Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1506 tot 1510 van 11897
Nummer
1915, nr.30, 12 april. 1915
Blad
10
Tekst
PANORAMA 234 ijn wij klaar? Een vraag, die de Amerikanen zichzelf stellen. 1 TOTAAL MET ALLE RESERVES OP VOET VAN OORLOG > VREDESFORMATIE I AMERIKA ITALIË r heele wereld is één stad, zoo placht onze oude tante te zeggen, als ze met groote H , genoeglijkheid de prentjes van haar „illustraf tie” bekeek in de dagen, toen de wereld nog niet ............ § de zegeningen van de rotogravure kende en dus van Panorama verstoken was. * ** Kon nu de goede ziel uit betere gewesten op aarde terugkeeren, ze zou gewisselijk verbaasd staan over alles, wat sinds haar dood veranderde. Zij zou vol schrik zijn voor auto's en vliegmachines (de brave, die met geen stok in een spoortrein te brengen was), vol bewondering voor diepdrukbladen als Panorama, doch na met ooggenot ons blad te hebben doorgekeken, weer tot dezelfde conclusie komen. De heele wereld is toch maar één stad.... In dagblad- en tijdschriftartikelen stellen de Neder landsche staatsburgers, beroepsof amateursoldaten elkaar en zichzelf de vraag: Zijn wij klaar?? Of hebben wij niets geleerd uit de uitvaring van anderen? En daar ginds over den breeden eendenvijver, dien men Atlantischen Oceaan * heeft gedoopt, vragen de Yankees elkaar af, precies wat wij aan deze zijde ook doen: Are we ready?? „Are we ready??” Zoo is de titel van een aardig artikel in „Harpers Weekly”. En al verscheen het in begin December, toch is het, zeker voor ons, op heden nog actueel. De schrijver er van, Howard D. Wheeler, vergelijkt zijn landgenooten met een flinken, jongen kerel, die, zeker van zijn succes en vertrouwend op zijn geluk, zich onvoldoende voorbereid in een bokswedstrijd waagde en leelijk toegetakeld uit den kamp komend, zichzelf troost met een „I’ll knock his head off the next time, I get him in a ring with me”. Doch die naaste gelegenheid om den tegenstander, die overwon, het hoofd af te slaan komt, zoo zegt de schrijver heel menschkundig, in de meeste gevallen nooit. Op dit motief doorbordurend, gaat hij aan ’t filosofeeren of Amerika klaar is, zoo een of andere groote natie het zou probeeren „to knock his head” ; dus Amerika op den kop te zetten. De ervaring in den strijd met Spanje (we denken haast niet meer aan het kleine oorlogje, dat toch wel degelijk tot „onze” geschiedenis behoort), heeft bewezen, hoe er heel wat aan de strijdkrachten, aan de hulp- en vervoermiddelen haperde. Doch desniettegenstaande vreest mr. Wheeler, dat Amerika niet zooveel geleerd heeft en feitelijk er aan zijn „prepafedness for war” niet heel hard .gewerkt is. Wheeler preciseert in zijn artikel. Wij kunnen niet nagaan of hij ’t juist doet, maar het moet ons interesseeren om een Amerikaan in een bekend Amerikaansch weekblad openblijk het volgende te hooren verklaren: Als tweemaal honderdduizend strijdbare mannen, van een eerste klasse vijandelijke natie, vannacht aan de kust van den Atlantischen Oceaan landen, dan zouden wij, Amerikanen, het heel erg zuur vinden, indien wij aan dat vijandelijke volk de rijke streken westelijk van de Rockies met alle steden, havens, met den rijkdom der valleien en bergen in handen zouden moeten laten. Maar als werkelijk de oorlog vandaag aan ons (Amerika) zou worden verklaard, dan zouden wij, gezien het geregelde leger, dat in de Philippijnen, Hawaii, Panama en elders noodig is, niet meer dan 50,000 man naar het bedreigde punt kunnen brengen. Met de grootste