|
PANORAMA 238
MUZIEKCONCOURS TE H E LLEVO ETSLU IS .
Door het Comité tot Ontwikkeling en Ontspanning der gemobiliseerde troepen in de stelling van de Monden van de Maas en het Haringvliet, is op 5 April een muziekconcours gehouden, waaraan werd deelgenomen door Harmonie en
Fanfare-Vereenigingen. tijdens de mobilisatie bir.nen deze stelling gevormd. Onze foto links geeft de regelingscommissie met de jury. Zittend v. I. n. r.: dr. H. Kerbert, maj. van Rijswijk de Jong, voorz., kapt. M. E. Grefe. Staande
v. 1. n. r.: kapt. W. J. Wijnands, W. L. Aarts, kapt. N. A. Bouwman, dirigent v. d. Kon. Mil. Kapel, W. F. Hovius. De foto rechts: de mobilisatie-muziekvereeniging „Nieuwenhoorn’'.
HET AVONTUUR VAN
MJOr. SEPHUS BROMMEIER
DOOR HENKIE
1 te! bulderde de deurwaarder voor de twintigste
maal dien morgen. Een deurwaarder met
een flink voorkomen en een barsche stem was
wel noodig in de rechtzaal van het elfde
kanton te Amsterdam, want de vonnissen van
den Weledelgestrengen heer Mr. Josephus
Brommeier waren gewoonlijk zeer hard en hadden vaak
een gemompel van verontwaardiging ten gevolge.
Dezen morgen was de kantonrechter al onverbiddelijk
streng, een gevolg van de slechte stemming van Zijn Edelachtbare,
een • stemmii.c' die wederom haar oorzaak vond
in een krantenbericht, dat hij in een der ochtendbladen
gelezen had en waarin vermeld stond dat de opengevallen
plaats in de arrondissementsrechtbank, waarop hij gehoopt
had, door een zijner collega’s was ingenornen.
„Drie maanden gevangenisstraf 1” klonk het tegen een
bleeken jongeling, die door den honger gedreven uit een
openstaande broodkar een broodje genomen had, en de
andere vonnissen, die nog volgden dien morgen, kenmerkten
zich door een even groote gestrengheid.
Eindelijk kwam de pauze en Mr. Brommeier begaf zich
naar zijn privé-vertrek om daar zijn koffie te gaan gebruiken.
Juist toen hij de kamer wilde binnengaan, overhandigde
de portier hem een briefje, dat zooeven gebracht was en
dat als volgt luidde:
Edelachtbare Heer!
Een stervende, Janus Schilp, wonende de Jonkerstraat
12, twee hoog, bij wien ik zooeven geroepen
werd om den laatsten geestelijken bijstand te verleenen,
deelt mij in zijn doodsangst mede, dat hij u
een bekentenis te doen heeft betreffende een door
UE.Achtb. te berechten zaak. Hij wil alleen in uw
tegenwoordigheid spreken. Dringend moet ik UE.
Achtb. dus verzoeken als Uw ambtsbezigheden het
UE.Achtb. eenigszins veroorloven den ongelukkige
den doodstrijd te verlichten door zijn bekentenis
aan te hooren.
Overtuigd van uw bereidwilligheid en met de meeste
hoogachting,
Uw oud-studiemakker en vriend
Dominee Vromensteyn.
„Zoo 1 Zeg aan den persoon, die het briefje
bracht, dat ik dadelijk na het koffiedrinken
komen zal,” zei de man der wet en tien
minuten later bevond hij zich reeds op weg
naar het opgegeven adres.
Toen hij daar aankwam, werd hij aan de
voordeur ontvangen door een stoeren kerel
die hem geheel onbekend was.
„U komt net op tijd, mijnheer,” zei hij
beleefd. „Dominee is boven bij den armen
kerel en zei me dat ik naar beneden zou gaan
om op u te wachten.”
„Wat — ken je me dan?” vroeg de magistraat
op scherpen toon.
„Ja, zeker, mijnheer. Ik ben stukadoor en
heb meermalen bij u in het gebouw gewit.”
„Hm!” zei de heer Brommeier en liep
ondertusschen naar boven. Nauwelijks was
hij evenwel de kamer binnengetreden, of zijn
begeleider pakte hem van achteren beet en
wierp hem op den grond.
„Help! Help!” riep de heer Brommeier,
doch in een oogenblik was hem een prop in
den mond gestopt.
„Houd je smoel!” bulderde zijn aanvaller.
„Ik zal je geen kwaad doen. als je je maar
stil houdt.”
'n Stevig touw te voorschijn halende, bond
hij hiermede den kantonrechter de armen en beenen vast.
„Ziezoo, nu mag je hier veilig achter slot en grendel een
paar dagen van je vermoeienden arbeid uitrusten,” zei
zijn belager op kalmen toon.
„En onderwijl zal ik zoolang je werkzaamheden waarnemen,”
ging een ander voort, die zoo juist de kamer was
binnengetreden.
De arme gemolesteerde kantonrechter wendde het hoofd
naar de plaats waar de stem, zijn eigen stem meende hij
bijna, vandaan kwam en. had hij geen prop in den mond
gehad, dan zou hij een kreet van verwondering geslaakt
hebben, want daar stond voor hem zijn evenbeeld, zijn
dubbelganger, een man die op hem geleek als de eene politiehelm
op den ander.
„Ja,” ging de man voort, „ik ben voornemens uw EdelNAAR
HET OO R LOGSTE R R El N .
