|
PANORAMA 262
DE WRAAK EENER
------- VROUW-------
HET BOEK DER
----- BOEKEN------
wraak is een gerecht, dat
koud genomen moet worc
W den. Het duivelsche, maar
zoete genoegen van een
zJ bevredigden wraaklust ge-
• n-et gjjeeH de m©nsch, die
jaren achtereen zijn haat heeft weten
te verbergen achter een onverschillig
glimlachend uiterlijk en dan het juiste
oogenblik uitkiest, om als een tijger
zijn vijand te vernietigen.”
Het bovenstaande stond in een dagboek,
echter niet in dat van een boosaardigen
man, maar in het dagboek
van een zachtzinnige vrouw, die tranen
stortte als zij in den schouwburg een
treurspel bijwoonde.
Tien jaren waren voorbijgegaan, sedert
ik in dat dagboek de bovenstaande
regelen las en eerst toen, terwijl ik dit
reeds lang vergeten was, is het ontzettende
gebeurd. In het dagboek was
het voorwerp harer wraakzucht met
name genoemd. Zij heette Emma en
was de vrouw van een officier. Voor
het ondoordachte woord, waarmee zij
haar vriendin Emilie in het minst niet
had willen beleedigen, zou zij vreeselijk
moeten boeten. Het treurig lot kwam
plotseling. Op zekeren avond ontving
ik een brief van den volgenden inhoud:
Geachte vriend !
Waarschijnlijk is u nog niet bekend dat ik zoo gelukkig
geweest ben aan een lang gekoesterden wensch van mijn
vrouw gevolg te kunnen geven. Ik heb, moet je weten, de
villa Boschzicht gekocht. Den volgenden -Zondag hopen we
haar feestelijk in te wijden. Hiertoe hebben we al onze vrienden
en kennissen uitgenoodigd. Het zal ons een genoegen
zijn als ook gij ons feest met uw tegenwoordigheid wilt opluisteren.
Ook de heer T. zal er zijn met zijn vrouw, van wie
gij, zooals mijn vrouw zegt, nog een oude aanbidder zijt.
Wij verwachten u bepaald !
De hartelijke groeten van uw vriend,
KAREL.
Op den bepaalden dag was ik present en trachtte met
opmerkzaamheid op het gelaat mijner gastvrouw te lezen.
Tevergeefs echter. Wel was zij een weinig bleek, maar
niets verried haar innerlijke aandoeningen. Met bijzondere
lieftalligheid vervulde zij haar plichten als gastvrouw,
terwijl haar gelaat van vreugde schitterde en een glimlach
voortdurend om haar mond speelde. Ook het gezelschap
dat in de rijk gemeubelde salons van de prachtige villa
bijeen was, verkeerde in de alleraangenaamste stemming.
Op het oogenblik dat de gastheer de genoodigden verzoeken
wilde aan tafel te gaan, kwam zijn vrouw hem vragen
hiermede nog te wachten, omdat haar vriendin Emma en
haar echtgenoot nog niet waren aangekomen.
„Mijn lieve vriendin,” zei de gastvrouw, „liet zich verontschuldigen
dat zij wat later zou komen, daar zij zich een
weinig onwel gevoelde. Emma was altijd mijn beste vriendin
op het pensionaat. Later trouwde zij met kapitein T.
Zij heeft echter niet veel geluk in haar huwelijk gehad. Haar
man heeft haar geheele vermogen door speculatie verloren.”
Mijnheer T. en zijn echtgenoote werden aangediend en
traden dadelijk daarop de zaal binnen. Hij, een dikke man
met gebruind gelaat; zij een tengere dame, smaakvol, doch
uiterst eenvoudig gekleed, met een lijdend uiterlijk, en een
bleek gelaat, waarop de laatste sporen van vroegere schoonheid
nog niet geheel verdwenen waren. Ik, die haar in den
vollen bloei harer jeugd gekend had, zag tot mijn schrik,
dat zij nog slechts een schaduw was van het schoone meisje
van vroeger, een ruïne. Arme vrouw 1
De gastvrouw was haar te gemoet gesneld en omhelsde
haar allerhartelijkst. Zij behandelde haar oude vriendin
met zeer veel onderscheiding en stelde haar aan de verschillende
gasten voor. Iemand van hooge afkomst had niet met
meer eer ontvangen kunnen worden. De arme Emma beantwoordde
eenigszins schuw de nederbuigende vriendelijkheid
harer gastvrouw en werd beurtelings rood en bleek
EUG. GOMPERTS. t B. IETSWAARD.
