|
van zijn werk nog een uurtje naar zijn club te gaan, toen
bij in de deur van zijn atelier tegen een heer aanliep.
„Lindeck!” riep bij verwonderd uit. „Kerel, waar kom jij
vandaan ?”
„Uit Rome, via Munchen ! Mijn eeiste gang is naai jou,
oude vriend. Ik moet toch zien hoe jij het maakt onder
het echtelijk juk. Nou, laat eens zien, je ziet er welvarend
en gelukkig uit! Wat ?”
„O, bijzonder ! Ongehoord ! En jij ? Nog altijd de oude
vrouwenhater ?
„Vrouwenhater ? Dat ben ik nooit geweest!”
„Ta. ta 1”
„Neen, in ernst! Loop zelfs met de gedachte ïondom je
na te doen ! Het vlot nog niet erg! Verblinde ouders, houden
niet van ons schilders. Jagen mij en het meisje van de eene
plaats naar de andere. Als ik ze eindelijk gevonden heb,
zijn ze weer gevlogen ! Maar bij Apollo en de negen muzen,
als het niet goedschiks gaat, dan met geweld!”
„Of met list!” lachte Hans.
„List? Mooi praten, maat daarvoor ontbreekt mij de
gelegenheid.”
„Die vind je wel, kameraad. Evenals ik die vond. O,
maar je weet nog niet, hoe ...”
En Hans Romer vertelde zijn vriend de geschiedenis van
den eersten April van het vorige jaar.
Lindeck zuchtte, toen de ander geëindigd had.
„Ja, maar iedereen heeft niet zoo’n eersten April. Als
ik daarop wachten moest, was ik zoo oud als Methusalem.
Eerlijk gezegd, Hans, ben ik voor dat doel naar jou gekomen.
Jij moet mij helpen !” — „Ik? Hoe Kan ik dat?”
„Jij alleen kunt het, dus , . .
Hij hield op, een man van de dienstverrichting bracht
voor Romer een brief op rosé papier en met een zeldzaam
verdraaide hand geschreven.
Hans las het schrijven, keek verbaasd op en bezag het
toen heel nauwkeurig.
„Wat drommel, die h’s met die lange haken ten ik !”
mompelde hij. Toen proestte hij het opeens uit.
„Ha, ha! Daarom zei je „hm”, toen ik van een hagelbui
spraK ! O, Miesje, Miesje!”
Lindeck keek zijn vriend aan met een sarcastisch lachje.
„Ik denk dat je gelukkig bent, ongehoord gelukkig, Hans
Romer? En dat dan?” Romei lachte rog steeds.
„Daar !” zei hij eindelijk, zijn vriend den brief toestekende,
„Lees !” En Lindeck las :
„Hoogvereerde, van God begenadigde Meester,
Uw scheppingen hebben mij vervuld met den diepsten
eerbied voor uw zeldzaam talent, en mijn hart,
doof voor de stem van het verstand, dringt mij om te
trachten persoonlijk kennis met u te maken. Helaas
' bewegen we ons in heel andere gezelschapskringen en
is het mij slechts mogelijk, een beroep te doen op uw
bekende voorkomendheid en u om een samen-
215
komst te verzoeken. Ik heb ervaren, dat dit voor gevierde
kunstenaars niets ongewoons is, slechts vraag
ik u uit mijn gewaagd verzoek geen ongunstige
gevolgtrekking te willen maken. Voldoe dus aan mijn
verzoek en kom hedenavond om halfzeven aan het
station Frederiksstraat. Daar wordt u met smart verwacht
door N. P.
P. S. - Ik bedoel het perron voor de groote lijnen, daar
is het stiller. Ik zal als herkenningsteeken een viooltje
dragen.
P. P. S. - Om daar te komen moet u een pérronkaartje
koopen. Heeft u zooveel voor mij over ?”
„De oude geschiedenis !” bromde Lindeck, toen hij het
billet-doux gelezen had. „Je gaat natuurlijk niet !”
