|
183 PANORAMA
bezit In plaats dat hij woedend opstoof, zooals ik verwachtte, zat hij in
zichzelven te grinniken. Eindelijk ging hij naar zijn kamer, waar hij
een brief schreef, dien hij mij verzocht je hedenmiddag te geven.”
Ze overhandigde Willem een brief en barstte in lachen uit over het
verwonderde gezicht dat hij zette. „Open den brief toch, jongen !”
Met bevende vingers scheurde hij de enveloppe open.
„Nu wat schrijft pap, Wil ? Lees op !” — En langzaam las hij : „Als
je er geen bezwaar tegen hebt om de dochter van een ouden straatveger
te huwen, zal de oude straatveger zeer verheugd zijn, u als zijn schoonzoon
te begroeten. Hij zal dan tevens in de gelegenheid zijn uw tienguldenstuk
zoo voordeelig mogelijk te beleggen, opdat het u een behoorlijk
inkomen verzekert.”
„De straatveger, Amelie!” riep Verkoren uit.
„Wel deze, mijnheer Verkoren,” klonk op
eens een stem die hij meende te herkennen.
Een portière werd op zij geschoven en daar
stond, naar den laatsten smaak gekleed, zijn
kennis van den vorigen avond. Met uitgestrekte
hand kwam hij den jongen man te gemoet en
zeide: „Geef mij de hand, mijnheer Verkoren.
Ik ben er trotsch op u te hebben leeren kennen.
Ik begon mijn leven als straatveger en zou dit
zonderde hulp der Voorzienigheid als zoodanig
geëindigd hebben. Nu, op het- toppunt van
mijn voorspoed kreeg ik het verlangen mij
te laten schilderen als straatveger. Ik ging
daartoe naar den schilder hier dichtbij en
kwam daar juist vandaan, toen ik het ongeval
kreeg, waarbij u mij zoo welwillend ter zijde
stond. Ik waardeer het goudstuk dat u mij
gaf evenzeer als een arme hongerige straatveger
zou gedaan hebben. Ik heb het een
en ander over u gehoord van mijn kleine
meid en ook van uzelf en ik durf haar met
„Welke straatveger ?”
Kart. F. J. BECKMANN.t
Op 73-jarigen leeftijd overleed
te Amsterdam de gepensioneerd
Kapt. ter Zee F. J.
BECKMANN.
WIE HELPT ZOEKEN?
G. Den Haerynck, Avenue Louise 202 te
Brussel, zoekt zijn zoontje RAPHAEL.
oud 81/2 jaar, die met zijn grootmoeder
Mevr. Adelaide de Vogelaere—van de Putte
bij den grooten uittocht naar Holland is
gekomen. Berichten worden gaarne ingewacht
aan het adres van den vader, POSTE
RESTANTE, te BERCEN OP ZOOM
oen gerust hart aan u toevertrouwen. Als je lust heb bij
mij in de zaak te komen en je toont dat je de degelijke
jongeman bent, dien ik in je zie, dan zal je inkomen
spoedig groot genoeg zijn om een vrouw te onderhouden.
Ik moet evenwel een proeftijd van twee jaar bedingen,
alvorens we over de bruiloft kunnen spreken.”
* *
♦
Twee jaar later had een schitterend huwelijk plaats tusschen
de dochter van den millionnair
van Mantgem en diens compagnon
Willem Verkoren, en onder dehuwelijkscadeaux
bevond zich een schilderstuk
voorstellende „een straatveger”, door
den vader van de bruid aan het jonge
paar geschonken.
OORLOGSLEED
•EN -TROOST
’ familie; ze waren beiden
; jong en knap ! Ze waren
dikwijls in elkanders gezelschap
en kregen (och,
'iedereen raadt het!) natuurlijk
elkander lief.
Ze koosden en droomden toekomstdroomen
; het was een heerlijke zonnige
tijd. Niets stond hun geluk in den weg !
Reeds was de datum van hun huwelijk
bepaald, die hun geluk zou bevestigen,
toen aan dit ailes op het onverwachts
een einde kwam.
De oorlog brak uit! Het krijgsalarm,
dat zoo menig requiem van hoop en
geluk in een akeligen wanklank eindigen
lippen, maar met weedom in het hart. De vijand kwam en met hem
de oorlogsverschrikking.
Doch in het heetst van den slag, op vermoeiende marschen, in zijn
onrustige droomen zag hij steeds het visioen van een lief meisje, slank
en teeder, lenig en aanvallig. En de hoop haar weer te zien hield hem
staande in alle verschrikking.
