Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1471 tot 1475 van 11897
Nummer
1915, nr.26, 31 mrt. 1915
Blad
15
Tekst
207 WINTERGEZICHT UIT HET VONDELPARK. De enkele oogenblikken, dat het Vondelpark te Amsterdam met een laagje sneeuw bedekt was, heeft de heer S. Winter benut om deze zeer aardige opname te maken. De familie Frank woonde niet zoo heel ver van haar woning, gelukkig, want Mien Kareisen had niet den moed gevonden in de tram te stappen en daar met een gelegenheidsgezicht de praatjes over het weer aan te hoorer» en te beantwoorden. Spoedig was ze aan de woning en opende de dienstbode de deur in antwoord op haar schellen. „Is mijnheer Kareisen hier?” vroeg zijn vrouw, zooveel mogelijk een onverschilligen toon aanslaande. „Neen, mevrouw, nog niet!” Juist op dit oogenblik kwam een jong meisje de trap af tot wie de dienstbode zich wendde met de woorden : „Hier is een dame, juffrouw Dora, die naar mijnheer Kareisen vraagt. Verwacht u hem van avond nog?” Het meisje Keek de bezoekster nieuwsgierig aan en deze vond dat haar mededingster een knap meisje was met een bekoorlijk gezichtje en mooi blond haar. „Mijnheer Kareisen komt zeker nog van avond,” zei ze vriendelijk. „Wenscht u hem te spreken?” „Ik kan het ook met u doen,” antwoordde mevrouw Kareisen met van ontroering heesche stem, terwijl ze de vestibule instapte. De dienstbode had zich verwijderd en de beide dames zagen elkander een oogenblik sprakeloos aan. „Ik moet een oogenblik met u spreken,” zei mevrouw Kareisen eindelijk. Juffrouw Frank liet haar bezoekster, zonder te antwoorden, in een spreekkamertje en vroeg toen op koelen toon: „Wat heeft u mij te zeggen ?” „Is u verloofd met den heer Kareisen?” barstte Mien los. Het meisje bloosde. „Ja! Maar wie is u? En waarom vraagt u dat?” „Omdat ik daar het recht toe heb; omdat hij u bedriegt; omdat hij mijn echtgenoot is!” „Uw echtgenoot!” Dora staarde de vreemde dame in de grootste verbazing aan. „Neen! Neen! Dat kan niet! Dat moet een vei gissing zijn!” Mien haalde den brief te voorschijn. „U herkent zeker uw brief wel, is ’t niet? Welnu, ik vond hem een half uur geleden in den binnenzak van mijn man’s winterjas.” „Het moet een vergissing zijn. Heeft u de enveloppe ook?” „Ja! Ziehier! Henri Kareisen, Sociëteit „De Eendracht!” antwoordde Mien, terwijl ze de enveloppe liet zien. „’t Is mijn echtgenoot, met wien ik drie maanden geleden getrouwd ben!” „Ik kan ’t niet gelooven,” zei Dora langzaam, met bieeke lippen, „’t Is haast onmogelijk, en toch....” Er werd gescheld. „Dat zal hij zijn,” ging ze verlicht voort, en de kamerdeur openende riep ze; „Jansje, als’t mijnheer Kareisen is, laat hem dan hier!” De dames hoorden zware voetstappen in de vestibule. Mevrouw Kareisen stond onbeweeglijk bij de tafel. Dora echter liep in angstige gejaagdheid heen en weer. Wat duurden zoo’n paar minuten toch vreeselijk lang. Eindelijk opende de dienstbode de kamerdeur en diende den beer Kareisen aan. Een jonge man trad’ de kamer binnen. „Dora!” riep hij uit, terwijl hij haar glimlachend en met uitgestrekte handen te gemoet