Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1476 tot 1480 van 11897
Nummer
1915, nr.27, 1 april. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 212 DE EERSTE FOTO VAN DE NIEUWE DUITSCHE ( Weken wordt er nu reeds gesproken over de Duitsche blokkade van Engeland met de onderzeeërs. Telkens worden er weer nieuwe nummers genoemd en daaruit blijkt dat de Duitsche onderzeevloot tenders bij zich hebben» waarin zich niet alleen olie voor de machines bevindt» doch ook levensmiddelen voor de bemanning, waardoor het voor den onderzeeër mogelijk is een maand en langer van zijl Een passagier van de „Batavic ons foto’s en vertelt zijn De „Batavier V” aangehouden. Volgens het verhaal van den staff-correspondent van de „New-York American’*, werd de „Batavier V” aangehouden door de „U 36” en niet door de „U 28” Deze foto is genomen vanaf de „Batavier V”, waarvan men links op de foto nog een gedeelte ziet. A an boord van de in beslag genomtn „Batavier correspondent van de „New-York American”, ï vriend Mr. Ansel Wallace, een Ambrikaansch fo foto’s vanaf de „Batavier V” genome)! heeft. In te berichten, die vermeldden, dat de „Bttavier V” en „U 28’’ waren opgebracht, beweert ds heer Beach type van Duitschen onderzeeër was, ï.l. de „U 3£ nog eenige passagiers aan dek van Ue „Batavier Beach zijn verhaal, „en mijn vriend Wallace kwa toen wij plotseling een Duitschen onderzeeër v de „U 36” — vlak voor ons zager verschijnen, dadelijk naar beneden om zijn cameii*en film-appé van de Batavier had direct de machines laten st ladder neer om den Duitschen afgezan te ontvang vlak bij en een Duitsch officier klom aan boord. Hi; in kennis dat hij genoodzaakt was beslag te legg onderzeeër, die om de Batavier heenvoer, werden geven. De Batavier lichtte haar anker en de stoet ze Na eenige mijlen te hebben afgelegd, zoo vervolgt gevallen, ontmoetten wij drie onderzee-tenders. de Wederom werden er eenige signalen gegeven. D Batavier, terwijl de „W 3” zich naar de „Zaanstr matrozen kwamen aan boord en vooruit ging h mijnenveld naar Zeebrugge. Mijn vriend Wallace en was na deze opnamen gemaakt te hebben, zij en dus kostbare opnamen in veiligheid gaan brenc naderden moesten de passagiers allen in een salo anderen kant van het schip werden alle blinden ge nieuw aangebrachte versterkingen niet$ te zien was. mochten de passagiers weer aan dek komen en w< grondig onderzoek onderworpen. Na een tweeda; mochten wij weer naar Holland vertrekken!” T den heer Beach. Zeker een gelukkig toeval, dat zie aan boord van de „Batavier V” bevond, waardooi 'jzers deze hoogst interessante serie opnamen te v behooren deze foto’s tot de meest interessante d den oorlog gemaakt zijn. Het in beslag nemen van de „Zaan een tender van de „U 36’’, bA fceft zich in ee beslag te leggen. De bemanning van de De bewapende tender van de „U 36”. „F”, een tender van de „U 36”, staat gewapend gereed om aan boord van de „Batavier V” te komen. Op den boeg ziet men een van de kanonnen, waarmede de tender bewapend is. Een officier van de „W 3”
PDF
Nummer
1915, nr.27, 1 april. 1915
Blad
05
Tekst
213 PANORAMA DE NIEUWE DUITSCHE ONDERZEEËRS DE „U 36". de Duitsche o iderzeevloot gestadig en met bekwamen spoed wordt uitgebreid. Hierboven geven wij de eerste foto die genomen is van het nieuwe type Duitsche onderzeeërs, die, evenals een locomotief, jen maand en langer van zijn basis te blijven. Zooals men ziet hebben deze nieuwe onderzeeërs een respectabele lengte; zij zijn even lang als een moderne torpedojager. De waterverplaatsing is bijna 1000 ton. r van de „Batavier V” verschaft s en vertelt zijn lotgevallen. n beslag genomen „Batavier V” bevond zich een staffde „New-York American”, Mr. A. F. Beach, met zijn rallace, een Amerikaansch fotograaf, die de bijgaande Lvier V” genomen heeft. In tegenstelling met de eerste iden, dat de „Batavier V” en de „Zaanstroom” door de racht, beweert ds heer Beach dat het een geheel nieuw mderzeeër was, n.1. de „U 36”. — „Ik was juist met s aan dek van de „Batavier V’’,’' zoo begint de heer „en mijn vriend Wallace kwam ook juist naar boven, een Duitschen onderzeeër van het grootste type — ; voor ons zager verschijnen. Wallace stoof natuurlijk om zijn camer-Uen film-apparaat te halen. De kapitein 1 direct de machines laten stoppen en liet een touw- )uitschen afgezant te ontvangen. De onderzeeër kwam ch officier klom aan boord. Hij stelde den kapitein ervan noodzaakt was beslag te leggen op de boot. Aan den de Batavier heenvoer, werden eenige vlagsignalen gechtte haar anker en de stoet zette koers naar Zeebrugge. nebben afgelegd, zoo vervolgt de heer Beach zijn lotwij drie onderzee-tenders. de „F”. „W 2” en „W 3”. eenige signalen gegeven. De „F” kwam langszij de „W 3” zich naar de „Zaanstroom” begaf. Gewapende an boord en vooruit ging het weer, dwars door het brugge. Mijn vriend Wallace had de beenen genomen namen gemaakt te hebben, zijn camera’s en zeldzame amen in veiligheid gaan brengen. Toen wij Zeebrugge 5 passagiers allen in een salon le klasse en aan den schip werden alle blinden gesloten, zoodat er van de ersterkingen niet$ te zien was. Aan de pier te Zeebrugge s weer aan dek komen en werden de schepen aan een nderworpen. Na een tweedaagsch verblijf aan boord ir Holland vertrekken!” — Tot zoover het verhaal van ;r een gelukkig toeval, dat zich ook zijn vriend Wallace 3atavier V” bevond, waardoor wij in staat zijn onzen teressante serie opnamen te verschaffen. Ongetwijfeld tot de meest interessante die tot nu toe gedurende ijn. De tender van de „U 36” leidt de Hier is de weg vrij! „Zaanstroom” door het mijnenveld naar Zeebrugge. Er voor gingen de foto het kielzog ziet. .Batavier V” en de „U 36”, waarvan men op onze beslag nemen van de „Zaanstroom”. de „U 36”, br >eft zich in een roeiboot naar de beslag te leggen. .Zaanstroom’’ om daarop De „U 36” ontmoet een anderen Duitschen onderzeeër. Met zijn buit op weg naar Zeebrugge ontmoette de ,,U 36” een anderen Duitschen onderzeeër, waarmede signalen werden gewisseld en waarvan de bemanning met de „U 36” enkele woorden sprak.
