|
PANORAMA 2.54
EEN BRANDTS BUYS-AVOND TE ARNHEM, TEN BATE VAN DE VEREENIGING „KINDERVOEDING”.
In den Stadsschouwburg te Arnhem is onder directie van den heer M. A. Brandts Buys Jr. met groot succes o.a. een Zangspel voor kinderen opgevoerd: „Als de Kind’ren slapen”, woorden
en muziek van den leider. Wij geven hierboven enkele medespelenden, alsmede in het midden het portret van den heer Brandts Buys. (foto Jac. de Vries).
GEMEUBILEERDE
KAMER 0=9
huui aangeboden Gemeubileerde étage, bevattende:
zit-, slaap- en badkamer, serre
en keuken, voorzien van electriscb licht en
gelegen op een gezelligen stand; tien minuten
van het station. Brieven onder No. 1420, aan
den woninggids Paul Krugerstraat 243.
Pauline Brinxer (bij vrienden en kunstbroeders bekend
als „Paula de Boyer”) wierp de krart op tafel, bedekt met
het niet vlekkelooze tafellaken dat men vaak in kleine
provinciale pensions aantreft, en zei tot haar echtgenoot
die tegenover haai zat:
„Als we het slechts verhuren konden tot onze rondreis
is afgeloopen; het zou ons zoo uitstekend te pas komen,
is ’t niet, liefste?”
„Bij Jupiter, ja, schattebout, dat zou ’t,” antwoordde
„Leo de Boyer” (geboren Leonard Brinker, zoon van een
Kamerlid en van goede plattelandsche familie). „En
toch,” ging hij voort, terwijl hij zich van eenige plakjes
ham bediende, „heb ik vreeselijk het land, als ik er aan denk,
hoe zoo’n paar huurbetalende snoeshanen op orze piano
zullen spelen, in onze geborduurde sofakussens zullen liggen
en hun pijpen in mijn rek hangen.”
„Als wij verstandige jonge menschen waren geweest,
zouden we ons geld niet allemaal aan een luxueus ameublement
hebben besteed, maar het goed hebben belegd als
een appeltje voor den dorst,” antwoordde Paula met een
zucht die veel te oud voor haar jaren was.
„Maar gelukkig waren we niet zoo verstandig ; we waren
alleen —■ verliefd !” riep Leo vroolijk uit, terwijl hij van tafel
opstond en in een stoel hij den haard plaats nam.
Paula zette haar trekpotje neer.
„We waren verliefd ! ? Leo, dat is de verleden tijd en
dat na slechts acht maanden,” zei Paula, haar echtgenoot
aanziende met een zee van verwijt in haar blauwe oogen.
Als eenig antwoord strekte Leo zijn armen uit, een handeling,
die aan Paula gelegenheid gaf te toonen, waar haar
plaats was.
Ze waren nog zeer jong, die twee, zeer verliefd en beiden
vol ambitie voor hun kunstvak, dat ze op dit oogenblik
beoefenden door in provinciesteden schrikwekkende drama’s
te spelen, voor een salaris dat even treurig was als de
drama’s. Paula, reeds op achttienjarigen leeftijd dol op het
tooneel, was van school weggeloopen
en had op aanbeveling
van den broer eener schoolvriendin
en terwille van de roos-, gentiaanen
zonnestraal- tinten van wangen,
oogen en krullen een derde-plansrolletje
gekregen in een stuk
dat in Amsterdam gedurende zes
weken „gegaan” was.
In deze zes weken had Leonard
Brinker, eigenaar van een leege
portemonnaie, een rijken ongetrouwden
oom en een knap gelaat,
eenige malen de opvoering van
het stuk bijgewoond en na een
heel handig verkregen introductie,
een korte kennismaking en een
nog korter verloving, had de actrice
van het deide plan met haar lief
kindergezichtje haar naam geschieven
in het register van den
burgerlijken stand en droeg ze een
eenvoudigen gouden ring.
Met drieduizend gulden als erfdeel,
buiten zijn vooruitzichten
het eenige wat hij bezat, huurden
en meubileerden zij een étage, waar
zij na een paar heerlijke weken in
Parijs de eerste maanden van hun
huwelijk woorden in de absolute
zekerheid dat er geen twee andere
menschen in de wereld te vinden
waren, die elkander zoo liefhadden
en zoo gelukkig waren als zij. Ja,
als zij een ander minnend paartje ontmoetten, was het hun
alsof deze inbreuk maakten op hun rechten.'
Maar nu kwamen de donkere dagen. Toen de laatste
honderd gulden moesten worden aangesproken, bereikte
hen een brief van Leo’s oom, waarin deze meedeelde, dat
hem de tijding van het huwelijk van zijn neef ter oore gekomen
was. Dat hij zich eerst verwonderd had hiervan geen
kennisgeving ontvangen te hebben, doch dat hij de reden
nu begreep, namelijk, dat zijn neef het had durven wagen
met een actrice te trouwen. Hierin vond de oude heer aanleiding
zijn neef van nu af zijn jaarlijksche toelage te onthouden,
terwijl hij hem tevens meedeelde dat Leo zich riet
langer als zijn erfgenaam behoefde te beschouwen. „De
WIE HELPT ZOEKEN?
