Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1431 tot 1435 van 11897
Nummer
1915, nr.21, 12 mrt. 1915
Blad
07
Tekst
167 Ais de menschen verliefd zijn praten ze meer over hun hart dan over hun maag. Dan keurde hij het af dat ik mezelve zoo op den voorgrond plaatste, zooals hij ’t noemde. En toen hij kwam aan den zin over de taartjes, keek hij me woedend aan ; hij zei echter niets en las den brief ten einde. ,,’t Is heel mooi geschreven, maar je moet er wat in schrappen, Pauw, en een ander schrijven.” Doch dat weigerde ik beslist. ,,Nou, enfin, laat ’t dan maar,” zei hij. ,,Doch dat „captain” aan het eind is idioot! ,.Waarom ?” vroeg ik. „Dat klinkt militair. Dames houden van militairen en bovendien je bent immers „captain” van de A. F C.-club.” „Akkoord ! Zet er nu nog onder : „P. S. Ik sluit hierbij mijn visitekaartje in en zal morgenmiddag op u wachten aan de achterdeur van het circus.” Ik heb een van vaders kaartjes genomen,” vervolgde Flip, terwijl hij het mij liet zien, „we hebben beiden dezelfde voornamen, Johannes Filippus, maar ik word altijd bij mijn tweeden naam genoemd. Je moet aan zoo’n dame altijd een visitekaartje sturen, anders ben je niet in tel. D^t is, wat ze noemen „bonevide!” „Je mag er wel een postzegel in doen voor antwoord,” merkte ik op. „Neen, jongen, dat zou juist een beleediging zijn,” antwoordde hij. Maar ik begreep, dat Flip te gierig was om er vijf cent aan te besteden. Den volgenden dag, toen ik hem weer zag, vroeg ik hem of hij al antwoord ontvangen had. Flip schudde mismoedig het hoofd. „Dat komt omdat je er geen enveloppe met postzegel bij hebt gedaan,” zei ik. „Ik dacht direct dat het verkeerd zou afloopen 1” „Waarom ?” „Wel op het kaartje stond J. F. de Bruyn, dat is je vaders naam. Je vader zal dus den brief ontvangen en hem openen, denkende dat hij voor hem is.” „Drommels, dat is zoo !” mompelde Flip, bleek wordende. „Daar heb ik niet aan. gedacht; wat zijn we toch ezels geweest! Weet je wat we doen moesten, Pauw?” vervolgde hij, na even nagedacht te hebben, „we moesten naar het circus gaan en zien of we haar spreken kunnen. Misschien heeft ze nog niet geschreven.” „Maar daar ben ik toch niet bij noodig,” zei ik, voor het eerst betreurende dat ik zoo snugger was geweest. „Ga mee, Pauw, wees nou kameraadschappelijk,” smeekte hij. „Ik heb mijn jongsten broer dat mes gegeven met dien kurketrekker erin. Als ik ’t van hem terug kan krijgen, is’t voor jou.” ’t Zou wat. Ik kende Flips broertje genoeg om te weten dat er van het mes met den kurketrekker niet veel over zou zijn als ’t eenmaal in mijn bezit kwam. Ik zei echter niets en stapte met hem op de tram,'om zoo gauw mogelijk aan het circus te zijn. We gingen naar den artistenuitgang, waar tal van jonge mannen en vrouwen in- en uitliepen. Er waren verscheiden feeën bij, zooals Flip me vertelde. Best mogelijk, ze zagen er anders niets feeachtig uit. Als je ’t niet geweten had, zou je ’t nooit geraden hebben. We wachtten zoo lang, totdat ik er koude beenen van kreeg. Ik dreigde eindelijk naar huis te gaan en nu vatte Flip moed om aan den portier te gaan vragen of juffrouw Amalie al vertrokken was. „Juffrouw Amalie,” vroeg een dame, die juist het gebouw verlaten wilde. „Wat wil je van juffrouw Amalie, jongenheer ?” „We hebben haar geschreven, juffrouw.... mevrouw,” stamelde Flip. Erg lollig, dat „we”, dacht ik. Wat had ik eigenlijk met de zaak te maken ? „Wie is „we” ?” vroeg de dame. Koning Constantijn, een zwager van den Duitschen Keizer, die zich op het standpunt gesteld heeft, dat, alvorens mede te doen in den oorlog het voorzichtiger was eerst de verdere ontwikkeling der operaties tegen de Dardanellen af te wachten. Venizelos, de Grieksche minister president, die zich voor deelneming aan den oorlog tegen Turkije uitesproken heeft, doch wiens politiek oor den Koning niet wera goedgekeurd en nu als minister zijn ontslag heeft gevraagd. DE MINISTERIEELE CRISIS IN GRIEKENLAND „Ik, Flip de Bruyn, ik meen J. de Bruyn,’ stotterde mijn kameraad, die zich al heel ezelachtig aanstelde. „O, zoo !” zei de dame. „En jij,” zei ze, zich lachend tot mij wendend, „jij bent zeker die aardige jongen, Pauw genaamd.” Ik werd rood tot achter mijn ooren. Hoe wist zij mijn naam ? Ik keek haar eens goed aan ; ze was niet groot van stuk, had blond haar en veel poeder op haar gezicht. Ze leek jong, ik bedoel, ze zou het geweest zijn als ze niet verscheidene kleine rimpels rondom de oogen had gehad. „’t Is erg grappig, heel grappig,” zei ze meer tot zichzelf. „Jullie zijn een paar aardige jongens, dat moet ik zeggen. Ik weet wat we doen zullen, ’ ging ze voort, terwijl ze ons beiden vroolijk aanzag. „Waarom ook niet ? Welja, dat zal eerst grappig wezen.” En ze klapte in de handen als een kind. „Kom mee, jongens,” zei ze, terwijl ze ons ieder een arm gaf. „’t Is koud hier!” DE DUITSCHE GEZANT AAN ONS HOF. De heer Von Müller, Duitsch gezant in Nederland, heeft om gezondheidsredenen zijn ontslag aangevraagd. Onze foto geeft den heer Von Müller bij het verlaten van het Ministerie van Oorlog te ’s-Gravenhage. PANORAMA „Maar hoe is ’t met juffrouw Amalie?” vroeg Flip, onbeweeglijk staan blijvende, zooals ’t een goede „achterspeler betaamt. „O, dat komt terecht,” antwoordde de dame. „Ik beloof je dat ik je binnen enkele minuten met haar in kennis zal brengen.” En Flip lachte als een idioot Ze nam ons mee naar een lunchroom en, — ik kon mijn oogen niet gelooven —, daar werden we onthaald op allerlei fijn gebak. Geen mensch zou gedacht hebben, dat Flips’ eetlust in de war was, zoo deed hij zich te goed aan al dat lekkers. De dame zelf at niets, maar zat naar ons te kijken, terwijl ze Flip allerlei vragen deed over zijn vader, zijn moeder, zijn zusters en broers en over den brief dien hij aan juffrouw Amalie gezonden had. „Zoo, en is dat de schriftgeleerde?” vroeg ze, zich tot mij wendende, toen Flip haar verteld had, dat ik den brief geschreven had. Ik vond het niet prettig aldus genoemd te worden, want het deed mij dadelijk aan Farizeërs denken. Ik geloof echter dat zij het zoo niet meende. „En jij gelooft dat je verliefd bent op die juffrouw Amalie,” zei ze tot Flip. „Dwaze jongen. Weet je dan niet dat op het tooneel alles maar kunstmatig is ? Je hebt daar nagemaakte bloemen, juweelen, mannen en vrouwen; niets is daar echt. Maar,” hier zuchtte zij, „misschien is het maar goed om niet te gauw zulke dingen te leeren.” Plotseling kwam er een spottende glimlach op haar gelaat. Ik keek denzelfden kant uit als zij en het stuk taart, dat ik juist in mijn mond stak, viel er bijna uit van schrik. Daar, op twee tafeltjes afstand van ons, stond de vader van Flip, bleek en zoo ernstig, dat ik het onaangename gevoel kreeg, alsof ik voor een examencommissie moest komen. Zijn oogen op de dame gericht kwam hij langzaam naar ons toe. „Edith,” zei hij, „wat beteekent dat?” „Dat beteekent,” zei de dame, terwijl ze opsprong, „maar neen, we zullen niet uit de school klappen ! Ik zal alleen volbrengen, wat ik daar straks beloofd heb. Jongens,” ging ze voort, tegen öns een kleine buiging makende, „ik heb beloofd je met juffrouw Amalie in kennis te brengen. Welnu, hier is ze : uw dienaresse !” Je had Flips gezicht eens moeten zien, toen ze dat zei. Het was rood geworden toen zijn vader binnentrad, nu werd het bijna groen. Maar zijn vader keek zwart. „Wat doen jullie hier, jongens?” vroeg hij. „Zich vroolijk maken over een zeker voorval,” antwoordde de dame glimlachend. „Schiet op, jongens,” commandeerde Flips vader. „Ik heb met deze dame een en ander te bespreken.” Wij sneden uit en omdat Flip zijn hoofd heelemaal verloren scheen te hebben, bedankte ik de dame voor haar vriendelijk onthaal. „Wie zou gedacht hebben,” gromde Flip, „dat zij al zoo oud was.” „Hindert niet,” zei ik. „Zij was voor mij een ware fee I” Den volgenden dag vertelde Flip mij wat hij thuis vernomen had. De kleine juffrouw Amalie was een tante van Flip, de jongste zuster van zijn vader, die jaren geleden weggeloopen en met een acteur was getrouwd. Nou, da’s toch niks erg, maar de oude de Bruyn is zoo’n trotsche man en hij wilde