|
191 PANORAMA
ANQÈLE SYDOW.
Geb. v. Kunst, en Wetensch. Concert-Bur. MAX V. GELDER.
en haalt er het instrument en den strijkstok uit te voorschijn.
En voor de eerste maal in haar leven gaat de goede
ziel viool spelen. Aarzelend schuift ze den strijkstok over
de snaren, en ... . er komt muziek uit. Ze schreit bijna
van blijdschap. Er kómt muziek uit. Reeds daalt ze de
trappen af, maar spelen en loopen tegelijk gaat niet. Ze
zal dus wachten tot ze in de ziekenzaal is. Daar gekomen
stelt ze zich achter een schut op, zoodat hij haar niet kan
zien, maar zij eiken trek op zijn gelaat kan waarnemen.
Hij ligt doodstil, bleek en schoon als altijd, en zijn onbeweeglijke
gezicht wacht, wacht ....
Zij laat zacht den strijkstok op de snaren neerkomen;
zacht, want hij mocht anders eens schrikken. En zie, zie,
op het gelaat van den zieke tot dan toe onbeweeglijk als
van steen, geschiedt er iets. Een flauwe blos, karmijnrood,
komt op de koonen, en het is of het hoofd poogt te bewegen,
korte trillingen loopen om den mond, en schier onmerkbaar
gaat het hoofd zijwaarts, niet meer dan een, twee
strepen. En de oude meid zou het kunnen uitgillen van
vreugde bij den aanblik van het beminde gezicht, nu zachtVAN
DEN MAN DIE ZIJN
GEHEUGEN KWIJT WAS
DOOR HENKIE
(Slot),
tusschen had de auto het opgegeven adres
bereikt, de chauffeur schelde aan en de deur
werd geopend door een huisknecht die het
iTSfó uiterlijk had van een oud-indisch militair.
Toen hij den heer zag, deed hij van schrik
een pas achteruit‘en keek den bezoeker met
open mond en verbaasden blik aan.
,,Wat drommel, wat scheelt jou. Willemsen ?” vroeg
de heer Van Hasselt, alias Smit.
,,Neem mé niet kwalijk, mijnheer, we dachten, da’s
te zeggen, we wisten niet beter of.... of.... u was verloren!”
„Wat is dat nu voor gekheid? Ik ben toch niet te laat
voor de lunch, is ’t wel?”
„Neen ... e ... neen, mijnheer!” antwoordde de man,
blijkbaar geheel in de war. „Maar ik wilde zeggen... de
kolonel is uitgegaan, mijnheer.”
„Zeg, Willemsen. wat scheelt jou! Heb je te veel
gedronken?” vroeg de bezoeker scherp. „Waar is juffrouw
Dora ?”
„In de serre, mijnheer ! Ik zal haar even gaan waarschu..”
„Blijf hier, vlegel !” riep de Heer Van Hasselt, den man
op zijde duwende. Toen, de gang doorloopende, deed hij
een deur open en trad de tuinkamer binnen. Er was slechts
een persoon in de kamer, een jonge dame, die in de grootste
verbazing opsprong, toen ze zag wie de binnenkomende was.
„Her, jij hier!” riep ze in de grootste verwondering,
zonder het minste spoor van blijdschap.
„Heb ik je dcen schrikken, lieve !” vroeg hij. „Verwachtte
je mij dan niet ? Wat zie je bleek, schat, en wat is dat ?
Tranen? Wat is er gebeurd?”
„Gebeurd?” herhaalde zij, terwijl haar blauwe oogen
hem in de grootste verbazing aanstaarden. Ze had een allerliefst
gezichtje, ondanks haar bleeke wangen en roodgeweende
oogen. „Durf je me vragen wat er gebeurd is?
0, Herman.... !” Ze snikte het opeens uit. „Je komst hier
is een beleediging. Ga heen, dadelijk 1 Papa is woedend !
Hij wil je met de rijzweep afranselen. Ga heen, of anders
gebeurt er een ongeluk !”
