|
199 PANORAMA
..Ja pa, maakt u nou toch voort!”
,,De wacht is op jullie!” valt pa getergd uit, „ik ben niet
van plan me te verkleeden in die kouwe achterkamer!
Gaan jullie zoometeen nou even naar achter, dan kan ik
hier voort! ’t Duurt geen vijf minuten.”
..Laten we dan maar gaan, moe!” dringt Lien aan, in
doodsangst dat ze te iaat zullen komen.
De klok slaat half acht, moe moet nog in haar blouse
eeperst worden. Lien staat nog in haar kantoorjapon,
omdat ze moe tot kamenier wil dienen, er pa loopt met het
kalmste gezicht van de wereld in zijn huisplunje rond.
Lien en moe verdwijnen naar de achterkamer en maken
in de kou verder toilet, pa helpt zichzelf pruttelend in zijn
feestkleedij.
„We komen vast en zeker te laat!” zucht Lien, als ze
om kwart voor acht moe’s dikke, warme vir gers in de
nauwe zwarte glacé’s wrijft. Dan krijgt ze plotseling een
glorieus denkbeeld.
,’k Moet nog even telefoneeren hiernaast!” zegt ze,
moe staan latend met een handschoen half-aan. half-uit.
„Waar was dat nou goed voor?” informeelt moe, als
Lien met een hoogroode opwindingskleur terugkomt.
..Och, ik had een boodschap vergeten, voor kantoor!”
jokt Lien.
Nu zijn ze eindelijk alle drie klaar: moe met haai daagschen
hoed en mantel, omdat in die garderobe toch alles
bederft, pa in zijn blauwe pak, zijn beste oveijas en schoenen
met lak neuzen aan. Lien met een rooden avondmantel
en een zwierig doekje om ’t hoofd.
„Ben jij poesmooi! je lijkt wel een jonge van dertig!”
moet moe nog even zeggen, met een zijdelingschen blik
op haar knappen echtvriend.
„Moet je nog even hatelijk zijn?” vraagt pa. den sleutel
uit de deur halend en aan den anderen kant weer erin
stekend. Inwendig is hij eenigszins gestreeld door dien
bedekten lof en voelt zijn humeur aanmerkelijk beteren.
Op ’t tochtige portaal, waar een bibberend hanglampje
spaaizaam de smalle trap verlicht, wachten moe en Lien
tot pa de deur gesleten heeft.
„Is ’t gaskiaantje wel goed dicht, pa?” vraagt Lien.
„En ’t haakie op de keukendeur, man?”
„Zaniken jullie toch niet!” valt pa uit,
„ik ben hier waaraohtig net altijd de kleine
jongen!” — Op straat dreunt een autotoeter
en de geluiden van den remmenden
wagen klinken duidelijk op in de kille gang.
„Zeker weer voor die fijne madam van
hiernaast!” minacht moe, met een smadelijk
trekken van haar bovenlip.
„Jij hebt nou ook van iedereen wat te
zegger!” zegt pa. de eerste stap naar
beneden doende.
„Ja, jij vindt-er wel aardig!” sart moe,
„zoo zijn de mannen: een knappe vrouw
wordt over ’t hoofd gezien!” Pa mompelt
jets tusseben zijn tanden ; ’t klinkt als „loop
rond,” maar ’t kan ook wat anders wezen.
„Laat mij maar voorgaan!” roept Lien
geagiteerd, als pa de benedendeur open
heeft getrokken en ze rent de straat op.
Als pa en moe buiten komen, hooren ze
baar juist met een airtje zeggen:
„Rembrandt-theater! maar een beetje
vlug? hoor!”
EEN JUBILEUMSGESCHENK.
Door de Agenten is aan de N.V. Kon. Fabrieken voorheen
Wessanen en* Laan te Wormerveer, ter gelegenheid van het
150-jarig bestaan van deze fabriek, een zilveren beeld op
voetstuk aangeboden.
„Wat sal me nou ovei komen?” vraagt moe, gewoon-weg
„paf”. Haar voeten schijnen plotseling geplant in de straatsteenen.
„Stapt u nou maar in !” dringt Lien, lachend om
moe’s burgerlijke verwondering, half boos dat ze zoo treuzelt.
Pa, als man van de wereld, pakt de zaak beter aan en
wipt het eerste in den auto. De chauffeur tikt aan zijn pet.
Dan doet moe de stoute schoenen aan en zet haar eenen
dikken voet op de treeplank. „Goeien avond, meneer!”
zegt ze lief tegen den chauffeur en ze laat er op volgen. met
een stem die naar het angstige overslaat:
„Rij ons maar niet de grachten in, hÖor!” Voor haar oogen
warrelt een vreeselijk visioen van krantenverhalen: auto’s
over de brugleuning n de gracht, worsteling in het water,
gillen, reutelen, eindelijk verdrinken.
Lien duwt moeder tot op de grijze bank, naast pa. gaat
zelf tegenover hen zitten, het portier klapt dicht, de wagen
schokt en trilt even, vliegt dan plotseling vooruit.