Maar terwijl hij vocht en ontberingen leed, kwam in het huis, waar
de bruid wachtte en treurde om hem, dien ze minde en van wien ze
niets hoorde, de zorg binnen.
De kinderpokken grepen haar eenig broertje aan.
Het meisje verzorgde hem met eigen hand, totdat ook zij, ondanks
alle voorzorg, door deze vreeselijke ziekte aangegrepen werd.
Lang lag ze terneei, terwijl haar jong lichaam worstelde tegen den
dood, tot eindelijk de bijna uitgedoofde sprankelen
van het levensvuur weer aanwakkerden,
eerst tot een klein vlammetje en spoedig tot
een laaienden gloed als te voren !
Maar o, hoe afschuweliik! De vreeselijke
ziekte had haar schoonheid onherstelbaar verwoest.
Niet langer lag een rosé blos over
haar blank teint. Een akelig wit overdekte
haar gelaat als een Oostersch lijkkleed. De
gladde fluweelzachte huid was vol groeven
en litteekens.
En ze bad God om geduld en lijdzaamheid
in haar namelooze ellende en dankte Hem
tevens voor haar opnieuw geschonken leven.
Daar bereikte haar het bericht dat haar
vei loofde gewond en gevangengenomen was
en nu zou worden uitgewisseid.
Blijdschap en smart doortrilde haar bij het
vernemen van deze tijding.
Blijdschap over zijn terugkeer ; smart over
het terugzien.
N. H. TER KUILE+
In den ouderdom van 78 jaar
overleed te Enschede de heer
N. H. TER KUILE, oprichter
en chef der firma Nico
ter Kuile en Zonen te Enschede.
deed, maakte ook aan den geluksdroom van dit minnend
menschenpaar op ruwe wijze een einde.
De hnobilisatie, die het huwelijks- en economisch leven
van zoo menigeen ontwrichtte, beval ook hem zich bij zijn
regiment te voegen.
Het uur van scheiden kwam voor de verloofden. Woorden
van troost en trouw wisselden af met tranen en kussen, en
toen ging hij, met zoovele anderen, met een glimlach op de
HET BEZOEK AAN DE PANAMA-TENTOONSTELLING.
Hoe groot het getal bezoekers der Panama-tentoonstelling is, toont ons bovenstaande foto, aan den ingang van de tentoonstelling
genomen. Als bewijs, dat er geen kosten voor deze tentoonstelling gespaard zijn, moge het feit dienen, dat alleen de
kosten van grond en installatie fl 120.000.000.— hebben bedragen.
En dadelijk rijpte bij haar het onherroepelijk besluit:
nimmer zou ze hem trouwen ; nimmer zou zij zichzelve,
een wrak van vrouwelijke schoonheid, binden aan
den geliefden man.
En terwijl zij peinzend neerzit in haar smaakvol boudoir,
waar door de half toegeschoven gordijnen een temperlicht
heerscht, komt hij binnen, onaangediend, onverwachts.
Daar staat hij in de deuropening, de dierbare naam op de
trillende lippen.
Een kreet doortrilt de lucht en een
vrouw ligt in zijn armen, snikkende
van geluk en smart.
Doch ’t is slechts kort, zacht maakt
ze zich uit zijn omarming los.
„God ! Ik had dit niet mogen doen !
Ik had vast besloten het niet te doen!
Het is Gods wil! Zie mij aan !
Ik ben niei langer schoon, niet welgevallig
om aan te zien 1
Mijn gelaat is afschuwelijk verminkt
en wit als de dood!”
Zij voert hem naar het raam on
trekt de gordijnen open.
„Zie, zie!” roept ze. „Je kunt niet
langer zulk een monster liefhebben.
Mijn schoonheid is weg!
Ik geef je dus je woord terug!”
Hij sluit haar nauwer in de armen,
om zijn lippen speelt een lachje van
vrede en berusting.
„En denk je nu, dat ik jou zoo onwaardig
liefheb ?
Neen, neen ! Jij kunt me niet meer
verlaten, leven van mijn leven I Gods
wegen zijn wonderbaar! Ook ik, ik
heb geleden ! Ik ben blind !” Z.
VAN DEN MAN DIE ZIJN
GEHEUGEN KWIJT WAS
DOOR HENKIE
( Vervolg).
geheelen morgen wachtte hij tevergeefs op
[en chauffeur, en toen hij zich des namiddags
aar het Rembrandttheater begaf, vernam
tij dat de portier niet in dienst was.
Alles scheen dien dag tegen te loopen. De
roeder van den fietshandelaar kwam hem
meedeelen, dat diens onderzoek bij de verschillende banken
geen resultaat had gehad. Hij gaf den man een belooning
voor zijn moeite.