„Maar. Dora, wat beteekent dat alles toch? Zijn jullie
dan allen gek geworden, hier in huis ? Een uur geleden
ben ik naar het Postkantoor gegaan en nu kom ik terug
T
oen ik dien Vrijdagavond terug kwam van den dansavond van Angèle
Sydow en hare leerlinge Elsa Dankmeyer, met in me de zoete bekoring
van de schoone rhythmische beweging die ik gezien had — waarom dansen
alle vrouwen zóó niet? en in m’n hoofd de melodie van Weber’s „Invitation
a la valse", die me prettig en opgewekt stemde, nog natonend, heb
ik thuis 'n vreemde poging gedaan. Op het Perzisch tapijt voor m'n bed
heb ik als 'n slanke jongeling m'n benijders beweren dat ik mager ben
even luchtig gekleed als Madame Sydow. hare vlugge en sierlijke danspassen
trachten na te bootsen, mij bijzonder wèl voelend in de sans-gêne van
costuumsafwezigheid. Twee maal stootte ik m’n teenen tegen m’n waschtafel
en ééns schopte ik 'n onmisbaar meubel om en gleed tenslotte uit op
’t gladde linoleum, dat rond m’n tapijt ligt. Een groote blauwe plek op
m’n heup deed mij m’n aardschheid gevoelen, en vernederd kroop ik, wat
mank, in m’n bed, waar ik, over m’n heup wrijvend, aan ’t filosofeeren
sloeg over het niet te miskennen feit, dat het in de oude Grieken-periode
toch wel ’n prettiger tijd geweest moet zijn. Dansende nymphen, ons de
bekoring van de schepping uit de eerste hand mild toereikend, het wès ’n
mooie tijd. Stel je dat nu eens voor! dacht ik. Neem. daar, neem het publiek
dat naar Angèle Sydow’s dansen kijken kwam. en dat voor’t meerendeel
uit vrouwen bestond - en waarvan geen tiende deel aan d’r tippen
kon, - neem dat tiende, zet het neer, in ’n verleidelijk décor, marmeren
rustbanken, bij onyxen waterbekkens, of op grasgroene tapijten, en zie dan
eens wat er zou overblijven aan schoonheid, aan goed loopen, goed staan,
goed zich bewegen, goed van lijn en kleur en het aanzien waard; ik vrees
'n schijntje.... Ik heb er eens ’n modiste over gesproken. Ze zei me: „Er
wordt op ons wel eens gesputterd, meneer. We zijn overbodig, en duur,
en wie weet wat meer! Maar, dat wil ik u verzekeren, dat als u eens zag,
wat wij dagelijks zien, al die figuren, al die verkeerde en stumperige
lichamen, die allemaal ’n goede robe willen hebben, en allemaal er goed
uit willen zien, en er, dank zij dan ook ons méér dan betaalbaar talent,
goed uitzien óók! — dan zou u dien Griekschen tijd heusch niet meer
willen ! De vrouwen van dezen tijd moesten pleiten voor standbeelden voor
ons; maar als ze dat doen, dan zouden ze zichzelve verraden! Dat lappen
ze ’m niet, dat begrijpt u! In onzen tijd ’n mooi lichaam? Die er werkelijk
een hebben, daar zie je ’t niet aan. Je moet er naar raden! . . .’’
Ik kan deze modiste geen ongelijk geven. Ze behoort ’t beter te weten
dan-ik. Ik moet dus zwijgen. Maar ik wil maar zeggen, dat als de toestand
zóó is. dat we dan blij mogen wezen, dat we een Angèle Sydow hebben,
die ons voor eenige uren tenminste eens tergend duidelijk doet voelen,
dat ’t leven heel wat prettiger kon wezen als ’t nu is. en die ’n korte
spanne tijds heel wat menschen duidelijk maakt als de stumperds ’t
maar begrijpen wilden dat ons corpus nog iets anders dan ’n kleerenkapstok
is. Ik laat ditmaal de Kunst * met ’n gróóte K er eens heelemaal
buiten. Ik wil niet onder groote kunstfrases ’n eenvoudig sentiment
bedekken, dat de openhartigheid van het gewoon-prettig-menschelijke heeft;
ik wil het nu eens nemen in z’n eenvoudigsten vorm, inplaats van in z'n
gecompliceerdsten. Daar is ’n schouwburg vol menschen, vol dames, heeren
en kinderen. (Het leek wel ’n feest van ’n 5-jarige H. B. S. voor meisjes,
zooveel jeugdige spruiten waren er). En die komen allemaal zien naar wat
ze nooit zelf vertoonen durven: n.1. hoe je je prettig bewegen kunt met zoo
min mogelijk aan. En toch nietwaar, ’n essentieel verschil tusschen ’n
costuurn a la Duncan, of a la Sydow en ’n Japansche peignoir zóó
over je body heen, is er niet! Het is 'n eenvoudig rekensommetje: 2 -lisl!
