Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1501 tot 1505 van 11897
Nummer
1915, nr.29, 8 april. 1915
Blad
05
Tekst
229 PANORAMA DE BISMARCK-HERDENKING TE BERLIJN PRINS WILHELM VAN PRUISEN, de oudste zoon van den Duitschen kroonprins, die bij deze gelegenheid voor het eerst officieel bij een feest tegenwoordig was. HET BISMARCK-FEEST IN DE HOSPITALEN. In de Duitsche hospitalen werd de honderdjarige geboortedag van Bismarck eenigszins feestelijk herdacht. Groepen kinderen zongen onder leiding van de onderwijzers vaderlandsche liederen enz. RIJKSKANSELIER VON BETHMANN-HOLLWEG legt een krans bij het standbeeld van Vorst Bismarck. EEN VREDÊSBETOOGING. Op een stuk land bij de Joh. Verhulststraat te Amsterdam is een openluchtmeeting gehouden, belegd door een aantal anti-militaristische vereenigingen. Op onze foto ziet men Domela Nieuwenhuis aan het woord. LORD ROTHSCHILDf Op 74-jarigen leeftijd is te Londen overleden de bekende financier en philantroop Lord Rothschild, lid van het House of Lords. WIELERWEDSTRIJDEN. Op de Amsterdamsche Wielerbaan hebben j.1. Zondag belangrijke wedstrijden plaats gehad. Onze foto geeft een moment uit den Clubwedstrijd over 1 K.M. (Winnaar: Nijland). HET PAASCHCONGRES DER S. D. A. P. TE ARNHEM. De heeren (van 1. n. r.) Hugenholtz. Vliegen en Spiekman verlaten de vergaderzaal. Een gedeeltelijk overzicht van het congres. Snapshot van de heeren Troelstra en Hugenholtz bij den ingang van de zaal. In Musis Sacrum te Arnhem is j.1. Zondag, Maandag en Dinsdag het Paaschcongres der S. D. A. P. gehouden. Aangezien er op de houding van het Partijbestuur inzake den oorlogstoestand door enkele afdeelingen een scherpe critiek werd uitgeoefend, behoort dit congres ongetwijfeld tot de meest belangrijke die vanaf de oprichting van de partij gehouden zijn.
PDF
Nummer
1915, nr.29, 8 april. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 230 DE INTERNATIONALE VROUWENDAG VOOR DEN VREDE. Na afloop van den in het Concertgebouw te Amsterdam gehouden Internationalen Vrouwendag voor den Vrede, werd er een stoet gevormd, die door Amsterdam trok. De stoet werd geopend door op de gong slaande vrouwen en meisjes (zie onze foto links); daarna kwamen de tegen den oorlog protesteerende vrouwen, verschillende doeken met opschriften met zich voerende. MEVROUW BLAUWBAARD et opflikkerend haardvuur wierp zijn gouden schijnsel op Nora Vernede’s bekoorlijk gelaat. Het licht was nog niet aangestoken, doch Nora en haar verloofde, — morgen haar echtgenoot — hadden voldoende aan de flikkerende vlammen in den ouderwetschen haard. Anton Keeling was reeds sedert vier jaar met Nora ge­ ëngageerd, en ofschoon hij een verantwoordelijke betrekking aan een bankinstelling bekleedde, was hij eerst kort geleden in staat gesteld met Nora den dag te bepalen waarop zij man en vrouw zouden worden. Drie weken geleden was hij de huiskamer bij Dora binnengestormd, terwijl zij voor de piano zat. had haar in de armen genomen en haar verteld, dat hem een buitenkansje te beurt gevallen was, dat hem in staat stelde haar te vragen hem tot den gelukkigsten man van de wereld te maken. Zijn knap gelaat straalde zoo’n geluk uit en zijn oogen glinsterden van zulk een vurige liefde, dat Nora er geheel door bevangen was en diep blozende toestemde over drie weken te trouwen, ten minste als zij in dien tijd met haar uitzet gereed kon komen. Anton had vroolijk gelachen, toen zij voorstelde te trouwen in een blauw mantelpak