ocean”, „Triumph” en „Albion”, benevens de Russische kruiser „Askold” varen de Dardanellen binnen; een paar forten worden tot zwijgen gebracht. 4 Mrt. Bij Atrecht ontwikkelde zich een hevige strijd, die nog voortduurt. Een Fransch aviateur bombardeert Donaueschingen; op Rottweil worden eveneens bommen geworpen. — De Russen zetten DE ACTIE TEGEN DE DARDANELLEN. De landingstroepen der Geallieerden worden aan land gezet. Op den achtergrond ziet men de oorlogsbodems. DUITSCHE VERSTERKINGEN NAAR HET RUSSISCHE FRONT. Duitsche huzaren met hun paarden staan aan het station te Hasselt (België) gereed, naar het Russische front getransporteerd te worden. het offensief bij Przasnysz voort. — Tien pantserschepen der Geallieerden bombardeeren de Dardanellen. 5 Mrt. In Champagne zetten de Franschen hun offensief voort. Bij Hartmannsweilerkopf maken de Geallieerden eenige vorderingen. Reims wordt opnieuw beschoten. Een Zeppelin verongelukt bij Thienen. — De Russen doen een aanval in de buurt van Lomza, die afgeslagen wordt. Aan het front tusschen de Njemen en de Weichsel duren, evenals in de Karpathen, de gevechten voort. De Russen heroveren Stanislau. In den Kaukasus vinden slechts voorpostengevechten plaats. — De Duitsche onderzeeër „U 8” wordt bij Dover door Engelsche torpedojagers tot zinken gebracht. 6 Mrt. De Duitschers ontnemen den Engelschen een loopgraaf bij Yperen. De Franschen zetten hun aanvallen bij Perthes en Lemesnil voort. — Aan den linkeroever van de Njemen worden de Duitschers teruggeworpen. Het garnizoen van Przemysl doet herhaalde malen uitvallen. 7 Mrt. De Franschen winnen terrein ten Noorden van Atrecht, bij Perthes en in de Vogeezen. Fransche vliegers vertoonen zich boven Vlaanderen. — De Russen vallen bij Mlawa aan. — Het bombardement der Dardanellen wordt hervat. 8 Mrt. Op het Westelijke front is de toestand onveranderd. — De aanvallen der Russen bij Augustof werden door de Duitschers afgeslagen. De Oostenrijkers worden bij Suwalki teruggeslagen. — Het bombardement tegen de Dardanellenforten en Smyrna duurt' voort. — De Engelsche stoomboot „Berglove” wordt getorpilleerd. 9 Mrt. Te Antwerpen heeft een ontploffing plaats in een arsenaal. Te Brussel worden verschillende belastingambtenaren gearresteerd. — Op ’t Westelijke front is de toestand ondanks hardnekkige aanvallen van beide partijen, onveranderd. DE BRUGGEN ZIJN VERNIELD. Een Duitsche wielrijdersafdeeling wordt door middel van een roeiboot overgezet. ELKE MUUR BIEDT DEKKING. Verwoeste huizen worden tot miniatuurfortjes ingericht.