inspanning van de zijde van onze officieren, en als wij de militaire machine met al haar kracht lieten loopen, dan zou het nog op zijn minst zes haaf naijver VRELS ZIJ, DIE DEN OORLOG HULDIGEN. In het Amerikaansche tijdschrift luidt het onderschrift „Tirewomen’’, wat feitelijk mutsenmaaksters beteekent, vandaar de eene figuur die den oorlogskolos de „muts opzet”. De teekening is van Bordman Robinson. weken nemen om dit aantal op 150.000 man te brengen. Een succesvolle verdediging der lange Amerikaansche kustlijn tegen een vijandelijken inval vraagt ten minste 300.000 man, gesteund door een goed geoefend veldleger van een half millioen menschen. En, zoo zegt de Amerikaan, wij zijn totaal onvoorbereid voor zulk een prestatie .... * * * Wij gaan hier natuurlijk niet het heele artikel vertalen, zelfs niet in vrije overzetting navertellen. Ons interesseert het niet hoeveel mannetjes, kanonnen, ammunitie etc. Amerika precies behoeft en van wie het land der uiterste mogelijkheden, het meest te vreezen zou kunnen hebben. Curiositeitshalve geven wij hier de plaatjes weer, welke bij dit artikel zijn afgedrukt en vertellen daar straks tot welke conclusies de Amerikaansche journalist in zijn beschouwing komt. Want we weten het, al praten we er niet te veel over, dat ten slotte Amerika en Amerikaansche belangen ons heel erg interesseeren, niet alleen om de vele dubbeltjes welke rentenierende en speculeerende landgenooten in Amerikaansche sporen hebben zitten, maar in dit geval voornamelijk omdat Amerika neutraal is en wij ook neutraal zijn en Amerika zoo’n heel groote broer op het gebied der neutraliteit voor ons isl * * * Zie hier nu tot welk slot mr. Wheeler komt. In het algemeen gesproken, zoo zegt de auteur van het artikel, nemen we het voor vaststaand aan, dat wij geen oorlog zullen krijgen, omdat we geen oorlog begeeren. Wij redeneeren : Oorlog is barbaarsch en nutteloos. Wij zijn verlicht. Daarom zullen we geen oorlog hebben. De wereldmarkt is een open markt. Als verhoogde productiviteit en ondernemingsgeest betere mededingings-mogelijkheid beteekenen, nu, dan zullen we zorgen dat we kunnen mededingen. We willen niet vechten. In het algemeen gesproken, zoo ongeveer redeneert de schrijver, zal er na afloop van den oorlog voor een natie als de onze (hij bedoelt de Amerikaansche, maar het is opmerkelijk hoeveel de redeneeringen van de neutralen op elkaar lijken, haast net zooveel als die van alle vechtende mogendheden) in het belang van ontwikkeling, cultuur en ... onze eigen beurs nog al wat te doen zijn in minder ontwikkelde streken. Maar . . . zoo waarschuwt de auteur, terwijl wij zoo klokvol van zelfvertrouwen tevreden met onzen toestand onzen weg gaan, is het nog heelemaal niet zeker tot hoever de tegenwoordige strijd de wereld voeren zal, en tot hoever deze zorgeloosheid ons kan brengen. Wij veronderstellen, dat men ons er niet in wil of niet in durft te halen. Doch wat daar ginds in Europa gebeurd is, mocht ons toch wel wat wijzer gemaakt hebben .... Van Solon, den Wijze, (niet te verwarren met Salomo met denzelfden bijnaam), wordt gezegd, dat hij tot Croesus, den Rijken, zeide: „Als er ooit een koning komt met beter ijzer, dan gij hebt. dan zal hij en niet gij de meester van al uw goud zijn”. Er zit een wijze les in dat klassieke woord. Amerika moet die ter harte nemen en er voor zorgen altijd en voor alles gereed te zijn en te blijven. Zou het voor Amerika alleen verstandig zijn om daarvoor te zorgen? Of voor alle anderen evengoed?!
