|
175 PANORAMA
Hij keek op, toen Kerson insteeg en ging
toen weer met lezen voort.
Na een klein kwartier ongeveer haalde
Kerson zijn sigarettenkoker te voorschijn
en stak een sigaret op.
De oude geestelijke stak zijn hand naar
hem uit en vroeg beleefd glimlachend:
„Excuseer, mijnheer, mag ik ook een
vlammetje?”
Kerson streek een nieuwen lucifer aan
en overhandigde dien aan den ouden heer,
die er de uitgedoofde rest van zijn sigaar
mee aanstak.
Toen had er een klein maar zonderling
voorval plaats. De oude heer had den
lucifer zoolang vastgehouden tot hij bijna
was opgebrand, en deze bleef, toen hij hem
wilde wegwerpen, even tusschen zijn vingers
vastkleven. Daardoor gebeurde het
dat de brandende lucifer niet in het aschbakje
aan het portier maar op het kussen
van de tegenovergestelde zitplaats terechtkwam.
Dit was op zichzelf niets, maar het
zonderlinge van het geval was, dat de
oude man zijn boek weer ter hand nam
en opnieuw begon te lezen, terwijl vlak
voor hem de lucifer op het kussen lag te
branden.
Kerson wilde juist door een uitroep
zijn verwondering hierover te kennen geven,
toen hem plotseling de woorden van Sir
Trailton in de gedachten kwamen: „de
man is stekeblind.”
En plotseling doorzag hij den geheelen truc. Het boek,
het gevraag om een lucifer, de vermomming van zielenherder,
het was alles een krijgslist. Die man was blind, had zich
evenwel het verrassende voorval met den brandenden
lucifer niet voorgedaan, dan zou Kerson zijn laatsten cent
gegeven hebben, om een dergelijke veronderstelling te
bestrijden.
Het eerste wat hem nu te doen stond, was den man niet
te laten bemerken, dat hij ontdekt was. Zeer omzichtig
strekte Kerson dus zijn wandelstok uit en doofde hiermede
den lucifer, voordat het pluche was gaan smeulen. Zoover
ging alles goed en hij had een troefkaart in de handen.
Het was vies onstuimig weer, toen Kerson uit den trein
stapte en zich langs de kade naar de boot begaf. Er woei
een stijve bries, de wind gierde door het want van de schepen
en deed de houten douanehuisjes schudden.
Kerson keek voorzichtig om zich heen of hij wellicht
ontdekken kon dat de geestelijke hem volgde, doch deze
was niet meer te zien en spoedig bevond onze diplomaat
zich aan boord van de nachtboot die hem naar Frankrijk
zou brengen. Hij was eerst voornemens geweest den tijd in de
rookzaal door te brengen, doch vond het bij nadere overweging
veiliger een hut te nemen. Hij liet dus zijn koffers
naar een dekhut brengen, sloot zorgvuldig de deur, plaatste
zijn portmanteau ervoor, wikkelde zich in zijn reisdeken
en trachtte wat te gaan lezen. Weldra hoorde hij aan het
regelmatig stampen van de machines dat de boot ging
vertrekken en bemerkte hij aan de deining dat ze
zich in volle zee bevond. Terwijl hij luisterde naar het
geloop op het dek en het geloei van den wind vielen zijn
oogen dicht; het boek, waarin hij had willen lezen gleed
hem uit de hand en hij viel in slaap.
VAN DEN MAN DIE ZIJN
GEHEUGEN KWIJT WAS
DOOR HENKIE
( Vervolg},
»o wist de heer Smit, dat zijn nieuwe kennis
Wallaart heette en dat de toekomstige mevrouw
Wallaart in het buffet stond van
een Of ander nachtcafé, en meer bijzonderheden,
die voor een volkomen vreemde van
niet het minste belang waren. De heer Smit
hoorde dit alles niet alleen met de grootste belangstelling
aan, maar was zelfs terstond bereid gedurende de pauze
met het tweetal een rondwandeling te maken.
De man, die zijn geheugen verloren had, ^rist niet waarom
hij aldus handelde. Dat deze lieden niet behoorden tot
degenen waarmede hij steeds gewend was geweest om te
gaan, gevoelde hij instinctief; edoch, ze amuseerden hem,
en bovendien, hun gezelschap was verre te verkiezen boven
alleen te zitten en zijn hersens .te pijnigen met vruchtelooze
pogingen om zich zijn identiteit te herinneren.