en hoed, ten einde zoo min mogelijk geld uit te geven. „Neen, lieveling,” had hij haar teeder geantwoord, „de geheele stad moet zien welke een bekoorlijke bruid ik trouw, en nu je geen ouders meer hebt, die je in deze dagen met raad en daad kunnen helpen, zal ik mijn tante Cato vragen of je de weken, die ons nog van ons huwelijk scheiden bij haar door mag brengen; zij zal wel zorgen dat je er uitziet zooals een bruid er moet uitzien, van je oranjebloesems tot je satijnen sleep.” En zoo gebeurde het dat Nora en haar bruidegom bij elkander zaten in tantes smaakvol boudoir, vol geluk de bijzonderheden besprekende van den volgenden dag, den dag. die een keerpunt in hun leven zou wezen. Aan Nora’s kleine linkerhand schitterde een prachtige diamanten- ring, het laatste geschenk van haar verloofde; en zelfs haar op dit gebied weinig ervaren oogen vertelden haar, dat het een ring van zeer groote waarde moest zijn. Terwijl ze naar den schitterenden steen keek, kwam er opeens een rimpel op haar glad voorhoofd. „Een gulden voor je gedachten, schat!” zei haaraanstaande lachend. Zij keek blozend naar hem op. „Tonny, ik heb je al meermalen iets willen vragen, en steeds niet gedurfd.” Hij trok haar naar zich toe. „Zeg me wat het is, liefste!” „Je hebt me nog niet verteld, hoe je aan.... aan dit plotselinge fortuin gekomen bent, dat ons in staat stelt veel spoediger te trouwen dan we verwacht hadden,” begon ze aarzelend. „Is het een heel groot geheim, of mag ik er naar raden?” Hij glimlachte. „Ik geloof dat je het nimmer raden zult, kindlief! Het heeft niets met mijn betrekking aan de bank uitstaan, ik ben daar nog in dezelfde positie. Morgen zal ik je mijn geheim vertellen, als je mijn dierbare vrouw bent, want dan weet ik dat je mijn geheim zult eerbiedigen.” „Je denkt toch niet, Anton, dat ik je geheim verraden zou, als ik het nu wist?” vroeg ze in pijnlijke verrassing. Ds. D. C. C. STAP, predikant der Ned. Herv. Kerk te Wijk bij Duurstede, vierde den len April zijn 40-jarig jubileum. Ds.Stap stond achtereenvolgens in verschillende gemeenten en sedert 1881 in zijn tegenwoordige. PAUL BARON DE BIEBERSTEIN ROGALLA ZAWADSKY+, die gedurende 45 jaar lid der ..Gedeputeerde Staten en 50 jaar lid der Provinciale Staten van Limburg was, is in den ouderdom van bijna 90 jaar overleden. „Natuurlijk niet, schat,” antwoordde hij snel. „Maar niemand dan mijn vrouw mag weten hoe ik aan mijn plotselingen rijkdom, of beter gezegd, welstand gekomen ben. Op den een of anderen dag lekt het uit en zal ik er de consequenties van moeten aanvaarden. In allen geval, lieveling, ben ik verheugd mijn vrouwtje een luxe te kunnen aanbieden, waarvan ze niet gedroomd had.” Zij vleide haar hoofd tegen zijn schouder, zoodat haar krullend haar hem het gezicht streelde. „Ik ben zeer nieuwsgierig een kijkje te nemen in Blauwbaards kamer, en te zien welk geheim ze bevat, Tonny”, lachte ze. „Ik zie je bekentenis te gemoet!” „En ik, liefste, zie het oogenblik te gemoet, waarop ik mijn vrouw zal kunnen vertellen, wat een slechten kerel ze getrouwd heeft, iemand, die misschien spoedig door iedereen besproken zal worden; een noodlot waarin mijn schattig vrouwtje dan ongetwijfeld ook zal moeten deelen.” „St! Dat mag je niet zeggen,’ zei ze zacht. „Ik wil niet hebben, dat je zoo spreekt over den man dien ik liefheb* en die morgen mijn echtgenoot zal zijn.” Hij hield haar innig omvat en geen van beiden sprak gedurende eenige oogenblikken. Nora