„Groote genade’ daar heb je bet al!” gilt moe, die door
den schok achterover is gegooid en met beide handen naar
haar hoed grijpt, „da’s de eerste en de laatste maal in me
leven dat ik in zoo'n satanscb ding zit!”
„Ja, dat komt er nou van als je zwieren wilt!” oolijkt
pa, die zich heel behagelijk voelt en met half-toegeknepen
oogen achterover leunt. „Hoe kwam je der ook toe, kind?”
vraagt moe, L ien’s geldelijke offer absoluut niet waardeerend.
„O, is het weer niet goed?” Lien kijkt als de verongelijkte
door ’t portierraampje, terwijl ze in allen ernst ’n rekensom
begint. Driemaal / 1.10 en driemaal ƒ0.10 plaatsbespreken
is ƒ 3.30 en ’30 is ƒ 3.60. Dan de auto. Zal wel minstens een
gu’ fen wezen, plus een fooktje. Twintig centen fooi mag ze
wei geven, dat is dus een gulden twintig, ƒ 1.20 en ƒ3.60
is ƒ4.80. Dan de gardetobe, komt ook minstensr op dertig
cent. ƒ4.80 en 30 is ƒ5.10. Dan de consumptie: twee glazen
bier is dertig, twee koffie is dertig, dat maakt zestig plus
dubbeltje fooi is zeventig. Hoeveel had ze ook weer? O ja,
ƒ5.10’. Nou, ƒ5.10 en 70 ;s ƒ5.80. Dan de tram nog terug,
vijftien cent. Je kon gerust rekenen, dai dat avondje je op
zes gulden kwam te staan; dat was warempel bij a een week
salaris. Maar enfin, als ’t nou maar aaidig werd!
„Lien denkt aan der verloren dubbeltjes!” plaagt moe
goedig, die intusschen wat bekome is van den schrik en
het rijden, zelfs prettig begint te vinden. Maar toch houdt
ze veiligheidshalve haar band. op pa’s knie. „Samen rijden,
samen verongelukken!” denkt ze waarschijnlijk.
Maar de pret duurt niet lang, het Rembrandtplein is
al te gauw bereikt en ze stappen uit, idveeren, als Lien
afgerakend heeft, door de toestroomende uitgaans mensohen
en met programma’s ventende joodjes
tot aan de garderobe, waar moe met een
woordje van „aanbevelen in de zorg,” baar
daagsohen hoed en mantel afgeeft en me
een zijkammetje haar haar opkuift, terwijl
pa een grapje maakt met de garderobejuffrouw.
Dan wandelen ze statig de zaal
in, waar het orkest al vroolijk speelt. Lien
voorop, war t die weet precies waai ze zitten
moeten. Als ze eindelijk, na veel getrap
op teenen en vee! maagdrukkens op hun
plaatsen beland zijn, haalt moe met een
genoegelijk gezicht haar schoonen zakdoek
uit de votiwen, giet er een scheutje eau
de-cologne op en zegt, al ruikend:
„Nou be« ik eigenlijk pas op mijn
gemak!”
Pa bestudeert den hals van een voor
hem zittende dame, Lien het programma,
tot het scherm opgaat en ze alle drie in
weldoende rustigheid genieten van de voorstelling.
20 Januari 1915. Julia Frank.
Van links naar rechts: Mien Schmidt Craus, Mad. de Charal -
Ed. Verkade, Etienne Fériand - Willy Mensink, Mad. Henriette -
Enny Vrede, Germaine Fériand - Cor Ruys, Pascal Delannoy.
TPmoureuse,
Tooneelspel in 3 bedrijven door Georges de portoriche.
£>ie ?ict$hespelers - Oen Tiaag.
N
e pouvant supprimer l’amour. les honnétes gens
..désinfecter. et ils ont fait le mariaoe’. Dit woord van Baudelaire
gens ont voulu au moins le
„désinfecter, et ils ont fait le mariage’.
komt je in de gedachten bij het zien van dit stuk. Het is als het leven,
het begint met ’n blijspel en het eindigt met 'n compromis. We schieten
elkaar niet meer dood, we plegen geen zelfmoord meer, we verlaten elkander
niet meer na ’n dramatische scène, waarin zij snikt: „Adieu Jean” en hij
antwoordt: „Leef wel en gedenk mijner, geliefde’’. - waarna het leven,
koud voor dergelijke menschelijke uitbarstingen als het is, toch weer z’n
gewonen gang gaat en lijn 13 je net zoo goed ’s nachts den slaap uit je
oogen houdt met het krassen van de rails in de bocht als te voren, —
maar tegenwoordig zien we verder: we sluiten een compromis. We zijn
cultuurmenschen geworden. We gaan tegenover elkaar staan en vragen
elkaar af: „wat wiï jij?” en „wat wil ik?” En dan wordt er wat afgedaan
en wat bijgedaan en je trekt, nadat op die wijze de eerste „ius” van je
verliefdheid of geliefdheid er af is, met het restant matig levend, als
ideaalmenschen de nuchtere wereld door.