PDF
Nummer
1915, nr.30, 12 april. 1915
Blad
11
Tekst
235 PANORAMA Onze Grafische kunstenaars I Jet ligt in ons voornemen onder dit 1 1 opschrift een nieuwe rubriek in ons blad op te nemen. Ons land is gelukkig rijk aan verdienstelijke werkers met naald, pen en teekenstift, die het ten volle verdienen, dat in breeden kring de aandacht op hun werk, hun werkwijze en persoon wordt gevestigd. Daarenboven leent zich de rotogravure, het procédé, waarin ons blad gedrukt wordt, op voortreffelijke wijze tot het wedergeven van de producten de.r grafische kunst. Zoo hopen wij een goed en interessant geheel te kunnen maken. * * ♦ Wij openen de rij met een ets van C. Brandenburg. Wij doen dit, omdat de onderscheiding, welke Brandenburg ten deel viel, dat H.M. de Koningin bij haar jongste bezoek aan de hoofdstad zich bijzonder voor zijn werk interesseerde en eenige etsen voor Hare collectie aankocht, er ons een aanleiding toe was. Brandenburg is een volbloed Amsterdammer en heeft een goeden kijk op zijn stad. Met warm gevoel en groote artisticiteit weet hij zijn bladen te ontwerpen en met een zeer persoonlijke techniek af te maken. De hier gereproduceerde ets ,,De Dam”, geeft daarvan een uitmuntend bewijs. Er behoort een sterken durf toe, om op die wijze een groote plaat op te zetten. (Het origineel is 65 X 90 cM.). Zoo lichtelijk wordt het geheel door al te veel details verpeuterd of mist men den artistieken kijk, die het van een fotografische momentopname moet onderscheiden. De etser is er ongetwijfeld in geslaagd deze klippen te omzeilen en daardoor is zijn werk een geheel van kunstvolle conceptie. Brandenburg is nog jong. Wanneer hij zoo blijft doorwerken zal hij, die «ich voornamelijk tot het wit-zwart bepaalt, nog heel wat kunnen presteeren. * * * Over het algemeen heeft Brandenburg DE DAM TE AMSTERDAM. (Ets van Corn. Brandenburg). niet te klagen over een ,,Slechte Pers”. Telkenmale wanneer hij expo- grachten, op hoogst seerde, gaven de couranten veel lof over hem. plooien.” Zoo schreef de N. R. Crt. van hem: ,,Brandenburg blijktènknap teekenaar èn de gevoelige voor den toonin zijn Amsterdamsche stadsgezichten : de besneeuwde ,.Spiegelgracht” waar het verschil in toonwaarden tusschen de sneeuw op de daken en op de brug, en de actie van deneen-kar-opdouwenden man, hem in zijn beide kanten doen kennen. Zijn gevoel voor kleurwaarden, toont zich dan vooral ook in „De Roeier” op den donkeren Amstel en zijn teekenen uitdrukkingsvaardigheid in de „Nieuwemarkt”. Hier evenals in „De Dam” beheerscht hij een groot gegeven : in de eerste ets weet hij de woelige marktirukte in bijzonderheden te geven, en toch deze te onderschikken aan de geheele visie, van markt en poort daarachter.” Terwijl de Provinciale Utrechtsche Crt. naar aanleiding van een expositie in die stad o.a. zeide: „Vooral zijn sneeuwgezichten van Amsterdamsche grachten zijn frappant. Hij is hierin minstens de evenknie van Witsen. Het kenmerkende in Brandenburg’s verschijning vinden we, dat hij, meer dan de meeste etsers tot dusver gewoon waren, aandacht is gaan besteden aan details, zonder voor het minst in peuterigheid te vervallen; een combinatie, die lang niet ieder vermag te treffen.” Van de hier gereproduceerde ets „De Dam” schrijft hetzelfde blad: „Brandenburg’s ets van den Dam vormt eveneens een imposant stuk werk, dat waard is in de toekomst onder de klassieke Dam-etsen te worden gerangschikt. De donkere partij, ter zijde van het paleis, met de aapjes en de talrijke, ieder voor zich zelf zuiver gegeven menschfiguren daarvoor met de rijkelijk van licht overgoten Nieuwe Kerk (de chaos van de nieuwe Dam-bebouwing is wijselijk en gelukkig weggelaten) dat alles vormt een levendig stadstafereel, waarin al een begin van die picturale nuanceering