vergat haar angst over de onbekende herkomst van haar bruidegoms ruime middelen; ze vergat alles behalve dat ze zich in de armen bevond van den eenigbeminden man. Toen hij eindelijk afscheid nam, kuste hij haar en zei: „Goeden nacht, lieveling! God geve, dat het geluk dat ons tegenlacht, onze bestendige metgezel zal blijven in ons huwelijk!” „Goeden nacht, ondeugende man! Ik zal droomen van jou en jouw wonderbaar geheim; het geheim waarvan je bang was dat ik het verraden zou.” Hij keek haar glimlachend aan. „Dat was maar een grapje, kindlief! Als ik je mijn leven vertrouw, vertrouw ik je ook mijn geheim.” De deur sloot achter hem en Nora keerde naar het boudoir terug. Ze wilde nog eenigen tijd alleen zijn, en tante Cato bezat levenswijsheid genoeg om zich onzichtbaar te houden, als ze meende dat haar gezelschap gemist kon worden. Nora begaf zich naar de sofa, .waarop ze daarstraks beiden gezeten hadden, in gelukkigen kout den dag van morgen besprekende. Daar ziet ze op de plaats waar haar verloofde gezeten had een briefje liggen. Ze neemt het op, een verwonderde blik in de oogen. „Ik ben benieuwd of dit iets heeft te maken met het geheim,” mompelt ze. „Het lijkt wel een brief. Ik heb veel lust om mevrouw Blauwbaard te spelen en den brief eens in te zien. Ik zal morgen alles aan Anton bekennen.” Ze opent den brief, een schalksche glimlach om den kleinen mond, en begint te lezen; doch de glimlach verstart, de brief ontvalt aan haar handen en de uitdrukking van geluk in haar oogen maakt plaats voor een van schrik en wanhoop. „Het kan niet waar zijn,” mompelt ze met witte lippen. „Tonny een dief! — Een man die geld verduisterd heeft van de bank! Oh, neen — neen — dat niet!” schreit ze. „En toch — in dezen brief bekent hij ’t, het is zijn handschrift. Dat is dus de reden van de ongekende weelde! Dat verklaart alles, alles wat tot nog toe onverklaarbaar was: de rijke geschenken, de kostbare trouwplechtigheid.... oh, ’t is afschuwelijk !” Ze bedekte het gelaat met de handen en barstte in snikken uit. Zoo zat ze eenigen tijd, terwijl haar tengere figuur schokte van nameloos wee. Eindelijk lichtte ze het hoofd op, haar bleek gelaat was nat van de tranen. „Nu weet ik waarom hij mij zijn geheim niet vertellen wilde, voordat ik zijn vrouw was. Hij was bevreesd dat ik zou weigeren de vróuw te worden van een dief.” Ze lachte bitter. „Ik heb het geheim nu zelf gevonden. Als iemand van de bank hier kwam en het vermoeden uitsprak dat ik, als zijn vertrouwde, van zijn misdaad kennis zou dragen, EEN BELGISCH ADVOCAAT BIJ DE AMSTERDAMSCH E BALIE. Mr. Jan Eggen, advocaat te Gent, doctor in de Geschiedenis, die sedert enkele maanden is benoemd tot privaat docent aan de Amsterdamsche Universiteit en Donderdag 25 Maart voor de tweede kamer van het Gerechtshof te Amsterdam heeft gepleit om als advocaat te worden toegelaten bij de Amsterdamsche Balie. Een gebeurtenis, waarvan de geschiedenis van de laatste honderd jaar geen voorbeeld aanwijst. (foto D. v. Kreveld). TEN BATE VAN DE BELGISCHE VLUCHTELINGEN. De vorige week werd er te ’s-Gravenhage een Biljartwedstrijd georganiseerd ten bate van de Belgische vluchtelingen. De heer Moons, Belgisch kampioen, speelde een match, groot cadre, over 400 caramboles met den heer Muller, kampioen van den Haag, welke match door den heer Moons gewonnen werd. Op onze foto ziet men (in overhemd) den heer Moons, links daarvan de heeren de Schepper en Muller. (foto Sijts).