sedert niets meer met zijn zuster te doen hebben. Toen zij nu den brief van Flip ontving, dacht zij dat haar broeder dien geschreven had op een grappige manier om hiermee de toenadering wat te vergemakkelijken. Zij had hem toen teruggeschreven haar te ontmoeten in de lunchroom, waar ze ons zoo heerlijk getrakteerd had. Ze moest vroeger een vroolijke meid geweest zijn, een echte wildzang. Hoe ’t zij, ze heeft Flip aan zijn vader niet verraden, en gaf ons ieder een gulden; ik denk van blijdschap dat ze weer met haar familie verzoend is. Ik zal Flip niet verklappen op school, zoolang hij mij niet knijpt. Ik heb alleen in zijn taalschrift met rooden inkt geschreven : „een man zal niet trouwen met zijns vaders zuster.” Als hij ’t leest, zal ik er van lusten. VAN DEN MAN DIE ZIJN GEHEUGEN KWIJT WAS DOOR HENKIE ( Vervolg). besloot de jonge man voorloopig af ichten wat het onderzoek aan de verende bankinstellingen uitwerken zou, loor den broeder van den rijwielhandezou worden ingesteld. „on als dat niets uitwerkt, zal ik een advertentie plaatsen, waarin ik mededeel dat ik mijzelven verloren heb en mijn vrienden en familie verzoek mij weer te willen terugbezorgen,” zei hij met een pijnlijk lachje. „Het zal mij niets verwonderen,” merkte de winkelier vertroostend op „dat als u vannacht goed geslapen hebt, bij uw ontwaken ook uw geheugen weer zal ontwaakt zijn.” De heer Smit (zooals we hem zullen noemen, want onder dien naam had de politieagent hem in het hotel doen inschrijven) ging naar zijn kamer, zette zich daar in een gemakkelijken stoel neer en begon zijn herinneringen te peilen. Hij wist dat hij Nederlander was, en wat meer was, hij moest ook Amsterdammer zijn, want hoewel niets in het bijzonder hem van het verleden sprak, kwam de stad hem niet onbekend voor, integendeel was hij overtuigd zonder moeite overal den weg te zullen vinden. Voorts wist hij dat er oorlog was en wist hij zich verschillende algemeenheden hieromtrent te herinneren ; zoodra hij evenwel probeerde zijn eigen geschiedenis te onderzoeken, faalde zijn pogingen. Onder al dat gepeins dommelde bij in en toen hij weer wakker werd, begon zijn maag hem er aan te herinneren, dat hij sedert den morgen niet gegeten had ; hij begaf zich dus naar de eetzaal en, terwijl hij zich de gerechten goed liet smaken, nam hij het besluit het verdere van den avond in een of andere publieke vermakelijkheid door te brengen. Hij zou gek worden als hij geen verstrooiing zocht. Hij liep de straat op. Ja, er was geen twijfel mogelijk, hij moest Amsterdammer zijn : de winkels, café’s, bioscopen in de Kalverstraat en op het Rembrandtplein kwamen hem, zij ’t ook min of meer vaag, als oude bekenden voor. Een stroom van menschen ging het Rembrandttheater binnen ; hij mengde zich in dien stroom en kwam eindelijk in de zaal. Er werd een operette gegeven. Hé ! wat kwam hem dat theater bekend voor! De stalles, de galerijen, het tooneel, het décor, zelfs de operette die werd opgevoerd'was hem niet onbekend. Hij wond zich onwillekeurig op; het werkte storend op zijn zenuwen, dat alles hem sprak van het verleden, dat de meest onbekende bezoeker hem bekend voorkwam en dat onder al die vreemde menschen, de eenige persoon, die hem totaal vreemd was, — hijzelf was. Hij voelde zich verlaten, en in zijn verlatenheid kreeg hij behoefte om kennis te maken met de personen die naast hem gezeten waren. Het waren een jonge man en een vrouw, beiden opzichtig gekleed, beiden blijkbaar van twijfelachtige professie. De man. met een opgewonden kleurtje, scheen in een vroolijke cognacstemming; zijn gezellin, met goudblond haar, weelderige vormen en knap maar ordinair gezicht, gaf hem in dartelheid niets toe. Het was niet moeilijk met dergelijke lieden een kennismaking aan te knoopen. Spoedig voerde de heer Smit dan ook een gesprek met den man, die dadelijk daarop zei: „Laot ik je eirst eris effe voirstelle an m’n meissie 1” Welk „meissie” onmiddellijk aan het gesprek deelnam met de woorden : „Seg, Jèn, mot jij meheir niet wat priseteere, omdat ik jaorig ben ? ’n