|
231 PANORAMA
zou ik hem de waarheid moeten zeggen. Mijn gelaat zou
verraden dat ik zijn schuldig geheim kende en men zou mij
noodzaken tegen hem te getuigen.”
Zij wrong zenuwachtig de handen.
„Ik zou het niet kunnen doen, want, ondanks alles heb ik
hem lief. Ik moet met hem huwen morgen, want een vrouw
kan men niet dwingen te getuigen tegen haar man. Maar
als we getrouwd zijn, zal ik hem zeggen dat ik zijn
geheim ken, — dat zijn geheim bij mij veilig bewaard is,
doch dat we moeten scheiden — voor altijd. Oh, Tonny,
Tonny, het is bijna niet te dragen. Hoe houd ik het morgen
uit!”
* *
♦
Den volgenden morgen stond Nora naast den man,
wiens geheim zij zoo ontijdig te weten gekomen was. In
haar bruidstoilet zag ze er heel bekoorlijk uit. Ze was
evenwel zeer bleek en in haar oogen zag mén niet den gelukkigen
glans, dien men bij een bruid verwachten mag.
Anton zag natuurlijk de verandering, die hij evenwel aan
de emotie van het oogenblik toeschreef. Hij trachtte, haar
blik op te vangen, drukte haar hand, doch Nora scheen
ongevoelig voor deze liefdesuitingen, de geheele plechtigheid
scheen aan haar voorbij te gaan, en toen de ambtenaar
van den Burgerlijken Stand haar de gebruikelijke
vragen deed, was het haar een oogenblik onmogelijk te
antwoorden. Een ieder der aanwezigen keek haar verwonderd
aan; Anton zelf voelde een onbestemden angst over
haar houding, waarvan hij tevergeefs een verklaring zocht.
Eindelijk was de plechtigheid geëindigd en Nora verliet
het gebouw als mevrouw Keeling.
Het jonge paar ging op reis naar Londen, om vandaar
over Folkestone Parijs te gaan bezoeken. Eindelijk alleen
met zijn jonge vrouw zei Anton teeder tot haar:
„Mijn lieveling, wat ben je den geheelen dag stil en wat
zie je bleek. Wat scheelt er aan? Zeg ’t mij en dan zal ik
je eindelijk mijn geheim vertellen, waarover je zeker verrast
zult wezen.”
Zij maakte zich zacht maar beslist uit zijn omarming los.
„Ik weet je geheim! Ik weet het van het oogenblik af
dat je me gisteren verliet. Je hebt dit op den divan laten
liggen.”
Ze haalde den brief te voorschijn, dien ze den avond te
voren gevonden had.
Met een verbaasd gezicht nam hij het papier aan. Hij kon
zich haar koelheid niet verklaren en nog wel
op hun trouwdag! Was zij misschien boos,
omdat hij haar gisteren zijn geheim niet
verteld had ?
Nieuwsgierig keek hij het briefje in ; toen,
in plaats van verslagen of onthutst te zijn,
omdat de bekentenis van zijn misdaad in
handen van zijn vrouw gekomen was, keek
hij integendeel verheugd en blijkbaar opgelucht
zijn jonge vrouw aan.
„Sapperloot, kindlief, had jij ’t? Ik dacht
niet het minst dat ik het verloren had. Wat
ben ik blij dat je ’t gevonden hebt. Ik was
er zeker door in ongelegenheid gekomen als
ik het later gemist had. Maar hoe weet je,
schattebout, dat dit betrekking had op mijn
geheim ?”
Ze keerde zich plotseling naar hem toe.
„O, waarom speel je je misdadig spel nog
langer,” riep ze uit, buiten zichzelf van
verontwaardiging en verdriet. „Je bekent
dat jouw geheim in dien brief staat. Je was
berekenend genoeg om mij dit niet te willen
vertellen voor we getrouwd waren. Anton,
hoe kon je zoo laag, zoo — listig wezen?”
„Ik begrijp er niets van!” Zijn stem klonk
onbegrijpelijk kalm. „Wat denk je toch eigenlijk
van mijn geheim, Nora?”