PDF
Nummer
1915, nr.29, 8 april. 1915
Blad
07
Tekst
231 PANORAMA zou ik hem de waarheid moeten zeggen. Mijn gelaat zou verraden dat ik zijn schuldig geheim kende en men zou mij noodzaken tegen hem te getuigen.” Zij wrong zenuwachtig de handen. „Ik zou het niet kunnen doen, want, ondanks alles heb ik hem lief. Ik moet met hem huwen morgen, want een vrouw kan men niet dwingen te getuigen tegen haar man. Maar als we getrouwd zijn, zal ik hem zeggen dat ik zijn geheim ken, — dat zijn geheim bij mij veilig bewaard is, doch dat we moeten scheiden — voor altijd. Oh, Tonny, Tonny, het is bijna niet te dragen. Hoe houd ik het morgen uit!” * * ♦ Den volgenden morgen stond Nora naast den man, wiens geheim zij zoo ontijdig te weten gekomen was. In haar bruidstoilet zag ze er heel bekoorlijk uit. Ze was evenwel zeer bleek en in haar oogen zag mén niet den gelukkigen glans, dien men bij een bruid verwachten mag. Anton zag natuurlijk de verandering, die hij evenwel aan de emotie van het oogenblik toeschreef. Hij trachtte, haar blik op te vangen, drukte haar hand, doch Nora scheen ongevoelig voor deze liefdesuitingen, de geheele plechtigheid scheen aan haar voorbij te gaan, en toen de ambtenaar van den Burgerlijken Stand haar de gebruikelijke vragen deed, was het haar een oogenblik onmogelijk te antwoorden. Een ieder der aanwezigen keek haar verwonderd aan; Anton zelf voelde een onbestemden angst over haar houding, waarvan hij tevergeefs een verklaring zocht. Eindelijk was de plechtigheid geëindigd en Nora verliet het gebouw als mevrouw Keeling. Het jonge paar ging op reis naar Londen, om vandaar over Folkestone Parijs te gaan bezoeken. Eindelijk alleen met zijn jonge vrouw zei Anton teeder tot haar: „Mijn lieveling, wat ben je den geheelen dag stil en wat zie je bleek. Wat scheelt er aan? Zeg ’t mij en dan zal ik je eindelijk mijn geheim vertellen, waarover je zeker verrast zult wezen.” Zij maakte zich zacht maar beslist uit zijn omarming los. „Ik weet je geheim! Ik weet het van het oogenblik af dat je me gisteren verliet. Je hebt dit op den divan laten liggen.” Ze haalde den brief te voorschijn, dien ze den avond te voren gevonden had. Met een verbaasd gezicht nam hij het papier aan. Hij kon zich haar koelheid niet verklaren en nog wel op hun trouwdag! Was zij misschien boos, omdat hij haar gisteren zijn geheim niet verteld had ? Nieuwsgierig keek hij het briefje in ; toen, in plaats van verslagen of onthutst te zijn, omdat de bekentenis van zijn misdaad in handen van zijn vrouw gekomen was, keek hij integendeel verheugd en blijkbaar opgelucht zijn jonge vrouw aan. „Sapperloot, kindlief, had jij ’t? Ik dacht niet het minst dat ik het verloren had. Wat ben ik blij dat je ’t gevonden hebt. Ik was er zeker door in ongelegenheid gekomen als ik het later gemist had. Maar hoe weet je, schattebout, dat dit betrekking had op mijn geheim ?” Ze keerde zich plotseling naar hem toe. „O, waarom speel je je misdadig spel nog langer,” riep ze uit, buiten zichzelf van verontwaardiging en verdriet. „Je bekent dat jouw geheim in dien brief staat. Je was berekenend genoeg om mij dit niet te willen vertellen voor we getrouwd waren. Anton, hoe kon je zoo laag, zoo — listig wezen?” „Ik begrijp er niets van!” Zijn stem klonk onbegrijpelijk kalm. „Wat denk je toch eigenlijk van mijn geheim, Nora?” „Wat je zelf in je brief geschreven hebt. O wees niet bevreesd, ik zal je niet verraden. Ik blijf hier, terwijl jij alleen je reis doet. Ik wil geen cent gebruiken van het geld dat op zoo’n onrechtmatige wijze verkregen is.” „Nora! Wat bezielt je? Mij verlaten op onzen trouwdag? ’t Is absurd! Ónmogelijk! Zeg, dat je het niet meent. Laat me je alles • uitleggen. Je hebt je vreeselijk vergist!” „Nader me