Zoo wandelde het drietal dus op en neer, de toekomstige
mevrouw Wallaait in het midden arm in arm met
haar twee mannelijke paranimfen, tot zij, tegen het einde
der pauze zich weder naar hun plaatsen willende begeven,
een groepje heeren ontmoetten, in avondtoilet, waarvan
er een hen doordringend, beslist brutaal, aankeek. Aanvankelijk
meende de heer Smit dat de attentie de toekomstige
mevrouw Wallaart gegolden had, doch toen
hij weder op zijn plaats gezeten was, kwam hij tot de zekerheid,
dat die blik niet op het blonde meisje maar op hem
gericht was geweest. Het gezicht van dien heer had
DE WAGNER-OPVOERINGEN TE ROTTERDAM.
Met groot succes is de vorige week te Rotterdam Richard Wagner's „Fliegende Hollander” opqevoerd. Hierboven
een foto van het koor. (foto's Jansen)
DE SOLISTEN ENZ. UIT DE ,, FLIEGENDE
HOLLANDER”.
Bovenaan: de heer v. Eldik (stuurman). Middelste rij v. I. n. r. Opernsanger
Wolff (Erik), kapelmeester Diamant, Opernsangerin Tietjen fSenta).
Opernsanger Stury (Hollander). Onderaan: Oberregisseur A. Reinboth,
Mevr. v. d. Meer-Offers (Mary).
de grootste verwondering uitgedrukt en als een electrische
schok ging hem opeens de gedachte door het hoofd :
die heer kende hem, was misschien een zijner vrienden.
Met begeerigen blik monsterde hij het schouwburgpubliek,
en ju.: in een der loges zag hij den heer zitten; hij
staarde dezen aan, en de heer staarde hem aan, maar toen
deze niet door het minste teeken blijken liet, dat hij hem
kende, wendde Smit eindelijk teleurgesteld het hoofd om.
De hoop van den man die zijn geheugen kwijt was, dat hij
eindelijk iemand ontmoet had, die hem het verlorene zou
teruggeven, was weder vervlogen.
Nochtans wilde hij een poging doen den heer weder te
ontmoeten ; toen dan ook het stuk ten einde was. nam hij
haastig afscheid van zijn nieuwe kennissen, zeer tot- hun
spijt, en spoedde zich naar den uitgang, waar hij postvatte
om den vreemden heer op te wachten. Zijn poging werd
met succes bekroond, hij zag den heer-aankomen en begaf
zich naar hem toe om hem aan te spreken, doch deze heft,
zoodra hij den'heer Smit ziet, ziedend van woede zijn
wandelstok omhoog en, onder den uitroep : „jij verachtelijk
mispunt!” slaat hij er den man, die zijn geheugen verloren
heeft, mee in het gezicht. Deze, op zulk een ontvangst niet
voorbereid, deinst achteruit, en voor hij van zijn verrassing
bekomen is, heeft de andere het theater verlaten.
Er gingen eenige minuten voorbij, gedurende welke de
heer Smit als vastgenageld op dezelfde plaats stond, slechts
Toen hij eindelijk ontwaakte was het
met schrik. De hut was in volslagen duisternis,
terwijl hij met opzet het electrisch
licht had willen laten branden. Het was
zoo duister om hem heen, dat hij zelfs de
omtrekken der voorwerpen niet onderscheiden
kon. Hij was overtuigd dat hij niet
meer alleen was »in de hut. Iemand had
de deur geforceerd en bevond zich in zijn
onmiddellijke nabijheid.
Hij hield den adem in en luisterde,
doch het geraas buiten was te groot.
Voorzichtig strekte hij de hand uit, toen,
opstaande, begaf hij zich langzaam naar
de deur. Hij bevond zich nu in het nadeel
: de „Spin” was blind en dus aan de
duisternis gewend, terwijl hij er zeer door
belemmerd werd. Van een ding was hij
nochtans zeker, dat degeen die ongemerkt
de hut was binnengedrongen, deze niet
zou verlaten, zonder dat ’ze met elkander
zouden hebben afgerekend.
