Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1451 tot 1455 van 11897
Nummer
1915, nr.24, 24 mrt. 1915
Blad
11
Tekst
187 PANORAMA HET GROOTE SERVISCHE GESCHUT. Eenige nummers terug gaven wij een foto van het jacht „Erin’’, dat door Sir Lipton ter beschikking van het Servische Roode-kruis is gesteld. Deze ambulance is nu te Belgrado aangekomen en heeft aldaar een zeer „warme” ontvangst gehad. Zij was er namelijk pas of de Oostenrijkers begonnen de stad te beschieten. Op de foto links ziet men een der Servische kanonnen, die bij dit bombardement door de Oostenrijkers werd vernield. De artilleristen, die het bedienden, liggen er gedood naast. De foto rechts geeft een der groote Servische kanonnen te zien, die het vuur beantwoordden. HET PALEIS TE BELGRADO. DE KROONPRINS VAN SERVIË, Het bombardement der Oostenrijkers op 17 Februari heeft wederom groote schade aangericht. Hierboven een foto (links op de foto) in gesprek met twee Oostenrijksche na dit bombardement in het paleis genomen. krijgsgevangenen. DE VERWOESTING VAN BELGRADO. Enkele huizen, diebij het laatste bombardement door de Oostenrijkers vernield zijn. HET VERVOER VAN DE GEWONDEN. Door het vijandelijk vuur getroffenen ziet men geregeld op draagbaren door de stad vervoeren. De toestand in Servië
PDF
Nummer
1915, nr.24, 24 mrt. 1915
Blad
12
Tekst
PANORAMA 188 De Gealliëerden m Vlaand eren en Noord-Frankrijk GEREED VOOR DE LOOPGRAVEN. Engelsche soldaten, gereed om naar de loopgraven te gaan. Eigenaardig is, hoe de geweren der soldaten zijn ingepakt. VERWOEST BELGIË. Onder de Belgische plaatsen die door de verschillende bombardementen met den grond gelijk zijn gemaakt, behoort ook het dorpje Passchendale, tusschen Roeselare en Yperen. Wij geven hierboven de totaal vernielde kerk. Oorlogs-Kroniek. 15 Febr. In België, tusschen de Oise en de Aisne en in Champagne werden artillerie-duels geleverd, In Lotharingen, in de streek van Pont-a-Mousson deden de Franschen een tegenaanval op de Duitschers, die Norroy hadden bezet. De strijd duurt nog voort. — Van het Oostelijke front komen de volgende berichten: De gevechten op den rechteroever van de Weichsel ontwikkelen zich langzamerhand. Op het front van Mochawa tot den wegvanMyszinec tot Ostrolenba, dragen zij ’tkarakter van partieele botsingen. In de streek van Lyck, Raigrod en Grajewo onderscheiden de gevechten zich door groote hardnekkigheid. Hardnekkige gevechten hebben plaats op het front Dukla— Wyszkof, en langs de wegen naar Nadwornaja. 16 Febr. Aan het Westelijke front: Er hadden slechts enkele acties van de artillerie plaats. Een Duitsche batterij bij Poelcapelle, ten Noord-Oosten van Yperen, werd tot zwijgen gebracht. De Franschen vernielden Duitsche loopgraven bij Beaurains, ten Zuiden van Atrecht en beschoten veldwerken en troepen in de buurt van Soissons den Perthes. De voorste loopgraven bij den Sudelkopf. die de Duitschers op 12 Febr. verloren, werden door hen heroverd. De Duitschers verdreven de Franschen uit Sengeren in het Lauchdal. Het geNA DEN AANVAL. Bovenstaande foto is genomen door het schietgat van een loopgraaf tusschen Yperen en La Bassée, na een plotselingen Duitschen aanval. Wanneer men nagaat dat alleen voor deze ééne opening drie Duitsche soldaten hun leven hebben moeten laten, zooals onze foto doet zien, dan kan men zich eenigszins indenken hoeveel menschenlevens zulk een aanval, die zich * dikwerf over een front van verscheidene kilometers uitstrekt, vraagt. hucht Rempspack werd daarna vrijwillig door hen ontruimd. — Aan het front langs de Njemen en de Weichsel werden de gevechten, den 13en begonnen, ongeveer in dezelfde streek als den vorigen dag voortgezet. Op den linkeroever van de Weichsel had de gewone kanonnade plaats. In de Karpathen sloegen de Russen hardnekkige aanvallen der Oostenrijkers bij Swidnik af. In Polen, links van de Weichsel, hadden geen veranderingen van beteekenis plaats. Ten Noorden van Tilsit werden de Russen uit Piktupönen verdreven en in de richting van Tauroggen verder gedrongen. 17 Febr. Aan het Westelijke front hernamen de Engelsche troepen twee gedeelten van loopgraven, tusschen St.-Eloy en het kanaal van Yperen, die den vorigen dag voor hen verloren gingen. Aan het front der Fransche jtroepen had geen enkele actie der infanterie plaats. — Op het Oostelijk oorlogstooneel duurt aan deze en gene zijde van de Oost-Pruisische grens de vervolgingsstrijd dér Duitschers voort en neemt voor hen verder een zeer gunstig verloop. In Polen, ten Noorden van de Weichsel, hebben zij na een kort gevecht, Bielsk en Plock bezet en ongeveer 1000 gevangenen gemaakt. Ia Polen, ten Zuiden van de Weichsel, hadden geen gebeurtenissen van beteekenis plaats. In de Karpathen duren de gevechten voort. DE STRIJD IN CHAMPAGNE. Een transport Duitsche krijgsgevangenen trekt door het stadje Chalons (nabij Reims). 1 DE RIDDERSLAG. Na het kruis van het Legioen van Eer op de borst v. d. gedecoreerde gehecht te hebben, geeft Generaal Reverard hem den kus. DE OORLOGSBUIT. Door de Franschen buitgemaakte Duitsche kanonnen, vliegmachines, enz. worden tentoongesteld voor het Hotel des Invalides te Parijs.