niet! Voeg maar geen leugens bij je andere misdaden. Ik meen alles wat ik zeg. Ik kan niet met je leven, nu ik alles van je weet!” „Zoo,” zei hij langzaam. „Weet je alles. Zeg me dan, waarom trouwde je met mij, terwijl je de overtuiging had dat ik een dief was?” „Omdat een vrouw niet tegen haar man behoeft te getuigen !” . Hij schoot in een lach, doch het was een lach vol bitterheid. „Waarlijk, Nora, je gevolgtrekkingen zijn bewonderenswaardig en — kluchtig. Ik kan nog haast niet gelooven dat je meent wat je zegt! Laat me je alles eens uitleggen, dan zul je er zeker zelf om lachen!” „Je kunt mij niets vertellen, wat ik wensch te hooren, of wat jouw gedrag maar eenigszins minder laakbaar zou maken,” antwoordde zij afgemeten. „Doe me slechts het genoegen, en ga heen, ga onmid dellijk !” „Goed, ik zal aan je wensch voldoen! Er zal evenwel eén dag komen dat je zult vernemen, wat je nu weigert te willen aanhooren!” Hij keek op haar neer, trotsch en beleedigd; toch bleef hij nog staan, hopende dat zij haar laatste woorden herroepen zou, maar ze zweeg, en hij zag slechts het bekoorlijk profiel van haar afgewend gelaat. Toen liep hij langzaam naar de deur, keerde zich nog eenmaal om en zei gemoedelijk maar beslist: DE KONING VAN SPANJE. Hierboven het nieuwste portret van den Koning van Spanje met zijn zoon. den Kroonprins. „Je zendt mij heen, Nora, doch bedenk dat ik niet zal terugkeeren, voordat je zelf om mij vraagt!” De deur sloot achter hem en aldus eindigde hun trouwdag. * ♦ ♦ Zes maanden later zat mevrouw Keeling in den tuin van een eerste-rangs hotel aan de Middellandsche zee. VOOR HET NEDERLANDSCHE LEGER. Keuring der vracht-auto’s voor het Nederlandsche leger vóór de fabrieken van „Trompenburg” te Amsterdam. HET GEBOUW „NEPTUNUS”. *Te Amsterdam is het nieuwe gebouw geopend van de .Vereeniging van Nederlandsche gezagvoerders en stuurlieden ter Koopvaardij. De benedenverdieping is ingericht tot magazijn, terwijl de bovenverdieping o.a. de vertrekken en vergaderzaal der Vereeniging bevat. De dood van een tante, die haar een groot fortuin had nagelaten, had haar geheel onafhankelijk gemaakt van haar echtgenoot. Ze had al dien tijd niets meer van of over hem gehoord en somtijds kwam een vaag zelfverwijt bij haar op, omdat zij haar geluk verwoest had, door in haar verontwaardiging haar man van haar weg te zenden, zonder hem gelegenheid te hebben gegeven zich te rechtvaardigen. Een oogenblik later kwam dan evenwel haar trots de zachte gevoelens verjagen en maakte zij zichzelve wijs dat er niets voor haar te luisteren zou zijn geweest. Had de brief niet de bekentenis bevat van zijn misdaad en had hij niet erkend den brief zelf geschreven te hebben ? Terwijl ze aldus droevig zat te peinzen over de bitterheid van het noodlot, dat haar gemaakt had tot een getrouwde vrouw in naam, zag zij een dame aankomen, die insgelijks in het hotel logeerde en met wie zij vriendschap gesloten had. „O, is u hier, mevrouw Keeling?” riep de dame haar vriendelijk toe. „Ik heb u overal gezocht.” Nora lachte. „Ik ben toch niet moeilijk te vinden!” Mevrouw Greve kwam naast haar zitten. De oude dame had een groote genegenheid opgevat voor deze bekoorlijke onbestorven weduwe met de droeve oogen, en veroordeelde in stilte den echtgenoot, die zoo'n lieve jonge vrouw geheel scheen te veronachtzamen. „Apropos,” zei ze plotseling. „Is het soms een familielid van u waarover in de dagbladen geschreven wordt en wiens portret in de geïllustreerde bladen is afgebeeld?” Het duizelde Nora voor de oogen. Mevrouw Greve scheen haar betrekking te kennen of te vermoeden met den man, „over wien in de dagbladen geschreven werd.” Eindelijk was het dus gekomen; de misdaad was ontdekt en hij zou er voor boeten! „Wat