PDF
Nummer
1915, nr.33, 22 april. 1915
Blad
05
Tekst
261 PANORAMA NATIONAAL BILJARTCONCOURS. In het „Hof van Berlijn” heeft de vorige week een nationaal biljartconcours plaats gehad. Onze foto is genomen gedurende de slotpartij tusschen de heeren Wesseling en Greven. DE SCHRIJVER F. SMIT KLEINE GEHULDIGD. Feestmaaltijd ter gelegenheid van den 70en verjaardag van den bekenden dichter en schrijver F. Smit Kleine. De jubilaris werd aan den maaltijd o.a. toegesproken door prof. Kouwer, prof. Treub, mevr. Guarnierie. enz. Louis Bouwmeester als Simon Lusskin. Te ’s-Gravenhage is de vorige week door de Van links n. rechts: Mevr. Emma Morel. Jan C. de Vos Jr., Mevr. de Vos-Poolman, Louis Bouwmeester. Emma Morel als Rebecca. Kon. Ver. „Het Nederl. Tooneel” de première gegeven van „Simon Lusskin”, in welk stuk Louis Bouwmeester de hoofdrol vervult. In den loop van deze week zal het stuk te Amsterdam worden opgevoerd. (foto’s Couvêe) MOTORWIEL.RU DEN. De Nederlandsche Motorwielrijders-Vereeniging heeft te Wageningen een réunie gehouden, met daaraan verbonden tentoonstelling van verschillende motorrijwielen. ,,MEER LICHT”. De fotografen-vereeniging „Meer Licht” te Nijmegen vierde de vorige week haar 20-jarig bestaan in het gebouw „De Vereeniging”. De heeren van Besten en van Son hielden een voordracht over Lumière-opnamen. Groep v. d. Sportcomm. met prijswinners. In 't midden majoor ter Beek. PECH! Een groep der deelnemers aan den wedloop. DE VELDLOOP TE DEVENTER OP ZATERDAG 17 APRIL.. Onder begunstiging van uitnemend lenteweer en ten aanschouwe van duizenden militairen, zoowel als burgers, had deze veldloop Zaterdag LI. plaats. Een uitstekende voorbereiding heeft gemaakt, dat hij een groot succes is geworden. Het gold voornamelijk een demonstratie; in verband hiermede was de deelname opengesteld voor burgers, zoowel als militairen. Onder de eersten bevonden zich o.m. Grijseels, Van Tongeren, Van Riel, enz. Precies kwart voor drie klonk het startschot en 110 deelnemers vertrokken. Het parcours was ruim 4,5 K. M. lang en voorzien van hindernissen van den meest uiteenloopenden aard, als hellingen, slooten, heggen, hekken, enz. Vermelding verdient de kranige prestatie der manschappen der beide Landweercompagniën. Alle volbrachten het parcours en kwamen ondanks dat zij terwille van de uniformiteit in militair costuum waren, frisen aan. Twee landweermannen wisten zich resp. als No. 6 en 7 te plaatsen. Onder enorme belangstelling heeft daarna met een kernachtigen speech de majoor Ter Beek. garnizoenscommandant te Deventer, aan de winnaars de prijzen uitgereikt, daarbij in ’t licht stellende de groote waarde van de sportbeoefening voor onze gemobiliseerde mannen.
PDF
Nummer
1915, nr.33, 22 april. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 262 DE WRAAK EENER ------- VROUW------- HET BOEK DER ----- BOEKEN------ wraak is een gerecht, dat koud genomen moet worc W den. Het duivelsche, maar zoete genoegen van een zJ bevredigden wraaklust ge- • n-et gjjeeH de m©nsch, die jaren achtereen zijn haat heeft weten te verbergen achter een onverschillig glimlachend uiterlijk en dan het juiste oogenblik uitkiest, om als een tijger zijn vijand te vernietigen.” Het bovenstaande stond in een dagboek, echter niet in dat van een boosaardigen man, maar in het dagboek van een zachtzinnige vrouw, die tranen stortte als zij in den schouwburg een treurspel bijwoonde. Tien jaren waren voorbijgegaan, sedert ik in dat dagboek de bovenstaande regelen las en eerst toen, terwijl ik dit reeds lang vergeten was, is het ontzettende gebeurd. In het dagboek was het voorwerp harer wraakzucht met name genoemd. Zij heette Emma en was de vrouw van een officier. Voor het ondoordachte woord, waarmee zij haar vriendin Emilie in het minst niet had willen beleedigen, zou zij vreeselijk moeten boeten. Het treurig lot kwam plotseling. Op zekeren avond