PDF
Nummer
1915, nr.24, 24 mrt. 1915
Blad
13
Tekst
189 PANORAMA IN DE STEENGROEVEN SIJ SOISSONS. De steengroeven bij Soissons worden door de Duitschers niet alleen ais woningen gebruikt, De ingang van een holwoning bij Soissons. Deze officierswoning geldt voor een zeer doch dienen ook als vluchtoorden, waar de strijders veilig zijn voor de Fransche granaten. ,.mooie” en luxieus ingerichte verblijfplaats. ALS DOOR EEN WONDER GESPAARD. In een dorpje in Frankrijk bij St.-Quentin, waar geen huisje bleef staan, is een kruisbeeld het eenige dat gespaard bleef. EEN MUSEUM WEER GEOPEND. De gouverneur van België, Freiherr v. Bissing, brengt een bezoek aan een der ^museums te Brussel, die weder zijn opengesteld. VOOR DE GEVALLEN VIJANDEN. In den omtrek van Cuffis bij Soissons, hebben Duitsche soldaten een houten grafmonument geplaatst op het graf van drie dappere Fransche strijders. UIT DE DUITSCHE SPORTWERELD. De beroemde Duitsche wielrenner Rutt, die tezamen met onzen Hollandschen renner Stol verschillende prijzen heeft gewonnen, is ingedeeld bij een Duitsch motor-wielrijderscorps. ’VOOR DEN NIEUWEN OOGST. Duitsche militairen beploegen ook thans de akkers in het bezette gedeelte van Noord-Frankrijk, teneinde de nieuwe oogst zoo groot mogelijk te doen zijn. KEIZER WILHELM IN RUSSISCH-POLEN. De Duitsche Keizer (links op de foto), ondervraagt een gevangen genomen Russischen officier. DE REQUISITIES IN BELGIË. Een Duitsch officier eischt het in voorraad zijnde hooi van een Belgischen boer op. De Duitschers in Frankrijk en Russisch-Polen
PDF
Nummer
1915, nr.24, 24 mrt. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA 190 MAESTRO RABELOWSKY IN HET HOSPITAAL Jn een in allerijl tot hospitaal ingericht j heerenhuis te Vendangen was met een aantal andere gewonden ook de ver- ^j^maarde violist Rabelowsky ondergebracht. Het stadje Vendangen was op SaXktA. vr|j grooten afstand van het oorlogsterrein gelegen, en er heerschte een goede, heelende rust. De andere soldaten, allen licht gekwetst, waren deels ont slagen, deels zoover aan de betere hand. dat zij in de zaal en gangen reeds rond mochten wandelen. Alleen Rabelowsky was nog niet genezen. Hij was met een ernstige hoofdwonde binnengebracht. Dank zij de uitnemende zorgen van de verplegers was de wonde genezen, maar de kunstenaar bleek nog buitengewoon zwak; een verlamming van zijn spierenstelsel en van zijn spraakorganen, gevolg van zijn ernstige hoofdkwetsuur, was nog lang niet overwonnen en de geneesheer, die trouwens maar heel zelden in het stadje kwam, daar hij in de naburige plaatsen nog vele andere gewonden te verzorgen had, stelde de behandeling der verlamming uit, met het oog op de algemeene zwakte van den patiënt. Zoo lag hij daar dag-in dag-uit op het bed, zwak, onbeweeglijk en sprakeloos. De uitdrukking van zijn gelaat geleek op die welke men in gewone omstandigheden met den naam verstrooidheid aanduidt, doch bij hem was deze expressie als verstijfd ; ononderbroken had zijn gelaat die vreemde onbewogenheid, welke de gezichten kenmerkt van lieden, wier gedachte als voortdurend afwezig is, afwezig en hèèl ver weg. Het gelaat was als van eert doode bijna. Slechts de oogen leefden, zij het ook flauw. Gelijk twee schoone, zacht maar voortdurend, glanzende droppels goud, zoo lagen de oogappels op het blauwige als geëmailleerde wit, en de pupillen, wijd als met atropine ingedruppeld, konden soms als zeer diep aandoen. De oppassers waren heel hulpvaardig; geen moeite was den menschen te zwaar, dag-in dag-uit vermeerderden zij hunne zorgen, en vooral toen gaandeweg de andere gekwetsten genazen, was de verzorging van den, kunstenaar buitengewoon. Zelfs de genezenen hielpen, waar mogelijk, een weinig mede om den lijder gemakken, rust en zoo nu en dan ook wat afleiding te geven. Eigenaardig was, dat allen, zonder uitzondering, den stillen, on beweeglijken man zoo goed gezind waren. Niemand, zelfs der oud-verpleegden had tegenover hem die onberedeneerde antipathie, welke men zoo menigmaal in ziekenhuizen tusschen