PDF
Nummer
1915, nr.27, 1 april. 1915
Blad
06
Tekst
214 - • • —' I x PANORAMA P. G. J MEYS oud-directeur van het Rijks-telegraafkantoor te Arnhem, is in den ouderdom van 85 jaar aldaar overleden. N. J. BEVERSEN oud hoofd-ingenieur bij de ZuidHollandsche Electrische SpoorwegMaatschappij, is op 65-jarigen ieeftijd te 's-Gravenhage overleden. In tegenwoordigheid van Z. K. H. den Prins der Nederlanden heeft de bekende journalist. Redacteur van het Alg. Handelsblad. Jhr. Jan Feith een lezing gehouden in het R. K. Gymnasium te Amsterdam over zijn reis om de wereld. Op de tweede rij met wit plastron Jhr. Jan Feith. Op de voorste rij van links naar rechts: de beide commissieleden Dr. J. F. Weterings. voorzitter van de commissie: Dr. L. K. Dupree (staand), leeraar M.O., secr. van de commissie: Pater M. van Everdingen, rector van het Ignatiuscollege: Zijne Excellentie viee-admiraal Tideman: Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Hendrik, generaal-majoor Ophorst, stelling-commandant van Amsterdam: Kolonel Schott. plaatselijk commandant. Op de tweede rij; majoor Vogel, chef van den staf van de stelling Amsterdam. Jhr. J. H. Backer, adjudant van Z. K. H. den Prins. Jhr. Jan Feith, redacteur „Onder de streep” van Het Algemeen Handelsblad. Kapitein van Linden Tol, Adjudant van den generaal-majoor. De adjudant van den vice-admiraal. Kapitein de Ridder, commandant depot 2e Reg. Vesting Artillerie. J. K. F. VAN HULSEN herdacht den lsten April den dag, waarop hij vóór 50 jaar als bediende bij de firma A. J. Reynvaan in be trekking kwam. N. A. KOGEL. herdacht den 28sten Maart den dag. waarop hij vóór 40 jaar bij de firma E. A. Joachimstal & Co. in betrekking kwam. EEN APRILGRAP heer wenscht mevrouw te spreken !” Mevrouw Romer keek de dienstbode met een onwillig gezicht aan. ,,Maar Anna, je j* ziet toch dat ik niet gekleed ben ! Bovendien moeten deze pantoffels onder alle omstandigheden klaar, ze zijn voor mijn man bestemd, ter gelegenheid van ons eerste huwelijksjaar, en dus .... e . . . . zeg maar dat ik uitgegaan ben !” Anna lachte. ,,Excuseer, mevrouw, maar ik zei hem reeds dat . . ..” „Hè, hoe onaangenaam! Wie is ’t?” „Ik ken hem niet, mevrouw! Hier is zijn kaartje!” Anna lachte weer, terwijl mevrouw den naam las, om dan verward op te springer. „Professor von Bertuch ? Waarom zeg je dat niet dadelijk, Anna ? De directeur der academie ! De chef van mijnheer ! Snel ! Help me ! De zwart zijden japon ! Maar lach toch niet zoo dwaas !” Als mevrouw Romer na een kwartier eindelijk het salon binnentreedt, blijft ze vol verrassing staan. ..Hans, jij — ..Mies, ik !” - - „Maar. . „Wat ’n onzin nietwaar? Om onder een valschen naam binnen te sluipen en mevrouw in haar statiekleed te jagen, terwijl ik ze iederen morgen in haar huiselijk gewaad veel mooier en nederiger zien kan. Ja, ja. waartoe dit alles!” „ „Dat zou ik ook graag .... ..Hu’. Wat ’n gezicht! Mag ik mevrouw Mies verzoeken eens even op den kalender te zien ?” Mevrouw kijkt. „De 25ste Maart?” zegt ze verwonderd. „Ja natuurlijk ! Dat is nou weer eens echt vrouwelijk ! De kalender is er niet om den datum aan te wijzen. De 25ste was een Donderdag, en nu is het weer Donderdag, dus de . . . .” In vliegende haast scheurt mevrouw de blaadjes af. Dan schatert ze het in eens uit: ' „De eerste April ! Hans ! Man ! De eerste April!” „Ja. de eerste April. Vandaag is ’t een jaar dat . . Ze lacht even, bloost en loopt dan op hem toe om hem den mond te sluiten. Hij weert haar plagend af. „Je sliep vanmorgen, toen ik naar het atelier ging. Mies. je sliep ! Op den eersten April ! Je had dus vergeten, wat. . „Zwijg, boosdoener, of ik loop weg !” „Jij ? Met mij ? Evenals toen ?” Hij greep naar haar en trok haar. trots haar zijden japon, op zijn knie. „Weet je ’t nog? Heden voor een jaar steeg een vroolijk gezelschap in den trein om een plezierreisje te maken.” Ze zuchtte komisch. „Een plezierreisje . . . o !” „Waarom zouden ze ook niet? Het was de eerste April. Een dag zoo zonnig, zoo hemelsblauw, zoo vol van lentegeuren, dat men wel uit den band moest springen !” „Ja, ik en anderen. In dat gezelschap bevond zich een zeker dochtertje van een zekeren consul-generaal en miJlionnair. een maagdelijn zoo schalks, blauwoogig, rozewangig als wijlen Doornroosje geweest moet zijn, toen ze nog niet ingeslapen was. Het ging ook precies zooals bij