ontving ik een brief van den volgenden inhoud: Geachte vriend ! Waarschijnlijk is u nog niet bekend dat ik zoo gelukkig geweest ben aan een lang gekoesterden wensch van mijn vrouw gevolg te kunnen geven. Ik heb, moet je weten, de villa Boschzicht gekocht. Den volgenden -Zondag hopen we haar feestelijk in te wijden. Hiertoe hebben we al onze vrienden en kennissen uitgenoodigd. Het zal ons een genoegen zijn als ook gij ons feest met uw tegenwoordigheid wilt opluisteren. Ook de heer T. zal er zijn met zijn vrouw, van wie gij, zooals mijn vrouw zegt, nog een oude aanbidder zijt. Wij verwachten u bepaald ! De hartelijke groeten van uw vriend, KAREL. Op den bepaalden dag was ik present en trachtte met opmerkzaamheid op het gelaat mijner gastvrouw te lezen. Tevergeefs echter. Wel was zij een weinig bleek, maar niets verried haar innerlijke aandoeningen. Met bijzondere lieftalligheid vervulde zij haar plichten als gastvrouw, terwijl haar gelaat van vreugde schitterde en een glimlach voortdurend om haar mond speelde. Ook het gezelschap dat in de rijk gemeubelde salons van de prachtige villa bijeen was, verkeerde in de alleraangenaamste stemming. Op het oogenblik dat de gastheer de genoodigden verzoeken wilde aan tafel te gaan, kwam zijn vrouw hem vragen hiermede nog te wachten, omdat haar vriendin Emma en haar echtgenoot nog niet waren aangekomen. „Mijn lieve vriendin,” zei de gastvrouw, „liet zich verontschuldigen dat zij wat later zou komen, daar zij zich een weinig onwel gevoelde. Emma was altijd mijn beste vriendin op het pensionaat. Later trouwde zij met kapitein T. Zij heeft echter niet veel geluk in haar huwelijk gehad. Haar man heeft haar geheele vermogen door speculatie verloren.” Mijnheer T. en zijn echtgenoote werden aangediend en traden dadelijk daarop de zaal binnen. Hij, een dikke man met gebruind gelaat; zij een tengere dame, smaakvol, doch uiterst eenvoudig gekleed, met een lijdend uiterlijk, en een bleek gelaat, waarop de laatste sporen van vroegere schoonheid nog niet geheel verdwenen waren. Ik, die haar in den vollen bloei harer jeugd gekend had, zag tot mijn schrik, dat zij nog slechts een schaduw was van het schoone meisje van vroeger, een ruïne. Arme vrouw 1 De gastvrouw was haar te gemoet gesneld en omhelsde haar allerhartelijkst. Zij behandelde haar oude vriendin met zeer veel onderscheiding en stelde haar aan de verschillende gasten voor. Iemand van hooge afkomst had niet met meer eer ontvangen kunnen worden. De arme Emma beantwoordde eenigszins schuw de nederbuigende vriendelijkheid harer gastvrouw en werd beurtelings rood en bleek EUG. GOMPERTS. t B. IETSWAARD. Op 53-jarigen leeftijd is de vorige week plotseling te Roermond overleden de heer EuGÈNE GOMPERTS. Vice président van de Rechtbank aldaar. — De heer B. IETSWAARD, thans brigadier-majoor. chef van het Posthuis aan de Mauritskade te Amsterdam, herdacht den 16en April den dag, waarop hij voor 25 jaar bij de Amsterdamsche politie in dienst trad. IN HET VADERLAND TERUG. De bekende humorist Luciën, dien wij op bovenstaande foto met zijn echtgenoote op een wandelritje in Padang (Sumatra) zien, is van zijn succesvolle tournee door Java, Madoera en een gedeelte van Sumatra, weer in Holland teruggekeerd. J. H. FLORISSEN. W. F. SLIEKER. Den llen April vierde de heer J. H. FLORISSEN, adj. ond. offic. admin. van de mil. verplegingsinr. zijn 50-jarig jubileum van getrouwe dienstvervulling. — Den len Mei a.s. hoopt de heer W. F. SLIEKER, gep. adj. ond. off., den dag te herdenken waarop hij voor 25 jaar in dienst trad als gep. schrijver bij de hoofdadm. v. h. 4e. Reg. Inf. thans IVe Inf. brig. te Leiden. STANDBEELD VOOR Prof. J. H. VAN ’T HOFF, TE ROTTERDAM. Zaterdag l.l. is te Rotterdam het standbeeld onthuld van prof. Jacobus Henricus van ’t Hoff. De burgemeester van Rotterdam. mr. A. R. Zimmerman, dien wij op bovenstaande foto aan