Glaosie anniesette pij befoirbild I” ^„Lise, hou jij nou. je gesicht op mekaor, wat is dat nou voor ’n presentaotie foor ’n mén, ’n glaosie anniesette. Meheir sel ter eire fan jouw ferjaordag saomen met main ’n rum-grokkie drinken.” „Soo !” antwoordde het jarige „meissie”, „as je dan de rum maor an meneir geeft en ’t warme waoter foor jeselven houdt. Jij sou fan al dat gesontheit drinken maor ongesond worden.” „Wat seg je me daörfan ?” mopperde de metgezel van ’t jarige „meissie” en liet, blijkbaar om aan te toonen dat ze zich om zijn gezondheid nog niet benauwd behoefde te maken, ook voor zichzelven een nieuwen grog aanrukken, die weldra door een, nu door den heer Smit aangeboden, grog gevolgd werd. Het paar was blijkbaar met hun nieuwen kennis bijzonder ingenomen, want voor de pauze begon, hadden ze hem de meest vertrouwelijke confidenties gedaan. (Wordt vervolgd).
PDF
Nummer
1915, nr.21, 12 mrt. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 168 r Karavaan van kooplieden bij de bron. De groep van Jezus nabij het landhuis bij Betfagé. IN HET PANORAMA Natuurlijk : In het Panorama. Zoo zal de lezer bij een eersten oogopslag zeggen. Natuurlijk : dit artikel staat in het Panorama. Maar een tweede oogopslag zal hem overtuigen, dat wij voor een dood-enkelen keer het eeus over een ander Panorama” dan het onze eigene dierbare hebben. Ditmaal doen wij dus het zwijgen tot het uitmuntende tijdschrift, dat tweemaal per week verschijnt, en bij inteekening maar een ellendigen stuiver per stuk kost, en wélk een stuk —, een stuk actualiteit, amusement en leerzaamheid; ditmaal wijzen wij u niet op het Panorama”, dat in geen enkele woning, in geen enkel café of wachtkamer, die zichzelven ook maar eventjes respecteeren, ontbreken mag, . . . en wij zullen het nu ereis hebben over een ander soort van instituut, dat j?» eigenlijk niets met ons verwant heeft dan den naam. En : what is in a name ? Nu, wel bezien is er dit in een naam. dat iemand die denzelfden naam draagt onwillekeurig meer dan een ander onze belangstelling wekt. Wie heeft b. v. niet eens met nieuwsgierigheid geneusd in het adresboek of er bij geval naamgenooten van hem in stonden, en zoo die er waren, niet naar hun voorletters en beroep gekeken, naar de straat waar zij woonden, ja soms wel gepoogd ze te ontmoeten, wat dan wzel eens een beetje akelig uit komen kon. Maar een enkele maal ook wel meevalt .... zoodat ik maar zeggen wil, dat men altijd belangstelling voelt voor iemand van gelijkluidenden naam. En zoo doen wij het voor het „Panorama”-instituut in de Plantage tegenover Artis te Amsterdam. Alleen het feit, dat alle in den voorgaanden zin genoemde vreemde benamingen dooiden veelsprekenden volksmond verkeerd gebruikt worden, behalve de naam „Panorama” dan, zal u reeds vriendelijk voor deze inrichting stemmen. Immers hoe is de menschelijke stumperd er toe gekomen om een dierentuin, of, zooals onze zuidelijke naburen zeggen, een beestenboogerd, die„Natura artis magistra” heet, Artis te noemen ! En de Plantage te Amsterdam lijkt evenveel op de plantages onzer voorstelling als een potje blommen op het Vondelpark, als een w’hiskey-soda op den Atlantischen Oceaan of een doovekool op ons zonnestelsel. Maar er zijn nog heel w’at meer oorzaken voor ouze sympathie voor het Amsterdamsch „Panorama”. En één hoedanigheid vooral maakt het zeer de aandacht waard, en die is, dat het een heel interessante instelling genoemd woorden mag. Van Dale — het beproefde woordenboek, — noteert achter Panorama: „algezicht; voorstelling (eener stad, enz.) in een rond gebouw’, in welks midden de beschouwer zich bevindt.” Deze definitie nu stemt heelemaal voor het Amsterdamsche „Panorama”. De stad die w’e er zien. is Jeruzalem, en de verdere voorstelling is het landschap er omheen, met als hoofdgebeurtenis : De intocht van .Jezus. De toesehouw’er staat in het midden, en wel op het dak van een huis, dat op de helling van den Olijfberg ligt Het hoogste punt van dit dakvlak wordt gevormd door een hooger plat, dat, omgeven van open gemetselde