Het Vluchtelingen-Comité te Sliedrecht verzoekt namens de Belgische
vluchtelinge Mej. AL1DA DE CRAEMER, sedert October verblijf houdende
te Sliedrecht. inlichtingen omtrent haar vader en moeder, wier portretten
wij hierboven geven.
eer der familie,” schreef de oude Amos Halmers, „verbiedt
mij langer betrekkingen met jou te onderhouden en ik kan
dus den hemel alleen dankbaar zijn dat je ouders door hun
vroegtijdigen dood gespaard zijn gebleven voor een dergelijke
vernedering.”
Het was een harde tijd die nu aanbrak voor deze twee,
die ondanks alles zich gelukkig gevoelden in elkanders
liefde. Gelukkig kreeg Paula spoedig een engagement bij
een gezelschap dat de provincie afreisde, en wat ’n tref!
er werd ook een emplooi gevonden voor Leonard, die vroeger
in de letterlievende club „Kunst naar Vermogen” tot een
der „beste krachten” gerekend werd.
Aldus gebeurde het dat „de heer en mevrouw de Boyer”
reeds eenige weken op reis waren er trachtten hun gezellig
nestje gedurende hun afwezigheid te verhuren, tot stijving
van de kas.
HULDIGING VAN Dr. D. F. SCHEURLEER,
door de Vereeniging voor den Haagschen Geld- en Effectenhandel, onder aanbieding van
heer Scheurleer, geschilderd door mr. dr. R. S. Bakels.
Er was juist voordat ze naar den schouwburg moesten
nog tijd voor een half uurtje babbelen, en nadat Paula een
kopje thee had ingeschonken, vlijde zij zich op het haardkleed
neer en leunde met haar kopje tegen de knieën van
haar man, terwijl het flikkerende haardvuur een fantastisch
schijnsel wierp op Paula’s goudblond haar.
„Liefste,” zei ze, terwijl haar wang tegen zijn hand met
den gouden zegelring rustte. „Liefste, hoe dikwijls wensch
ik dat ik nimmer geboren was. Ik ben al een heel nietige
compensatie voor het verlies van je jaarlijksche toelage en
je vooruitzichten. Er zijn heel wat arme, ouderlooze meisjes
als ik met krullend blond haar, maar er zijn weinig rijke
erfooms. Somtijds denk ik.........”
De beringde hand verhinderde haar voort te gaan.
„Het is leelijk van je om zulke dingen te zeggen,” zei
hij ernstig, „hoewel, goddank, je niet meent wat je zegt.
Jij bent mijn leven, en voor mijn geluk onontbeerlijk. Al
wat ik begeer is jou, mijn geliefde vrouw.”
De hand werd van haar mond genomen om, nou ja,
ze waren alleen en twee tortelduifjes.
Een oogenblik later werd er aan de kamerdeur geklopt.
De hospita trad binnen en overhandigde aan Leo een brief.
„Hoezee ! Antwoord op de advertentie !” riep hij vroolijk
uit.
„Doe gauw open, lieve, en laat eens zien wat het is.”
Leo volgde den raad van zijn vrouw en las :
Geachte Heer,
Het verheugt mij u mee te kunnen deelen dat ik
voor uw kamers een huurder gevonden hebt, een zekeren
heer Baldewijn. Hij heeft drie maanden vooruit betaald,
en zal morgen de woning betrekken. Het is een
ongetrouwd heer, wat u zeker met genoegen hooren
zult, en hij is bezig aan een wetenschappelijk werk, waarvoor
hij hier ter stede verschillende bronnen bestudeeren
moet. Ik sluit hierbij in de ontvangen huur,
verminderd met commissieloon en andere onkosten.
Hoogachtend,
Uw dienstw.
T. DELMAN.
„Wat zeg je daarvan, schat?” riep Leo vroolijk uit. „Jij
krijgt een nieuwen mantel en we gaan vanavond na de voorstelling
eens fijn soupeeren.”
„Ja, liefste, en jij moet een nieuw zomerpak koopen.
’t Is schattig! Ik hoop dat de heer Baldewijn geen asch
morst op mijn mooi karpet. Maar toch, ’t is schattig ! We
zijn nu op eens rijk, maar.... Leo,
’t is tijd ; we mogen niet te laat
komen al ben je nu opeens een
Cresus geworden.”
Waarde vriend,
J ouw brief bracht mij de grootste
teleurstelling, en toch was ik er
even blij mee, als verwonderd waar
je heen gevlogen was. Zoo, zoo,
jouw liefhebberij in de bijenteelt
heeft nu een wetenschappelijke
wending genomen en je doen besluiten
een boek te schrijven onder
een aangenomen naam en daarvoor
heb je nu in de stad gemeubileerde
kamers gehuurd.
Ik kan nu best begrijpen dat je
in jouw omstandigheden je- eens
verzetten wilt en ik kan er dusinkomen
dat je in de stad voor
eenigen tijd gemeubileerde kameis
gehuurd heb; wat evenwel dat
schrijven van jou onder pseudoniem
betreft, dat begrijp ik niet. Je zegt,
dat als je boek niet gunstig ontvangen
wordt, dan je familienaam er
niet in betrokken is en je voor je
familie niet weten wilt dat jij je aan
schrijven bezondigd hebt. Nou, hm,
het portret van den ben ’t er niet mee eens, maar jij
(foto M. M. Couvêe). hebt hieromtrent je eigen meening.
|