Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1526 tot 1530 van 11897
Nummer
1915, nr.32, 19 april. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA 2.54 EEN BRANDTS BUYS-AVOND TE ARNHEM, TEN BATE VAN DE VEREENIGING „KINDERVOEDING”. In den Stadsschouwburg te Arnhem is onder directie van den heer M. A. Brandts Buys Jr. met groot succes o.a. een Zangspel voor kinderen opgevoerd: „Als de Kind’ren slapen”, woorden en muziek van den leider. Wij geven hierboven enkele medespelenden, alsmede in het midden het portret van den heer Brandts Buys. (foto Jac. de Vries). GEMEUBILEERDE KAMER 0=9 huui aangeboden Gemeubileerde étage, bevattende: zit-, slaap- en badkamer, serre en keuken, voorzien van electriscb licht en gelegen op een gezelligen stand; tien minuten van het station. Brieven onder No. 1420, aan den woninggids Paul Krugerstraat 243. Pauline Brinxer (bij vrienden en kunstbroeders bekend als „Paula de Boyer”) wierp de krart op tafel, bedekt met het niet vlekkelooze tafellaken dat men vaak in kleine provinciale pensions aantreft, en zei tot haar echtgenoot die tegenover haai zat: „Als we het slechts verhuren konden tot onze rondreis is afgeloopen; het zou ons zoo uitstekend te pas komen, is ’t niet, liefste?” „Bij Jupiter, ja, schattebout, dat zou ’t,” antwoordde „Leo de Boyer” (geboren Leonard Brinker, zoon van een Kamerlid en van goede plattelandsche familie). „En toch,” ging hij voort, terwijl hij zich van eenige plakjes ham bediende, „heb ik vreeselijk het land, als ik er aan denk, hoe zoo’n paar huurbetalende snoeshanen op orze piano zullen spelen, in onze geborduurde sofakussens zullen liggen en hun pijpen in mijn rek hangen.” „Als wij verstandige jonge menschen waren geweest, zouden we ons geld niet allemaal aan een luxueus ameublement hebben besteed, maar het goed hebben belegd als een appeltje voor den dorst,” antwoordde Paula met een zucht die veel te oud voor haar jaren was. „Maar gelukkig waren we niet zoo verstandig ; we waren alleen —■ verliefd !” riep Leo vroolijk uit, terwijl hij van tafel opstond en in een stoel hij den haard plaats nam. Paula zette haar trekpotje neer. „We waren verliefd ! ? Leo, dat is de verleden tijd en dat na slechts acht maanden,” zei Paula, haar echtgenoot aanziende met een zee van verwijt in haar blauwe oogen. Als eenig antwoord strekte Leo zijn armen uit, een handeling, die aan Paula gelegenheid gaf te toonen, waar haar plaats was. Ze waren nog zeer jong, die twee, zeer verliefd en beiden vol ambitie voor hun kunstvak, dat ze op dit oogenblik beoefenden door in provinciesteden schrikwekkende drama’s te spelen, voor een salaris dat even treurig was als de drama’s. Paula, reeds op achttienjarigen leeftijd dol op het tooneel, was van school weggeloopen en had op aanbeveling van den broer eener schoolvriendin en terwille van de roos-, gentiaanen zonnestraal- tinten van wangen, oogen en krullen een derde-plansrolletje gekregen in een stuk dat in Amsterdam gedurende zes weken „gegaan” was. In deze zes weken had Leonard Brinker, eigenaar van een leege portemonnaie, een rijken ongetrouwden oom en een knap gelaat, eenige malen de opvoering van het stuk bijgewoond en na een heel handig verkregen introductie, een korte kennismaking en een nog korter verloving, had de actrice van het deide plan met haar lief kindergezichtje haar naam geschieven in het register van den burgerlijken stand en droeg ze een eenvoudigen gouden ring. Met drieduizend gulden als erfdeel, buiten zijn vooruitzichten