bogen, welke deels door wingerd zijn begroeid, als een soort van uitkijktoren is. Wanneer men de met een bescheiden schijnsel verlichte trap is opgeklommen, (de vroeger wat primitieve donkere trap is door een keurige moderne vervangen'» en een wijle in het gedempte licht dus heeft vertoefd, is de aankomst op het dak verrassend. Als een wereld zoo wijd ontplooit zich daar rondom u. overal, het lichte landschap. In het blauwend verschiet op den verren achtergrond bespeurt gij vaag trotsche gevaarten ; dat zijn de bergen van Moab; ook ziet gij een glinsterende waterstreep van de Doode Zee, en daarvóór strekt zich de woestijn van Judea uit. Voortreffelijk, poëtisch en statig, ligt daar het gezegende Jeruzalem. In een kromming van een rotsigen weg bespeurt gij een landhuis, grillig geboomte orngeeft bet te allen kant; dit is bet huis van Betfagé; in de nabijheid van dit eenzame huis komen twee groepen volks samen ; een komt vanuit de stad Jezus tegemoet. Van den kant van Bethanië echter komt nog een talrijker menigte. .Die mensclien dragen palmtakken en groene meien en. Christus tegemoet tredende. Het dak, dat het middelpunt van het Panorama vormt. leggen zij die groene takken neder op den weg ; anderen spreiden hun kleederen daarover. Jezus is gezeten op een ezelsveulen, dat aan den teugel w’ordt geleid door twee discipelen. Jezus is voorgesteld op het oogenblik, dat hij de terechtwijzing, die eenige Farizërs van hem vorderden, zeggend „meester, bestraf uwe discipelen”, aldus beantwoordt : „Ik zeg ulieden, dat zoo dezen zwijgen, de steenen haast roepen zullen.” Achter Christus ziet men Maria, zijne moeder, ook Lazarus en diens zusters Maria en Martha. Daarachter volgt een groote stoet vrouwen en mannen. Ook langs den weg is een menigte menschen geschaard. O}) een rotsvlak, niet ver vandaar bemerkt men een groep Farizeërs en Schriftgeleerden die zich aan den volkstoeloop ergeren. De stoet met Christus als middelpunt is niet ver meer van een dichte groep van sehilderachtige huizen en geboomte ; dat is het vlek Siloa. En gindsch ligt de heilige stad Jeruzalem. Een forsehe muur staat voor u ; die omgeeft het tempelplein; midden op dat plein verheft zich de tempel. Rechts rijst de burcht Antonia met hare twee vierkante, niet hooge torens. In deze burcht is het Praetorium, w’aar Jezus voor Pilatus werd gebracht. Het verst naar links in den achtergrond der stad ziet men het hippodroom en het theater en meer rechts daarvoor steekt het kasteel van Herodes zijn arie machtige torens hemelwraarts. Het theater, hippodroom, paleis van Herodes en verdere machtige gebouwen liggen in de bovenstad, die amphitheatersgewijze tegen de helling van den heuvel is opgebouwd. Een diepe kloof scheidde haar van den tempel en van de benedenstad, zoodat de verbinding met het tempelplein door een overbrugging en een weg met trappen werd tot stand gebracht. De aanblik der stad, zooals zij daar regelmatig en schoon voor den aanschouw’er uitligt, vormt een der fraaiste punten van dit panorama. Het geheele landschap met zijn diepe lucht, zijn wijkende verten van bergen, rotsen, dalen en slingerende wegen met gril lige hoornen omplant, met de romantische landhuizen en fraai geeomponeerden stoet laat niet na, een machtige bekoring op den toesehouw’er uit te toefenen, waartoe de wijding van het onderwerp ook niet weinig bijdraagt. Het panorama is geschilderd door de Duitsche kunstenaars Krieger, Reisacher en Prof. Frosch naar te Jeruzalem gemaakte schetsen ; voorts is er ge bruik gemaakt van oudheidkundige betrouwbare werken, zoodat men zeker mag zijn, dat de voorstelling volkomen beantwoordt aan het beeld van stad en omgeving uit Christus’ tijd. Zoo werd behoudens een aangrijpend beeld ook tevens een leerzaam werk met dit panorama geleverd. Wanneer men in een schouwburg achter het tooneel een kijkje neemt, en men, om zoo te zeggen, „de keuken” ziet van het smakelijk kunstgereeht, dat den aanzittenden in de zaal geboden w’ordt, dan wordt men lichtelijk ontnuchterd bij den aanblik van stutten en latten, touw’W’erk