Toen besloot hij dien avond weer naar het Rembrandttheater
te gaan. met de zwakke hoop den heer van den
vorigen avond weder te ontmoeten. Zijn hoop werd niet
verwezenlijkt en de eenige troost die hij ontving, was de
mededeeling dat de portier den volgenden dag weer in
dienst zou zijn.
In den namiddag van den volgenden dag, hij zat juist
in de leeszaal de couranten in te zien, kwam er een kellner
hem vertellen dat er een man was om hem te spreken. Hij
verzocht den man bij hem te brengen. Het was de chaufféur.
,,U wilde mij spreken, mijnheer !” zei de man.
„Ja. Waarheen heb je den heer gebracht, dien je eergisteravond
aan het Rembrandttheater hebt afgehaald.”
„Ik bracht hem naar de Valeriusstraat.”
„Waar is dat ?”
„In het museumkwartier. Achter het Rijksmuseum.’’
„Breng mij er onmiddellijk heen !”
En de man, die zijn geheugen niet meer had, nam hoed
en jas, volgde den chauffeur en stapte in den auto.
Het had dien nacht geregend, een nare druilige motregen,
en de straten, vooral de geasphalteerde, waren glibberigen vet.
De auto stoof den Voorburgwal af, het Koningsplein
over en de Leidsche straat in. Dicht aan het Leidsche
Plein, waar de straat op haar smalst en het verkeer het
drukst is, komt van de Prinsengracht, met het kalme
gangetje waardoor slagersjongens berucht zijn, een jeugdige
bediende uit een vischwinkel op een fiets aanrennen ; op
het stuur een groote mand met visch, terwijl hij op het hoofd
eenige houten borden met oesters in balans houdt. Een
staaltje van equilibrisme, dat in het circus bewondering
zou wekken.
Zonder zijn woeste vaart te verminderen, zwenkt de
jongen de Leidsche straat in op het oogenblik dat de auto,
waarin zich de heer Smit bevindt, er uitkomt. Een botsing
schijnt onvermijdelijk, doch met bovenmenschelijke
inspanning weet de chauffeur met eenen scherpen hoek uit
te halen, wat echter ten gevolge heeft, dat de auto slipt en
tegen den trottoirband valt. De chauffeur komt er met enkele
schrammen en vervellingen vrij goed af, doch de ongelukkige
reiziger, die op het laatste oogenblik uit den auto
wilde springen, wordt er door den schok uitgeslingerd en
valt op de straat neer, waar hij bewusteloos blijft liggen.
De bewustelooze wordt een nabijzijnd restaurant binnengedragen,
waar hij door in- en uitwendige toediening van
brandewijn spoedig weer tot bewustzijn komt. De chauffeur,
wiens kwetsuren ondertusschen verbonden zijn, nadert
nu den heer zonder geheugen en zegt:
„Mijnheer, u is mijn getuige dat die kwajongen de oorzaak
van het ongeluk is. Mag ik uw naam en woonplaats weten,
want ik moet de politie er aangifte van doen.”
„Natuurlijk,” antwoordde de aangesprokene. „Mijn
naam is Van Hasselt, Herman van Hasselt, Weteringschans
22. Wel, chauffeur, hoe is ’t met je auto gesteld? Kun-je
me nog vervoeren 1”
„Ja, mijnheer, dat zal wel gaan ; ten minste als u er
niet op tegen heeft om achter kapotte ruiten te zitten,
de motor is intact, alleen de spatborden zijn aan een kant
er afgeslagen.”
„Welnu, breng me dan maar kalmaan naar de Valeriusstraat;
denk er aan: No 54.”
„Wel heb ik van mijn leven,” mompelde de chauffeur
ten hoogste verwonderd. „Daar straks wist hij niet eens
waar de Valeriusstraat was en moest ik hem brengen bij
een heer dien hij niet kende, en nu weet hij warempel
het nummer van het huis. Dat is me een raadsel.”
De heer stond intusschen eveneens te peinzen over een
voor hem onoplosbaar raadsel.
„Chauffeur,” zei hij eindelijkf „waar ben ik ingestapt?”
„Hotel Suisse, Kalverstraat, mijnheer!”
„Da’s gek ! Ik herinner mij daar niets van.”
Hij stapte weer in, terwijl hij mompelde : „Ik ben zeker
in de war door den val, want ik kan me niet herinneren
in Suisse geweest te zijn. Ik moest op het Postkantoor
wezen, maar.... ben ik daar wel geweest? Enfin, dat schiet
me wel weer te binnen.” (Wordt vervolgd).
|