patiënten onderling aantreft. De onbeweeglijke man met het roerlooze maar zachte gelaat en de zwakke doch schoone oogen had een elks vriendschap. Een ieder had gaarne iets voor hem willen doen om hem uit zijn staat van apathie te trekken, om zijn gelaat eens te doen bewegen ten teeken, dat hij waarlijk leefde; zijn ledematen waren krachteloos, dat wist men; spreken kon hij niet, en men meende dat hij ook niet hooren kon, men had tenminste geen ^nkel bewijs ervoor, dat hij iets van wat om hem heen werd gesproken, verstond. Hóe immers had hij zulks moeten te kennen geven ? Men had reeds gepoogd zijn aandacht te wekken door op een lei, bijvoorbeeld namen van spijzen te schrijven, hem die lei voor te houden en opmerkzaam naar zijn gezicht te zien of geen trek, geen beweging, geen expressie van mond of oogen op begrijpen duidde, doch alles was te vergeefs. De dokter had bovendien niet, meer aandacht aan den lijder kunnen geven dan noodig was om de wond te doen heelen; de verdere behandeling moest wegens veel werk elders worden verschoven tot later, mogelijk wel tot het einde van den oorlog. De bleeke, roerlooze man boezemde een elkeen in zijn omgeving belang in, en men had gaarne geweten wie hij was, vanwaar hij kwam, waaraan hij dacht. Zijn naam had men van zijn halskaartje overgenomen : Agof Rabelowsky. Maar niemand van deze eenvoudige zielen, verplegers en verpleegden, wist dat de drager van dien naam een der meest gevierde vioolvirtuozen der wereld was, een man, wiens verschijning op een podium in een of andere concertzaal in een der hoofdsteden van de nieuwe of de oude wereld voldoende was om een uitgelezenst publiek tot een koorts van geestdrift op te voeren. De naam was zoo goed als vergeten, daar opgeborgen in het boek, door de hoofdverpleegster Maria bijgehouden, maar de drager van den naam nam de aandacht van zijn omgeving in beslag. Hij lag daar als een voorwerp van voortdurende oplettendheid, een elk beijDE PAASCHEIEREN. Evenals alle andere feesten biedt ook het Paaschfeest de een of andere industrie de gelegenheid aan haar artikelen een specialen vorm of samenstelling te geven. Bij den alles overheerschenden oorlog is het niet te verwonderen, dat ook de Paascheieren geheel een „Kriegs”-karakter dragen. De zeer eigenaardige foto’s van Duitsche Paascheieren, die wij hierboven en hiernaast afbeelden, geven een onderzeeboot, een zeemijn, een „Taube“. enz. verde zich alles te doen wat in den patiënt te’gerieven. zijn vermogen was. om Tot dan toe waren de troepen des lands steeds vooruitgerukt. Maar op een dag, een afschuwelijken dag, keerde de oorlogskans. Een langzame terugtocht ,begon voor de eveneens langzaam oprukkende vijanden. Van achter de wisselende frontlijnen werd een afgrijselijke oogst van gewonden dagelijks binnengehaald. De hospitalen der groote steden waren reeds overbevolkt, en er was groot gebrek aan verplegers. Die van Vendangen waren bijna F. WASSENAAR. H. VAN DER ZEEUW. De heer F. WASSENAAR hoopt eerstdaags zijn 40-jarig jubileum als brugwachter der Havenbrug te Harlingen te vieren. — Den 17en Maart herdacht de hr. H. VAN DER ZEEUW, corrector bij de N.V. A. W. Sijthoff’s Uitgevers-Maatschappij zijn 25-jarige ambtsvervulling. Moge de jubilaris, die ook een werkzaam aandeel in de redactie van Panorama heeft, nog tal van jaren zijn beste krachten aan genoemde firma kunnen wijden. allen vertrokken; alleen de oude Maria met een paar helpers bleven nog in het kleine huis, deels om Rabelowsky op te passen, deels om mogelijk reeds naar het stadje afkomende nieuwe gekwetsten te verzorgen. De oude Maria, een ongetrouwde vrouw met een afstootend uiterlijk, was erg verheugd geweest om het vertrek der vele verplegers en oud-verpleegden, die allen Rabelowsky verwenden, want nu kon zij alleen hem verzorgen, nu kon zij alles wat haar versmade ziel aan teederheid vergaderd had, aan den geheimzinnigen beminnelijken lijder verspillen; nu kon ze hem als balsemen met de zachte vriendelijkheden van haar onbegrepen gemoed. En in haar ijverzucht drong