liep. Juffrouw Frank evenwel glimlachte niet en groette niet, dooh wee met uitgestrekten arm naar mevrouw Kareisen en vroeg: „Ken je deze dame?” De jonge man aangekondigd als de heer Kareisen en mevrouw Kareisen keken elkander verbaasd aan. „Ik heb niet het genoegen mevrouw te kennen,” zei hij beleefd, tot zijn bevreemding bemerkende dat deze woorden een ontspanning in het opgewonden gelaat van zijn verloofde deden ontstaan. „Ik dacht het wel!” zei Dora op geheel veianderden toon. „Zij zegt —• ze moet krankzinnig zijn — dat jij haar echtgenoot bent/’ „Ik. haar echtgenoot?” „Is dat uw Henri Kareisen?” vroeg nu Mien, die eindelijk haar spraak terugkreeg. „Ja. natuurlijk! Zoudt u nu zoo vriendelijk willen zijn, ons uit te leggen wat u bedoelde met uw bewering, dat u drie maanden geleden met hem getrouwd is?” „Ik heb dezen heer nooit gezien. Ik zei u dat ik getrouwd ben met Henri Kareisen en dat ik in den jaszak van mijn echtgenoot van avond den brief vond, dien ik u liet zien.” „Ja, die brief was ’t, die mij zoo van streek bracht,” riep Dora uit. Ze keerde zich tot haar verloofde. „Waar is de brief dien ik je van morgen geschreven heb en aan de sociëteit heb geadresseerd? Heb je ’m niet ontvangen?” „Zeker heb ik hem ontvangen! Van middag om twee uur, toen ik op de sociëteit was om te lunchen. Ik heb hem hier—hij stak zijn hand in den binnenzak van zijn jas. „Drommels, waar is ie nou?” „Hier is 't! Ik vond het briefje in de jas van mijn man,” zei Mien Kareisen. „Hoe kwam het echter daar?” Henri Kareisen de Tweede nam den brief aan en bekeek hem met verwonderden blik. HET KALVERDIJKJE TE LEEUWARDEN. De heer van der Peyl te Leeuwarden vervaardigde een zeer fraaie winteropname van het Kalverdijkje. PANORAMA „Dat is al heel geheimzinnig,” zei hij. „Ben je je jas wellicht een oogenblik kwijt geweest?” vroeg Dora, toen haar verloofde niet in staat scheen het raadsel op te lossen. „Laat me eens even nadenken! Ik las den brief in de vestibule, deed hem in mijn jaszak, hing de jas in de lunchroom aan een kapstok, tijdens mijn ontbijt. Toen ik klaai was deed ik mijn jas aan en ging heen. Neen. dat deed ik niet! Ik had nog een halfuur den tijd, ben toen de biljartzaal ingegaan en heb mijn jas aan een kellner gegeven. Die bracht ze me later weer terug. Ah! Is uw echtgenoot Henri Kareisen?” „Ja, natuurlijk!” antwoordde Mien min of meer ongeduldig, „anders zouden al die onaangenaamheden niet zijn voorgevallen.” „Dan ken ik .uw echtgenoot!” was het triumfantelijk antwoord. Mien, die zich bijna ging afvragen of haar echtgenoot niet slechts in haar verbeelding bestond, keek hem nieuwsgierig aan, terwijl Dora zichzelf in stilte bekende dat haar veronderstelling omtrent de gekrenkte geestvermogens van haar bezoekster blijkbaar heel onjuist was geweest. „Uw echtgenoot is Henri Paul Kareisen, de jongste ven noot van Stephens en Co, de wolhandelaars, niet waar ?” vroeg de jonge man. „Ja, ja!” antwoordde meviouw Kareisen gretig. „Maar,” ging de heer Kareisen van juffrouw Dora voort, „dat verklaart nog niet hoe hij aan mijn brief