De boot rolde vreeselijk, en af en toe
klonk het gekletter van het een of ander
vallend voorwerp. De duisternis scheen door
zijn ontstelde zenuwen nog dikker te worden
— ieder oogenblik verwachtte hij eenige
centimeters koud staal tusschen zijn ribben
te voelen, want de „Spin” was op zijn
hoede en het was onmogelijk dat hij niet
van elke beweging van Kerson op de hoogte
was.
Toen kwam opeens een stortzee, die ’t
schip nog erger opzij slingerde, iets zwaaide
voorover en raakte hem even aan, maar dat was voldoende;
bliksemsnel greep hij het met beide handen aan, lichte zijn
knie op en sloeg het er met de kracht der wanhoop tegen
aan ; het was geen tijd voor vriendelijkheden. Hij hoorde een
knak, een gesmoorden kreet en een gekletter van staal: hij
had den rechterpols van zijn belager gebroken ; het volgende
oogenblik rolde beiden over den grond.
Kerson stond snel op, liep naar het electrisch licht en in
een oogenblik baadde de hut in licht, doch het was te laat;
de deur stond wijd open en de „Spin” was verdwenen, als
bewijzen van zijn bezoek een verscheurde aktentasch en een
blinkend dolkmes achterlatende. Kerson keek snel naar zijn
bontjas en slaakte een zucht van verlichting, toen hij deze
ongeschonden zag hangen. Het kostbare stuk was gered,
slechts de waardelooze enveloppe was verdwenen.
Hij schelde dadelijk om den hofmeester en vroeg hem te
willen onderzoeken, waar een oude geestelijke verblijf
hield. De man kwam een half uur later terug met de mededeeling
dat zich geen geestelijke aan boord bevond. De „Spin”
was verdwenen. Voor het eerst van zijn leven had hij volkomen
fiasco geleden.
Toen Kerson in den trein zat, die hem naar Parijs zou
brengen, zag hij hoe een jonge man in een fietskostuum
in den trein werd geholpen. Hij droeg zijn arm in een doek
en vertelde den conducteur dat hij met zijn fiets geslipt
was en zijn pols gebroken had.
Kerson merkte met leedvermaak op hoe in ’s mans linkerborstzak
zich de duidelijke omtrekken afteekenden van een
dikke groote enveloppe en zegende het slecht werkende
telefoonsysteem van zijn vaderland.
door één gedachte beziggehouden, die hem zoo verheugde
dat hij er de pijn en de beleediging door vergat.
„Hij kent mij ! Hij zou geen onbekende op deze wijze
behandeld hebben,” mompelde hij en liep de straat op, den
jongen man achterna. Doch het was te laat, zijn aanvaller
was verdwenen.
„Heeft u geen heer van mijn lengte in avondtoilet, met
lichten overjas gezien ?” vroeg hij den portier. „Een heer
met zwarten snor 1”
„Er zijn zooveel heeren gepasseerd, die aan deze beschrijving
voldoen, mijnheer I” antwoordde de portier.
„Hij droeg een witte bloem in zijn knoopsgat.”
„O, dan is hij zooeven in een taxi weggereden.”
„Weet je het nummer van de taxi ?”
„Neen, mijnheer, maar ik ken den chauffeur.”
De man, die zijn geheugen kwijt was, haalde een rijksdaalder
te voorschijn en gaf dezen aan den portier.
„Ik zal je een tweeden geven,” zei hij, „als je mij den
man morgen zendt. Mijn naam is ... Smit. Ik logeer Hotel
Suisse.”
Hij ging in opgewekte stemming naar zijn hotel terug.
Zijn gelaat was zeer pijnlijk, de stok had het vel van zijn
neus en linkerwang gedeeltelijk geschaafd, doch wat hinderde
dat ? Hij had een draad in handen, die hem zijn
geheugen, zijn identiteit terug zou geven. Hij behoefde
nog slechts den jongen man terug te vinden en hem rekenschap
van zijn houding te vragen, en hij was overtuigd dat
zijn aanvaller hem zou zeggen wie hij was.
Toen hij den volgenden morgen ontwaakte had zijn
opgewektheid van den vorigen dag voor moedeloosheid
plaats gemaakt, die in den loop van den dag nog verergerde.
Zijn .geheugen was nog in denzelfden staat als toen hij in
den fietswinkel tot bewustzijn kwam.
(Wordt vervolgd}.
|