zij de andere helpers uit de omgeving van den beminden patiënt, en in haar liefde zorgde zij en sloofde zij om hem het leven zoo gelukkig mogelijk te maken. Ze week niet dan noodig van zijn bed, en was, vooral wanneer hij sliep, in zijnen aanblik als verzonken. De liefde van de bejaarde, afstootende vrouw voor dezen man was tot een mooie, diepe gehechtheid geworden, eene devotie gelijk. Ze voedde haar hongerige, dorstige ziel met zijnen aanblik. Ze had DE NIEUWE REVUE BltJ FLORA" TE.AMSTERDAM. Met veel succes wordt in „Flora” te Amsterdam de revue „Loop naar den Duivel” opgevoerd. Onze foto geeft een der aardigste tafereelen uit deze hoogst vermakelijke revue: De Modeshow op het Damrak te Amsterdam. (foto A. Stap). <• een jaar van haar leven gegeven om eens met zijn hand in de hare te mogen zitten; doch nooit had zij die hand durven aanvatten; de inval alleen leek haar duizelingwekkend. Op een keer hield een roode-kruis-auto voor de deur stil. De inzittende hospitaalofficier kwam voor een convooi gewonden, dat naar deze streek onderweg was, het aantal beschikbare plaatsen opnemen, ook bij de oude Maria. Hij praatte eens met de vrouw, en ze leidde hem rond door het huis. In het zaaltje zag hij den gewonde, en hij vroeg wie dit was. Maria ging naar haar eigen kamertje en zocht den naam in het boek op. „Rabelowsky,” zei ze. En ze deed dit niet zonder inspanning. Elke syllabe was haar als een valstrik. „Rabelowsky ?” vroeg de officier verwonderd. De goede ziel maakte zich gereed om nogmaals den wonderlijken naam te gaan uitspreken. De officier onderbrak haar echter intijds, naar den voornaam vragend. De vrouw, die haar leven in hoofdzaak als dienstmeidhuishoudster had doorgebracht, begon opnieuw te zoekk. i. „Is het Agof?” vroeg de officier. Zij vónd. Ja. het was Agof. „Dan hebt u den grootsten violist van de wereld in huis,” riep de man vol geestdrift uit. „Zoo ?” deed Maria, die hem niet recht begreep. „Een van de grootste vioolspelers van den tegenwoordigen tijd,” zei de officier. „O,” deed Maria, en haar toon beduidde : vioolspeler, of gèen vioolspeler, mij is het om het even. Als hij maar bij me is. De officier vertrok, en de oude vrouw zette zich weder als naar gewoonte bij het bed. En wederom, als steeds, richtte zij de aanhankelijke kinderoogen naar het schoone stille raadsel van ’s mans gelaat. En wederom zocht zij naar een teeken, dat haar beduiden zou, wat hij dacht, wat hij verlangde van het leven, opdat zij hem dat, al ware het met de grootste opofferingen van haren kant, geven kon. Eensklaps viel het haar in, dat hij vioolspeler was, en dus veel van muziek houden moest. Zij zelve had nooit iets voor dergelijke dingen gevoeld, maar in haar jeugd had zij een arm, ziekelijk knaapje gekend, dat zóóveel van muziek hield, dat een draaiorgel in de straat hem uit zijn diepste verdrietelijkheden en inzinkingen opwekken kon tot een monter wezentje. En zij begreep ineens wat haar te doen stond. Ze verstond nu plotseling wat hij al dien tijd gewild had, waarnaar hij zoo hartstochtelijk had verlangd, al dien tijd, al dien tijd, zonder dat hij het had kunnen zeggen. O, nu had zij het in de hand om hem gelukkig te maken. Wat een zaligheid. En dat zij nu zoo goed als alleen met hem was, en niemand haar spel dus zou kunnen verbeteren, en zoodoend een ander den eindelijken glimlach van zijn tot nu toe onbeweeglijken mond opvangen zou, dat een ander zijn oogen, die tot nu toe dof waren geweest van pijn en van kommer, zou zien glanzen van geluk en van dankbaarheid. Dankbaar zou hij nu haar zijn, eindeloos dankbaar, omdat zij hem geven zou waarnaar hij al dien tijd had verlangd. Wat een geluk, wat een geluk voor haar nog na zoo’n lang leven vol .... Neen, neen, het was alles vergeten; alles wat zij gedurende haar leven aan miskenning en eenzaamheid mocht hebben geleden, het was afgekocht met dit eene. Dit ééne .... En een nieuwe inval doet haar oude flauwe oogen heller en heller opblinken : er lag op den zolder een viool. Een lang houten instrument, met snaren