komt. Waoht! Ik geloof waarlijk dat dit mijn jas niet is!” Met zenuwachtige haast begon hij zijn zakken te onderzoeken, uit een waarvan een portefeuille te vooisohijn kwam. „Dat is Henri’s portefeuille,” riep Mien verheugd uit. „U heeft zijn jas en hij de uwe. Ze gelijken dan ook sprekend op elkaar.” „Ja,” zei de andere Henri, „dat komt er van als je beiden denzelfden kleermaker hebt. Hij is vanmiddag ook op de soos geweest, hoewel ik hem niet gezien heb, en de kellner heeft onze jassen verwisseld.” „U kent dus mijn echtgenoot?” „Dat zou ik denken, we zijn neven en warer vroeger dikke vrienden. Ruim een jaar geleden hebben we oneenigheid gehad, eigenlijk om een kleinigheid, wat evenwel een hoogloopenden twist ten gevolge had, en sedert hebben we niet meer tegen elkaar gesproken. Kort geleden vernam ik dat hij getrouwd was. Heeft hij u nooit over zijr waarden neef gesproken? Stel je voor!” „Wel Henri,” zei nu Dora, „je hebt me zelf ook neg nooit gezegd dat je bier een neef had wonen!” „Heb ik niet? Nu, dat is wel eer bewijs hoe woedend we op elkander waren. Dat moet nu maar in eens uit wezen; ik ga Henri opzoeken. Wie weet tot welke gekke complicaties het anders nog zou kunnen leiden. Is intusschen aan de dames de onschuld van Henri Paul en Henri Solus volkomen gebleken?” De dames, de getrouwde en de ongetrouwde, betuigden om strijd dat ze volkomen aan de rechtschapenheid van de beide Henri’s geloofden. Henri bracht zijn aangetrouwde nicht thuis, verruilde toen meteen de jas van zijn neef voor zijn eigen jas en Het aan zijn ouden vriend de boodschap achter, dat hij hem den volgenden dag zou komen bezoeken, om den twist bij te leggen. Toen Henri Paul dien avond thuis kwam, bekende zijn vrouw hem alles wat sedert zijn vertrek was voorgevallen. Zoo eindigde alles zeer bevredigend en de moiaal hiervan is, zooals de heer Kareisen zijn vrouw ondei ’t oog bracht, dat men nooit oordeeler moet naar oogenschijnlijk overtuigende bewijzen.
PDF
Nummer
1915, nr.26, 31 mrt. 1915
Blad
16
Tekst
PANORAMA 208 J>rf< ‘iii likubir: | .Ciow< M Ueii t*Vt Ïï Weldadigheidsba^ar in „yTrti” te Amsterdam Yk /e zijn juist eens een kijkje wezen nemen VV op denzelfden dag ais de Koningin. In de eerste plaats staat dat gekleed, en in de tweede plaats is er op zoo’n namiddag kans dat het op zijn aller-aller-keurigst is in den meest overtreffenden aller superlatieven Welk een vertier daar op dat Spui. Half vier zou de Koningin vertrekken, en we hadden ons ,,opgemaakt” (zooals men dat noemt), om tegen dat uur present te zijn. Een ontzagwekkende menigte dames verdrong zich voor het eerbiedwaardig gebouw van het Kunstenaarsgenootschap. Met nog een paar andere individuen van het mannelijk geslacht waren wij de, onontbeerlijke, uitzondering op dit verder uitsluitende damespubliek. Het was niet volkomen van gezelligheid ontbloot, zich temidden dezer dames te bewegen; gewuif van vederen, geruisch van zijde, gebabbel van lieve stemmen was er om mijn eenzaam mannelijk hoofd. Maar toch tenslotte was het mij niet onaangenaam, toen een licht en gaandeweg al heviger