Het moet dan wel, dat er niet veel te vertoonen is, en dat m’n modiste
gelijk heeft. Zonder dat begrijp ik niet, hoe of den volgenden morgen op
de slaapkamer van al die H. B. S.-meisjes,—ook niet ’n reuzen-opstand
heeft plaats gehad tegen het aantrekken van al de hidense kleedingstukken,
die ze ’s avonds verachtelijk op stoelen en fauteuils hadden neergesmeten
om ’n vluggen danspas voor de psyche uit te voeren, neuriënd de „Invitation
a la valse”.... Of ze gelijk hadden? Dat zal de toekomst uitwijzen! Het
moet toch het hoofddoel van alle Kunst zijn, inheemsch te worden; Kunst
aan allen (gisteravond rijkelijk vertegenwoordigd) was er het bewijs van.
En het lijkt me. dat niets zoo goed kan werken op het vrouwenbewustzijn.
dan zoo’n avond van Angèle Sydow. Meer misschien, dan door ’n dozijn
vergaderingen van de V. V. V. V. etc. Dit is ’n zijde van de kwestie, die
nog niet zoozeer bekeken is. en er toch ook wezen mag. Dat ze gesnapt
wordt, misschien onbewust, misschien zelfs „malgré eux", duidt al de
groote opkomst van het publiek, dat vele kinderen van 9 en 10 jaar
onder de toeschouwers waren, ’n Bewijs, dat de ouders deze voorstelling
beschouwden van een opvoedkundig standpunt. Wat zeker niet onjuist was,
want de kinderen voelden en uitten zich vaak zuiverder over het programma
en de danseuses, dan vele ouderen. Angèle Sydow danste met haar
leerlinge Elsa Dankmeyer. De meest geslaagde dansen waren de Opfertanz
aus Alceste van Glück. Maskentanz (Schumann), Ballspiel van Dalcroze.
die ze samen dansten, de Mazurka, waarvan het costuurn — si j’ose m’exprimer
ainsi mij bijzonder beviel, verder het „poème erotique’’ van
Grieg, de Narrentanz van Schubert. waarvan vooral het begin-motief goed
werd uitgebeeld, terwijl ten slotte de „Aufforderung zum Tanz“ van Weber.
momenten vertoonde, die mij méér Af leken, dan welke ik van de
meisjes Van der Pas zag, maar en b 1 o c, (de creatie van dit nummer
tenminste door deze laatsten), toch prefereer. Wat ik echter gaarne eene
persoonlijke kwestie noem. Een slotwoord voor den zanger A. Gremmé, die
in het dansprogramma 'n goede afwisseling bracht en over wiens schitterende
voordracht en geluid we een eerbiedig zwijgen zullen bewaren,
omdat woorden daarbij „words, words. words” blijven. Zoo als hij het
„Lied an den Abendstern” uit Tannhauser zong.... dat droeg je zóó den
sterren-hemel in ! CI-DEVANT.
voor de lunch. Willemsen kijkt mij aan of hij een geest
ziet en denkt dat ik je vader wil spreken. En jij onthaalt
me op de onzinnigste verwijten. Je vader wil me op zweepslagen
onthalen, maar waarom dan in ’s hemelsnaam ?
Wat is er dan toch gebeurd ?”
„Hoe lang denk je wel dat je weg geweest ben ?”
De heer Van Hasselt keek op zijn horloge.
„Precies twee uur en een kwartier,” antwoordde hij.
„Ja, maar ’t is nu Woensdag, en ’t was Maandag toen
je vertrok.”
„Wat? Vandaag Woensdag? Dora?” Hij schreeuwde
het uit. „Woensdag ? En - en morgen is onze trouwdag ?”
„Was onze trouwdag,” verbeterde het meisje treurig.
„Je kunt toch moeilijk verwachten, dat we nu nog trouwen
zullen ?”
„Dora. ik zweer je, dat ik er niets van begrijp. Ik weet
niet beter of het is Maandag en pas twee uur geleden dat ik
je verlaten heb. Een half uur geleden ontwaakte ik in een
café uit een bewusteloosheid. Ik had een ongeluk met een
auto gehad, ma3*r waar ix den auto genomen heb, weet
ik niet. Ik wandelde naar het Postkantoor en vind mij
zelven terug in een café in de Leidsche straat.”
„Je bent Maandagavond in het Rembrandttheater geweest.
Henri heeft je daar gezien.”
„Ónmogelijk 1 Ik ben er in geen weken geweest. Hij
heeft zich bepaald vergist.”
„Vergist? Hij sloeg je in het gezicht met zijn wandelstok
en je draagt er nog de litteekens van. Waarom lieg
je zoo tegen me ?”
Op dit oogenblik ging de deur open.
„Herman ! Ik wist dat je hier was. Ik ontmoette den
chauffeur aan de voordeur, heb met hem gesproken en
gezien....”