Doornroosje. De ouders bewaakten hun dochtertje met argusoogen. zoodat dit dochtertje veertien dagen te voren zich eerst na overwinning van bijna onoverkomelijke moeilijkheden door een armen, verhongerden ridder van het palet achter een zekere taxushaag van den consulairen tuin den — eersten kus had kunnen laten ontrooven !” „Hans, mijn zijden japon !” „Maak je niet bezorgd ! Geen mensch ziet het, evenmin als achter de taxushaag. Nu, die beide menschenkinderen, Doornroosje Mies en palettenridder Hans, weiden door een vriendelijk aardmannetje van het gezelschap gescheiden en in een afzonderlijken wagon geplaatst. En toen — zette zich in beider hoofden het boosaardige plan vast om de plaats van bestemming voorbji te sporen en verder te leizen. Eindelijk werd dit door de anderen opgemerkt. Toen kwam er een Aprilbui lós. Eerst regende het uit Doornroosjes oogen, daarna — brrr ! — toen de beide deugnieten met den volgenden trein terugkeerden (Papa de consul generaal had in zijn toorn reeds algemeen bekend gemaakt dat de schilder Hans Romer zijn Mies ontvoerd had), toen kwam er . . . „Een hagelbui!” zuchtte mevrouw Mies melankoliek. „En toen . . . .” „En toen ? Wel toen kwam de bruiloft en daarna Mei, niets dan blauwe, wolkenlooze, lachende Mei!” Weer zuchtte mevrouw Mies. „Mei? Niets dan Mei?” „Wat nu ?” Te Kruiningen gemaakt. Naast EEN VLIEGMACHINE GELAND. is de vorige week een Engelsche vliegmachine gedaald, die een tocht boven Antwerpen had de machine ziet men den Burgemeester van Kruiningen, den heer Dorninicus met zijn dochter. De veldwachter wilde klaarblijkelijk ook wel eens in een vliegmachine zitten. „Ach, lieve hemel, Hans ! Het is .... ik ben . . . maar... als je nu maar geen schilder was, ten minste geen portretschilder. Het is afschuwelijk. Ik zit hier in huis en denk . . . Ja, ik denk aan niets dan aan jou, terwijl jij in je atelier dames schildert en.... en er laten zich zooveel dames door je schilderen, enne .... er zijn zooveel knappe bij en die moet iij allen maar aarzien, Hans, voortdurend aanzien ! Kun je ze niet schilderen zonder ze steeds maar aan te kijken ? En dan zien ze jou ook maar aan .... w'eet je, zoo erg vriendelijk, zoo . . . zoo .... afschuwelijk ! Als ik dan weer een afgewerkt portret van je zie, dan is ’t mij, alsof ik alle penseelstreken moet tellen. Hier heeft hij ze aangekeken en hier, hier, hier, hier ! Het is dom, belachelijk, Hans, maar ’t is waar.” Ze legt haar hoofdje aan zijn schouder en — ook zij kijkt hem aan en in haar groote, anders zoo vroolijke kijkers staan nu tranen. „Alweer ijverzuchtig, schat? Moet ik je dan zweren dat geen vrouw een trouwer man heeft dan Mies Romer ?” „Och, zweren! Dat doe je iederen morgen en iederen avond. Als ik je maar eens betrappen kon.” „Maak geen Aprilgrap, kind.” „Aprilgrap ?” Ze springt op en in haar oogen tintelt het weer! Dan schatert ze het plotseling uit, neemt zijn hoofd in haar handen en kust hem hartelijk. „Echt Aprilweer, is ’t niet, Hans? Eerst regen en dan zonneschijn !” Ook hij lacht weer. „Als er maar geen hagelbui komt, Mies!” - * * ,Hm !” Dienzelfdeu namiddag begaf de schiJdei Hans Romer zich naar zijn atelier. Hij had nog een zitting. Zijn viouw nam het hem oogenschijnlijk niet kwalijk. Zij lachte zelfs. Zij lachte ook daarna, terwijl ze zich ijverig moeite gaf om op rosé luxepost met een verdiaaide hand een brief te schrijven. Alleen de lange haken aan haar h’s kon ze onmogelijk afwennen. Doch haar man zou dit niet opmerken; in dat opzicht zijn alle mannen blind. Mevrouw ontbood iemand van de dienstverrichting, droeg dezen op den brief te bezorgen en wilde juist weer aai haar handwerkjes gaan, toen ze aan de straat bekende stemmen hoorde. Ze vloog naar het raam. Er stond een rijtuig voor de deui stil. Wie steeg eruit ? „Papa ! Mama ! Bella 1 ” Ze stormde de trap af. Ze waren het werkelijk, en met zeldzaam feestelijke gezichten : alleen Bella keek niet feestelijk. Een echt Aprilgezicht. Half lachend, half weenend ; dan toornig, dan spotziek, maar steeds trotsch. Papa en mama waren gekomen om Bella in veiligheid te brengen. Voor wien ? Voor een schilder met wien zij den afgeloopen winter in Rome kennis gemaakt had, hoewel papa en mama schilders veratschuwden. In Rome was het evenwel niet mogelijk ze te ontwijken ; heel Rome was een groot atelier. En Bella had met den schilder gekoketteerd. Heusch