|
239 PANORAMA
plotseling voor zaken naar Den Haag had moeten gaan
en dien avond niet meer thuis kwam.
* *
♦
,,Luister eens naar deze verslagen, heerschap!”
Met een breeden grijns op het gelaat, las de schavuit
aan zijn slachtoffer verschillende overzichten van de gehouden
rechtszitting voor.
Brommeier werd rood van woede.
„Ik waarschuw je,” barstte de ongelukkige rechter
eindelijk los, „dat je een gevaarlijk spel speelt, met mij
hier opgesloten te houden.”
„O, maak je over ons maar niet bezorgd, heerschap,”
zei de ander lachende.
„’t is monsterachtig! Schandelijk!” voer Mr. Brommeier
voort, „te denken dat zulk een misdadig spel met mij gespeeld
wordt. Wacht maar, als ik weer zitting heb, zullen
we al die mooie vonnissen herzien.”
„Da’s te zeggen, als je er de kans toe krijgt,” spotte
zijn pijniger.
„Wat bedoel je daarmee, schurk?”
„Ik bedoel dat als de Minister van Justitie het hoort
en leest, wat een prachtige vonnissen je gisteren geveld
hebt, hij je in de gelegenheid zal stellen voor je gezondheid
een poosje vacantie te nemen.”
Toen vervolgde de kerel op safcastischen toon:
„Wat denk je wel dat de minister zal zeggen als hij het
volgende in de krant leest? Luister: „Het is hoog tijd, dat
„er stappen gedaan worden om aan de caprices van den
„rechter uit het elfde kanton voor goed een einde te maken.
„Waren de vonnissen van dezen magistraat vaak zoo
„abnormaal gestreng, dat zij de verontwaardiging van
„elk onbevooroordeeld toehoorder opwekten, thans is de heer
'„Brommeier in een ander uiterste vervallen; de vonnissen
„gisteren door zijn edelachtbare gewezen, spotten met
„elk rechtsgevoel en zouden den lachlust hebben gaande
„gemaakt, als de plaats der handeling niet zoo hoog ernstig
„was geweest. We moeten dan ook den heer Brommeier
„in ernstig beraad geven of het geen overweging verdient
„die rust te gaan genieten die hij door zijn jarenlang ge-
„toonden grooten ijver zoo ruimschoots verdiend heeft!”
De beklagenswaardige dienaar van het recht kreunde
bij het hooren van dit onmeedoogend requisitoir.
„O, ik wou dat ’k jou en je medeplichtige naar behooren
straffen kon!” mompelde hij.
Den avond van diênzelfden dag werd de heer Brommeier,
na bedwelmd te zijn, in een rijtuig gedragen en in een stille
afgelegen straat neergelegd. Te voren was hem een glas
cognac door zijn keel gegoten, om het den schijn te geven,
dat hij in verren staat van dronkenschap verkeerde.
Korten tijd daarna werd hij opgemerkt door een surveilleerenden
politieman.
„Zoo! Die heeft ook niet in zijn drinkensbakje gespuwd,”
mompelde de ordebewaarder; toen, den man in het gelaat
ziende, deed hij van verbazing een stap achteruit. „Sapperloot,
ik verwed mijn traktement tegen een uniformknoop
als dat de ouwe Brommeier niet is.”
Hij riep een aapje aan, tilde den magistraat overeind
en bracht hem naar zijn woning. De huishoudster was
buiten zichzelf van schrik, toen ze haar meester in zoo’n
toestand zag.
„Wat? Is hij dronken?” vroeg ze.
„Nog al!” antwoordde de agent lakoniek. „Het best is
de zaak stil te houden. Hij was de laatste dagen al zonderling
en dit is wat ze noemen het fulminatiepunt!”
De brave man bedoelde natuurlijk „culminatiepunt,”
doch wie let in die omstandigheden op zoo’n kleinigheid!
„W-a-a-r ben ik?” vroeg de heer Brommeier, toen hij
een uur later de oogen opende en een verwilderden blik
om zich heen sloeg.