het eenige wat hij bezat, huurden en meubileerden zij een étage, waar zij na een paar heerlijke weken in Parijs de eerste maanden van hun huwelijk woorden in de absolute zekerheid dat er geen twee andere menschen in de wereld te vinden waren, die elkander zoo liefhadden en zoo gelukkig waren als zij. Ja, als zij een ander minnend paartje ontmoetten, was het hun alsof deze inbreuk maakten op hun rechten.' Maar nu kwamen de donkere dagen. Toen de laatste honderd gulden moesten worden aangesproken, bereikte hen een brief van Leo’s oom, waarin deze meedeelde, dat hem de tijding van het huwelijk van zijn neef ter oore gekomen was. Dat hij zich eerst verwonderd had hiervan geen kennisgeving ontvangen te hebben, doch dat hij de reden nu begreep, namelijk, dat zijn neef het had durven wagen met een actrice te trouwen. Hierin vond de oude heer aanleiding zijn neef van nu af zijn jaarlijksche toelage te onthouden, terwijl hij hem tevens meedeelde dat Leo zich riet langer als zijn erfgenaam behoefde te beschouwen. „De WIE HELPT ZOEKEN? Het Vluchtelingen-Comité te Sliedrecht verzoekt namens de Belgische vluchtelinge Mej. AL1DA DE CRAEMER, sedert October verblijf houdende te Sliedrecht. inlichtingen omtrent haar vader en moeder, wier portretten wij hierboven geven. eer der familie,” schreef de oude Amos Halmers, „verbiedt mij langer betrekkingen met jou te onderhouden en ik kan dus den hemel alleen dankbaar zijn dat je ouders door hun vroegtijdigen dood gespaard zijn gebleven voor een dergelijke vernedering.” Het was een harde tijd die nu aanbrak voor deze twee, die ondanks alles zich gelukkig gevoelden in elkanders liefde. Gelukkig kreeg Paula spoedig een engagement bij een gezelschap dat de provincie afreisde, en wat ’n tref! er werd ook een emplooi gevonden voor Leonard, die vroeger in de letterlievende club „Kunst naar Vermogen” tot een der „beste krachten” gerekend werd. Aldus gebeurde het dat „de heer en mevrouw de Boyer” reeds eenige weken op reis waren er trachtten hun gezellig nestje gedurende hun afwezigheid te verhuren, tot stijving van de kas. HULDIGING VAN Dr. D. F. SCHEURLEER, door de Vereeniging voor den Haagschen Geld- en Effectenhandel, onder aanbieding van heer Scheurleer, geschilderd door mr. dr. R. S. Bakels. Er was juist voordat ze naar den schouwburg moesten nog tijd voor een half uurtje babbelen, en nadat Paula een kopje thee had ingeschonken, vlijde zij zich op het haardkleed neer en leunde met haar kopje tegen de knieën van haar man, terwijl het flikkerende haardvuur een fantastisch schijnsel wierp op Paula’s goudblond haar. „Liefste,” zei ze, terwijl haar wang tegen zijn hand met den gouden zegelring rustte. „Liefste, hoe dikwijls wensch ik dat ik nimmer geboren was. Ik ben al een heel nietige compensatie voor het verlies van je jaarlijksche toelage en je vooruitzichten. Er zijn heel wat arme, ouderlooze meisjes als ik met krullend blond haar, maar er zijn weinig rijke erfooms. Somtijds denk ik.........” De beringde hand verhinderde haar voort te gaan. „Het is leelijk van je om zulke dingen te zeggen,” zei hij ernstig, „hoewel, goddank, je niet meent wat je zegt. Jij bent mijn leven, en voor mijn geluk onontbeerlijk. Al wat ik begeer is jou, mijn geliefde vrouw.” De hand werd van haar mond genomen om, nou ja, ze waren alleen en twee tortelduifjes. Een oogenblik later werd er aan de kamerdeur geklopt. De hospita trad binnen en overhandigde aan Leo een brief. „Hoezee ! Antwoord op de advertentie !” riep