waar! Mama had het wel gemeikt; mama had verstand van die zaken ! Ja, en zondei twijfel had Bella achter papa’s en mama’s rug om met den schilder gecorrespondeerd. Hoe wisten ze anders waar ze elkaar steeds ontmoeten zouden ? Ze waren naar Murchen teiuggevloden en hadden vast geloofd dat ze in veiligheid waren, tot eergisteren. Vlak onder mama’s venster had die kerel gestaan en naai boven gegroet ’ — met een kushand nog wel! Hij had haar voor Bella gehouden en was verschrikt vooitgeloopen, toen mama haar woedend gezicht, nog met haar nachtmuts op, aan het venster vertoond had. ’ Bella wist natuurlijk van niets af, maar het had haar niemendal geholpen. Munchen had een ongezond klimaat, maar in Berlijn was het ’s zomers heel goed. Bella zou dus in Berlijn blijven, als Hans en Mies er niets op tegen hadden. Mies had er natuurlijk niets tegen. „Maar je man !” vroeg mama op een toon vo, twijfel. „Hans zal natuurlijk dol blij zijn,” beijverde Mies te verklaien, terwijl haar tegelijkertijd een idee door het hoofd vloog. „Hij is in zijn atelier. Hoe zoudt u het vinden, mama, als Bella en ik hem straks gingen halen, terwijl u een weinig uitrust ?” „Bella?” stoof mama op. „Bella komt niet bij mij vandaan. Ik ben overtuigd, dat zoodra Bella alleen is, die akelige schildei aan den eersten hoek van de straat reeds bij haar is.” Bella trok de schouders op, terwijl het jonge meviouwtje lachte. „Maar mamaatje, Berlijn is zoo groot, en —•” ging ze fluisterend voort, ,, ik zou Bella dan nog eens op haar geweten kunnen werken.” Mama keek haar oudste dochter onderzoekend aan. „Jij? — Nu, mijnentwege! Maai dat beloof je me, Mies: zoodra je een vreemden heei tegenkomt, kom je subiet met Bella terug, hoor je? En je houdt goed haar arm vast 1” Mevrouw Mies beloofde het, hoewel niet alle Berlijner heeren bekenden van haar waren. ♦ ♦ * Hans Romer was juist voornemens, na het beëindigen
PDF
Nummer
1915, nr.27, 1 april. 1915
Blad
07
Tekst
van zijn werk nog een uurtje naar zijn club te gaan, toen bij in de deur van zijn atelier tegen een heer aanliep. „Lindeck!” riep bij verwonderd uit. „Kerel, waar kom jij vandaan ?” „Uit Rome, via Munchen ! Mijn eeiste gang is naai jou, oude vriend. Ik moet toch zien hoe jij het maakt onder het echtelijk juk. Nou, laat eens zien, je ziet er welvarend en gelukkig uit! Wat ?” „O, bijzonder ! Ongehoord ! En jij ? Nog altijd de oude vrouwenhater ? „Vrouwenhater ? Dat ben ik nooit geweest!” „Ta. ta 1” „Neen, in ernst! Loop zelfs met de gedachte ïondom je na te doen ! Het vlot nog niet erg! Verblinde ouders, houden niet van ons schilders. Jagen mij en het meisje van de eene plaats naar de andere. Als ik ze eindelijk gevonden heb, zijn ze weer gevlogen ! Maar bij Apollo en de negen muzen, als het niet goedschiks gaat, dan met geweld!” „Of met list!” lachte Hans. „List? Mooi praten, maat daarvoor ontbreekt mij de gelegenheid.” „Die vind je wel, kameraad. Evenals ik die vond. O, maar je weet nog niet, hoe ...” En Hans Romer vertelde zijn vriend de geschiedenis van den eersten April van het vorige jaar. Lindeck zuchtte, toen de ander geëindigd had. „Ja, maar iedereen heeft niet zoo’n eersten April. Als ik daarop wachten moest, was ik zoo oud als Methusalem. Eerlijk gezegd, Hans, ben ik voor dat doel naar jou gekomen. Jij moet mij helpen !” — „Ik? Hoe Kan ik dat?” „Jij alleen kunt het, dus , . . Hij hield op, een man van de dienstverrichting bracht voor Romer een brief op rosé papier en met een zeldzaam verdraaide hand geschreven. Hans las het schrijven, keek verbaasd op en bezag het toen heel nauwkeurig. „Wat drommel, die h’s met die lange haken ten ik !” mompelde hij. Toen proestte hij het opeens uit. „Ha, ha! Daarom zei je „hm”, toen ik van een hagelbui spraK ! O, Miesje, Miesje!” Lindeck keek zijn vriend aan met een sarcastisch lachje. „Ik denk dat je gelukkig bent, ongehoord gelukkig, Hans Romer? En dat dan?” Romei lachte rog steeds. „Daar !” zei hij eindelijk, zijn vriend den brief toestekende, „Lees !” En Lindeck las : „Hoogvereerde, van God begenadigde Meester, Uw scheppingen hebben mij vervuld met den diepsten eerbied voor uw zeldzaam talent, en mijn hart, doof voor de stem van het verstand, dringt mij om te trachten persoonlijk kennis met u te maken. Helaas ' bewegen we ons in heel andere gezelschapskringen en is het mij slechts mogelijk, een beroep te doen