„Op je eigen kamer, mijnheer,” antwoordde de huishoudster
afgemeten, want juffrouw Dirkse was een eerwaardige
matrone en de gedachte, dat haar heer dronken was thuis
gebracht, was haar onverdraaglijk.
„Mina, ze hebben me schandelijk getrakteerd!”
„Zoo, kostte het geen geld, dan begrijp ik het,” mompelde
de huishoudster in zichzelf. „Ja, dat kan een dronken
mensch wel aan u zien.”
„Ze hebben me bedwelmd,” vervolgde zijn edelachtbare,
zich meer en meer opwindendé bij de gedachte aan de
Mevr. C. F. v. REES.t
Te ’s-Gravenhaae is op 71-jarigen leeftijd overleden de gepensionneerde
Majoor van het Nederlandsche leger Jhr. E. M. BEIJMA. — Te Velp is de
vorige week overleden de bekende romanschrijfster CATHARINA F. VAN
REES. Onder den naam van Celestine verschenen er tal van romans en
novellen van haar hand.
JUBILEUM ALBERT HAHN.
Op het Paaschcongres der S. D. A. P. te Arnhem werd ook herdacht het
12i/2-jarig jubileum van Albert Hahn, den bekenden teekenaar van „De
Notenkraker". (foto D. van Kreveld.)
Mr. N. S. T. A. VAN B. J. P. VAN DER
* MEURS. + HOEK.
Te Arnhem is op 84-jarigen leeftijd overleden mr. N. S. T. A. VAN MEURS,
sedert 1884 procureur, eerst bij het Prov. Gerechtshof in Gelderland, later
bij het Gerechtshof te Arnhem. — Den lsten April herdacht de heer B. J.
P. VAN DER HOEK, koster bij de Remonstrantsche Gemeente te Delft
den dag, waarop hij vóór 40 jaar als zoodanig in dienst trad.
beleedigingen die hij had moeten verduren. „Bedwelmd
en met geweld weggevoerd!”
„Bedwelmd, hm, ja, van den cognac,” mopperde de
huishoudster binnensmonds. „De kamer is vergeven van
de lucht! Ja,” ging ze luid voort, „vele menschen worden
op die manier bedwelmd.”
„Mina, ga dadelijk naar den dichtstbijzijnden politiepost
en informeer daar....”
„Houd me ten goede, mijnheer, maar dat doe ik niet!”
„Wat! Ben je gek?” bulderde Brommeier. „Ben je gek?”
„Neen, ik ben niet gek, maar ü is dronken. Ik zeg u
meteen mijn betrekking op, mijnheer, dan is u van mij af!”
„Mina,” schreeuwde de heer Brommeier,' en toen op
zachten toon, want hij bulderde alleen maar tegen menschen,
die bang voor hem waren: „Mina, ben ik niet altijd
goed voor je geweest?”
„Dat weet ik niet! In allen geval heb ik genoeg gespaard
om op mijzelve te gaan wonen en dat is een goede aanleiding
om elkander vaarwel te zeggen. En bovendien,
ik wil niet in betrekking zijn bij een heer, die zich te buiten
gaat aan sterken drank. Zelfs niet al was ’t champagne....”
„En ik zeg je,” riep Mr. Brommeier woedend uit, „dat
ze me bedwelmd hebben!”
„En ik zeg je, dat ik het niet geloof!”
„Ga uit mijn oogen, onbeschaamd wezen.”
„Beleedig me niet, mijnheer, anders zou ik je in je eigen
rechtzaal laten dagvaarden.”
„Dat gaat toch alle perken te buiten!”
Rits-klap! Er viel iets zwaars in de brievenbus! Hoewel
juffrouw Dirkse zich niet langer in dienst van den heer
Brommeier beschouwde, ging ze uit kracht der gewoonte
toch naar beneden. Ze bracht een groote, officieel uitziende
enveloppe boven.
„Van den minister,” stotterde de heer Brommeier,
verbleekende. „Wat zal die te zeggen hebben?”