„Henri,” wendde de heer Van Hasselt zich tot den jongeman,
die binnengekomen was, „zeg jij me toch eens, wat is
dat voor een afschuwelijke geschiedenis ? Dora zegt, dat
het Woensdag is; dat ik twee dagen weg geweest ben, dat
ik Maandagavond in het Rembrandttheater geweest ben
en jij me daar geslagen hebt. ’t Is gewoon omgek te worden !”
„Je herinnert je niets, hè? Ik zie het! Dora, Her is
niet de schurk, waarvoor we hem hielden. Hij heeft Maandagmiddag
een ongeluk gehad, is op zijn achterhoofd gevallen
rood en een weinig levend. Doch haar mond zwijgt, en
als in hallucinatie de oude arme oogen gericht naar Rabelowsky’s
gelaat, laat ze voortdurend den strijkstok knarsend
en snerpend over de snaren gaan. Haar perkamentgele
wangen zijn rood verhit, het zweet doet haar voorhoofd
glimmen. Het gelaat van den zieke is plotseling weder
doodsbleek geworden, en het heeft nauw merkbare trillingen
als benauwende krampen.
En de goede Maria, aldoor weerzinwekkender geluiden
op de viool vindend, schrijdt langzaam, onbeheerscht als
een slaapwandelaarster, nader om de vreugd te lezen uit
de oogen van den gekwelden musicus.
Zoo vindt haar de hospitaalofficier, wanneer hij kort
daarop met den Roode-kruis-auto gewonden brengen komt.
Het kost den man ontzaglijk veel inspanning, de oude
vrouw te overreden om haar spel te staken, en niet minder
moeite kost het hem. den patiënt te kalmeeren, hevig geschokt
als diens garsche gestel was tengevolge van de
weerzinwekkende vioolsolo. q+pvnpn
en heeft zijn geheugen verloren. Vandaag had hij weer een
ongeluk, waardoor hij zijn geheugen terugkreeg, maar de
gebeurtenissen van de laatste twee dagen totaal vergeten
was.”
Deze uiteenzetting scheen den beiden toehoorders bijna
ongelooflijk ; weldra vernamen ze echter meerdere bijzonderheden
.
De politieagent had melding gemaakt van het ongeval
en van het feit dat de man zijn geheugen had verloren.
Hiervan was een bericht in de dagbladen verschenen, het
geen door Henri werd voorgelezen. Het feit, dat de heer
uit het bericht vijfhonderd gulden aan contanten bij zich
had, was een bewijs dat dit de heer Van Hasselt zijn moest.
Deze laatste was op Maandagvoormiddag naar het Postkantoor
gegaan om een telegrafischen postwissel te innen,
waarvan hij het geld voor de trouwplechtigheid noodig had.
Tot groote verwondering van de bruid en haar familie
kwam de heer Van Hasselt dien dag niet terug en was hij ook
niet in zijn woning op de Weteringschans verschenen.
Daarentegen zag zijn aanstaande zwager hem dien avond
in het Rembrandttheater in twijfelachtig gezelschap. In
het eerst was Henri te verbaasd om iets te zeggen, maar
toen Van Hasselt hem voortdurend bleef aanstaren en
zich klaarblijkelijk met zijn gezellin over hem vroolijk maakte,
was Henri zich van woede niet meer meester en sloeg zijn
aanstaanden zwager in het gezicht, toen hij dezen aan den
uitgang ontmoette.
Toen Herman van Hasselt ook den volgenden dag niet
bij zijn bruid verscheen, was het voor alle familieleden
duidelijk, dat hij zich op de schunnigste wijze van zijn
trouwbelofte wilde ontslaan. De kolonel begaf zich naar
de woning van den jongen man, met het plan om hem met
zijn rijzweep af te rossen ; hij vond hem evenwel niet thuis.
Woensdag las Henri in een der dagbladen de eerste
oplossing van het raadsel. Hij haastte zich naar huis en
vond daar den chauffeur, die, Henri herkennende als den
heer dien hij Maandagavond gereden had, hem vertelde
van den onbekende die naar hem zocht, van het ongeluk
dat pas gebeurd was en van het plotseling teruggekeerde
geheugen van den onbekenden heer.
Toen de familie al deze bijzonderheden vernam, vergaf
ze Van Hasselt natuurlijk zijn oogenschijnlijk onverantwoordelijk
gedrag. Het paar trouwde toch op den vastgestelden
dag ; Dora veroorloofde haar man evenwel nimmer
uit te gaan zonder naamkaartje of brieven in zijn
zak, waaruit bleek wie hij was.
Gelukkig zijn die voorzorgsmaatregelen tot nog toe
overbodig gebleken.
|