erop gespannen, en een stok erbij. O, zij wist heel goed hoe zoo’n viool bespeeld worden moest. Ze had het meer dan eens gezien van straatmuzikanten, en de menschen gooiden hun uit de bovenverdiepingen van hun huizen geld toe. In de eene hand nam ze de viool bij den hals, in de andere den strijkstok en daarmede streek ze over de snaren van de viool; dan kwam de muziek eruit. Ze zou het dadelijk doen nu. Ze was nu juist alleen in huis met hem. Haar hart bonsde bij de gedachte aan zijn mogelijken glimlach, aan zijn blije oogen misschien ; God het kon wel dat hij het gebruik van zijn ledematen nu terug zou krijgen, en, (o, o, o), haar hand, haar gerimpelde, gele werkhand in zijn mooie witte hand nemen zou. Het kón. Het kon. Er gebeurden meer wonderen .... Een koortsige gloed is op haar ivoorgele koonen gekomen. Haar handen trillen zacht, en ze doet niet de minste moeite dit nieuwe ongekende gevoel te beheerschen. Ze komt zacht overeind, en als in een gelukzaligen droom bevangen, schrijdt zij de trappen op. Temidden van den rommel op den zolder vindt ze de vioolkist. Ze opent die,
PDF
Nummer
1915, nr.24, 24 mrt. 1915
Blad
15
Tekst
191 PANORAMA ANQÈLE SYDOW. Geb. v. Kunst, en Wetensch. Concert-Bur. MAX V. GELDER. en haalt er het instrument en den strijkstok uit te voorschijn. En voor de eerste maal in haar leven gaat de goede ziel viool spelen. Aarzelend schuift ze den strijkstok over de snaren, en ... . er komt muziek uit. Ze schreit bijna van blijdschap. Er kómt muziek uit. Reeds daalt ze de trappen af, maar spelen en loopen tegelijk gaat niet. Ze zal dus wachten tot ze in de ziekenzaal is. Daar gekomen stelt ze zich achter een schut op, zoodat hij haar niet kan zien, maar zij eiken trek op zijn gelaat kan waarnemen. Hij ligt doodstil, bleek en schoon als altijd, en zijn onbeweeglijke gezicht wacht, wacht .... Zij laat zacht den strijkstok op de snaren neerkomen; zacht, want hij mocht anders eens schrikken. En zie, zie, op het gelaat van den zieke tot dan toe onbeweeglijk als van steen, geschiedt er iets. Een flauwe blos, karmijnrood, komt op de koonen, en het is of het hoofd poogt te bewegen, korte trillingen loopen om den mond, en schier onmerkbaar gaat het hoofd zijwaarts, niet meer dan een, twee strepen. En de oude meid zou het kunnen uitgillen van vreugde bij den aanblik van het beminde gezicht, nu zachtVAN DEN MAN DIE ZIJN GEHEUGEN KWIJT WAS DOOR HENKIE (Slot), tusschen had de auto het opgegeven adres bereikt, de chauffeur schelde aan en de deur werd geopend door een huisknecht die het iTSfó uiterlijk had van een oud-indisch militair. Toen hij den heer zag, deed hij van schrik een pas achteruit‘en keek den bezoeker met open mond en verbaasden blik aan. ,,Wat drommel, wat scheelt jou. Willemsen ?” vroeg de heer Van Hasselt, alias Smit. ,,Neem mé niet kwalijk, mijnheer, we dachten, da’s te zeggen, we wisten niet beter of.... of.... u was verloren!” „Wat is dat nu voor gekheid? Ik ben toch niet te laat voor de lunch, is ’t wel?” „Neen ... e ... neen, mijnheer!” antwoordde de man, blijkbaar geheel in de war. „Maar ik wilde zeggen... de kolonel is uitgegaan, mijnheer.” „Zeg, Willemsen. wat scheelt jou! Heb je te veel gedronken?” vroeg de bezoeker scherp. „Waar is juffrouw Dora ?” „In de serre, mijnheer ! Ik zal haar even gaan waarschu..” „Blijf hier, vlegel !” riep de Heer Van Hasselt, den man op zijde duwende. Toen, de gang doorloopende, deed hij een deur open en trad de tuinkamer binnen. Er was slechts een persoon in de kamer, een jonge dame, die in de grootste verbazing opsprong, toen ze zag wie de binnenkomende was. „Her, jij hier!” riep ze in de grootste verwondering, zonder het minste spoor van blijdschap. „Heb ik je dcen schrikken, lieve !” vroeg hij. „Verwachtte je mij dan niet ? Wat zie je bleek, schat, en wat is dat ? Tranen? Wat is er gebeurd?” „Gebeurd?” herhaalde zij, terwijl haar blauwe oogen hem in de grootste verbazing aanstaarden. Ze had een allerliefst gezichtje, ondanks haar bleeke wangen en roodgeweende oogen. „Durf je me vragen