De brief was zeer kort.
„Den Minister van Justitie zal het aangenaam zijn den
„heer Mr. Josephus Brommeier morgenochtend te elf
„uren bij zich te ontvangen, ten einde van hem verslag te
„hooren omtrent eenige dezer dagen in zijn kanton voorgevallen
gebeurtenissen. Den heer Mr. Brommeier zij
„hierbij tevens meegedeeld, dat hangende deze kwestie
„de werkzaamheden in zijn kanton zullen worden vervuld
„door den plaatsvervangenden kantonrechter.”
„Groote hemel!” zuchtte de wanhopige man, „wat is
er toch gebeurd?”
In vreeze en beven begaf hij zich den volgenden morgen
naar de residentie en toen hij het Ministerie van Justitie
binnentrad, meende hij op alle gezichten die hij ontmoette,
van den portier tot den hoofdcommissaris, zijn vonnis te
lezen, zoo duidelijk alsof hij het zwart op wit voor zich zag.
Iedereen scheen hem koel en uit de hoogte te behandelen
en het meest afgemeten gedroeg zich de referendaris die
den minister verving. Hij bood den ongelukkigen Brommeier
niet eens een stoel, wees hem slechts naar een stapel
kranten en zei op ijskouden toon:
„Mijnheer, u heeft ongetwijfeld deze verslagen betreffende
uw laatste zitting gelezen. Ik moet u daarom namens den
minister uitnoodigen mij omtrent hetgeen daar is voorgevallen
de noodige inlichtingen te willen geven.”
„Die zal ik u met genoegen geven,” zei Brommeier en
begon zijn verhaal.
Cynisme straalde uit de oogen van den referendaris
den heer Brommeier tegen, terwijl hij zijn ongelooflijk
verhaal deed.
„Is dat al wat u mij te vertellen hebt?” klonk het koel.
„Is het niet genoeg?”
„Het is nauwelijks voldoende. Niettemin heb ik
nota genomen van uw mededeelingen en zal hiervan
aan den minister verslag doen.”
Korten tijd daarna ontving Mr. Brommeier een brief
van het ministerie! Die bevatte het volgende:
Ministerie van Justitie.
Den Haag, Jan. 1915.
Mijnheer!
Ik heb de noodige aandacht besteed aan het verslag
dat door u gegeven is omtrent de oorzaak der gebeurtenissen
die op de laatst door u geleide terechtzitting
hebben plaats gevonden. Het spijt mij dat uw verklaringen
me niet overtuigd hebben, dat u met den
noodigen tact zijt opgetreden. Ik kan u dan ook mijn
ontevredenheid omtrent het voorgevallene niet onthouden.
De minister van Justitie.
Hoe de heer Brommeier ook zijn best deed de schavuiten
te vinden, die hem den truc gespeeld hadden, het gelukte
hem niet. Ze waren en bleven verdwenen.
Korten tijd daarna vroeg hij om eervol ontslag uit zijn
ambt wegens gezondheidsredenen.
Holland, vooral het crimineele gedeelte ervan, was zeer
gelaten onder dit verlies.
’N SCHOON AVONTUUR BIJ „HET TOONEEL*.
De vorige week ging bij het gezelschap Royaards de première van „’n Schoon Avontuur”. Mevr. Sablairolles speelt in dit stuk de rol van grootmoeder, een rol, die zooals bekend, voor haar geknipt is.
3e BEDRIJF: v.l.n.r.: Mevr. Sablairolles, Mevr. Trevillac; C. Robbers, Gustin; J. Gobau, André: Mevr. Royaards. SLOTSCÈNE, v.l.n.r.: Mevr. Buderman, Gravin d’Egaron; Alex Faassen Sr., Graaf d’Equin; Mevr. Royaards,
Helène; Jan Musch, Valentin. (foto’s M. M. Couvée). Helène; J. Gobau. André; Jan Musch, Valentin; C. Robbers. Gustin; Mevr. Sablairolles, Mevr. Trevillac.
Jhr. E. M. BEIJMA. +
|