en heviger wordend gedrang, in mijn omgeving begon merkbaar te worden. De vriendelijke wezens rondom mij begonnen in gesloten gelederen voorwaarts te rukken. De deur was geopend; ik was er vlak voor, wanneer, gelijk tot een modernen Tantalus, zoo fnuikend, het ,,Er is geen plaats meer” ‘ mij, (indien ik het zoo uitdrukken mag), den vreugdebeker voor de voeten wegmaaide; stagnatie heerschte, benevens een lichte consternatie. Ik wasechter in de onmiddellijke nabijheid van een politieman geraakt, en het toovermiddel, de perskaart, kon dus worden toegediend, en miste ook thans weder zijn aangenaam bedwelmende uitwerking niet. * * * Binnen was het al even druk. Voetje voor voetje schuifelde het vrouwelijk menschdom voorwaarts tusschen de smaakvolle stands en theetafels. En dit voortschuifelen, langzaam en behoedzaam, maakte juist dit bezoek tot een dubbele, neen. een veelvoudige genieting. Men zag uitnemend op deze wijze de alleraardigste bloemenuitstallingen, de kussens, theewarmers, bonbons, broderie-, kant-, ooft- en versnaperingenuitstal’ingen, in één woord, een uitgebreiden en smaakvollen hoorn des overvloeds. Aan een kussens en cosy-stand wees een lieftallige dame mij een violet-gebloemde lampekap, zooeven, nog geen kwartier geleden, door de Koningin persoonlijk aangekocht. Onder de aardige, tentoongestelde zaken, moet ik nog een knus en knap poppenhuis noemen ; voorts was er ja van alles, wat maar aangenaam voor het oog is, en ijverig werden er door allerliefste dames, in voortreffelijke toiletten gestoken, loten a f 1.— verkocht voor de verloting dezer aardige snuisterijen en voorwerpen van delicaat en lief gebruik. Het was een uitnemend plezierige verzameling van lieve, vriendelijke voorwerpen, smaakvol en gracieus, het evenbeeld der schoone. gracieuze dames-verkoopsters. Een keurig hoekje, daar midden in het tumult van Amsterdam, zooals de foto’s, die wij hierbij afbeelden, ongetwijfeld ook wei den indruk geven. EEN DER AARDIGSTE STANDS VAN DE TENTOONSTELLING. WALKER. HET BEZOEK VAN DE KONINKLIJKE FAMILIE AAN AMSTERDAM. Aankomst van H. M. de Koningin, Z. K. H. Prins Hendrik en Prinses Juliana aan het H. M. de Koningin en Z. K. H. Prins Hendrik brengen een bezoek aan het Zeemanshuis Centraal-Station te Amsterdam. aan de Prins Hendrikkade. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.27, 1 april. 1915
Blad
01
Tekst
'No. 27 (40a) 1 April 19>15. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afeonderiljke Nummers 1F0.Q75 UITGAVE A. W. SIJTHOFF’S UITQEVERS=MAATSCHAPPIJ, LEIDEN - RED. EN ADM. DDEZASTRAAT 1, TEL. 1. DE SPORTDEMONSTRATDE IN HET STADION TE AMSTERDAM OP 28 MAART Een aardig moment uit den wedstrijd H. F. C. - Haarlem, die met 4*3 door H.F. C. werd gewonnen. A. Hamers, winnaar len prijs speerwerpen met 36.60 M. Z. K. H. Prins Hendrik in het Stadion, salüëerend op het oogenblik, dat het Wilhelmus gespeeld wordt; rechts op de foto generaal-majoor Ophorst, die de prijzen uitgereikt heeft. Wedstrijd over 400 M. hardloopen, met voorgift, waarvoor 10 deelnemers startten. (foto's Bern. F. Eilers).