wat er gebeurd is? 0, Herman.... !” Ze snikte het opeens uit. „Je komst hier is een beleediging. Ga heen, dadelijk 1 Papa is woedend ! Hij wil je met de rijzweep afranselen. Ga heen, of anders gebeurt er een ongeluk !” „Maar. Dora, wat beteekent dat alles toch? Zijn jullie dan allen gek geworden, hier in huis ? Een uur geleden ben ik naar het Postkantoor gegaan en nu kom ik terug T oen ik dien Vrijdagavond terug kwam van den dansavond van Angèle Sydow en hare leerlinge Elsa Dankmeyer, met in me de zoete bekoring van de schoone rhythmische beweging die ik gezien had — waarom dansen alle vrouwen zóó niet? en in m’n hoofd de melodie van Weber’s „Invitation a la valse", die me prettig en opgewekt stemde, nog natonend, heb ik thuis 'n vreemde poging gedaan. Op het Perzisch tapijt voor m'n bed heb ik als 'n slanke jongeling m'n benijders beweren dat ik mager ben even luchtig gekleed als Madame Sydow. hare vlugge en sierlijke danspassen trachten na te bootsen, mij bijzonder wèl voelend in de sans-gêne van costuumsafwezigheid. Twee maal stootte ik m’n teenen tegen m’n waschtafel en ééns schopte ik 'n onmisbaar meubel om en gleed tenslotte uit op ’t gladde linoleum, dat rond m’n tapijt ligt. Een groote blauwe plek op m’n heup deed mij m’n aardschheid gevoelen, en vernederd kroop ik, wat mank, in m’n bed, waar ik, over m’n heup wrijvend, aan ’t filosofeeren sloeg over het niet te miskennen feit, dat het in de oude Grieken-periode toch wel ’n prettiger tijd geweest moet zijn. Dansende nymphen, ons de bekoring van de schepping uit de eerste hand mild toereikend, het wès ’n mooie tijd. Stel je dat nu eens voor! dacht ik. Neem. daar, neem het publiek dat naar Angèle Sydow’s dansen kijken kwam. en dat voor’t meerendeel uit vrouwen bestond - en waarvan geen tiende deel aan d’r tippen kon, - neem dat tiende, zet het neer, in ’n verleidelijk décor, marmeren rustbanken, bij onyxen waterbekkens, of op grasgroene tapijten, en zie dan eens wat er zou overblijven aan schoonheid, aan goed loopen, goed staan, goed zich bewegen, goed van lijn en kleur en het aanzien waard; ik vrees 'n schijntje.... Ik heb er eens ’n modiste over gesproken. Ze zei me: „Er wordt op ons wel eens gesputterd, meneer. We zijn overbodig, en duur, en wie weet wat meer! Maar, dat wil ik u verzekeren, dat als u eens zag, wat wij dagelijks zien, al die figuren, al die verkeerde en stumperige lichamen, die allemaal ’n goede robe willen hebben, en allemaal er goed uit willen zien, en er, dank zij dan ook ons méér dan betaalbaar talent, goed uitzien óók! — dan zou u dien Griekschen tijd heusch niet meer willen ! De vrouwen van dezen tijd moesten pleiten voor standbeelden voor ons; maar als ze dat doen, dan zouden ze zichzelve verraden! Dat lappen ze ’m niet, dat begrijpt u! In onzen tijd ’n mooi lichaam? Die er werkelijk een hebben, daar zie je ’t niet aan. Je moet er naar raden! . . .’’ Ik kan deze modiste geen ongelijk geven. Ze behoort ’t beter te weten dan-ik. Ik moet dus zwijgen. Maar ik wil maar zeggen, dat als de toestand zóó is. dat we dan blij mogen wezen, dat we een Angèle Sydow hebben, die ons voor eenige uren tenminste eens tergend duidelijk doet voelen, dat ’t leven heel wat prettiger kon wezen als ’t nu is. en die ’n korte spanne tijds heel wat menschen duidelijk maakt als de stumperds ’t maar begrijpen wilden dat ons corpus nog iets anders dan ’n kleerenkapstok is. Ik laat ditmaal de Kunst * met ’n gróóte K er eens heelemaal buiten. Ik wil niet onder groote kunstfrases ’n eenvoudig sentiment bedekken, dat de openhartigheid van het gewoon-prettig-menschelijke heeft; ik wil het nu eens nemen in z’n eenvoudigsten vorm, inplaats van in z'n gecompliceerdsten. Daar is ’n schouwburg vol menschen, vol dames, heeren en kinderen. (Het leek wel ’n feest van ’n 5-jarige H. B. S. voor meisjes, zooveel jeugdige spruiten waren er). En die komen allemaal zien naar wat ze nooit zelf vertoonen durven: n.1. hoe je je prettig bewegen kunt met zoo min mogelijk aan. En toch nietwaar, ’n essentieel verschil tusschen ’n costuurn a la Duncan, of a la Sydow en ’n Japansche peignoir zóó over je body heen, is er niet! Het is 'n eenvoudig rekensommetje: 2 -lisl! Het moet dan wel, dat er niet veel te vertoonen is, en dat m’n modiste gelijk heeft. Zonder dat begrijp ik niet, hoe of den volgenden morgen op de slaapkamer van al die H. B. S.