kenbaar is, welke men in andere, in het onderwerp nog meer daarvoor geëigende etsen van Brandenburg, bijvoorbeeld de sluizen op den Binnen-Amstel en de verschillende karakteristieke oude gelukkige wijze zich zal zien ontL. E. KOS. DE PAUW. A- Marshall). V oor eenige weken stierf in Engeland een uiterst verdienstelijk man, de architect Arthur Marshall. In Nederland was de heer Marshall bekend door zijn zeer artistieke fotografische opnamen, welke hij van ons land maakte. Ofschoon Marshall Engelschman was in hart en nieren, zoo zou ik toch Nederland zijn tweede vaderland willen noemen, aldus schrijft de heer Knoote, directeur van het Centraal bureau voor Vreemdelingen-verkeer, in de „Camera”, omdat hij dit land kende zooals slechts weinige Nederlanders zelf ’t kennen en omdat hij ons land verkoos boven alle andere, om uit te rusten na harden arbeid en er zijn bevrediging te vinden voor zijn architectonische en artistieke gaven. Ik heb Het groot voorrecht gehad, gaat de schrijver verder, gedurende zeven jaren achtereen Marshall te mogen vergezellen op zijn tochten door Nederland. „We are exploring a new country again” zeide hij dan, en telkenjare genoot hij meer van onze oude architectuur, van het prachtig Nederlandsche landschap en haar rijke Flora. Nooit zal ik vergeten welken indruk de prachtige tuinen van de kasteelen Weldam, Middachten en vooral Bouvigne op hem maakten en hij was er niet uit weg te krijgen, steeds nieuwe motieven c tdekkende voor zijn camera. Behalve de beide provinciën Groningen en Drente bezocht Marshall alle overige deelen van ons land, steeds foto’s nemende van wal voor hem waarde had. Door de vriendelijkheid van den heer Knoote zijn wij mede in staat gesteld hier twee foto’s, nog niet gereproduceerd, van Marshall weer te geven, welke een mooien kijk geven op diens groot en veelzijdig talent. IN ZEELAND. (foto A. Marshall). Arthur Marshall
PDF
Nummer
1915, nr.30, 12 april. 1915
Blad
12
Tekst
PANORAMA 236 Panorama van de nu geheel gereed zijnde Wereld-Tentoonstelling te San-Francisco. H et prachtige panorama van de Panama-Pacific-tentoonstelling te Francisco, dat wij hierboven reproduceeren, is het nieuwste dat van deze kolossale tentoonstelling, die nu geheel gereed is gekomen, gemaakt is. Van dit punt gezien doen de prachtige kleurschakeeringen, architectuur, beeldhouwwerken en landschappen de tentoonstelling gelijken op de schitterende rijen van paleizen prachten tuinen, die men soms in den droom ziet. Gedurende de eerste 10 dagen, die op de opening de exj volgden, werd de tentoonstelling door een millioen menschen bezocht en het is te voorzien da! dingen het record van de eerste weken nog verbeterd zal worden. De baai van San-Francisco met de Tower prachtige Marin Hills en Mount Tamalpais links, met de Golden Gate geheel links, vormen een! door d< De Franschen in den Elzas. De jonge bewoonsters van den Elzas, in hun eigenaardige kleederdracht, zijn, zooals onze foto doet zien, goede vrienden met de Fransche soldaten. De vrouw en de oorlog. Londen heeft nu ook vrouwelijke politie-agenten gekregen, die in een bijzondere uniform gestoken zijn. (Zie links op onze foto). De absint in ypte ver De proclamatie van generajaxwell, waé absint verboden wordt, is Kaïro aanc algemeenelangstelling Het nieuwe Engelsche geschut. Het Engelsche leger is wederom versterkt met een aantal groote kanonnen tegen luchtvaartuigen, waarvan wij er hierboven een in stelling gebracht zien. De bri'tar huis. Een Engelsch soldaat, wiens rechterarm zwaar gewond is, waardoor hij du.t in staat in Engeland eenig levensteevan hem
PDF
Nummer
1915, nr.30, 12 april. 1915
Blad
13
Tekst