Op 53-jarigen leeftijd is de vorige week plotseling te Roermond overleden
de heer EuGÈNE GOMPERTS. Vice président van de Rechtbank aldaar.
— De heer B. IETSWAARD, thans brigadier-majoor. chef van het Posthuis
aan de Mauritskade te Amsterdam, herdacht den 16en April den dag,
waarop hij voor 25 jaar bij de Amsterdamsche politie in dienst trad.
IN HET VADERLAND TERUG.
De bekende humorist Luciën, dien wij op bovenstaande foto
met zijn echtgenoote op een wandelritje in Padang (Sumatra)
zien, is van zijn succesvolle tournee door Java, Madoera en
een gedeelte van Sumatra, weer in Holland teruggekeerd.
J. H. FLORISSEN. W. F. SLIEKER.
Den llen April vierde de heer J. H. FLORISSEN, adj. ond. offic. admin.
van de mil. verplegingsinr. zijn 50-jarig jubileum van getrouwe dienstvervulling.
— Den len Mei a.s. hoopt de heer W. F. SLIEKER, gep. adj.
ond. off., den dag te herdenken waarop hij voor 25 jaar in dienst trad als
gep. schrijver bij de hoofdadm. v. h. 4e. Reg. Inf. thans IVe Inf. brig. te Leiden.
STANDBEELD VOOR Prof. J. H. VAN ’T HOFF, TE ROTTERDAM.
Zaterdag l.l. is te Rotterdam het standbeeld onthuld van prof. Jacobus Henricus van ’t Hoff. De burgemeester van Rotterdam.
mr. A. R. Zimmerman, dien wij op bovenstaande foto aan het woord zien, zei o.a.: „Zoo is dan thans aan ons oog
onthuld het beeld van Jacobus van t Hoff, dat gedurende lange jaren en tot verre geslachten getuige moge van zijn
grootheid en van de vereering, voor hem gekoesterd door zijn vrienden, zijn leerlingen, zijn vakgenooten en door de
burgers der stad, waar hij geboren werd. Van ’t Hoff behoort voor alle tijden tot de groote leiders op het wijde veld der
doorvorsching van de natuur, van hare schatten en van hare krachten. Aan dien rijkdom heeft de menschheid al wat zij
in stoffelijken zin behoeft, te ontleenen."
van aandoening of verlegenheid, vooral toen haar de eereplaats
aan tafel aangewezen werd.
Emilie was voortdurend een en al beminnelijkheid voor
de vriendin harer jeugd en maakte haar steeds tot het middelpunt
van het gesprek. Zij sprak bij voorkeur over haar
beider jeugd en deelde het gezelschap mede welk een weelderig
huis haar vriendin vroeger bewoond had. vertelde
DE OPSTOOTJES TE UTRECHT.
Generaal Vetter (in politiek) door den minister van Oorlog
belast met het onderzoek naar de opstootjes te Utrecht, bezoekt
de legerplaats bij Millingen.
van de schitterende feesten daar gegeven en van de harten
die Emma door haar schoonheid veroverd had. Kortom de
arme vrouw was voortdurend het onderwerp van het gesprek
en moest van Emilie telkenmale de vraag hooren :
„Herinner je je dat nog, lieve?” Deze geraffineerde foltering
duurde zoo voort eenige uren en toen Emma eindelijk vermoeid
opstond en onder het voorgeven van onwel zijn, een
der eersten was die afscheid nam, kwam er geen einde aan
de betuigingen van vriendelijkheid en deelneming, waarmede
haar gastvrouw haar overlaadde.
Toen ik kort daarop nog eens de gelegenheid had het
bewuste dagboek in te zien, las ik onder den datum van
dien feestavond :
„Eindelijk, eindelijk heb ik mij gewroken. Zij is getuige
geweest van de weelde die mij omringt. Zij heeft mijn villa,
mijn equipage gezien. 'Ik heb haar verteld dat ik een loge
heb in den schouwburg. O hoe goed deed het mij haar afgunst
te zien en de ergernis, waarmee zij alles beschouwde!
Dat is je verdiend loon, onbeschaamd wezen! Waarom heb je
mij ook verweten dat mijn man winkelier geweest was.”
|g^^^^^|ijftien jaar geleden werd
' * mij door het bestuur der
Koninklijke Bibliotheek
’n werk opgedragen over
bijbelvertalingen.
