|
PANORAMA 210
EEN KOSTBARE REMBRANDT UIT DE VERZAMELING VAN Dr. BREDIUS. JAN STEEN, DE SATYR BIJ DEN BOER, DIE WARM EN KOUD BLAAST.
..«ja»
TWEE BIJZONDERE
COLLECTIES
................................... ..................................................
|n dezen rumoerigen tijd, nu er in den maalstroom
der dingen wel méér bovendrijven
komt, wat vroeger onder dè oppervlakte van
het gewone, dagelijksche leven geborgen bleef,
nu huizen zich openen voor het publiek, die
vroeger gesloten bleven, en collecties het
daglicht zien, jaren in de stilte en rust van oude kamers
begraven, nu ook is in een der bovenzalen van de kunstzaal
Kleykamp (de baten zijn voor het Nat- Steuncomité
bestemd), een verzameling tentoongesteld van werken,
welker vermaardheid algemeen werd erkend, maar die
nooit voordien voor den gewonen sterveling te bezichtigen
mogelijk waren, daar ze in particuliere woningen geborgen,
nooit in het licht van de algemeenheid waren te voorschijn
gebracht.
Ditmaal zijn het de verzameling van dr. A. Bredius
en van den heer J O. Kronig, welke hier worden tentoongesteld.
We zien in deze zalen werken van Rembrandt,
Breughel dén Oude, Albert Cuyp, Anthonie van Dijck,
Thomas de Keyser, van Miereveld, Adriaan van Ostade,
Jan Steen, Teniers e.a., uit de verzameling van dr. Bredius,
terwijl de verzameling van Kronig werken bevat van Vigée
le Brun, Perronneau, Latour. Delatour, Hogarth, Jordaens,
Metsu, Hercules, Seghers e.a. en óók vier van Rembrandt.
De verzameling Bredius is ’n bijzondere verzameling
van den kunsthistoricus, die het belangrijke en het schoone
tevens wist te vereenigen, zooals uit de namenreeks reeds
is op te merken.
De verzameling Kronig, waaronder de Vigée ie Brun,
Latour e.a., heeft minder een bepaald karakter als collectie,
dan wel door de sprekende persoonlijkheid in de keuze der
werken zelve.
Maar welk ’n schitterend geheel, deze collecties! Hoe,
na de rumoerigheid in ons leven van thans, rust je uit
in de rustige beschouwing van al deze gedegen kunstwerken,
waarin zoo ganschelijk het „streben” ontbreekt,
dat vaak zoo vermoeit in den modernen, vooral op oogenblikken,
dat we gepakt door de rusteloosheid van onzen
tijd, zoeken, tevergeefs vaak, naar wat gestage rust! Zoo
de werken van dezen tijd wél onzen tijd vertegenwoordigen,
en de werken van toen wél den tijd van toen,
hoeveel gedegener en weidscher was dan die Gouden Eeuw.
dan de nerveuse eeuw, waarin wij, modernen, leven! Hoe
behoort deze kunst thuis in de ruime woningen der Patriciërs,
met hun zware meubelen, die ieder op zich zelve
haast monumenten zijn van den breeden kunstzin onzer
voorouders!
Over ieder dezer kunstwerken te spreken, de schitterende
hoedanigheden van ’n stuk als de ,,Ouders van
Tobias” of als van Ariadne of Bacchus te bespreken, of
neer te schrijven de stemmingsvolle schoonheid, welke
b.v. van ’n Venus uit de Venetiaansche school uitgaat,
dit bestek is er helaas te klein voor. Kort en vluchtig,
als de indrukken van onzen tijd in ’t algemeen, moet dit
artikeltje zijn; maar bronnen van weidsche schoonheid
zijn deze verzamelingen, ’n lafenis voor degenen, die tot
rustigen inkeer komen willen door de wèl-aandoende breede
uitbeeldingskracht en den rijkdom tevens, van echt
menschelijk schoonheids-sentiment, hier zonder ophef, maar
te welsprekender zich aanbiedend. In de weldoende rust
der zalen Kleykamp vergeet je, bij de contemplatie van
wat het voorgeslacht aan schoons wrocht, wat het nageslacht
thans vernielt. En dat hebben we wel noodig in
deze tijden! CI-DEVANT.
Dr. A. BREDIUS.
(foto Vinkenbos & Dewald)
?|||',1I dilhl, li.iilllililillll MiilllUlllÜ' liii.jii'iiilÈlllli II.:
D. rAbraham Bredius
1855—1915
..
18den April a.s. viert dr. A. Bredius zijn
zestigsten verjaardag. Deze dag, die door
Sfif fe zijn vrienden en vereerders niet onopgemerkt
voorbij gegaan zal worden, is voor ons een
welkome aanleiding, om bij zijn portret iets
over jjen kunstgeleerde, wiens faam tot ver
over onze grenzen verbreid is, mede te deelen.
Geboren te Amsterdam voelde dr. Bredius zich als
jonge man sterk aangetrokken tot de muziek, een kunst,
die nog met voorliefde door hem beoefend wordt. Gezondheidsredenen
beletten hem echter in die richting zijn
studiën voort te zetten en zoo kwam hij er door een
gelukkig toeval toe, op een Italiaansche reis, zich aan de
studie der oude meesters der schilderkunst te wijden.
Van 1880 tot 1889 was Dr. Bredius onder-directeur
van het Nederlandsch Museum te Amsterdam, en van
1889 tot 1909 directeur van het Mauritshuis te ’s-Gravenhage.
De talrijke ontdekkingen, die hij deed, toonden
alras zijn superieure kennis van de oude meesters.
En groot liefhebber en enthousiast als hij is, kocht hij
zelve menig schilderij om dat dan aan zijn museum in
bruikleen af te staan.
Onder de allermooiste schilderijen, die door groote
persoonlijke opofferingen van Dr. Bredius in ons land
gekomen zijn, behoort zeker Rembrandt’s meesterwerk
Saul en David (Mauritshuis, Den Haag) waarvan wij in
No. 41 van onzen eersten jaargang een gedeelte gaven.
Talrijk zijn de werken en tijdschriftartikels in binnenen
buitenland van zijn hand verschenen.
Ijverig en nauwkeurig archiefonderzoeker als hij is,
behoeft het geen betoog, dat zijn gedocumenteerde publicaties
steeds nieuw licht verspreiden op het groote
terrein der kunsthistorie.
En wie als schrijver dezes, hem heeft zien arbeiden
zooals hij reeds langer dan 30 jaar doet, in die oude
stoffige archieven en het enthousiasme heeft gezien, dat
hem bezielde, wanneer hij iets vond, dat van belang was
voor de historie der Kunst of liever van welke historie
ook, staat vol bewondering voor dien liefhebber der Kunst
om haars zelfs wil, die een sieraad is van zijn land.
v. Z.
|