en min pittoreske keerzijden van bekoorlijke zaken, maar wanneer men in den onderhouw’ van het panorama rondw’andelt, lijken al de rommeligheden aller achterkanten aller tooneelen der wereld geriefelijk en keurige localiteiten. Rondom langs de wanden is het panoramadoek uitgespannen; men ziet het onderste gedeelte van dat doek van afstand tot alstand met gewichten voorzien voor het strakhouden, rondom neerhangen. Het natuurlijk landschap, dat men boven van bet dak ziet liggen tusseben dat dak en deü achtergrond, en dat (dit is de moeilijke kunst der panorama’s) in de geschilderde voorstellingen var dat achterdoek overgaat is een van doek, gips en verf vervaardigd bergterrein en daaronder voortwandeJend verdwaalt men in een woud van latten, en planken, die dit gipsen bergterrein schoren. Het is waarlijk een curieuze aanblik, dit „ingewand” der aar l-, dat natuurlijk aan de gewone bezoekers niet vertoond wordt, wiil bet hun de onontbeerlijke illusie ontnemen zou. Den journalist toont men zulke dingen wel en vreest daarbij bhjkbaar niet liem de illusi te ontnemen. Wel bezien doet men dat ook niet. Het is heel niet hinderlijk te weten hoe zoo’n schijnbaar massieve bergbodem van heel broos, heel dun materiaal is en op stokken en palen rust. Verduiveld, rust het Dampaleis ook niet op palen en trekken ws er daarom soms den neus voor op ? Malligheid, als je in de Plantage Middenlaan te Amsterdam een trap opklimt, weet je heel goed dat je niet op een dak in Jeruzalem terecht komt, en toch doet ’t het. En uitmuntend ook. Dus wat ik u van de ondergrond*che geheimen vertelde, zal u ook wel niet beletten den bovenkant dezer dingen vanaf bet dak te gaan bekijken, en bewonderen, ik kan het u aanraden ook. Ge zultu niet beklagen. J. WALKER. Gezicht op Jeruzalem. — De bovenstad met tempelplein. Jeruzalem. — De benedenstad en de bovenstad. (foto's Bern. f. Btiers). NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.22, 17 mrt. 1915
Blad
09
Tekst
No. 22 (37b) 17 Maart WIS. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.075 UITGAVE A. W. SUTHOFF’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN = RED. EN ADM. DDEZASTRAAT 1, TEL. 1. De Olifant in dienst van het Leger. De bekende firma Hagenbeck heeft aan het Duitsche rijk een olifant in bruikleen gegeven, die nu voor zwaar werk achter het front gebruikt wordt Links op de foto, naast den olifant, ziet men Overste von Mehring, den vroegeren commandant van Vaienciennes.
PDF
Nummer
1915, nr.22, 17 mrt. 1915
Blad
10
Tekst
PANORAMA 170 Wat één persoon in Duitschland per dag aan brood mag gebruiken. (200 gram.) Een brood van 450 à 500 gram. Het dagelijksch Rantsoen Wat een normaal persoon per maaltijd aan brood gebruikt. (175 gram.) en leest in de bladen tusschen de berichten over verloren en veroverde heuvels en loopgraven, getorpilleerde schepen en geramde onderzeebooten, van de broodrantsoenen, welke in Duitschland het deel der bevolking zijn. Dank zij Panorama, kan men zich uitstekend indenken, hoe een veroverde of verloren gegane heuvel er uitziet. Getorpilleerde schepen hebben wij evenzeer in beeld gebracht, de onderzeebooten, voordat zij geramd waren, zijn in koperdiepdruk weergegeven en de redactie van Panorama meent met recht te mogen veronderstellen, dat haar lezers wel zooveel verbeeldingskracht hebben, om zich, na het zien van een „hééle” boot, ook een ,,kapotte” te kunnen indenken. Wat echter niet wegneemt, dat zoodra onze fotograaf zoo’n geramden onderzeeër voor de lens kan krijgen, wij hem u zullen laten zien. Onze veronderstelling was, dat de lezer een gelijk voorstellingsvermogen zou bezitten, daar waar het ging om het zich indenken van de werkelijke beteekenis van 200 gram brood. Totdat een vriendelijke correspondent ons uit dien waan bracht door den volgenden brief : Geachte Redactie, Met groote belangstelling volg ik de actueele platen in uw zoo interessant blad, doch ik mis er een voornaam ding in, dat ik om zoo te zeggen broodnoodig had, wilde ik mij een juist denkbeeld vormen van den werkelijken toestand