„Natuurlijk wel!” — „Wat zeg je ?”
„Maar zie dan toch ! Die haken aan de H van „Hoogvereerde”
en. „Heeft”. Dat is toch duidelijk!”
„Duidelijk ?”
„Ach, dat vergeet ik. Dat heeft niemand anders geschreven
dan mijn vrouw. Ze is een beetje ijverzuchtig en wil me
nu verleiden !”
„En desniettegenstaande ga je?”
„En juist daarom ga ik. Ik zal ze aan den arm nemen
en ze hartelijk uitlachen.” — „Ze zal je niet gelooven.”
„Maar jij bent mijn getuige! Of . . . . wacht! Een idee!
Mevrouw Mies Romer zal gestraft worden voor haar gebrek
aan vertrouwen ! Jij moet voor mij gaan, Lindeck !”
Nu moest Lindeck lachen.
„Ze zal tegen mij uitvaren,” bracht hij er tegen in. „En
juist . . .”
„Onzin !” sneed Romer af. „Aprilweer! Dat lacht en
weent en weent en lacht! Spoedig komen wij op het tooneel,
behalen de zege en smoren haar boosheid in een vroolijk
huiselijk feest.”
Lindeck weifelde nog. Eerst toen Romer hem met een
heiligen eed hulp en steun beloofde in zijn eigen nog in een
geheimzinnig waas gehulde hartezaak, gaf hij toe.
* *
♦
„Ik zie er erg tegen op, Mies!”
„Maar, Bella, ’t is toch je zwager maar. We zullen er
later om lachen. !” „En wat moet ik doen?”
„Voor alles moet je je voile voordoen, opdat hij je niet
dadelijk herkent. Hier is het bouquetje viooltjes en een
perronkaartje heb ik ook. Ik blijf op het perron voor buurtverkeer
staan, dan kan ik jullie zier. Later haal ik je af!”
„Mies ! Wat zal mama zeggen ?”
„Mama zal meelachen ! Een Aprilgrap ! Vooruit!”
Bella klom naar het tweede perron, terwijl Mies op het
perron voor buurtverkeer bleef wachten.
* *
♦
„Die overjas van jou zit me erg nauw, Hans l”
„Bah! Voor die paar oogenblikken. Hier, zet mijn hoed
PANORAMA
op, den kraag in de hoogte, opdat ze niet dadelijk merkt,
dat ik het niet ben. En ze maar goed angst aanjagen, hoor
je? Hier is je kaartje.” „Hans, ze zal woedend wezen!”
„Onzin ! Meelachen zal ze ! Een Aprilgrap ! Vooruit!”
Lindeck besteeg de trappen naar het perron voor intercommunaal
verkeer, Romer begaf zich naar het andere.
* *
♦
Hans en Mies stonden tusschen de menigte, die zich op
het perron voor buurtverkeer bevonden.
Beiden keken aandachtig naar het andere perron, waar
ze een heer in lichten overjas en met hoogen hoed op een gesluierde
dame met een bouquetje viooltjes zagen toetreden.
„Hij is ’t werkelijk !” zuchtte het mevrouwtje.
„Haha ! Kijk hoe ze schrikt!” lachte Romer.
En nu spraken ze met elkander. Jawel, heel lief, hand in
hand, de hoofden bij elkaai.
„Bella ! Bella !” riep mevrouw Romer verstoord.
„Hemelsche goedheid ! Wat mankeert die Lindeck. Zou
hij met Mies .... zonder dat ik er een vermoeden van had . .”
De heer keek op zijn horloge, deed daarna een vraag aan
een beambte. Dadelijk daarop vloog hij meer dan hij liep
het perron af, doch, daar was hij weer terug. Op het zelfde
oogenblik stoof een trein het perron binnen.
Ze stegen in ? Hand in hand !
„Mies ! Mies!” riep Hans over het perron snellende.