Het hangt er nu maar van af. hoe je aangelegd bent, op welke vfijze je
tot het désinfecteerende compromis komt. Geleidelijk, steeds handelend, of
nadat er ’n storm door je beider harten gewoed heeft, die, na er ’n chaos
veroorzaakt te hebben, je zóó snakken doet naar rust en kalmte, dat je
gebroken, ontwapend tegenover elkander staat, te midden van den vertrapten
Paradijstuin, dien je in het vechten om wat je beiden je rechten noemde,
zoo prettig verwoestte. Dan zijn er twee dingen, die je doen kunt: grinneken,
even. en er uit loopen, of blijven, om zwijgend en zonder enthousiasme,
samen eenzaam, te beginnen opnieuw te bouwen en te planten, ’n
nieuwen tuin, die wel nooit meer de wilde pracht van den ouden krijgen zal,
maar waarin méér van je samen zal komen, waarbij ieder méér op wat
den ander toekomt letten zal en minder op de directe pracht van het
geheel. Dat maakt het huwelijk. En het gaat er nu maar om, of je er
tegen kunt, om wat de liefde in je leven betreft, op dieet te leven.
Enny Vrede, Germaine Fériand.
(foto's M. M. Couvée)
Cor Ruys, Pascal Delannoy. - Ed. Verkade, Etienne Fériand -
Enny Vrede, Germaine Fériand.
Een dergelijke geschiedenis speelt zich af in „Amoureuse” van Georges de Portoriche. Etienne Fériand (Ed. Verkade), is de dokter, geleerde, bekend en welhaast beroemd; Germaine (Enny Vrede), zijn jonge, charmeerende,
amoureuse vrouw, waarvoor moeilijk ’n betere interpretatie kon worden gevonden. Maar hoeveel hij. de oudere, van haar houdt, hij heeft niet hare permanente verliefdheid, en die, hoe werkelijk die twee - nog samen zijn, - zóó.
dat je Pascal’s (de vriend. Cor Ruys, die verliefd op haar is) toespeling op ’n mogelijke echtbreuk glimlachend beschouwt als ’n los gezegde hem toch in de jaren ’n obsessie is geworden omdat ze hem verstrooit en van
z’n werk houdt, dat alleen door ’n rustig doorgezette energie er komen kan. Dat verdriet hem en brengt hem tenslotte op de gevaarlijken tweesprong „Liefde of Wetenschap*4. Daarbij komt de herinnering aan ’n vroegere vrouw, die
integendeel in die richting meehielp, en als Germaine’s schoonheid hem bovendien doet afzien van ’n reis naar Florence, die hem wetenschappelijk ’n grooten stap vooruit zou hebben gebracht, komt de uitbarsting. Hij wordt daarbij
heftig en ruw. zooals mannen altijd worden als ze ’n gevaar willen bezweren, waartegen ze zich niet opgewassen voelen, — waardoor Germaine, die alléén de „faute de son ignorance” heeft, het sympathiekst komt te staan
van de twee, ook al heeft de dokter, wat z’n bewering aangaat, wel wat gelijk.O— Zelf is hij echter daarom niet geheel zonder schuld, omdat z’n eigen zwakte er wel degelijk toe bijdraagt, hare verliefdheid aan te wakkeren. In
dergelijke gevallen hebben altijd beiden schuld. Dat is juist het moeilijke, op deze moeilijkste der levensperioden. Enfin, de breuk wordt volkomen: hij smijt haar quasi in de armen van z’n vriend Pascal, die, wetend dat zij
hem (Pascal) niet bemint, al desniettemin profiteert van de exaltatie, waarin zij door haar mans daad verkeert, en dankbaar het cadeautje aanvaardt. Die meneer Pascal wordt later dan ook keurig door beiden afzonderlijk het
huis uit gebonjourd. Het derde bedrijf is de laatste strijd, na de scène, waarin het Etienne duidelijk is geworden, dat z’n maatregel óók Germaine tot verkeerde daden heeft doen overgaan. En het stuk eindigt op het oogenblik
eenzelfde moment, als ik in m’n voorstukje beschreef het oogenblik, dat ze gehavend en ontwapend in hun verwoesten Paradijstuin, den strijd opgeven, elkaar aanzien, en vragen: Wat nu? Zij gaan verder; de strijd is uit, de
liefde gedésinfecteerd; het compromis, dat werken gaat, begint. „Wéét nu, wat je doet” waarschuwt ze hem, moe. „Ja” knikt hij terug. Dit stuk behoort tot de fijnste stukken, die ik in lang bijwoonde. De dialoog is pittig, vlot
en tintelend van esprit. Op ’n enkele uitzonderinq na lijkt de vertaling mij uitstekend. Voor vrouwen die niets van hun man begrijpen en ook voor mannen, die ’n vrouw als ’n bagatelle beschouwen, ’n aanbevelenswaardig stuk
CI-DEVANT.
|