bedoelt u? Ze trachtte kalm te spreken, wat haar evenwel slecht afging. „Wel, dat de nieuwsbladen vol lof zijn over een zekeren Anton Keeling, die een drama geschreven heeft, waarvan dezer dagen de première gegeven is,” was het antwoord. „Ik vroeg mijzelf dadelijk af, of hij soms een familielid van u wezen kon. Wilt u de recensies eens lezen? Het stuk is getiteld : „Voor eens anders eer”!” Met bevende vingers nam Nora de couranten aan en las de critieken over het werk van haar man, en naarmate zij verder las, maakte haar trots plaats voor schaamte. Vooral toen zij het volgende las: „Inzonderheid in de uitbeelding van den held is de heer Keeling ten zeerste geslaagd. Groote indruk maakte de scène waarin een brief van den schuldigen broeder wordt voorgelezen en waarin deze bekent den bankdiefstal gepleegd te hebben. De heer Keeling, die reeds geruimen tijd onder een schuilnaam knap litterair werk geleverd heeft, heeft met zijn drama „Voor eens anders eer” de kroon op zijn werk gezet.” Nora frommelde de krant ineen en stond op. Haar oogen stonden vol tranen, doch het waren tranen van geluk. „Wat scheelt er aan, lieve ?” vroeg mevrouw Greve. Nora lachte zenuwachtig. „Niets; ik moet alleen even weg. Ik — ik moet mijn man een telegram sturen.” Mevrouw Greve keek naar de ineengefrommelde krant en toen naar het betraande gelaat van haar gezellin, en maakte haar gevolgtrekkingen. „Zoo,” mompelde de oude dame. „Het was dus haar schuld !” Twee dagen later liep Nora in een gejaagde gemoedsstemming haar kamer op en neer. „Nog steeds geen antwoord,” murmelde zij. „Welnu, ik verdien het! Ik heb hem te diep beleedigd, ik weigerde hem aan te hooren en nu ik hem vraag te komen, nu weigert hij te komen. Waarom zou hij minder hard zijn dan ik! En toch, als hij wist hoe ik naar hem verlang!” Daar werd de deur opengeworpen, een man stormde de kamer binnen en twee menschen hadden elkander teruggevonden na maandenlange scheiding ten gevolge van een misverstand. „Zoo zie je, lieve vrouw,” zei Anton, na de eerste wederzijdsche verklaringen, „dat mijn eenig geheim bestond in mijn succes als schrijver, en de brief dien je vond was een aanvulling, toen het stuk reeds in studie was. Het bleek noodig de handeling in een der bedrijven nog wat meer te doen spreken.” Zij nestelde zich in zijn armen. „O, Tonny, hoe zal ik je mijn schaamte en berouw kunnen toonen over mijn onheusche behandeling?” Hij drukte haar een kus op het voorhoofd. „Door onze uitgestelde huwelijksreis aan te vangen.”
PDF
Nummer
1915, nr.29, 8 april. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 232 ONZE BOEKENTAFEL S. MAATHUIS-lLCKEN, Bennie’s Prentenboek. S. MAATHUIS-lLCKEN, Wat de haard fluisterde. MARIE LEOPOLD, Hanneke. ANNA SUTORIUS, Kleuterboekje. Alle vier met platen van B. MidderighBokhorst. JACQUELINE BLES, De bruiloft van Rozemarijntje. Met platen van Rie Cramer. Gouda, G. B. van Goor Zonen. T^r is nog altijd strijd over de zoogenaamde artistieke prentenboeken. „Het beste is voor onze kinderen nog niet goed genoeg.” Accoord — maar hoe best Rembrandt en Morris ook zijn, we geven onze kinderen toch niet wat nog ver boven hun bevatting gaat! De pyramide kan alleen van onder af beklommen worden. Het blijft dus de vraag of we dadelijk met het mooiste en hoogste beginnen moeten. „Kriebel hem in zijn baard,” zei het elfje. (Uit: „Wat de haard fluisterde”). We moeten leeren mooi-vinden ; het waardeeren van een stuk kunst eischt tijd, ondervinding, rijpheid. Daarom, zeggen velen, is het maar beter aan jonge kinderen niet al te artistieke boeken in handen te geven; ze waardeeren noch bevatten de goede bedoeling, en het verdient de voorkeur langzamerhand tot het ware kunst-inzicht te brengen. Hoe dit zij, voor alle