„Wat je zelf in je brief geschreven hebt. O wees niet
bevreesd, ik zal je niet verraden. Ik blijf hier, terwijl jij
alleen je reis doet. Ik wil geen cent gebruiken van het
geld dat op zoo’n onrechtmatige wijze verkregen is.”
„Nora! Wat bezielt je? Mij verlaten op onzen trouwdag?
’t Is absurd! Ónmogelijk! Zeg, dat je het niet meent. Laat
me je alles • uitleggen. Je hebt je vreeselijk vergist!”
„Nader me niet! Voeg maar geen leugens bij je andere
misdaden. Ik meen alles wat ik zeg. Ik kan niet met je
leven, nu ik alles van je weet!”
„Zoo,” zei hij langzaam. „Weet je alles. Zeg me dan,
waarom trouwde je met mij, terwijl je de overtuiging had
dat ik een dief was?”
„Omdat een vrouw niet tegen haar man behoeft te getuigen
!”
. Hij schoot in een lach, doch het was een lach vol bitterheid.
„Waarlijk, Nora, je gevolgtrekkingen zijn bewonderenswaardig
en — kluchtig. Ik kan nog haast niet gelooven
dat je meent wat je zegt! Laat me je alles eens uitleggen,
dan zul je er zeker zelf om lachen!”
„Je kunt mij niets vertellen, wat ik wensch te hooren,
of wat jouw gedrag maar eenigszins minder laakbaar zou
maken,” antwoordde zij afgemeten.
„Doe me slechts het genoegen, en ga heen, ga onmid
dellijk !”
„Goed, ik zal aan je wensch voldoen! Er zal evenwel
eén dag komen dat je zult vernemen, wat je nu weigert
te willen aanhooren!”
Hij keek op haar neer, trotsch en beleedigd; toch bleef hij
nog staan, hopende dat zij haar laatste woorden herroepen
zou, maar ze zweeg, en hij zag slechts het bekoorlijk profiel
van haar afgewend gelaat.
Toen liep hij langzaam naar de deur, keerde zich nog
eenmaal om en zei gemoedelijk maar beslist:
DE KONING VAN SPANJE.
Hierboven het nieuwste portret van den Koning van Spanje
met zijn zoon. den Kroonprins.
„Je zendt mij heen, Nora, doch bedenk dat ik niet zal
terugkeeren, voordat je zelf om mij vraagt!”
De deur sloot achter hem en aldus eindigde hun trouwdag.
* ♦
♦
Zes maanden later zat mevrouw Keeling in den tuin
van een eerste-rangs hotel aan de Middellandsche zee.
VOOR HET NEDERLANDSCHE LEGER.
Keuring der vracht-auto’s voor het Nederlandsche leger vóór de fabrieken
van „Trompenburg” te Amsterdam.
HET GEBOUW „NEPTUNUS”.
*Te Amsterdam is het nieuwe gebouw geopend van de .Vereeniging van
Nederlandsche gezagvoerders en stuurlieden ter Koopvaardij. De benedenverdieping
is ingericht tot magazijn, terwijl de bovenverdieping o.a. de
vertrekken en vergaderzaal der Vereeniging bevat.
De dood van een tante, die haar een groot fortuin had
nagelaten, had haar geheel onafhankelijk gemaakt van
haar echtgenoot. Ze had al dien tijd niets meer van of over
hem gehoord en somtijds kwam een vaag zelfverwijt bij
haar op, omdat zij haar geluk verwoest had, door in haar
verontwaardiging haar man van haar weg te zenden, zonder
hem gelegenheid te hebben gegeven zich te rechtvaardigen.
Een oogenblik later kwam dan evenwel haar trots de
zachte gevoelens verjagen en maakte zij zichzelve wijs dat
er niets voor haar te luisteren zou zijn geweest.
Had de brief niet de bekentenis bevat van zijn misdaad
en had hij niet erkend den brief zelf geschreven te
hebben ?
Terwijl ze aldus droevig zat te peinzen over de bitterheid
van het noodlot, dat haar gemaakt had tot een getrouwde
vrouw in naam, zag zij een dame aankomen, die insgelijks
in het hotel logeerde en met wie zij vriendschap gesloten
had.