op uw bekende voorkomendheid en u om een samen- 215 komst te verzoeken. Ik heb ervaren, dat dit voor gevierde kunstenaars niets ongewoons is, slechts vraag ik u uit mijn gewaagd verzoek geen ongunstige gevolgtrekking te willen maken. Voldoe dus aan mijn verzoek en kom hedenavond om halfzeven aan het station Frederiksstraat. Daar wordt u met smart verwacht door N. P. P. S. - Ik bedoel het perron voor de groote lijnen, daar is het stiller. Ik zal als herkenningsteeken een viooltje dragen. P. P. S. - Om daar te komen moet u een pérronkaartje koopen. Heeft u zooveel voor mij over ?” „De oude geschiedenis !” bromde Lindeck, toen hij het billet-doux gelezen had. „Je gaat natuurlijk niet !” „Natuurlijk wel!” — „Wat zeg je ?” „Maar zie dan toch ! Die haken aan de H van „Hoogvereerde” en. „Heeft”. Dat is toch duidelijk!” „Duidelijk ?” „Ach, dat vergeet ik. Dat heeft niemand anders geschreven dan mijn vrouw. Ze is een beetje ijverzuchtig en wil me nu verleiden !” „En desniettegenstaande ga je?” „En juist daarom ga ik. Ik zal ze aan den arm nemen en ze hartelijk uitlachen.” — „Ze zal je niet gelooven.” „Maar jij bent mijn getuige! Of . . . . wacht! Een idee! Mevrouw Mies Romer zal gestraft worden voor haar gebrek aan vertrouwen ! Jij moet voor mij gaan, Lindeck !” Nu moest Lindeck lachen. „Ze zal tegen mij uitvaren,” bracht hij er tegen in. „En juist . . .” „Onzin !” sneed Romer af. „Aprilweer! Dat lacht en weent en weent en lacht! Spoedig komen wij op het tooneel, behalen de zege en smoren haar boosheid in een vroolijk huiselijk feest.” Lindeck weifelde nog. Eerst toen Romer hem met een heiligen eed hulp en steun beloofde in zijn eigen nog in een geheimzinnig waas gehulde hartezaak, gaf hij toe. * * ♦ „Ik zie er erg tegen op, Mies!” „Maar, Bella, ’t is toch je zwager maar. We zullen er later om lachen. !” „En wat moet ik doen?” „Voor alles moet je je voile voordoen, opdat hij je niet dadelijk herkent. Hier is het bouquetje viooltjes en een perronkaartje heb ik ook. Ik blijf op het perron voor buurtverkeer staan, dan kan ik jullie zier. Later haal ik je af!” „Mies ! Wat zal mama zeggen ?” „Mama zal meelachen ! Een Aprilgrap ! Vooruit!” Bella klom naar het tweede perron, terwijl Mies op het perron voor buurtverkeer bleef wachten. * * ♦ „Die overjas van jou zit me erg nauw, Hans l” „Bah! Voor die paar oogenblikken. Hier, zet mijn hoed PANORAMA op, den kraag in de hoogte, opdat ze niet dadelijk merkt, dat ik het niet ben. En ze maar goed angst aanjagen, hoor je? Hier is je kaartje.” „Hans, ze zal woedend wezen!” „Onzin ! Meelachen zal ze ! Een Aprilgrap ! Vooruit!” Lindeck besteeg de trappen naar het perron voor intercommunaal verkeer, Romer begaf zich naar het andere. * * ♦ Hans en Mies stonden tusschen de menigte, die zich op het perron voor buurtverkeer bevonden. Beiden keken aandachtig naar het andere perron, waar ze een heer in lichten overjas en met hoogen hoed op een gesluierde dame met een bouquetje viooltjes zagen toetreden. „Hij is ’t werkelijk !” zuchtte het mevrouwtje. „Haha ! Kijk hoe ze schrikt!” lachte Romer. En nu spraken ze met elkander. Jawel, heel lief, hand in hand, de hoofden bij elkaai. „Bella ! Bella !” riep mevrouw Romer verstoord. „Hemelsche goedheid ! Wat mankeert die Lindeck. Zou hij met Mies .... zonder dat ik er een vermoeden van had . .” De heer keek op zijn horloge, deed daarna een vraag aan een beambte. Dadelijk daarop vloog hij meer dan hij liep het perron af, doch, daar was hij weer terug. Op het zelfde oogenblik stoof een trein het perron binnen. Ze stegen in ? Hand in hand ! „Mies ! Mies!” riep Hans over het perron snellende. „Hans! Hans !” weende Mies, den vertrekkenden trein naloopende. Zoo liepen ze elkander in de armen. „Hans 1” „Mies!” „Ja, en . . . .” * * ♦ Het duurde een vol uur voor Mies Romer van den schok hersteld was. Romer ondervroeg naar alle richtingen. Lindeck en Bella waren verdwenen. Toen togen beiden langzaam naar huis, waar in tusschen een hagelbui losgebroken was. Zelfs de bliksem was ingeslagen in den vorm van ’n telegram, dat mama in dehand hield. Den heer Hans Romer, Hagelbergerstraat. Ben met Bella naar mijn moeder geieisd, zal toestemming tot mijn huwelijk vragen. Duizendmaal dank voor vriendelijke hulp. Lindeck. „Ja, lieve mama,” stamelden Hans en Mies, „we begrijpen niet....” Mama richtte zich op in haar volle diepgekrenkte