van den dag. Ik heb niet het flauwste begrip van wat een boterham weegt. In mijn bescheiden woning (ik ben ongetrouwd en dorst mij dus geen familieschaal aan te schaffen), ontbreekt elk weegtoestel, zelfs een briefweger. Dus kom ik tot u met het verzoek, laat nu eens, volgens uw zoo juist systeem ons z i e n wat de dagbladen ons alleen maar vertellen: wat het rantsoen is, dat de bewoner van Germanje op zijn broodkaart per persoon mag afteekenen. Geloof niet, dat mijn nieuwsgierigheid uit een gevoel van ,,Schadenfreude” voortspruit. Integendeel, ik wilde alleen weten, hoe groot mijn bewondering moet zijn voor de kranige opofferingsgezindheid onzer Oostelijke naburen. En deze bewondering is omgekeerd evenredig aan de grootte van de portie brood, welke hun toegewezen wordt. Met gevoelens van hoogachting, Uw abonné L. L. Daar wij de overtuiging hebben, dat niet alleen vrijgezellen zonder familieschaal of briefweger, doch ook bezitters van zeer goede weeginstrumenten er tot op nu toe nooit toe gekomen zijn om zich deze ,,realistische” voorstelling te maken, hebben wij onmiddellijk aan ’t verzoek van onzen abonné voldaan. En wij zijn hem er dankbaar voor, dat hij ons de directe aanleiding gaf, om u hier, bij elkaar, af te beelden: een gewoon blik- of plaatbroodje; een portie boterhammen, zooals een gezond manspersoon die per maaltijd eet; een portie boterhammen, dat 200 gram weegt Het deel dat per maaltijd den Duitscher toegemeten is, zoo hij driemaal per dag boterhammen eet. ♦ * ♦ Met den briefschrijver zijn wij het volkomen eens, dat men groot respect moet hebben voor de opofferingsgezindheid der Duitsche bevolking. Natuurlijk leeft men daar allerminst op brood alleen. Maar de toespijzen, waaronder de zoo inheemsche meelspijzen, worden uit den aard ook niet meer overvloedig genoten, het toegedeelde gewicht aan meel, hangt af van het broodgebruik en is verhoudingsgewijs nog geringer. De aardappelen zijn duur, doch het vleesch is overvloedig en de prijs zeker niet hooger dan hier. Toch zal het vleeschgebruik ook in Duitschland wel voor de meer gegoeden zijn. Het gemis aan voldoende brood wordt ontegenzeggelijk in de maag gevoeld, al is het waar, dat het jongste, dus het meest etende deel der bevolking, de mannen van 18—35 jaar voor een groot deel aan het front is. ♦ * ♦ Zal het „uithongerings” systeem der Geallieerden hun ten slotte helpen, hun vijand ten onder te krijgen? Gerekend dat er driemaal per dag brood gegeten wordt, kan iemand in Duitschland dus per keer de bovenstaande hoeveelheid nuttigen. Dat is de meest belangrijke vraag, welke men zich in dit verband moet stellen. Wat zal grooter zijn, het uithoudingsvermogen van den Duitschen burger of de kracht der indirecte blokkade? Wie zal het beter kunnen volhouden, de Duitsche overheid, die van elk hulpmiddel gebruik maakt om de meewerkende bevolking aan voedsel te helpen of de Engelsche en Fransche admiraliteiten, die het economisch leven van Duitschland in de war willen sturen? Het is een open vraag, waarvan de beantwoording heel veel bitterheid met zich sleept en waarvan de oplossing zeker niet een kort proces kan worden genoemd. Het komt ons voor dat de Geallieerden niet voldoende rekening houden met de groote karaktereigenschap van het Germaansche ras : de taaie volharding. En dat door deze eigenschap hun pogen groote kans loopt, te mislukken. Men ziet het in Frankrijk en Engeland nu wel in dat het zoo vlug niet zal gaan. De snurkende opschriften in de Engelsche jingo couranten mogen als oogverblinding eenigen invloed hebben, de serieuse bladen ontveinzen het zich niet, dat het te beproeven middel heel groote bezwaren heeft en dat men bij den strijd met het directe, zoowel als bij den strijd met dit indirecte wapen een groote mate geduld moet hebben. Geduld .... Dat beteekent dus een oorlog in het oude genre. Tachtig jaar .... dertig jaar .... twintig jaar .... ’t Is een mooie toekomstvoorspelling! Ook voor de neutralen. Want de invloed van den oorlog op den toevoer van de levensmiddelen doet zich niet alleen voor