partijen staat toch wel vast dat we niet opzettelijk leelijke boeken voor de jeugd moeten maken. Zonder in geraffineerde kunstzinnigheid te vervallen, kunnen we toch bij de kinderen een neiging voor het „Met gestrekte knietjes, Buigen alle drietjes”. (Uit „Wat de haard fluisterde"). smaakvolle, verzorgde boek aankweeken, die hun het nderscheid leert tusschen mooi eru niet-mooi, De tijd brengt veel terecht, maar een weinig leiding doet daarbij geen *kwaad. Bovenal echter dient een kinderboek kinderlijk te zijn, een eenvoudige maar onomstootelijke eisch. En wij voor „Uitkiezen maar! Wie mij de meeste lorren brengt, krijgt dit masker”. (Uit: „Hanneke”). ons gelooven dat we, om aan dezen eisch te voldoen, desnoods van alle andere eischen iets zouden laten vallen. Het schijnt ons toe dat de Uitgeversmaatschappij G. B. van Goor Zonen het vraagstuk langs een middenweg heeft weten op te lossen. Hiermee doen we geen nieuwe ontdekking, waarvan ons de eer als monopolie toekomt. Het is nu wel bekend genoeg dat deze uitgeefster vooraan staat in de kunst een welverzorgd kinderboek in de wereld te zenden, en we zouden daarom kort en goed kunnen zeggen dat de vijf hierboven genoemde prachtwerkjes tot het beste behooren van wat er op dit gebied wordt voortgebracht. We willen echter van het genot, dat het kijken en lezen ons gaf, wat uitvoeriger getuigen. Zoodra men een dezer boekjes in de hand neemt, treft de keurige, we zouden willen zeggen liefdevolle verzorging. Geen enkel onderdeel is verwaarloosd: band, cartonnage, schutblad, papier, letter — alles is overdacht en af. Een gezonde, eenvoudige smaak ligt aan deze uitgave ten grondslag, en we gelooven niet alleen dat hier de juiste middenweg is gevonden tusschen „te artistiek” en „niet artistiek genoeg”, maar we hebben ook den indruk ge- „Met een verlegen gezichtje zei ze: „Dank u wel’. (Uit: „De bruiloft van Rozemarijntje). kregen dat de uitgeefster het bewust zóó gewild heeft en niet anders, overtuigd dat zij niet alleen commercieel goed handelde, maar ook een juist standpunt innam ten opzichte van schoonheids- en opvoedingseischen. Niets aangenamer voor een recensent dan dingen als ’t bovenstaande te kunnen constateeren; in deze tijden van snelle, lichte-en-dichte boekenproductie geeft een boek waarover gedacht is, dubbele vreugde. Van de illustraties geven we er hier enkele verkleind weer; den allerliefsten tekst leze men zelf. BOEKENIER. KLICKA A an den oorlog hebben wij te danken, dat in ons land een artist verblijf houdt, wiens naam gerekend wordt onder dien van de allergrootste kunstenaars der wereld, omdat alleen h ij het koninklijk instrument, de harp, lof een solo-insfrumenf van beteekenis heeft opgevoerd, en dat op een wijze als men zich vóór zijn optreden nooit heeft kunnen voorstellen. Door de macht van zijn kunst, die eigenlijk een overgang vormt van de reproduceerende tot de scheppende kunst, is hij van een gewoon kunstenaar tot een waar hervormer van het harpspel geworden. Toen hij in de groote wereldsteden voor het eerst optrad, wekte hij algemeen verbazing en de geheele critiek loott en prijst hem als om strijd, hem den grootsfen meester voor zijn instrument onder de levenden noemende, hem zelfs als „wondermensch” beschouwend. Zelfs bij den grootste der oude leeraren in het harpspel. Wilhelm Posse. professor aan het koninklijk conservatorium in Berlijn, vond de jonge kunstenaar de hoogste waardeering. Hij schrijft over Klicka’s kunst als over de tegenstelling tot de algemeene jammerlijke harpsfumperij, die men in de wereld hoort. Ook bij de grootste meesters der andere instrumenten wekte Klicka de grootste bewondering. Zoo schrijft b.v. Kubelik’s leermeester. Prof. Ofakar Sevcik, dat Klicka een kunstenaar