237 PANORAMA van paleizen i de opening voorzien dat :isco met de vormen een pracht-achtergrond voor het groen en goud van de tentoonstelling. Ofschoon het uiterlijk van de expositie reeds de hoogste verwachtingen wekt, overtreft het onnoemelijk groot aantal inzendingen deze verwachtingen nog verre. Midden op bovenstaande foto ziet men den 435 voet hoogen Tower of Jewels, waarvan de 125.000 facetten op den dag door het zonlicht en des avonds door de prachtige zoeklichten, hun licht in duizenden kleurschakeeringen over het terrein terugkaatsen. Links van dezen toren bevindt zich het prachtige gebouw voor schoone kunsten, waarin verschillende kunstvoorwerpen uit Europa worden tentoongesteld, die daar nu misschien veiliger zijn, dan in de Oude Wereld. Geheel links op de foto bevinden zich de woningen van het personeel van de tentoonstelling alsmede de renbaan, sportvelden, enz. Rechts op de foto ziet men het gedeelte van de tentoonstelling, waarop zich de diverse vermakelijkheden bevinden. ; absint in Egypte verboden. e van generaal Maxwell, waarbij de verkoop van »n wordt, is in Kaïro aangeplakt en trekt de algemeene belangstelling. Oorlogs-grafkransen. Op het graf van een Duitsche automobielafdeeling, die in Noord-Frankrijk door een Fransche ruiterafdeeling verrast werd en totaal vernietigd, zijn de overblijfselen van de auto’s als eereteekenen geplaatst. De brief>ar huis. .ardoor hij dusiet in staat is zelf de pen te hanteeren, heeft de zuster verzocht, zijn familieleden enig levensteek! van hem te doen toekomen. De Duitsche soldaat naar het front. De helm en de borst versierd met bloemen, het geweer door zijn meisje gedragen, trekt hij vol moed naar het front, waar hem misschien, en wie weet hoe spoedig, een moordende kogel wacht. Het vertrek van den Duitschen landstorm. De laatste oogenblikken voor het vertrek van den trein worden nog met vrouw en kinderen of verloofde doorgebracht. Een der soldaten, die zijn harmonica naar de loopgraven meeneemt, tracht door vroolijke wijsjes het leed van het afscheid te verzachten.
PDF
Nummer
1915, nr.30, 12 april. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA 238 MUZIEKCONCOURS TE H E LLEVO ETSLU IS . Door het Comité tot Ontwikkeling en Ontspanning der gemobiliseerde troepen in de stelling van de Monden van de Maas en het Haringvliet, is op 5 April een muziekconcours gehouden, waaraan werd deelgenomen door Harmonie en Fanfare-Vereenigingen. tijdens de mobilisatie bir.nen deze stelling gevormd. Onze foto links geeft de regelingscommissie met de jury. Zittend v. I. n. r.: dr. H. Kerbert, maj. van Rijswijk de Jong, voorz., kapt. M. E. Grefe. Staande v. 1. n. r.: kapt. W. J. Wijnands, W. L. Aarts, kapt. N. A. Bouwman, dirigent v. d. Kon. Mil. Kapel, W. F. Hovius. De foto rechts: de mobilisatie-muziekvereeniging „Nieuwenhoorn’'. HET AVONTUUR VAN MJOr. SEPHUS BROMMEIER DOOR HENKIE 1 te! bulderde de deurwaarder voor de twintigste maal dien morgen. Een deurwaarder met een flink voorkomen en een barsche stem was wel noodig in de rechtzaal van het elfde kanton te Amsterdam, want de vonnissen van den Weledelgestrengen heer Mr. Josephus Brommeier waren gewoonlijk zeer hard en hadden vaak een gemompel van verontwaardiging ten gevolge. Dezen morgen was de kantonrechter al onverbiddelijk streng, een gevolg van de slechte stemming van Zijn Edelachtbare, een • stemmii.c' die wederom haar oorzaak vond in een krantenbericht, dat hij in een der ochtendbladen gelezen had en waarin vermeld stond dat de opengevallen plaats in de arrondissementsrechtbank, waarop hij gehoopt had, door een zijner collega’s was ingenornen. „Drie maanden gevangenisstraf 1” klonk het tegen een bleeken jongeling, die door den honger gedreven uit een openstaande broodkar een broodje genomen had, en de andere vonnissen, die nog volgden dien morgen, kenmerkten zich door een even groote gestrengheid. Eindelijk kwam