het woord zien, zei o.a.: „Zoo is dan thans aan ons oog onthuld het beeld van Jacobus van t Hoff, dat gedurende lange jaren en tot verre geslachten getuige moge van zijn grootheid en van de vereering, voor hem gekoesterd door zijn vrienden, zijn leerlingen, zijn vakgenooten en door de burgers der stad, waar hij geboren werd. Van ’t Hoff behoort voor alle tijden tot de groote leiders op het wijde veld der doorvorsching van de natuur, van hare schatten en van hare krachten. Aan dien rijkdom heeft de menschheid al wat zij in stoffelijken zin behoeft, te ontleenen." van aandoening of verlegenheid, vooral toen haar de eereplaats aan tafel aangewezen werd. Emilie was voortdurend een en al beminnelijkheid voor de vriendin harer jeugd en maakte haar steeds tot het middelpunt van het gesprek. Zij sprak bij voorkeur over haar beider jeugd en deelde het gezelschap mede welk een weelderig huis haar vriendin vroeger bewoond had. vertelde DE OPSTOOTJES TE UTRECHT. Generaal Vetter (in politiek) door den minister van Oorlog belast met het onderzoek naar de opstootjes te Utrecht, bezoekt de legerplaats bij Millingen. van de schitterende feesten daar gegeven en van de harten die Emma door haar schoonheid veroverd had. Kortom de arme vrouw was voortdurend het onderwerp van het gesprek en moest van Emilie telkenmale de vraag hooren : „Herinner je je dat nog, lieve?” Deze geraffineerde foltering duurde zoo voort eenige uren en toen Emma eindelijk vermoeid opstond en onder het voorgeven van onwel zijn, een der eersten was die afscheid nam, kwam er geen einde aan de betuigingen van vriendelijkheid en deelneming, waarmede haar gastvrouw haar overlaadde. Toen ik kort daarop nog eens de gelegenheid had het bewuste dagboek in te zien, las ik onder den datum van dien feestavond : „Eindelijk, eindelijk heb ik mij gewroken. Zij is getuige geweest van de weelde die mij omringt. Zij heeft mijn villa, mijn equipage gezien. 'Ik heb haar verteld dat ik een loge heb in den schouwburg. O hoe goed deed het mij haar afgunst te zien en de ergernis, waarmee zij alles beschouwde! Dat is je verdiend loon, onbeschaamd wezen! Waarom heb je mij ook verweten dat mijn man winkelier geweest was.” |g^^^^^|ijftien jaar geleden werd ' * mij door het bestuur der Koninklijke Bibliotheek ’n werk opgedragen over bijbelvertalingen. Naar aanleiding van deze opdracht liep ik alle tweedehands-boekhandelaren af op zoek naar oude bijbels en gelukte het mij ook een italiaansch bijbeltje te vinden, dat een drietal eeuwen oud was. Het was een boekje in zakformaat in een letter zóó klein, dat het mij alleen met behulp van een sterk vergrootglas mogelijk was het diamantschrift te ontcijferen. Thuisgekomen begon ik dadelijk aan de ontcijfering van mijn pasverworven schat. Ik studeerde verscheidene uren, tot ik door een onaangenaam gevoel in het hoofd genoodzaakt werd hiermede te eindigen. Het was een aanval van duizeligheid, waarschijnlijk een gevolg, dacht ik, van mijn ingespannen pogingen om het kleine schrift te ontcijferen. Hiermee waren evenwel niet overeen te brengen een benauwend misselijk gevoel in mijn keel en een droge vreemde smaak in den mond. „Ik zal wat versche lucht moeten happen,” dacht ik, stond op en wandelde den tuin in. Hiervan knapte ik zoo op, dat ik na een half uur weer vol ijver aan den arbeid toog en tot het tweede ontbijt doorwerkte. Toen ik evenwel aan tafel zat, was het mij onmogelijk om iets te gebruiken. Bij het eerste stukje brood, dat ik in den mond stak, kwam de aanval van misselijkheid met verdubbelde woede terug. Aangezien ik aan de lever sukkelde meende ik mijn ongesteldheid hieraan te moeten toeschrijven. Ik besloot dus mijns dokters advies eens in te winnen. „Zoo, mijnheer Korthoff, wat scheelt er aan?” vroeg de geneesheer. „Toen ik u gisteren ontmoette, zei u me, dat u zich in den besten welstand bevond.” „En bekijk me nu