PDF
Nummer
1915, nr.27, 1 april. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 210 EEN KOSTBARE REMBRANDT UIT DE VERZAMELING VAN Dr. BREDIUS. JAN STEEN, DE SATYR BIJ DEN BOER, DIE WARM EN KOUD BLAAST. ..«ja» TWEE BIJZONDERE COLLECTIES ................................... .................................................. |n dezen rumoerigen tijd, nu er in den maalstroom der dingen wel méér bovendrijven komt, wat vroeger onder dè oppervlakte van het gewone, dagelijksche leven geborgen bleef, nu huizen zich openen voor het publiek, die vroeger gesloten bleven, en collecties het daglicht zien, jaren in de stilte en rust van oude kamers begraven, nu ook is in een der bovenzalen van de kunstzaal Kleykamp (de baten zijn voor het Nat- Steuncomité bestemd), een verzameling tentoongesteld van werken, welker vermaardheid algemeen werd erkend, maar die nooit voordien voor den gewonen sterveling te bezichtigen mogelijk waren, daar ze in particuliere woningen geborgen, nooit in het licht van de algemeenheid waren te voorschijn gebracht. Ditmaal zijn het de verzameling van dr. A. Bredius en van den heer J O. Kronig, welke hier worden tentoongesteld. We zien in deze zalen werken van Rembrandt, Breughel dén Oude, Albert Cuyp, Anthonie van Dijck, Thomas de Keyser, van Miereveld, Adriaan van Ostade, Jan Steen, Teniers e.a., uit de verzameling van dr. Bredius, terwijl de verzameling van Kronig werken bevat van Vigée le Brun, Perronneau, Latour. Delatour, Hogarth, Jordaens, Metsu, Hercules, Seghers e.a. en óók vier van Rembrandt. De verzameling Bredius is ’n bijzondere verzameling van den kunsthistoricus, die het belangrijke en het schoone tevens wist te vereenigen, zooals uit de namenreeks reeds is op te merken. De verzameling Kronig, waaronder de Vigée ie Brun, Latour e.a., heeft minder een bepaald karakter als collectie, dan wel door de sprekende persoonlijkheid in de keuze der werken zelve. Maar welk ’n schitterend geheel, deze collecties! Hoe, na de rumoerigheid in ons leven van thans, rust je uit in de rustige beschouwing van al deze gedegen kunstwerken, waarin zoo ganschelijk het „streben” ontbreekt, dat vaak zoo vermoeit in den modernen, vooral op oogenblikken, dat we gepakt door de rusteloosheid van onzen tijd, zoeken, tevergeefs vaak, naar wat gestage rust! Zoo de werken van dezen tijd wél onzen tijd vertegenwoordigen, en de werken van toen wél den tijd van toen, hoeveel gedegener en weidscher was dan die Gouden Eeuw. dan de nerveuse eeuw, waarin wij, modernen, leven! Hoe behoort deze kunst thuis in de ruime woningen der Patriciërs, met hun zware meubelen, die ieder op zich zelve haast monumenten zijn van den breeden kunstzin onzer voorouders! Over ieder dezer kunstwerken te spreken, de schitterende hoedanigheden van ’n stuk als de ,,Ouders van Tobias” of als van Ariadne of Bacchus te bespreken, of neer te schrijven de stemmingsvolle schoonheid, welke b.v. van ’n Venus uit de Venetiaansche school uitgaat, dit bestek is er helaas te klein voor. Kort en vluchtig, als de indrukken van onzen tijd in ’t algemeen, moet dit artikeltje zijn; maar bronnen van weidsche schoonheid zijn deze verzamelingen, ’n lafenis voor degenen, die tot rustigen inkeer komen willen door de wèl-aandoende breede uitbeeldingskracht en den rijkdom tevens, van echt menschelijk schoonheids-sentiment, hier zonder ophef, maar te welsprekender zich aanbiedend. In de weldoende rust der zalen Kleykamp vergeet je, bij de contemplatie van wat het voorgeslacht aan schoons wrocht, wat het nageslacht thans vernielt. En dat hebben we wel noodig in deze tijden! CI-DEVANT. Dr. A. BREDIUS. (foto Vinkenbos & Dewald) ?