hij vroolijk uit. „Doe gauw open, lieve, en laat eens zien wat het is.” Leo volgde den raad van zijn vrouw en las : Geachte Heer, Het verheugt mij u mee te kunnen deelen dat ik voor uw kamers een huurder gevonden hebt, een zekeren heer Baldewijn. Hij heeft drie maanden vooruit betaald, en zal morgen de woning betrekken. Het is een ongetrouwd heer, wat u zeker met genoegen hooren zult, en hij is bezig aan een wetenschappelijk werk, waarvoor hij hier ter stede verschillende bronnen bestudeeren moet. Ik sluit hierbij in de ontvangen huur, verminderd met commissieloon en andere onkosten. Hoogachtend, Uw dienstw. T. DELMAN. „Wat zeg je daarvan, schat?” riep Leo vroolijk uit. „Jij krijgt een nieuwen mantel en we gaan vanavond na de voorstelling eens fijn soupeeren.” „Ja, liefste, en jij moet een nieuw zomerpak koopen. ’t Is schattig! Ik hoop dat de heer Baldewijn geen asch morst op mijn mooi karpet. Maar toch, ’t is schattig ! We zijn nu op eens rijk, maar.... Leo, ’t is tijd ; we mogen niet te laat komen al ben je nu opeens een Cresus geworden.” Waarde vriend, J ouw brief bracht mij de grootste teleurstelling, en toch was ik er even blij mee, als verwonderd waar je heen gevlogen was. Zoo, zoo, jouw liefhebberij in de bijenteelt heeft nu een wetenschappelijke wending genomen en je doen besluiten een boek te schrijven onder een aangenomen naam en daarvoor heb je nu in de stad gemeubileerde kamers gehuurd. Ik kan nu best begrijpen dat je in jouw omstandigheden je- eens verzetten wilt en ik kan er dusinkomen dat je in de stad voor eenigen tijd gemeubileerde kameis gehuurd heb; wat evenwel dat schrijven van jou onder pseudoniem betreft, dat begrijp ik niet. Je zegt, dat als je boek niet gunstig ontvangen wordt, dan je familienaam er niet in betrokken is en je voor je familie niet weten wilt dat jij je aan schrijven bezondigd hebt. Nou, hm, het portret van den ben ’t er niet mee eens, maar jij (foto M. M. Couvêe). hebt hieromtrent je eigen meening.
PDF
Nummer
1915, nr.32, 19 april. 1915
Blad
15
Tekst
255 PANORAMA En wat nu die andere kwestie aangaat, neem den raad aan van een oud soldaat, die weet, dat de grootste overwinning soms is je over te geven. En daarom, amice, geef toe ! Geef toe ! Nu je zoo in afzondering en incognito leeft, heb ik niet den moed den heer Baldewijn op te zoeken, maar, laat me eens spoedig hooren of je bijenboek al opschiet. Als altijd FREEK PIJPERS. P. S. Denk er om : geef toe ! De heer Baldewijn staarde een oogenblik op het postscriptum, toen scheurde hij langzaam en nadenkend den brief in kleine snippers en wierp deze in Paula’s oostersch gedrapeerde papiermand. Hij woonde nu gedurende veertien dagen op deze kamers, en behalve eenige instructies aan den vertegenwoordiger der De Boyers en aan de dienstbode had hij nog geen vijftig woorden gesproken. De verhandeling over de bijenteelt vorderde goed, hoewel zij niet in staat was de gedachten van den heer Baldewijn geheel in beslag te nemen en hem de afleiding te bezorgen, die hij wenschte. Somtijds was zijn geest vervuld van gedachten, herinneringen uit lang vervlogen tijden: gedachten die werkelijkheid, levende werkelijkheid hadden kunnen zijn, als een koppig, weerspannig hart dit niet verhinderd had. En nu kwamen er ook nog herinneringen bij aan teleurstellingen van zeer recenten datum, die een gevolg waren van den trots van een halsstarrig gemoed, dat alle zachtere aandoeningen met kracht had teruggedrongen. Bijen waren ongetwijfeld nuttige beestjes, en