eens, dokter,” was mijn mistroostig antwoord, „dan zult u toestemmen dat er van dien besten welstand weinig meer te bespeuren is.” „Hm ! Je ziet er slecht uit,” merkte de dokter op, terwijl hij mij beschouwde. „Laat me je tong eens zien ?” Ik deed wat hij verlangde, en na dit lichaamsdeel eenigen tijd aandachtig bekeken te hebben, deed hij mij tal van vragen zooals dat bij een doktersbezoek gebruikelijk is : of ik geregeld at ? Hoeveel sigaren ik per dag rookte ? Hoe laat ik naar bed ging? Hoe lang ik studeerde? Op al die vragen gaf ik bevredigende antwoorden, waaruit bleek dat ik niets gedaan had, wat mijn ongesteldheid kon ten gevolge hebben. Mijn arts scheen aanvankelijk wat verbaasd, het was hem blijkbaar niet mogelijk een juiste diagnose te maken, daarom zocht hij de oorzaak daar, waar ze zoo vaak gevonden wordt: in de temperatuurswisseling. „Waarschijnlijk heeft de weersverandering een nadeeligen invloed op je gehad,” merkte hij op. „Je hartslag is erg zwak. Ik zal je iets voorschrijven. Je moet dit driemaal daags innemen. Neem bovendien wat lichaamsbeweging en eet matig. Enne.... als je morgen geen beterschap bespeurt, laat me dan dadelijk roepen. Het zal misschien noodigzijn, dat ik je thuis eens nauwkeurig onderzoek.” Ik ging naar huis, dineerde, rookte mijn sigaartje en nam dien avond alvorens te gaan slapen mijn medicijn in. Den volgenden morgen voelde ik mij weer zoo goed als ik maar wenschen kon; nauwelijks had ik mij evenwel aan mijn werk begeven of hetzelfde benauwende, misselijke gevoel overviel mij. „Ik moet mij er zooveel mogelijk tegen verzetten,” zei ik tot mijzelf. „Ziekte is voor driekwart verbeelding.” Op dit oogenblik trad de dienstbode binnen met een brief van den directeur der Koninklijke Bibliotheek, waarin hij mij vroeg of ik hem al een gedeelte van mijn manuscript zenden kon. Ik besloot dus dien dag eens flink voort te werken en deelde de dienstbode mee dat mijn ontbijt op mijn kamer moest worden gebracht, omdat ik zoo min mogelijk tijd verliezen
PDF
Nummer
1915, nr.33, 22 april. 1915
Blad
07
Tekst
263 PANORAMA Een hoekje van het kamp aan het Uddelermeer. Een kampeertochtje per boot naar Nichtevecht. Op elk rijwiel is een complete tent met keukenuitrusting. dekens en levensmiddelen. KAMPEEKEN ^et vooriaar zÜn intrede doet, vonden wij het wel aardig een paar typische snapshots van de in Nederland al meer en meer bekend wordende kampeersport te geven. _________________ 1 De in Mei 1912 opgerichte Nederlandsche Touristen Kampeer Club (N. T. K. C). stelt voor hare leden tegen billijken prijs uitermate lichte tenten en verdere uitrusting beschikbaar, welke gemakkelijk op de fiets, desnoods op den rug medegenomen kan worden. Geen Zaterdag gaat voorbij of eenige kampeerders gaan er te voet, per fiets, boot of motor op uit, om den Zaterdagavond en Zondag in de vrije natuur te gaan doorbrengen, ver van alle beslommeringen der steden. Is de zomer eenmaal aangebroken dan worden de tochten verder uitgestrekt, vooral in de vacanties. Zij gaan dan waar het hun gerieft; hun huisje hebben zij bij zich, en kunnen dan van dag tot dag verder trekken om iederen avond op een mooi stil plekje diep in ’t bosch of op de heide hun klein linnen huisje neer te zetten, waar zij ook hun eenvoudigen pot zelf bereiden. wilde. Alle onaangename gevoel van mij afschuddende, toog ik dus aan het werk. Wat het mij aan inspanning kostte, kan ik aan niemand vertellen; de aanval van misselijkheid was soms onduldbaar; toch ging ik telkenmale weer aan den arbeid, met het gevolg dat ik eindelijk, tegen het middaguur, met een gedeelte van mijn handschrift klaar was. Ik schreef het adres, stond op om het dienstmeisje te schellen, waggelde op mijn beenen en viel zwaar op den grond neer. „Dat is de reactie na de inspanning van het werk,” dacht.ik, wilde opstaan, doch de kamer draaide in ’t rond, het suisde in mijn