„Hans! Hans !” weende Mies, den vertrekkenden trein
naloopende.
Zoo liepen ze elkander in de armen.
„Hans 1”
„Mies!”
„Ja, en . . . .”
* *
♦
Het duurde een vol uur voor Mies Romer van den schok
hersteld was. Romer ondervroeg naar alle richtingen. Lindeck
en Bella waren verdwenen.
Toen togen beiden langzaam naar huis, waar in tusschen
een hagelbui losgebroken was. Zelfs de bliksem was ingeslagen
in den vorm van ’n telegram, dat mama in dehand hield.
Den heer Hans Romer, Hagelbergerstraat.
Ben met Bella naar mijn moeder geieisd, zal toestemming
tot mijn huwelijk vragen. Duizendmaal
dank voor vriendelijke hulp. Lindeck.
„Ja, lieve mama,” stamelden Hans en Mies, „we begrijpen
niet....”
Mama richtte zich op in haar volle diepgekrenkte majesteit.
„Jullie begrijpen niet? Lindeck is die man uit Rome!
O, ze hebben toch doorgezet. Wat blijft ons nu over ? Wat
’n dag!”
En toen, ondanks de vernietigende blikken van mama,
schoten Hans en Mies in een onbedaarlijken lach, die weer
oplaaide, toen ze op den kalender keken.
De eerste April !
Van links naar rechts: Page (Gobelin) Kaars Jr.; Edelvrouw (Gobelin) Mej. Piecker; Ridder
(Gobelin) Ko van Dijk. Op den voorgrond: Graaf Ydo, Kerkhoven.
Van 1. n. r.: Jhr. Wijdinga, Kramer: Vera, Mej. Kling; Graaf Ydo, Kerkhoven; Ellen, Mej. Coba
v. d. Hilst; Debora, Mevr. Fie Carelsen ; Freule Rowena, Mevr. Rika Hopper; Pan Yoska, Lobo ;
Douairière Berger. (foto's Couvêe).
DE OULDEN RBDDERTUDo
'Kon. Ver. TMed. Tooneel. Stadsschouwburg.
Wat we toch al bekend zijn ! - Stel je voor, dat erin dit stuk ’n
arme Jood in ’n Middeleeuwschen kerker zit, en dat hij ter dood
zal worden gebracht! De graaf Ydo Herbert. die de beroerdste
niet is, vragen ze, hem te sparen, hem het leven te laten! — „Het
Leven roept graaf Herbert uit. „het Panorama kan hij erbij
„krijgen, voor mijn part !”
Dit is een van de prettige gezegden, waarvan dit stuk wemelt:
het is ’n vreemd amalgama van middeleeuwen en onzen tijd. De
heer Jean Louis Pisuisse. onder ons meer bekend onder den
familiaren naam van Swiep bewerkte het naar Charles Marlowe/s
„When Knights were bold”. letterlijk dus. „Toen de ridders
ontstonden.’’ Toen wij ze dan zagen, waren ze er al heel
secuur en naar hun doen en laten te oordeelen, moet de heer
Jean Louis Pisuisse. wel een van hunne onmiddellijke nazaten
zijn zoo deed de hoofdpersoon vaak aan hem denken. Indien
„Swiep” z'n hooge komaf ook lang voor ons heeft verborgen
gehouden, er is nu niets meer aan te doen; dit blijkt nu duidelijk.
In het eerste bedrijf zit de heele familie in ’n zaal van het
kasteel. We zien daar naast den gastheer, graaf Ydo - waarover
straks — den burgemeester van het dorp. dat bij het kasteel behoort.