„O, is u hier, mevrouw Keeling?” riep de dame haar
vriendelijk toe.
„Ik heb u overal gezocht.”
Nora lachte.
„Ik ben toch niet moeilijk te vinden!”
Mevrouw Greve kwam naast haar zitten. De oude dame
had een groote genegenheid opgevat voor deze bekoorlijke
onbestorven weduwe met de droeve oogen, en veroordeelde
in stilte den echtgenoot, die zoo'n lieve jonge vrouw geheel
scheen te veronachtzamen.
„Apropos,” zei ze plotseling. „Is het soms een familielid
van u waarover in de dagbladen geschreven wordt en wiens
portret in de geïllustreerde bladen is afgebeeld?”
Het duizelde Nora voor de oogen. Mevrouw Greve scheen
haar betrekking te kennen of te vermoeden met den man,
„over wien in de dagbladen geschreven werd.”
Eindelijk was het dus gekomen; de misdaad was ontdekt
en hij zou er voor boeten!
„Wat bedoelt u?
Ze trachtte kalm te spreken, wat haar evenwel slecht
afging.
„Wel, dat de nieuwsbladen vol lof zijn over een zekeren
Anton Keeling, die een drama geschreven heeft, waarvan
dezer dagen de première gegeven is,” was het antwoord.
„Ik vroeg mijzelf dadelijk af, of hij soms een familielid
van u wezen kon.
Wilt u de recensies eens lezen?
Het stuk is getiteld : „Voor eens anders
eer”!”
Met bevende vingers nam Nora de couranten
aan en las de critieken over het werk
van haar man, en naarmate zij verder las,
maakte haar trots plaats voor schaamte.
Vooral toen zij het volgende las: „Inzonderheid
in de uitbeelding van den held
is de heer Keeling ten zeerste geslaagd.
Groote indruk maakte de scène waarin
een brief van den schuldigen broeder wordt
voorgelezen en waarin deze bekent den bankdiefstal
gepleegd te hebben.
De heer Keeling, die reeds geruimen tijd
onder een schuilnaam knap litterair werk
geleverd heeft, heeft met zijn drama „Voor
eens anders eer” de kroon op zijn werk
gezet.”
Nora frommelde de krant ineen en
stond op.
Haar oogen stonden vol tranen, doch het
waren tranen van geluk.
„Wat scheelt er aan, lieve ?” vroeg mevrouw
Greve.
Nora lachte zenuwachtig.
„Niets; ik moet alleen even weg.
Ik — ik moet mijn man een telegram sturen.”
Mevrouw Greve keek naar de ineengefrommelde krant
en toen naar het betraande gelaat van haar gezellin, en
maakte haar gevolgtrekkingen.
„Zoo,” mompelde de oude dame. „Het was dus haar
schuld !”
Twee dagen later liep Nora in een gejaagde gemoedsstemming
haar kamer op en neer.
„Nog steeds geen antwoord,” murmelde zij. „Welnu,
ik verdien het! Ik heb hem te diep beleedigd, ik weigerde
hem aan te hooren en nu ik hem vraag te komen, nu weigert
hij te komen.
Waarom zou hij minder hard zijn dan ik!
En toch, als hij wist hoe ik naar hem verlang!”
Daar werd de deur opengeworpen, een man stormde de
kamer binnen en twee menschen hadden elkander teruggevonden
na maandenlange scheiding ten gevolge van een
misverstand.
„Zoo zie je, lieve vrouw,” zei Anton, na de eerste wederzijdsche
verklaringen, „dat mijn eenig geheim bestond in
mijn succes als schrijver, en de brief dien je vond was een
aanvulling, toen het stuk reeds in studie was. Het bleek
noodig de handeling in een der bedrijven nog wat meer te
doen spreken.”
Zij nestelde zich in zijn armen.
„O, Tonny, hoe zal ik je mijn schaamte en berouw kunnen
toonen over mijn onheusche behandeling?”
Hij drukte haar een kus op het voorhoofd.
„Door onze uitgestelde huwelijksreis aan te vangen.”
|