De vorige week zijn er wederom eenige Hollandsche zusters naar Oostenrijk
vertrokken. V. I. n. r. Ie rij Zr. Scheltema, Welmering, v. Wensen. Smit,
v. Dillen, Kat. 2e rij (in de coupé) Zr. Berkhout en Sampon.
achtbare te vervangen, mijnheer Brommeier, daarom heb
ik je hierheen gelokt. Je ziet, ik kan de handteekening van
dominee Vromensteyn goed namaken en ik heb er succes
mee gehad, want je bent er mooi ingeloopen.”
Mr. Brommeier stikte bijna van woede.
„Ik zeg je nu goeden dag,” vervolgde zijn levend portret
op rustigen toon, „want over een kwartier wordt de zitting
weer geopend en we mogen de beklaagden niet laten wachten.
Maak het je hier intusschen gemakkelijk!”
Toen, nadat hij zijn kameraad op het hart gedrukt had
den gevangene goed te bewaken, nam hij met een spottenden
glimlach voor den heer Brommeier zijn hoed af en verliet
het vertrek, zijn slachtoffer achterlatende in een staat van
wanhoop over de gevolgen, die uit dit voorval zouden
voortvloeien.
HET STADHUIS TE HAARLEM.
De toren op het stadhuis te Haarlem, die in 1772 was afgebroken, is volgens het ontwerp
Dumont, op initiatief van wijlen mr. A. J. Enschede wederom opgebouwd. Volgens de raming bedroegen de
kosten van den opbouw f 12 Ö00. .
De gewaande kantonrechter ondervond niet de minste
moeilijkheden bij het vervullen van de door hem vrijwillig
op zich genomen taak. De griffier, de deurwaarders, politiedienaren
en andere employé’s toonden geen zweem van
verwondering. Nadat hij zijn zitplaats had ingenomen,
werd de eerste beklaagde binnengeleid.
„Wat is hem ten laste gelegd?” vroeg hij.
„Dronkenschap, verwekken van wanordelijkheden en
verzet tegen de politie,” klonk de beschuldiging.
„Wat heb je hierop te antwoorden, man?”
„ja, Edelachtbare, ik was dronken, maar ik heb geen
mensch aangevallen!”
„Ik geloof je, man, en als je belooft in ’t vervolg niet
meer zooveel te drinken, zal ik je nu laten gaan !”
Alle ambtenaren en beambten die dit hoorden keken
verbaasd op. Wat beteekende dat ? Wat moesten ze daarvan
denken? Zoo iets zei kantonrechter Brommeier, die gewoon
was de getuigenis der politie even hoog te houden als de
Heilige Schrift, en nu met veronachtzaming van de door
beëedigde personen geuite beschuldiging, de woorden van
dien dronkaard onvoorwaardelijk geloofde.
„Excuseer, Edelachtbare,” begon de agent, die den
dronkaard verbaliseerd .had.
Hem werd evenwel toegebulderd:
„Houd je mond, man!” En deze manier van spreken
was zoo volkomen in overeenstemming met Mr. Brommeier’s
gewone wijze van handelen, dat de ambtenaren
verlucht adem haalden en meenden, dat de onbegrijpelijke
zachtzinnigheid, waarvan de kantonrechter zoo even blijk
gegeven had, slechts een exceptie zou zijn.
Dit was echter niet het geval. Verdere beklaagden kwamen
voor en velen van hen werden onmiddellijk van rechtsvervolging
ontslagen. De uitdrukking op de gezichten der
aanwezigen was onbeschrijfelijk; het ontzag dat de strenge
kantonrechter zijn ondergeschikten steeds had weten
in te boezemen, weerhield hen om openlijk opmerkingen
te maken.
Een ongunstig uitziend persoon, die verschillende kleine
diefstallen had gepleegd, werd voor al deze delicten tot
drie gulden boete of drie dagen hechtenis veroordeeld.
„Dank je wel, edelachtbare,” zei de kerel, terwijl hij tegen
zijn voorhoofd tikte. „Je bent ’n beste vent, dat ben je!”
„Stilte!” gelastte de deurwaarder.
„Houd jij zelf je mond, mijnheerrr!” beval de gewaande
kantonrechter op barschen toon. „Je maakt zelf hier meer
lawaai dan iemand anders.”
„Excuseer!” mompeldé de man nederig en uit het veld
geslagen. Het was duidelijk: de kantonrechter was dronxen.
Er was geen andere uitlegging mogelijk. Hij had bepaald
tijdens de lunch te veel wijn gedronken.
Deze meening werd ook gedeeld door de
andere beambten met wien de deurwaarder,
na afloop der zitting de vreemde gebeurtenissen
van den dag besprak.
„Misschien is ie morgen weer in orde als
ie uitgeslapen is,” meende een dikke politieagent.
„Ik heb den ouwen vos nog nooit
zoo gezien.”
„En ik hoop hem nooit meer zoo te
zien,” mopperde de deurwaarder, nog verontwaardigd
door het onverdiende standje
dat hij gekregen had. „Als hij zoo doorgaat,
vraag ik mijn ontslag aan.”
Den volgenden morgen stonden in de
ochtendbladen lange artikelen over de allerzonderlingste
zitting, die door den rechter
van het elfde kanton gehouden was.
„De wonderen zijn de wereld nog niet
uit,” schreef een verslaggever, die meermalen
de strenge vonnissen van den heer
Brommeier scherp veroordeeld had. „Gisteren
zijn in het elfde kanton zeven beklaagden
op de onverklaarbaarste wijze
vrijgesproken.”
De gewaande magistraat had ondertusschen
de voorzorg genomen aan de huishoudster
van den kantonrechter (deze laatste
van^ den neer was ongetrouwd en woonde op kamers) een
telegram te sturen, vermeldende dat hij
|