Jhr. Mr. Charles Wijdinga (Folkert Kramer), den heer Jsaac
Isaaeaon, (Schwab) ’n Stichtsehen geld magnaat, den dominee
van ’t dorp (Hein Harrns). rechtzinnig in de leer. en last not
kast de dames, te weten Douairière Adelheid. (mevrouw v. Korlaar).
die het huishouden van den graaf opknapt, hare beeld
schoone nichten waarvan Rowena (Rika Hopper) de romantische
is, en Debora Isaacson (Fie Carelsen), die de nuchterheid
niet genoeg bemint, om den prettigen vorm daarvan, uitgebeeld
door graaf Ydo, zoozeer te beminnen, als haar vader, de richard.
wel zou wenschen, ondanks he* feit, dat de drie ton bruidsschat,
die ze krijgt, een niet verwerpelijke ballast zijn zou, voor het
wèl wat gewogen-en-te-licht bevonden inkomen van den jongen
graaf op z’n Stichtsch kasteel.
Maar de voorouders, uitgebeeld op liet Gobelindoek, dat den
achtergrond van ’t tooneel vormt, zijn niet van de lucht af.
Rowena dweept met ze, zóó, dat ze zich door ’n aanwezigen Hongaarsch
edelman, laat inpalmen, alleen al door de romantische
wijze waarop hij z’n kasteel beschrijft; nuchter blijft echter
Ydo, die voor haar bestemd is, en de jonge van Kerkhoven
doortrokken van den Swiep-schen geest, als in het stuk van de
vele whiskey-soda’s, die hij verorbert wijst hij haar op ’n
zekere pagina van liet beroemde boek, waar ze allen in lezen,
en waar de levensgeschiedenis van de hoeren graven-voorouders
in staan, en welke pagina hij op niet onduidelijke w’ijze eommenteert.
Snoevend over eikaars afstammingen. ontdekt zelfs
dominee de Munck, dat hij van Peter de Monnik afstamt. welke
ontdekking hem door den zéér op de hoogte zijnden jongen
graaf, als ’n nu niet juist om-over-te-snoeven- voordeeltje wordt
bewezen te zijn, aangezien Peter de Monnik niet zóó streng in
de leer was. direct nóch indirect, als z’n vrome naam zou dóen
vermoeden, volgens graaf Ydo.
Enfin, het gezelschap krast op, en graaf Ydo blijft alleen,
laat zich. omdat-ie gruwelijk verkouden is, ’n heet mosterd bad
geven, waarbij we assisteeren. en met z’n voetjes in de kom. ’n
plaid om de beenen, en de whiskey naast hem. zakt hij over ’t
een en ander in slaap.
Die slaap wrordt ’n droom, waardoor eerst de jiersonen op het
gobelin gaan leven, en vindt z’n voortzetten in het tweede bedrijf
waarin we den jongen graaf in rok tusschen z’n voorzaten in
harnas van vóór 700 jaar zich bewegen zien. De gebeurtenissen
in dien droom — die schitterend is aangekleed — zijn even krankzinnig
als in iederen droom. We ontmoeten er al de personen van
het le bedrijf, maar 700 jaar jonger, indien dat mogelijk ware.
Alleen graaf Ydo is modern, en zóó. dat allen hem verbaasd
aanstaren, en schrikken als hij b.v. ’n cigaret aansteekt écht
’n droom ! Hij moet zelfs vechten met den Hongaarsehen graaf,
die in z’n droom 'n roofridder 'geworden is, met name graaf
Yoska Sforszinsky — hoe verzint-ie ’t ’ — en krijgt ’n harnas
over z’n avondtoilet, waarmede hij niet uit den weg kan, nóch
met ’t zwaard, zoodat hij, den vreeselijken langen roofridder —
Lobo op z’n langst — hieltje licht en ’m zóó overwint
Het laatste bedrijf - er moet aan alle dingen ’n slot zijn
brengt alles op z’n pootjes terecht. De Hongaarsehe edelman is
’n chevalier d’industrie en wordt ingepikt en Ydo zal met Rowena
trouwen ’
Het geheel ? Een lachavond : heel goed aangekleed, rad gespeeld,
met veel gijnties, wat aardige wóis»es en veel mouvementen
Cl DEVA NT.
|