de pauze en Mr. Brommeier begaf zich naar zijn privé-vertrek om daar zijn koffie te gaan gebruiken. Juist toen hij de kamer wilde binnengaan, overhandigde de portier hem een briefje, dat zooeven gebracht was en dat als volgt luidde: Edelachtbare Heer! Een stervende, Janus Schilp, wonende de Jonkerstraat 12, twee hoog, bij wien ik zooeven geroepen werd om den laatsten geestelijken bijstand te verleenen, deelt mij in zijn doodsangst mede, dat hij u een bekentenis te doen heeft betreffende een door UE.Achtb. te berechten zaak. Hij wil alleen in uw tegenwoordigheid spreken. Dringend moet ik UE. Achtb. dus verzoeken als Uw ambtsbezigheden het UE.Achtb. eenigszins veroorloven den ongelukkige den doodstrijd te verlichten door zijn bekentenis aan te hooren. Overtuigd van uw bereidwilligheid en met de meeste hoogachting, Uw oud-studiemakker en vriend Dominee Vromensteyn. „Zoo 1 Zeg aan den persoon, die het briefje bracht, dat ik dadelijk na het koffiedrinken komen zal,” zei de man der wet en tien minuten later bevond hij zich reeds op weg naar het opgegeven adres. Toen hij daar aankwam, werd hij aan de voordeur ontvangen door een stoeren kerel die hem geheel onbekend was. „U komt net op tijd, mijnheer,” zei hij beleefd. „Dominee is boven bij den armen kerel en zei me dat ik naar beneden zou gaan om op u te wachten.” „Wat — ken je me dan?” vroeg de magistraat op scherpen toon. „Ja, zeker, mijnheer. Ik ben stukadoor en heb meermalen bij u in het gebouw gewit.” „Hm!” zei de heer Brommeier en liep ondertusschen naar boven. Nauwelijks was hij evenwel de kamer binnengetreden, of zijn begeleider pakte hem van achteren beet en wierp hem op den grond. „Help! Help!” riep de heer Brommeier, doch in een oogenblik was hem een prop in den mond gestopt. „Houd je smoel!” bulderde zijn aanvaller. „Ik zal je geen kwaad doen. als je je maar stil houdt.” 'n Stevig touw te voorschijn halende, bond hij hiermede den kantonrechter de armen en beenen vast. „Ziezoo, nu mag je hier veilig achter slot en grendel een paar dagen van je vermoeienden arbeid uitrusten,” zei zijn belager op kalmen toon. „En onderwijl zal ik zoolang je werkzaamheden waarnemen,” ging een ander voort, die zoo juist de kamer was binnengetreden. De arme gemolesteerde kantonrechter wendde het hoofd naar de plaats waar de stem, zijn eigen stem meende hij bijna, vandaan kwam en. had hij geen prop in den mond gehad, dan zou hij een kreet van verwondering geslaakt hebben, want daar stond voor hem zijn evenbeeld, zijn dubbelganger, een man die op hem geleek als de eene politiehelm op den ander. „Ja,” ging de man voort, „ik ben voornemens uw EdelNAAR HET OO R LOGSTE R R El N . De vorige week zijn er wederom eenige Hollandsche zusters naar Oostenrijk vertrokken. V. I. n. r. Ie rij Zr. Scheltema, Welmering, v. Wensen. Smit, v. Dillen, Kat. 2e rij (in de coupé) Zr. Berkhout en Sampon. achtbare te vervangen, mijnheer Brommeier, daarom heb ik je hierheen gelokt. Je ziet, ik kan de handteekening van dominee Vromensteyn goed namaken en ik heb er succes mee gehad, want je bent er mooi ingeloopen.” Mr. Brommeier stikte bijna van woede. „Ik zeg je nu goeden dag,” vervolgde zijn levend portret op rustigen toon, „want over een kwartier wordt de zitting weer geopend en we mogen de beklaagden niet laten wachten. Maak het je hier intusschen gemakkelijk!” Toen, nadat hij zijn kameraad op het hart gedrukt had den gevangene goed te bewaken, nam hij met een spottenden glimlach voor den heer Brommeier zijn hoed af en verliet het vertrek, zijn slachtoffer achterlatende in een staat van wanhoop over de gevolgen, die uit dit voorval zouden voortvloeien. HET STADHUIS TE HAARLEM. De toren op het stadhuis te Haarlem, die in 1772 was afgebroken, is volgens het ontwerp Dumont, op initiatief