ooren ; toen wist ik niets meer. Toen ik weer bij kennis kwam, lag mijn vrouw naast mij geknield. „Hemel! wat zie je er akelig uit,” zei ze op bevenden toon. „Ik heb Marie naar den dokter gestuurd. Hij zal dadelijk wel hier zijn.” „Hoelang ben ik bewusteloos geweest ?” vroeg ik, een slokje cognac drinkende, dat mijn vrouw mij voorhield. „Wel, ik denk een kwartier ongeveer. Ik hoorde je vallen, en niet wetende wat er voorviel, kwamen Marie en ik naar boven stormen zoo gauw we konden.” „Ik begrijp niet wat me de laatste dagen scheelt, ’t is of ik door een ziekte ondermijnd word. Het is me soms of ik ga sterven.” „Stil, manlief, zoo mag je niet spreken. Je hebt je den laatsten tijd overwerkt. Ha, daar is de dokter 1” De dokter trad mijn studeerkamer binnen, gevolgd door de beide dienstboden. Hij knielde bij mij neer, onderzocht mijn polsslag en tong en zei toen : „Leg mijnheer op de sofa I” De dienstboden gehoorzaamden, en geholpen door mijn vrouw legden ze mij voorzichtig op de sofa. Toen dit gebeurd was, stuurde de dokter de beide meisjes weg. De dokter sloot zelf de kamer, keerde tot mij terug en zei ernstig : „Ik heb de dienstboden weggestuurd, omdat ik je iets te vertellen heb, wat geen vreemde hooren mag.” „Wat bedoelt u ?” vroeg mijn vrouw, de oogen vol angst op den geneesheer gericht. „Ik bedoel dat uw man vergiftigd is t” „Wat zeg je, vergiftigd?” vroeg ik verschrikt en ten hoogste verbaasd. „Dat is u toch geen ernst, dokter ? Hoe komt u tot deze gevolgtrekking ?” „Door een blik op uw gelaat en uw houding, toen ik de kamer binnentrad. De grauwe kleur van uw huid, de vorm van uw pupille'. de krampachtige houding van uw beenen zeiden mij dit dadelijk. U is vergiftigd.” „Maar door wat ? Door wie ?” vroeg ik radeloos. „Dat zullen we later onderzoeken. Ik zal u allereerst een braakmiddel geven en daarna zullen we trachten de oorzaak van uw aanval op te sporen.” Hij belde en beval onmiddellijk wat mosterd en warm water te brengen. „Moet ik dat afschuwelijke goed opdrinken ?” vroeg ik, toen de dokter het mengsel had klaar gemaakt. „Ja, beslist! Vooruit, giet het in eens naar binnen, daar zul je van opknappen.” Mijn dokter had gelijk. Een half uur later voelde ik mij weer veel beter ; alleen was ik nog wat zwak in de beenen. „En vertel mij nu eens. wat heb je vandaag gegeten?” „Van morgen vroeg een paar sneetjes brood met wat ham ; aan de lunch een stukje kip, wat salade en een glas Sauteme. Gedineerd heb ik nog niet.” „Had het een of ander van wat je gegeten hebt, een eigenaardigen smaak ?” „In ’t geheel niet!” „Hm ! Kun je ook vermoeden of er iemand is, die je naar ’t leven staat?” „Absoluut niet! Ik heb geen vijanden, ben niet rijk, de eenige die van mijn dood profiteert, is de begrafenisondernemer.” „Op de dienstboden heb je geen verdenking ?” „O, neen, die zijn boven alle verdenking.” „Dan is het mij een raadsel.” „Dokter,” zei ik met bevende stem, „dat is toch een afschuwelijke situatie. Te weten dat ik bijna vergiftigd ben en totaal onbekend te zijn met de oorzaak, den aard van het vergif, de beweegredenen van den dader en de ... . goede hemel ! het is om gek te worden !” „Kalm, waarde vriend ! Bedenk, dat het gevaar nog bijtijds is afgewend !” N ESTJ ES-UITH ALEN. Een onzer correspondenten zendt ons bovenstaande, hoogst eigenaardige opname van zijn poes, die hij in een afgelegen hoekje van den tuin bezig vond met het vernielen van een vogelnestje. „Maar wie waarborgt me dat het geheel geweken is? Als ik niet weet waar het schuilt, kan ik er mij toch niet voor hoeden !” „Luister!” was het kalme antwoord. „Mochten de symptomen van vergiftiging weer terugkomen, laat dan dadelijk dokter Mackenzie ontbieden. Hij is een oud studiemakker van me, en een specialist in de vergiftenleer; let goed op wat je eet en drinkt, vertel hem alles omstandig, en als ik me niet heel sterk vergis, zal hij de