om van hun leven en gewoonten een studie te schrijven was een nuttig werk, en toch gebeurde het maar al te vaaK'dat de vulpen ongemerkt uit de gerimpelde hand van den schrijver viel, terwijl de oude man met den harden mond en de koude, staalblauwe oogen onbestemd voor zich uitstaarde, terug in het verleden, en hij zich ten slotte afvroeg of hij toch eigenlijk wel het juiste gekozen had in dii leven. „Geef toe ! Geef toe !” mompelde hij, alsof dat bij de bijencultuur behoorde. „Geef toe l Neen ! Honderdmaal neen! Dat deed ik niet tegenover — haar —- lang geleden, en daarom ben ik ook nu op mijn jaren niet van plan al mijn principes overboord te gooien. Geef toe! Wel zeker !” Met een ongeduldig gebaarschoof hij zijn werK, waarin hij juist de gewoonte van de Jamaica-bij beschreef, opzij, stond op en wandelde ontstemd de keurig gemeubileerde kamers op en neer. Wie waren die twee jonge dwazen, die boven de deur van het gezellig salonnetje een koperen plaat hadden gehangen met twee harten en ineengestrengelde initialen er in gegraveerd benevens de woorden „Tempel der liefde !” Ha! Ha! Wat een idioten! Ze hadden zeker spoedig bemerkt dat hun duiventil een wespennest was en hadden daarom elkaar en het nest maar zoo gauw mogelijk verlaten. „Tempel der liefde! Wie had er nou toch :ooit zoo’n dwaasheid beleefd !” De heer Baldewijn gromde, en keerde het teedere opschrift boos den rug toe en begon weer de kamers op en neer te loopen. Vlak voor de deur der badkamer hoorde hij een plank onder zijn voeten kraken en was het of de vloer meegaf. „In plaats van koperen harten te koopen had dat malle span wel eens naar den vloer mogen laten kijken. Er schijnt hier een plank stuk. Er is voor mij niets zoo onaangenaam als krakende planken.” En terwijl de heer Baldewijn deze alleenspraak hield, lichtte hij de mat op die voor de deur lag en zag dat het kraken veroorzaakt werd door een los plankje dat netjes in den vloer was uitgesneden. „Hoho ! Een geheime bergplaats! Wat zou hier in zitten, juweelen of dynamiet?” De oude heer lichtte de plank op en zag in de ruimte daai onder een blikken doos staan waarop de woorden „Gestolen goed !” waren geschreven. „Goede hemel!” riep de heer Baldewijn verwonderd uit, terwijl hij de doos uit de opening te voorschijn haalde en meenam naar den „tempel der liefde.” wijl die het verst van de keuken gelegen was. „Wat moet ik nu doen ? Wat kan ’t zijn ?” mompelde de oude hesr. terwijl hij in blijkbare verlegenheid met zijn vingers over de plaats streek waai vroeger zijn haai gezeten had. „Ze zouden mij wel kunnen arresteeren als bezitter van gestolen goed. Hier zijn zeker voorwerpen van waarde in. Ja, het is mijn plicht het open te maken ! — Wacht, verheel-je dat er dynamiet in zat!” Na de doos nog eens voorzichtig in de handen te hebben genomen en eens te hebben geschud, had hij genoeg moed verzameld om haar te openen. Hij zou het gevaar van een ontploffing riskeeren in het belang der justitie. In een oogenblik waren de touwen die om de doos gebonden waren doorgesneden en sprong het deksel open, doch tot teleuistelling en geruststelling van den onderzoeker bevatte de doos geen juweelen en evenmin dynamiet, maar een bundel door ouderdom verkleurde papieren waarbovenop een blaadje luxe-post met de door een kriebelige meisjeshand geschreven woorden : „Een gestolen roman! Mammies eerste minnebrieven, bijeenverzameld door haar liefhebbende dochter.” De heer Baldewijn wilde met een geringschattend glimlachje de doos