Naar aanleiding van deze
opdracht liep ik alle tweedehands-boekhandelaren
af op zoek naar oude bijbels
en gelukte het mij ook een italiaansch
bijbeltje te vinden, dat een drietal
eeuwen oud was. Het was een boekje
in zakformaat in een letter zóó klein,
dat het mij alleen met behulp van een
sterk vergrootglas mogelijk was het
diamantschrift te ontcijferen.
Thuisgekomen begon ik dadelijk aan
de ontcijfering van mijn pasverworven
schat. Ik studeerde verscheidene uren,
tot ik door een onaangenaam gevoel in
het hoofd genoodzaakt werd hiermede
te eindigen. Het was een aanval van
duizeligheid, waarschijnlijk een gevolg,
dacht ik, van mijn ingespannen pogingen
om het kleine schrift te ontcijferen.
Hiermee waren evenwel niet overeen te
brengen een benauwend misselijk gevoel
in mijn keel en een droge vreemde smaak
in den mond.
„Ik zal wat versche lucht moeten
happen,” dacht ik, stond op en wandelde
den tuin in. Hiervan knapte ik zoo op,
dat ik na een half uur weer vol ijver aan den arbeid toog
en tot het tweede ontbijt doorwerkte. Toen ik evenwel aan
tafel zat, was het mij onmogelijk om iets te gebruiken. Bij
het eerste stukje brood, dat ik in den mond stak, kwam
de aanval van misselijkheid met verdubbelde woede terug.
Aangezien ik aan de lever sukkelde meende ik mijn ongesteldheid
hieraan te moeten toeschrijven. Ik besloot dus
mijns dokters advies eens in te winnen.
„Zoo, mijnheer Korthoff, wat scheelt er aan?” vroeg
de geneesheer. „Toen ik u gisteren ontmoette, zei u me,
dat u zich in den besten welstand bevond.”
„En bekijk me nu eens, dokter,” was mijn mistroostig
antwoord, „dan zult u toestemmen dat er van dien besten
welstand weinig meer te bespeuren is.”
„Hm ! Je ziet er slecht uit,” merkte de dokter op, terwijl
hij mij beschouwde. „Laat me je tong eens zien ?”
Ik deed wat hij verlangde, en na dit lichaamsdeel eenigen
tijd aandachtig bekeken te hebben, deed hij mij tal van vragen
zooals dat bij een doktersbezoek gebruikelijk is : of ik
geregeld at ? Hoeveel sigaren ik per dag rookte ? Hoe laat
ik naar bed ging? Hoe lang ik studeerde? Op al die vragen
gaf ik bevredigende antwoorden, waaruit bleek dat ik niets
gedaan had, wat mijn ongesteldheid kon ten gevolge hebben.
Mijn arts scheen aanvankelijk wat verbaasd, het was hem
blijkbaar niet mogelijk een juiste diagnose te maken, daarom
zocht hij de oorzaak daar, waar ze zoo vaak gevonden
wordt: in de temperatuurswisseling.
„Waarschijnlijk heeft de weersverandering een nadeeligen
invloed op je gehad,” merkte hij op. „Je hartslag is erg zwak.
Ik zal je iets voorschrijven. Je moet dit driemaal daags
innemen. Neem bovendien wat lichaamsbeweging en eet
matig. Enne.... als je morgen geen beterschap bespeurt,
laat me dan dadelijk roepen. Het zal misschien noodigzijn,
dat ik je thuis eens nauwkeurig onderzoek.”
Ik ging naar huis, dineerde, rookte mijn sigaartje en
nam dien avond alvorens te gaan slapen mijn medicijn in.
Den volgenden morgen voelde ik mij weer zoo goed
als ik maar wenschen kon; nauwelijks had ik mij evenwel
aan mijn werk begeven of hetzelfde benauwende, misselijke
gevoel overviel mij.
„Ik moet mij er zooveel mogelijk tegen verzetten,” zei
ik tot mijzelf. „Ziekte is voor driekwart verbeelding.”
Op dit oogenblik trad de dienstbode binnen met een
brief van den directeur der Koninklijke Bibliotheek, waarin
hij mij vroeg of ik hem al een gedeelte van mijn manuscript
zenden kon.
Ik besloot dus dien dag eens flink voort te werken en deelde
de dienstbode mee dat mijn ontbijt op mijn kamer moest
worden gebracht, omdat ik zoo min mogelijk tijd verliezen
|