-meisjes,—ook niet ’n reuzen-opstand heeft plaats gehad tegen het aantrekken van al de hidense kleedingstukken, die ze ’s avonds verachtelijk op stoelen en fauteuils hadden neergesmeten om ’n vluggen danspas voor de psyche uit te voeren, neuriënd de „Invitation a la valse”.... Of ze gelijk hadden? Dat zal de toekomst uitwijzen! Het moet toch het hoofddoel van alle Kunst zijn, inheemsch te worden; Kunst aan allen (gisteravond rijkelijk vertegenwoordigd) was er het bewijs van. En het lijkt me. dat niets zoo goed kan werken op het vrouwenbewustzijn. dan zoo’n avond van Angèle Sydow. Meer misschien, dan door ’n dozijn vergaderingen van de V. V. V. V. etc. Dit is ’n zijde van de kwestie, die nog niet zoozeer bekeken is. en er toch ook wezen mag. Dat ze gesnapt wordt, misschien onbewust, misschien zelfs „malgré eux", duidt al de groote opkomst van het publiek, dat vele kinderen van 9 en 10 jaar onder de toeschouwers waren, ’n Bewijs, dat de ouders deze voorstelling beschouwden van een opvoedkundig standpunt. Wat zeker niet onjuist was, want de kinderen voelden en uitten zich vaak zuiverder over het programma en de danseuses, dan vele ouderen. Angèle Sydow danste met haar leerlinge Elsa Dankmeyer. De meest geslaagde dansen waren de Opfertanz aus Alceste van Glück. Maskentanz (Schumann), Ballspiel van Dalcroze. die ze samen dansten, de Mazurka, waarvan het costuurn — si j’ose m’exprimer ainsi mij bijzonder beviel, verder het „poème erotique’’ van Grieg, de Narrentanz van Schubert. waarvan vooral het begin-motief goed werd uitgebeeld, terwijl ten slotte de „Aufforderung zum Tanz“ van Weber. momenten vertoonde, die mij méér Af leken, dan welke ik van de meisjes Van der Pas zag, maar en b 1 o c, (de creatie van dit nummer tenminste door deze laatsten), toch prefereer. Wat ik echter gaarne eene persoonlijke kwestie noem. Een slotwoord voor den zanger A. Gremmé, die in het dansprogramma 'n goede afwisseling bracht en over wiens schitterende voordracht en geluid we een eerbiedig zwijgen zullen bewaren, omdat woorden daarbij „words, words. words” blijven. Zoo als hij het „Lied an den Abendstern” uit Tannhauser zong.... dat droeg je zóó den sterren-hemel in ! CI-DEVANT. voor de lunch. Willemsen kijkt mij aan of hij een geest ziet en denkt dat ik je vader wil spreken. En jij onthaalt me op de onzinnigste verwijten. Je vader wil me op zweepslagen onthalen, maar waarom dan in ’s hemelsnaam ? Wat is er dan toch gebeurd ?” „Hoe lang denk je wel dat je weg geweest ben ?” De heer Van Hasselt keek op zijn horloge. „Precies twee uur en een kwartier,” antwoordde hij. „Ja, maar ’t is nu Woensdag, en ’t was Maandag toen je vertrok.” „Wat? Vandaag Woensdag? Dora?” Hij schreeuwde het uit. „Woensdag ? En - en morgen is onze trouwdag ?” „Was onze trouwdag,” verbeterde het meisje treurig. „Je kunt toch moeilijk verwachten, dat we nu nog trouwen zullen ?” „Dora. ik zweer je, dat ik er niets van begrijp. Ik weet niet beter of het is Maandag en pas twee uur geleden dat ik je verlaten heb. Een half uur geleden ontwaakte ik in een café uit een bewusteloosheid. Ik had een ongeluk met een auto gehad, ma3*r waar ix den auto genomen heb, weet ik niet. Ik wandelde naar het Postkantoor en vind mij zelven terug in een café in de Leidsche straat.” „Je bent Maandagavond in het Rembrandttheater geweest. Henri heeft je daar gezien.” „Ónmogelijk 1 Ik ben er in geen weken geweest. Hij heeft zich bepaald vergist.” „Vergist? Hij sloeg je in het gezicht met zijn wandelstok en je draagt er nog de litteekens van. Waarom lieg je zoo tegen me ?” Op dit oogenblik ging de deur open. „Herman ! Ik wist dat je hier was. Ik ontmoette den chauffeur aan de voordeur, heb met hem gesproken en