de strijdende partijen gevoelen, maar de neutralen weten er evenzeer van mee te praten. En als wij volgen wat de berichten uit Spanje, Portugal en Italië melden, dan kloppen wij driemaal onder de tafel en zeggen: nu bij ons is het nog zoo erg niet, wat heel wat zeggen wil, omdat ook in Nederland veel levensmiddelen belangrijk in prijs zijn gestegen. Gaat men bij de beschouwing van de gebeurtenissen, welke zich in onzen emotievollen tijd afspelen, wat dieper op het onderwerp in, dan stellen zich twee gezichtspunten tegenover elkaar. Men kan beweren: Deze strijd, die oogenschijnlijk een kampen om het overwicht van het groeiende wereldrijk Duitschland over het tot toppunt van zijn macht gekomen Brittanje is, zal als gevolg met zich meebrengen een zoo vérgaande verandering in de economische en sociale verhoudingen, dat daardoor ten slotte de wereldverbetering, waarnaar zij hunkeren, zal worden geboren. Of men kan zeggen: Alle idealen, die men als gevolg van dezen oorlog denkt te bereiken, zullen door den strijd niet naderbij gebracht worden, ’t Is en blijft de zoo vaak geziene worsteling van de eene macht met de andere, welke alleen een verschuiving en geen ingrijpende verbetering met zich mee zal kunnen brengen. * * ♦ Al naar gelang men het een gelooft of het andere, kan men de opofferingen beoordeelen, welke de neutralen zich moeten getroosten. Gaat het om die intense verbetering, welnu, dan hebben zij er. alle belang bij, dat deze tot stand komt en is de cijns, welken zij in den vorm van dure levensmiddelen en andere stoffelijke opofferingen betalen, niet onbillijk geëischt en niet al te groot. Gaat het echter alleen om de verschuiving, dan dienen de naties zich heel ernstig af te vragen bij welken groep haar belangen zich het veiligst bevinden en de omvang en de aard der opofferingen, welke elke natie zich wil getroosten, zullen het nauwste in verband staan met de belangenoverweging. ♦ * * Men heeft de gedachte geopperd, dat ten slotte de honger den knoop zal moeten doorhakken, dien de diplomatie niet ontwarren en het zwaard niet stuk kan hakken. Het is te hopen dat het nooit zoo ver moge komen. Doch onmogelijk lijkt het helaas niet in de wereld vol verdwaasdheid, waarin wij leven. HOE ER VOOR OE SOLDATEN Het werk in de veldbakkerij achter het front. TE VELDE GEZORGD WORDT. Een voörraad pas gebakken brood voor de mannen in de loopgraven.
PDF
Nummer
1915, nr.22, 17 mrt. 1915
Blad
11
Tekst
171 PANORAMA DE DUITSCHERS EN OOSTENRIJKERS IN DEN OORLOG DE STRIJD IN DE KARPATHEN. De ski’s, waarmede de Oostenrijksche soldaten zich over de reusachtige sneeuwmassa’s bewegen (zie de foto links), worden ook nog voor verscheidene andere doeleinden gebruikt, o.a. ook voor het vervaardigen van hutten, zooals de foto rechts laat zien. Over dit geraamte behoeft slechts een zeil te worden aangebracht en het hoogst primitieve nachtverblijf is gereed. VOETBAL IN HET DUITSCHE LEGER. Ook in Duitschland worden er nu oproepingen gedaan om de mannen aan het front van voetballen te voorzien, zoodat de mannen na het verblijf in de loopgraven hun spieren weer lenig kunnen maken. 'DE TELEFOON IN DE LOOPGRAVEN. Het langdurig verblijf in hetzelfde uitgebreide net van'loopgraven heeft het gebruik van wegwijzers enz. medegebracht. GENERAAL. VON BISSING OP INSPECTIE. Generaal von Bissing, de gouverneur van België (tweede figuur van rechts) maakt geregeld inspectietochten door België. De vorige week is Z. Exc. te Beverloo ge- • weest, waar onze foto genomen is. HET VERBLIJF IN DE LOOPGRAVEN. In de aarden wallen van de loopgraven zijn er schietgaten aanaebracht, waarvoor bij voorkeur water- en gasbuizen gebruikt woraen. HET ONDERWIJS IN BELGIË. In België wordt aan de Duitsche kinderen op het oogenblik les gegeven door leeraren in Feldgrau. DE LOOPGRAVENOORLOG. Daar in den modernen loopgravenoorlog de ruiterij niet tot haar recht komt, vechten de ruiters evenals de infanteristen, dekking zoekende achter alle natuurlijke oneffenheden.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1431 tot 1435 van 11897