weer sluiten, maar wat was dat . . . . ? De oude heer schrok. MIE DE GIFTMENGSTER OVERLEDEN. Mie van der Linden, geboren Zwanenburg, bijgenaamd de Leidsche giftmengster of Goeje Mie. is de vorige week in de gevangenis te Gorkum op ruim 70-jarigen leeftijd overleden, na ongeveer 31 jaar in de gevangenis te hebben doorgebracht. Met Mie de giftmengster of Goeje Mie is iemand heengegaan, van wie zeer talrijken in den lande zich nog zullen herinneren de vreeselijke misdrijven, waaraan zij zich heeft schuldig gemaakt. Meer .dan 20 personen, volwassenen en kinderen, zijn door haar door middel van arsenicum vergiftigd, teneinde in het bezit te komen van het begrafenisgeld der overledenen. Nu noq kan men in het Panopticum te Amsterdam haar beeltenis, levensgroot, dagelijks aanschouwen en in het gemeentelijk archief te Leiden bevindt zich nog een prent, voorstellende Goeje Mie, bezig voor haar woning in de Singelstraat den grond te dweilen op het oogenblik dat de inspecteur (thans hoofdinspecteur) Pronk en de „dikke” agent van politie, Schreuder, haar arresteerden, van welke prent wij door de welwillende medewerking van den Leidschen archivaris, mr. dr. Overvoorde, bovenstaande reproductie kunnen geven. Op het bovenste bundeltje verkleuide brieven herkende hij een krachtig handschrift, dooi tijd en tranen een weinig verbleekt, en een nooit vergeten lucht van boschviooitjes steeg uit de brieven op. Als door een geheime kracht, sterker dan zijn wil, gedwongen, nam hij een der oude minnebrieven op en begonjte lezen : Mijn Pauline, Wacht mij, schat, bij de deur van den boomgaard, waar de appelbloesems op je neerdalen als wilden ze je heerlijke krullen kussen. Ik zal daar om zes uur op je wachten. Met geheel mijn hait, je geliefde, AMOS. En de cynische heer Baldewijn, die zoo smalend de koperen plaat met de harten den rug had toegekeerd, las voort den eenen liefdesbrief na den anderen, vol teedere ontboezemingen, hoopvolle toekomstdroomer, gloeiende betuigingen van liefde en trouw. Hij las voort en de strenge lijnen van zijn oud gelaat verzachtten: hij las onverpoosd voort en voelde zich weer jong. zoo leefde hij in het verleden, en hij zag weer het blondkiuilige meisjeskopje waar de appelbloesems op neervielen en dat zoo betrouwend aan zijn borst gerust had. Eindelijk kwam de laatste brief : „Als jij niet wilt wat ik wil, is het beter dat we schei* den. De hemel moge je gelukkig doen zijn .... met iemand anders.” AMOS. Bij deze laatste woorden boog de oude eenzame even het hoofd over den chaos van naar boschviooltjes ruikende minnebrieven en er kwam een smartvol verlangen in hem op dat hij toen had „toegegeven.” Plotseling ging hem de gedachte door het brein : op welke wijze houdt het verleden verband met het heden ? Snel besloten belde hij. De dienstbode verscheen. „Kun-je mij ook iets meedeelen omtrent de . . . de dame en hêer, van wie ik deze kamers gehuurd heb?” vroeg hij met een min of meer nederigen toon in zijn anders zoo harde stem. — Gevlijd door deze vertrouwelijkheid van den tot nu toe zoo ongenaakbaar gebleken ouden heer, kwam het meisje nader. „Wel, meneer, da’s gauw gezegd. Meneei en mevrouw De Boyer (zoo heeten ze op het tooneel) zijn erg aardige menschen. Jammer dat ze al hun geld verloren hebben. Mevrouw heet van d’r eigen Pauline van Dalen en is een wees. Ze speelde hier in de stad, toen meneer De Boyer ze zag en die werd dadelijk tot over zijn ooren op haar verliefd en trouwde haar korf daarna. Ze woonden hier