gezien....” „Henri,” wendde de heer Van Hasselt zich tot den jongeman, die binnengekomen was, „zeg jij me toch eens, wat is dat voor een afschuwelijke geschiedenis ? Dora zegt, dat het Woensdag is; dat ik twee dagen weg geweest ben, dat ik Maandagavond in het Rembrandttheater geweest ben en jij me daar geslagen hebt. ’t Is gewoon omgek te worden !” „Je herinnert je niets, hè? Ik zie het! Dora, Her is niet de schurk, waarvoor we hem hielden. Hij heeft Maandagmiddag een ongeluk gehad, is op zijn achterhoofd gevallen rood en een weinig levend. Doch haar mond zwijgt, en als in hallucinatie de oude arme oogen gericht naar Rabelowsky’s gelaat, laat ze voortdurend den strijkstok knarsend en snerpend over de snaren gaan. Haar perkamentgele wangen zijn rood verhit, het zweet doet haar voorhoofd glimmen. Het gelaat van den zieke is plotseling weder doodsbleek geworden, en het heeft nauw merkbare trillingen als benauwende krampen. En de goede Maria, aldoor weerzinwekkender geluiden op de viool vindend, schrijdt langzaam, onbeheerscht als een slaapwandelaarster, nader om de vreugd te lezen uit de oogen van den gekwelden musicus. Zoo vindt haar de hospitaalofficier, wanneer hij kort daarop met den Roode-kruis-auto gewonden brengen komt. Het kost den man ontzaglijk veel inspanning, de oude vrouw te overreden om haar spel te staken, en niet minder moeite kost het hem. den patiënt te kalmeeren, hevig geschokt als diens garsche gestel was tengevolge van de weerzinwekkende vioolsolo. q+pvnpn en heeft zijn geheugen verloren. Vandaag had hij weer een ongeluk, waardoor hij zijn geheugen terugkreeg, maar de gebeurtenissen van de laatste twee dagen totaal vergeten was.” Deze uiteenzetting scheen den beiden toehoorders bijna ongelooflijk ; weldra vernamen ze echter meerdere bijzonderheden . De politieagent had melding gemaakt van het ongeval en van het feit dat de man zijn geheugen had verloren. Hiervan was een bericht in de dagbladen verschenen, het geen door Henri werd voorgelezen. Het feit, dat de heer uit het bericht vijfhonderd gulden aan contanten bij zich had, was een bewijs dat dit de heer Van Hasselt zijn moest. Deze laatste was op Maandagvoormiddag naar het Postkantoor gegaan om een telegrafischen postwissel te innen, waarvan hij het geld voor de trouwplechtigheid noodig had. Tot groote verwondering van de bruid en haar familie kwam de heer Van Hasselt dien dag niet terug en was hij ook niet in zijn woning op de Weteringschans verschenen. Daarentegen zag zijn aanstaande zwager hem dien avond in het Rembrandttheater in twijfelachtig gezelschap. In het eerst was Henri te verbaasd om iets te zeggen, maar toen Van Hasselt hem voortdurend bleef aanstaren en zich klaarblijkelijk met zijn gezellin over hem vroolijk maakte, was Henri zich van woede niet meer meester en sloeg zijn aanstaanden zwager in het gezicht, toen hij dezen aan den uitgang ontmoette. Toen Herman van Hasselt ook den volgenden dag niet bij zijn bruid verscheen, was het voor alle familieleden duidelijk, dat hij zich op de schunnigste wijze van zijn trouwbelofte wilde ontslaan. De kolonel begaf zich naar de woning van den jongen man, met het plan om hem met zijn rijzweep af te rossen ; hij vond hem evenwel niet thuis. Woensdag las Henri in een der dagbladen de eerste oplossing van het raadsel. Hij haastte zich naar huis en vond daar den chauffeur, die, Henri herkennende als den heer dien hij Maandagavond gereden had, hem vertelde van den onbekende die naar hem zocht, van het ongeluk dat pas gebeurd was en van het plotseling teruggekeerde geheugen van den onbekenden heer. Toen de familie al deze bijzonderheden vernam, vergaf ze Van Hasselt natuurlijk zijn oogenschijnlijk onverantwoordelijk gedrag. Het paar trouwde toch op den vastgestelden dag ; Dora veroorloofde haar man evenwel nimmer uit te gaan zonder naamkaartje of brieven in zijn zak, waaruit bleek wie hij was. Gelukkig zijn die voorzorgsmaatregelen tot nog toe overbodig gebleken.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1451 tot 1455 van 11897