|||',1I dilhl, li.iilllililillll MiilllUlllÜ' liii.jii'iiilÈlllli II.: D. rAbraham Bredius 1855—1915 .. 18den April a.s. viert dr. A. Bredius zijn zestigsten verjaardag. Deze dag, die door Sfif fe zijn vrienden en vereerders niet onopgemerkt voorbij gegaan zal worden, is voor ons een welkome aanleiding, om bij zijn portret iets over jjen kunstgeleerde, wiens faam tot ver over onze grenzen verbreid is, mede te deelen. Geboren te Amsterdam voelde dr. Bredius zich als jonge man sterk aangetrokken tot de muziek, een kunst, die nog met voorliefde door hem beoefend wordt. Gezondheidsredenen beletten hem echter in die richting zijn studiën voort te zetten en zoo kwam hij er door een gelukkig toeval toe, op een Italiaansche reis, zich aan de studie der oude meesters der schilderkunst te wijden. Van 1880 tot 1889 was Dr. Bredius onder-directeur van het Nederlandsch Museum te Amsterdam, en van 1889 tot 1909 directeur van het Mauritshuis te ’s-Gravenhage. De talrijke ontdekkingen, die hij deed, toonden alras zijn superieure kennis van de oude meesters. En groot liefhebber en enthousiast als hij is, kocht hij zelve menig schilderij om dat dan aan zijn museum in bruikleen af te staan. Onder de allermooiste schilderijen, die door groote persoonlijke opofferingen van Dr. Bredius in ons land gekomen zijn, behoort zeker Rembrandt’s meesterwerk Saul en David (Mauritshuis, Den Haag) waarvan wij in No. 41 van onzen eersten jaargang een gedeelte gaven. Talrijk zijn de werken en tijdschriftartikels in binnenen buitenland van zijn hand verschenen. Ijverig en nauwkeurig archiefonderzoeker als hij is, behoeft het geen betoog, dat zijn gedocumenteerde publicaties steeds nieuw licht verspreiden op het groote terrein der kunsthistorie. En wie als schrijver dezes, hem heeft zien arbeiden zooals hij reeds langer dan 30 jaar doet, in die oude stoffige archieven en het enthousiasme heeft gezien, dat hem bezielde, wanneer hij iets vond, dat van belang was voor de historie der Kunst of liever van welke historie ook, staat vol bewondering voor dien liefhebber der Kunst om haars zelfs wil, die een sieraad is van zijn land. v. Z.
PDF
Nummer
1915, nr.27, 1 april. 1915
Blad
03
Tekst
211 PANORAMA DE STRIJD AAN BEIDE FRONTEN HET IN STELLING BRENGEN VAN EEN KANON. Uit de bovenstaande Engelsche foto kan men zich een klein idee vormen, wat een moeite het kost het zware veldgeschut in stelling te brengen. VOOR HET VERVOER DER KANONNEN. Bij hun terugtocht uit Oost-Pruisen hebben de Russen verscheidene zware motor-sleepwagens van Amerikaansch maaksel achtergelaten, die zij gebruikten voor het voorttrekken hunner kanonnen. DE KATHEDRAAL- VAN RHEIMS. Om de reeds zoozeer gehavende kathedraal voor verdere verwoesting te beschermen, worden de ramen met zakken zand gebarricadeerd. GENERAAL D’AMADE, die benoemd is tot comm. van de Fransche landingstroepen aan de Dardanellen. ADMIRAAL DE ROBECK, (geheel links op de foto), wien nu het commando is opgedragen over de schepen, die de Dardanellen trachten te forceeren. DE TYPHUS IN SERVIË. Een gewonde Servische soldaat is door de vreeselijke ziekte aangetast en niet in staat verder te gaan. IN HET ARGONNERWOUD. Eer. patrouille Duitsche dragonders, die hun paarden hebben achtergelaten, liggen gereed om op den naderenden vijand te vuren. GESNEUVELD. Een onzer correspondenten trof in een korenveld in N.-Frankrijk een Duitsche patrouille die zich te ver had gewaagd en geheel was neergeschoten. Klaarblijkelijk lagen de lijken reeds eenige dagen zoo.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1471 tot 1475 van 11897