zoo gelukkig, maar op zekeren dag kwam er een brief voor meneer De Boyer van een oom van hem en die schreef, dat hij niets meer met hem te maken wilde hebben en geen geld meer sturen wilde, omdat hij met een actrice getrouwd was. Nou, toen zat er niets anders op, dan weer aan het tooneel te gaan en daar is meneer De Boyer nu ook aan. Ik zal u hun portretten even laten zien. Ze liggen in de bovenste lade van dit kastje. Ah, hier zijn ze, als je-blieft, mijnheer, de heer en mevrouw de Boyer of Brinker, zoo ze eigenlijk heeten.” Door een mist die voor goed aan die koude hardvochtige oogen een zachtere uitdrukking gaf, staarde Amos Halmers op de foto van zijn in ongenade gevallen neef en dan op een gelaat dat hem scheen toe te lachen uit de dagen der appelbloesems ; op de beeltenis van l.eonards vrouw en de dochter van zijn veiloren Pauline. „Ik. . . ik zal toegeven!” mompelde de heer Baldewijn binnensmonds. „Dank je,” ging hij luid tot de dienstbode voort, „voor je inlichtingen. Ik moet nu een brief schrijven 1 Goeden avond !” En de oude heer nam de neergevallen vulpen weer ter hand en schreef twee'brieven, een aan een jong paartje en den ander aan zijn vriend, waarin hij dezen meedeelde dat hij had „toegegeven.” De verhandeling over de bijenteelt is nog niet voltooid, want de auteur heeft nu andere bezigheden. Een baby met blonde krullen. Pauline genaamd, neemt a.1 zijn tijd in beslag. BELANGRIJK! Door de Uitgevers van PANORAMA zijn MAPPEN verkrijgbaar gesteld, om de nummers te bewaren totdat zij gebonden worden. Deze Mappen, gemaakt naar hetzelfde ontwerp als de bekende prachtbanden, zijn zoo vervaardigd, dat men de nummers zonder deze te schenden erin bevestigen kan, en op deze wijje dus het beschadigen kan voorkomen. De prijs bedraagt slechts 50 Cents. Waar geen boekhandelaar gevestigd is, bestelle men rechtstreeks aan: A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERS-Mij., LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.32, 19 april. 1915
Blad
16
Tekst
PANORAMA 256 Wiegeliedje Woorden en muziek van y?rnold van ftaalte CtCUV ux.- oL*.- TaAawC- 12- WLz &ÏIWL ÊWV dt- - IzC/W' 6 - dot-fwudl do- WoecA/V j tal 'f itivix-dc uzw VtfcfcandLcu^ctP Slaap zacht, mijn lief klein kindje, Sk blijf toch aan je zij’! ypls ’t zoele 2>uiden-windje, Verkwikt je snuifje mij! Geen kommer zal je deren, Se moeder houdt de wacht, Z«al ’t kwade van je keeren! Slaap zacht, mijn kind, slaap zacht! "Hoe zal je eenmaal wezen, >?ls jij wat grooter bent, Sn zonder angst of vreezen, Oen ernst des Êevens kent? 2>al ’t£even zich ontfermen? ‘Krijg jij voldoende kracht? Sk zal je trouw beschermen, Slaap zacht, m’n kind, slaap zacht! Sn ben je eens volwassen, Sn ken je ’s Êevens stroom, Oan dien je op te passen, Want ’tfieven is géén droom! Oan zal je moeten werken, Voor roem en eer en macht! Sk zal je déérvoor sterken! Slaap zacht, m’n kind, slaap zacht ftolterdam. ©ecember 1914. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPII. LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.33, 22 april. 1915
Blad
01
Tekst
DE RUSSISCHE BEZETTING VAN PRZEMYSL De ontwapende Oostenrijksche krijgsgevangenen verlaten Przemysl, terwijl een Russische legerafdeeling er binnentrekt. De Oostenrijksche krijgsgevangenen op weg naar Lemberg, waarheen zij voorloopig getransporteerd werden.
PDF
Nummer
1915, nr.33, 22 april. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 25ft
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1526 tot 1530 van 11897