majesteit. „Jullie begrijpen niet? Lindeck is die man uit Rome! O, ze hebben toch doorgezet. Wat blijft ons nu over ? Wat ’n dag!” En toen, ondanks de vernietigende blikken van mama, schoten Hans en Mies in een onbedaarlijken lach, die weer oplaaide, toen ze op den kalender keken. De eerste April ! Van links naar rechts: Page (Gobelin) Kaars Jr.; Edelvrouw (Gobelin) Mej. Piecker; Ridder (Gobelin) Ko van Dijk. Op den voorgrond: Graaf Ydo, Kerkhoven. Van 1. n. r.: Jhr. Wijdinga, Kramer: Vera, Mej. Kling; Graaf Ydo, Kerkhoven; Ellen, Mej. Coba v. d. Hilst; Debora, Mevr. Fie Carelsen ; Freule Rowena, Mevr. Rika Hopper; Pan Yoska, Lobo ; Douairière Berger. (foto's Couvêe). DE OULDEN RBDDERTUDo 'Kon. Ver. TMed. Tooneel. Stadsschouwburg. Wat we toch al bekend zijn ! - Stel je voor, dat erin dit stuk ’n arme Jood in ’n Middeleeuwschen kerker zit, en dat hij ter dood zal worden gebracht! De graaf Ydo Herbert. die de beroerdste niet is, vragen ze, hem te sparen, hem het leven te laten! — „Het Leven roept graaf Herbert uit. „het Panorama kan hij erbij „krijgen, voor mijn part !” Dit is een van de prettige gezegden, waarvan dit stuk wemelt: het is ’n vreemd amalgama van middeleeuwen en onzen tijd. De heer Jean Louis Pisuisse. onder ons meer bekend onder den familiaren naam van Swiep bewerkte het naar Charles Marlowe/s „When Knights were bold”. letterlijk dus. „Toen de ridders ontstonden.’’ Toen wij ze dan zagen, waren ze er al heel secuur en naar hun doen en laten te oordeelen, moet de heer Jean Louis Pisuisse. wel een van hunne onmiddellijke nazaten zijn zoo deed de hoofdpersoon vaak aan hem denken. Indien „Swiep” z'n hooge komaf ook lang voor ons heeft verborgen gehouden, er is nu niets meer aan te doen; dit blijkt nu duidelijk. In het eerste bedrijf zit de heele familie in ’n zaal van het kasteel. We zien daar naast den gastheer, graaf Ydo - waarover straks — den burgemeester van het dorp. dat bij het kasteel behoort. Jhr. Mr. Charles Wijdinga (Folkert Kramer), den heer Jsaac Isaaeaon, (Schwab) ’n Stichtsehen geld magnaat, den dominee van ’t dorp (Hein Harrns). rechtzinnig in de leer. en last not kast de dames, te weten Douairière Adelheid. (mevrouw v. Korlaar). die het huishouden van den graaf opknapt, hare beeld schoone nichten waarvan Rowena (Rika Hopper) de romantische is, en Debora Isaacson (Fie Carelsen), die de nuchterheid niet genoeg bemint, om den prettigen vorm daarvan, uitgebeeld door graaf Ydo, zoozeer te beminnen, als haar vader, de richard. wel zou wenschen, ondanks he* feit, dat de drie ton bruidsschat, die ze krijgt, een niet verwerpelijke ballast zijn zou, voor het wèl wat gewogen-en-te-licht bevonden inkomen van den jongen graaf op z’n Stichtsch kasteel. Maar de voorouders, uitgebeeld op liet Gobelindoek, dat den achtergrond van ’t tooneel vormt, zijn niet van de lucht af. Rowena dweept met ze, zóó, dat ze zich door ’n aanwezigen Hongaarsch edelman, laat inpalmen, alleen al door de romantische wijze waarop hij z’n kasteel beschrijft; nuchter blijft echter Ydo, die voor haar bestemd is, en de jonge van Kerkhoven doortrokken van den Swiep-schen geest, als in het stuk van de vele whiskey-soda’s, die hij verorbert wijst hij haar op ’n zekere pagina van liet beroemde boek, waar ze allen in lezen, en waar de levensgeschiedenis van de hoeren graven-voorouders in staan, en welke pagina hij op niet onduidelijke w’ijze eommenteert. Snoevend over eikaars afstammingen. ontdekt zelfs dominee de Munck, dat hij van Peter de Monnik afstamt. welke ontdekking hem door den zéér op de hoogte zijnden jongen graaf, als ’n nu niet juist om-over-te-snoeven- voordeeltje wordt bewezen te zijn, aangezien Peter de Monnik niet zóó streng in de leer was. direct nóch indirect, als z’n vrome naam zou dóen vermoeden, volgens graaf Ydo. Enfin, het gezelschap krast op, en graaf Ydo blijft alleen, laat zich. omdat-ie gruwelijk verkouden is, ’n heet mosterd bad geven, waarbij we assisteeren. en met z’n voetjes in de kom. ’n plaid om de beenen, en de whiskey naast hem. zakt hij over ’t een en ander in slaap. Die slaap wrordt ’n droom, waardoor eerst de jiersonen op het gobelin gaan leven, en vindt z’n voortzetten in het tweede bedrijf waarin we den jongen graaf in rok tusschen z’n voorzaten in harnas van vóór 700 jaar zich bewegen zien. De gebeurtenissen in dien droom — die schitterend is aangekleed — zijn even krankzinnig als in iederen droom. We ontmoeten er al de personen van het le bedrijf, maar 700 jaar jonger, indien dat mogelijk ware. Alleen graaf Ydo is modern, en zóó. dat allen hem verbaasd aanstaren, en schrikken als hij b.v. ’n cigaret aansteekt écht ’n droom ! Hij moet zelfs vechten met den Hongaarsehen graaf, die in z’n droom 'n roofridder 'geworden is, met name graaf Yoska Sforszinsky — hoe verzint-ie ’t ’ — en krijgt ’n harnas over z’n avondtoilet, waarmede hij niet uit den weg kan, nóch met ’t zwaard, zoodat hij, den vreeselijken langen roofridder — Lobo op z’n langst — hieltje licht en ’m zóó overwint Het laatste bedrijf - er moet aan alle dingen ’n slot zijn brengt alles op z’n pootjes terecht. De Hongaarsehe edelman is ’n chevalier d’industrie en wordt ingepikt en Ydo zal met Rowena trouwen ’ Het geheel ? Een lachavond : heel goed aangekleed, rad gespeeld, met veel gijnties, wat aardige wóis»es en veel mouvementen Cl DEVA NT.
PDF
Nummer
1915, nr.27, 1 april. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 216 EEN KIJKJE IN EEN JAVAANSCHE KAMPONG. DE BIJEENKOMST DER GEKROONDE HOOFDEN. Het Nederlandsch panopticum Wie in Holland kent niet het Panopticum of de wassenbeeldengalerij in de Amstelstraat ? Wie hoorde nooit, zelfs tot in de diepste diepten der meest afgelegen provinciesteden, verhalen doen over het beelden-paleis in de Amstelstraat te Amsterdam, waar zulke treffend gelijkende nabootsingen in was van beroemde personen te zien waren, dat je om zoo te zeggen er de origineelen niet bij noodighadt? En de velen, die er zelf nog niet geweest waren, genoten reeds van zoo’n verhaal van een bezoeker, die waarachtig op een pop was toegeloopen om hem den weg te vragen of om te weten hoe laat het was ; en dan namen ze zich voor, zoodra ze eens in Groot - Mokum zouden zijn, ook eens te gaan profiteeren van de vermakelijke en (vergeten we niet) ook leerzame beeldengalerij in de Amstelstraat. Des zomers moet je eens zien : dan wemelt het er van menschen ; want wie in Amsterdam voor zijn plezier een dagje of wat over is, zou dat plezier maar half uit hebben gevierd, wanneer hij (met „Artis”) ook het Panopticum niet van alle kanten doorgetippeld, afgeneusd en om het nooit meer te vergeten in zich opgenomen had. Een Afrikaansche neger, die gebroken Nederlandsch, maar nog mèèr gebroken, ja vergruizeld Engelseh spreekt., opent u de monumentale deur. Ruime gangen en trappen voeren u naar prachtig gedecoreerde zalen, te allen kant zoo overstelpt van beroemde persoonlijkheden, — zittend, staand, alleen en in groepen, — dat men om zoo te zeggen, hier een prachtigen opzet tot aanschouwelijk onderwijs voor zich heeft, op den ouden beproefden trant van ,,mijn leeren is spelen.” Het geschiedkundige overzicht in den Catalogus brengt stelsel in de zaak, en wanneer men, thuisgekomen van de lekkere Amsterdamsche reis, des avonds na de dagtaak in de huiskamer gezeten, met moeder-de-vrouw (de dames met vader-de-man) alles nog eens overdenkt, zal de Catalogus goede diensten bewijzen. De verzameling vorstelijke personen is ai zeer uitgebreid, en tot op het huidige tijdperk bijgewerkt; ja, in Augustus bij het uitbreken van den oorlog, groepeerde men hier de Europeesche staatshoofden bijeen om een tafel, waarop een oorlogskaart was neergelegd. Dit i3 een zeer DE MARKER-KAMER. DE H1NDELOOPER-KAMER. fraaie groep. Nabij deze groep vindt men ook nog beelden van Bismarck en Moltke, beiden te voet; in gesprek gewikkeld, misschien wel disputeerend over Elzas-Lotharingen ; en aan den anderen kant den grooten Franschen Keizer Napoleon te paard; om zoo te zeggen langs hen henen rijdend op deze promenade zonder notitie van hen te nemen. Dit geen notitie van elkaar nemen is trouwens, zooals de snelbegrijpende lezer ai aanstonds vatten zal, de nadrukkelijke voorwaarde, waarop al deze verschillende, ja, elkaar vijandige, menschen in één zaal dag in dag uit bij elkaar kunnen zijn, zonder dat er herrie komt. Voordeze groep, op nauwelijks een meter afstand van mij, stond een jonge dame, en zonder er verder over na te denken, had ik aangenomen, dat zij evenals ondergeteekende een nieuwsgierige van vleesch en van beenderen was. En ik weet niet, hoe het komt maar vóór je het recht weet, heb je een dame van vleesch en van beenderen in je onmiddellijke nabijheid, opgenomen. (Ik bedoel met