van wijlen mr. A. J. Enschede wederom opgebouwd. Volgens de raming bedroegen de kosten van den opbouw f 12 Ö00. . De gewaande kantonrechter ondervond niet de minste moeilijkheden bij het vervullen van de door hem vrijwillig op zich genomen taak. De griffier, de deurwaarders, politiedienaren en andere employé’s toonden geen zweem van verwondering. Nadat hij zijn zitplaats had ingenomen, werd de eerste beklaagde binnengeleid. „Wat is hem ten laste gelegd?” vroeg hij. „Dronkenschap, verwekken van wanordelijkheden en verzet tegen de politie,” klonk de beschuldiging. „Wat heb je hierop te antwoorden, man?” „ja, Edelachtbare, ik was dronken, maar ik heb geen mensch aangevallen!” „Ik geloof je, man, en als je belooft in ’t vervolg niet meer zooveel te drinken, zal ik je nu laten gaan !” Alle ambtenaren en beambten die dit hoorden keken verbaasd op. Wat beteekende dat ? Wat moesten ze daarvan denken? Zoo iets zei kantonrechter Brommeier, die gewoon was de getuigenis der politie even hoog te houden als de Heilige Schrift, en nu met veronachtzaming van de door beëedigde personen geuite beschuldiging, de woorden van dien dronkaard onvoorwaardelijk geloofde. „Excuseer, Edelachtbare,” begon de agent, die den dronkaard verbaliseerd .had. Hem werd evenwel toegebulderd: „Houd je mond, man!” En deze manier van spreken was zoo volkomen in overeenstemming met Mr. Brommeier’s gewone wijze van handelen, dat de ambtenaren verlucht adem haalden en meenden, dat de onbegrijpelijke zachtzinnigheid, waarvan de kantonrechter zoo even blijk gegeven had, slechts een exceptie zou zijn. Dit was echter niet het geval. Verdere beklaagden kwamen voor en velen van hen werden onmiddellijk van rechtsvervolging ontslagen. De uitdrukking op de gezichten der aanwezigen was onbeschrijfelijk; het ontzag dat de strenge kantonrechter zijn ondergeschikten steeds had weten in te boezemen, weerhield hen om openlijk opmerkingen te maken. Een ongunstig uitziend persoon, die verschillende kleine diefstallen had gepleegd, werd voor al deze delicten tot drie gulden boete of drie dagen hechtenis veroordeeld. „Dank je wel, edelachtbare,” zei de kerel, terwijl hij tegen zijn voorhoofd tikte. „Je bent ’n beste vent, dat ben je!” „Stilte!” gelastte de deurwaarder. „Houd jij zelf je mond, mijnheerrr!” beval de gewaande kantonrechter op barschen toon. „Je maakt zelf hier meer lawaai dan iemand anders.” „Excuseer!” mompeldé de man nederig en uit het veld geslagen. Het was duidelijk: de kantonrechter was dronxen. Er was geen andere uitlegging mogelijk. Hij had bepaald tijdens de lunch te veel wijn gedronken. Deze meening werd ook gedeeld door de andere beambten met wien de deurwaarder, na afloop der zitting de vreemde gebeurtenissen van den dag besprak. „Misschien is ie morgen weer in orde als ie uitgeslapen is,” meende een dikke politieagent. „Ik heb den ouwen vos nog nooit zoo gezien.” „En ik hoop hem nooit meer zoo te zien,” mopperde de deurwaarder, nog verontwaardigd door het onverdiende standje dat hij gekregen had. „Als hij zoo doorgaat, vraag ik mijn ontslag aan.” Den volgenden morgen stonden in de ochtendbladen lange artikelen over de allerzonderlingste zitting, die door den rechter van het elfde kanton gehouden was. „De wonderen zijn de wereld nog niet uit,” schreef een verslaggever, die meermalen de strenge vonnissen van den heer Brommeier scherp veroordeeld had. „Gisteren zijn in het elfde kanton zeven beklaagden op de onverklaarbaarste wijze vrijgesproken.” De gewaande magistraat had ondertusschen de voorzorg genomen aan de huishoudster van den kantonrechter (deze laatste van^ den neer was ongetrouwd en woonde op kamers) een telegram te sturen, vermeldende dat hij
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1506 tot 1510 van 11897