oorzaak van VOORJAAR. Terugkeer van een kudde schapen naar de kooi. je ziekte vinden.” Nadat ik beloofd had zijn raad op te volgen, nam de dokter afscheid met de belofte den volgenden dag nog eens aan te komen. Ik sliep dien nacht uitstekend en stond des anderen daags op. verfrischt en geheel den ouden. Verheugd ging ik weer aan den arbeid, doch nauwelijks was ik een uur bezig of hetzelfde benauwende, akelige gevoel van de vorige dagen beving mij weer. Vol angst smeet ik het kleine italiaansche bijbeltje, waarin ik zat te studeeren, op mijn schrijftafel neer en ijlde naar de telefoon om dokter Mackenzie te ontbieden. Het geluk diende dat hij thuis was en zelf aan de tefefoon kwam. Hij beloofde me onmiddellijk te komen. Een kwartier later was hij dan ook bij me. Op haastigen opgewonden toon vertelde ik hem alles wat er de laatste dagen gebeurd was. Hij luisterde aandachtig zonder mij in de reden te vallen ; toen ik hem echter terloops over mijn arbeid sprak en van het oude italiaansche bijbeltje melding maakte, glimlachte hij veelbeteekenend. „Mag ik dat bijbeltje eens even zien ?” vroeg hij. Ik verzocht hem mij naar mijn studeerkamer te volgen, waar het boekje nog opengeslagen op mijn bureau lag. zooals ik het had neergeworpen. „Hier is ’t!” zei ik. De geneesheer nam een vergrootglas uit den zak en bekeek hiermee aandachtig het boekje. Voorzichtig sloeg hij eenige bladzijden om, floot even tusschen de tanden en deed eindelijk het boekje dicht. „Het is zooals ik vermoedde,” zei hij ernstig. „Daar ligt de oorzaak van je ziekte.” „Waar? Waar?” Ik schreeuwde het bijna uit. „In dit bijbeltje!” was het antwoord. ,.Ik ïaadde het al zoodra u sprak van uw vertaling van een oud-italiaansch Testament!” Ik staarde hem ongeloovig aan. „Dokter, houd me ten goede,” bracht ik er eindelijk uit, „maar spreekt uin ernst?” „Mijn waarde heer,” antwoordde hij, „mijn tijd is te zeer bezet, om hierheen te komen om u voor den mal te houden. Dit onschuldig uitziende boekje bevat brucine, voldoende om een regiment te vergiftigen. Nog begreep ik het niet. „Ik heb wel gehoord van vergif in eten en drinken,” zei ik langzaam, „maar in boeken . .. .” „Dat komt omdat de moderne misdadiger minder geniaal is dan zijn voorganger uit de Middeleeuwen/' antwoordde dokter Mackenzie. „U kent natuurlijk de misdadige Borgia-familie, berucht vooral, omdat zij het vergiftigen hunner medemenschen tot een soort kunst hadden weten op te voeren. Ik zou mij al heel sterk vergissen als dit bijbeltje niet behoord had tot een van hun doodelijke wapenen. We zullen ons hiervan met behulp van dit vergrootglas dadelijk overtuigen.” Hij nam het sinistere boekje nogmaals in de hand en onderzocht met het vergrootglas de eerste bladzijde. „Aha ! Daar is ’t,” riep hij voldaan uit. „Kijk eens, en zeg me wat voor initialen u hier ziet!” De letters waren zoo klein, dat ze met het bloote oog nauwelijks te onderscheiden waren. Nu zag ik evenwel duidelijk een monogram, bestaande uit de letters: C. B. „Is het u nu duidelijk ?” vroeg de dokter. „Dit bijbeltje was eens het eigendom van Caesar Borgia. Het is door hem met de uiterste zorg en met zulk een werkelijk bewonderenswaardig vernuft toebereid, dat het thans na eeuwen nog weinig van zijn noodlottige kracht verloren heeft. Ik kan u de verzekering geven, dat het u zeker het leven zou hebben gekost, als het niet ter elfder ure was ontdekt.” — Er blijft weinig te vertellen over. Het gevaarlijke boekje werd dienzelfden dag aan de vlammen prijs gegeven, en voor het v,erk dat ik in opdracht had, werd mij door den buitjenlandschen boekhandel een ander meer onschuldig exemplaar verstrekt. Doch nu, ofschoon er vijftien jaren verloopen zijn, sinds deze gebeurtenis voorviel, sidder ik nog bij de gedachte hoe dicht ik toen bij de vallei des doods was.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1531 tot 1535 van 11897