een blik in je aandacht opgenomen.) Ik deed zulks ook nu, en bemerkte dat ze van neen tegen mij knikte, wat vermoedelijk zooveel zeggen wilde als : „Dank u beleefd, houd u je astrantigheid maar voor je. Ik ben van uwé niet gediend . ...” De illusie (of beter in dit geval. de désillusie) was volkomen; de weigerachtige mejuffrouw was . . van was, niet naar het oude raadsel: van was eer was was was, maar zij was altijd van was geweest, was het nog, en zou het ook wel altijd blijven. Aan de overzijde in de'zelfde zaal vinden we een fraaie groep, den nieuwen paus voorstellend, omgeven door eenige kardinalen. De gelijkenis van den paus is voortreffelijk ; een levendig gezicht, grijzend haar, een bril op den neus; ook de houding in den zetel onder den troonhemel is mooi, natuurlijk en expressief. Een overzicht te geven van alles wat hier te zien is, is onmogelijk, tenzij men een halven jaargang van „Panorama” over deze inrichting zou willen volschrijven ; wij volstaan dus met onze lezeressen en lezers die groepen te toonen, welke ons het meest als mooi, leerzaam of karakteristiek troffen. Zoo is er een aardig intérieur. — H. M. de Koningin bezocht voor eenigen tijd de krotwoningen te Amsterdam, zooals ge weet. Welnu, na de Koningin bezocht de directie van het Panopticum dezelfde krotwoning waar de Koningin geweest was, kocht den krot-inboedel (voor ƒ 51. — ) op, verhuisde het boeltje naar het Panopticum, én vulde dit krot met figuren van de Koningin en de bewoners. Het is een alleraardigste kiek. Het eenige wat mij verwonderde bij de groep is, dat de lakei niet evenals de daareven beschreven juffrouw een draaibaar hoofd (of zoogenaamden losbol) op den statigen romp heeft; ik schrijf het aan de onbeweegbaarheid van dit hoofd tenminste toe, dat de plechtige man het hoofd niet nu en dan afwendde van deze schamele affaire. Verdereen Hindelooper- en een Marker-kamer met hun inhoud van fraaie antieke voorwerpen en typische menschen. Als een bewijs van wat een groote waarde de inhoud dezer vertrekjes is, kan ik u uit goede bron meedeelen, dat een Amerikaan voor dat Hindelooper-Kamertje het bagatel van 20.000 dollar geboden moet hebben. Zeer fraai is ook de Indische groep „Slamat Datang” (wees welkom), een kijkje in een Javaansche kampong. Nu dwalen, we den dwaaltuin den oosterschen dwaaltuin, waar je aldoor tegen spiegels loopt om snel en een beetje verschrikt om te keeren en weer tegen een anderen spiegel te botsen. Het is werkelijk allervermakelijkst. Men vindt hier allerlei spiegel-curiositeiten. Zoo b. v. een onafzienbare beek, waar op den oever 8000 meisjes staan, gereed om in het water te duiken - - Maar, neen, hoor, het zijn maar twee, zegge twee, zwemsters, en de andere 7998 komen vanwege de spiegels. Door duizelingwekkend diepe gangen ziet men allerlei curieuze groepen, als Sheherezade, hare 1001 verhalen (zij het dan ook niet alle gelijktijdig) aan den sultan verhalen; elders achter in een diepe zuilengang ligt Mozes zoowaar in de biezen, en weer elders vonden we de „Gioconda” gelukkig terug. De suppoost Epskamp, die u begeleidt, kan dat allemaal heel aardig vertellen, en het is geen wonder, dat hij het zoo goed eraf brengt, want hij doet het al 33 jaar achtereen. Nog wacht ons de duizelingwekkende nederdaling per lift in ’s aardrijks ingewand, waar in geheimzinnige grotten allerlei wonderen vertoond worden, als Mohammed’s graf, en een aantal fantastische tafereelen uit de 1001 nacht verhalen. De suppoost Van Beek is de gids in deze geheime aardschachten en is er zoo thuis dat hij er zoowaar nog grapjes bijmaakt. Ik houd op . . Er is toch geen doen aan, u alles te beschrijven. Gaat u zelf maar eens kijken, lezeressen en lezers. WALKER. A. POST, gemeenteontvanger van Nootdorp (Z.H.) en Heemraad van den Polder Nootdorp, herdacht den len April den dag waarop hij voor 25 jaar tot gem.-ontvanger werd benoemd. HET BEZOEK VAN H. M. DE KONINGIN AAN IJMUIDEN. Van l.n.r.: Kapt. Wiegand, H. M. de Koningin, 2e Luit. Claessen, Gen.-Maj. Ophorst. Kapt. t. Zee A. J. v. Stockum (Comm. positie IJmuiden), Luit.-Kol. Dart, le Luit. Quarles, Kapt. t. Zee Hoofd Graafland, Maj. Raneft. Fr. BRUKE. Den 22sten Maart vierde de Zeer Eerw. Heer Fr. BRUKE, directeur van het pro-Gymnasium te Venlo, zijn 25-jarig priesterjubileum. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1476 tot 1480 van 11897