is over wien men slechts in superlatieven moet spreken. Natuurlijk vond deze artist ook bij ons de grootste bewondering. Het zij voldoende slechts op een enkelen zin van de recensie uit „Het Vaderland" te wijzen: „Vele uitnemende harpisten hebben wij Hagenaars al gehad, maar een kunstenaar als Klicka hoorden we nog niet” (A. d. W.). Zoo schrijven bijna alle recensenten, die Klièka’s spel hebben gehoord. Waarin eigenlijk de macht van zijn kunst ligt? Men vraagt zich dat af, wanneer men, geboeid door de wonderzoete bekoring van zijn spel, toeluistert. De harp is. in hef algemeen genomen, volstrekt geen solo-instrument, maar wanneer Klicka in de snaren grijpt, dan meenen de toehoorders een geheel orkest voor zich te hebben. Men bewondert den heerlijk vollen toon, de luchtige mystieke flageoletten, doch men voelt iets, dat werkelijk betoovert. dat het doode jnstrumenf bezieling geeft, er in zingt, jubelt en weent, maar vraagt telkens weer, wat is de betooverende macht ? Is hef de boven de materie staande voordracht ? Men weet het niet, men moet alleen met de wereldcritici zeggen; „een wonderman, een waar koning der harp en onder de harpisten. Men kan de schoonheid niet beschrijven, men moet den meester hooren! De indruk is onvergetelijk en wie eenmaal gehoord heeft, verlangt steeds weer en steeds meer te hooren en vindt telkens nieuwe schoonheden. Als een specialiteit van Klicka’s repertoire kan de groofsche „Ma Vlast” worden aangemerkt, de twee wonderschoone symphonische gedichten uit den beroemden cyclus van Smetana: „Vysehrad” en „Vltava”, voor harp gearrangeerd door Klidka’s leermeester Trnecek. Op zijn gouden instrument toovert ons de groote Czech zijn sprookjesachtig vaderland, Bohemen, op zulk eene wijze voor den geest, dat men zich er niet over verwondert, dat hij de 14000 toehoorders in den Royal Albert Hall te Londen overweldigd en tof jubelen gebracht heeft. Zooals h ij het in de grauwe nevelen van den oertijd gehulde Vysehrad, zooals h ij de zilverschuimende Vltava te schilderen weet, dat blijft voor anderen onbereikbaar. Vele harpisten hebben reeds gepoogd Klicka tenminste te copieeren, maar wat men van hen te hooren kreeg, was slechts een belachwekkend paskwil van de wonderschoone compositie. Klicka, te Praag geboren, stamt uit een beslist muzikale familie; zijn vader, Josef Klicka. professor aan het Prager conservatorium, is een beroemd componist en orgelvirtuoos, zijn grootvader was eveneens een musicus van beteekenis en ook zijn zuster. Helena Nebeska-Kli£kova, is een op den voorgrond tredend artiste. In Juni 1914 werd Klicka. om zijn verdienste voor de kunst, benoemd tot „membro d onore ’ (eerelid) der Galleria Biografica Internazionale (Opera Educafiva Pacifica) te Rome. Naar Holland kwam hij op zijn kunstreis naar Londen en Amerika en, verrast door hef uitbreken van den oorlog, is hij hier „gestrand” en hier gebleven- Hij is vol lof over de hier ondervonden welwillendheid en uit erkentelijkheid heeft hij, ofschoon zelf getroffen door den oorlog, zich reeds verschillende malen belangloos beschikbaar gesteld bij concerten, gegeven ten bate van steuncomité s, enz. In April begon Klicka een tournee door ons land, aanvangende met een groot concert in „Diligentia” te ’s-Gravenhage op den 7en en vervolgens in een reeks van plaatsen, als Amsterdam. Rotterdam. Utrecht, Dordrecht, Haarlem, Arnhem, Nijmegen, enz Men verzuime deze gelegenheid niet den groofen harpvirtwoos te hooren. J. Z. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.30, 12 april. 1915
Blad
09
Tekst
No. 30 (4ib) 12 April 1$>15. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afeomidleriljlke Nummers (f
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1501 tot 1505 van 11897