|
167
Ais de menschen verliefd zijn praten ze meer over hun
hart dan over hun maag.
Dan keurde hij het af dat ik mezelve zoo op den voorgrond
plaatste, zooals hij ’t noemde. En toen hij kwam aan den
zin over de taartjes, keek hij me woedend aan ; hij zei echter
niets en las den brief ten einde.
,,’t Is heel mooi geschreven, maar je moet er wat in
schrappen, Pauw, en een ander schrijven.”
Doch dat weigerde ik beslist.
,,Nou, enfin, laat ’t dan maar,” zei hij. ,,Doch dat „captain”
aan het eind is idioot!
,.Waarom ?” vroeg ik. „Dat klinkt militair. Dames
houden van militairen en bovendien je bent immers
„captain” van de A. F C.-club.”
„Akkoord ! Zet er nu nog onder :
„P. S. Ik sluit hierbij mijn visitekaartje in en zal morgenmiddag
op u wachten aan de achterdeur van het
circus.” Ik heb een van vaders kaartjes genomen,” vervolgde
Flip, terwijl hij het mij liet zien, „we hebben
beiden dezelfde voornamen, Johannes Filippus, maar ik
word altijd bij mijn tweeden naam genoemd. Je moet
aan zoo’n dame altijd een visitekaartje sturen, anders
ben je niet in tel. D^t is, wat ze noemen „bonevide!”
„Je mag er wel een postzegel in doen voor antwoord,”
merkte ik op.
„Neen, jongen, dat zou juist een beleediging zijn,” antwoordde
hij.
Maar ik begreep, dat Flip te gierig was om er vijf cent
aan te besteden.
Den volgenden dag, toen ik hem weer zag, vroeg ik hem
of hij al antwoord ontvangen had. Flip schudde mismoedig
het hoofd.
„Dat komt omdat je er geen enveloppe met postzegel bij
hebt gedaan,” zei ik. „Ik dacht direct dat het verkeerd
zou afloopen 1”
„Waarom ?”
„Wel op het kaartje stond J. F. de Bruyn, dat is je vaders
naam.
Je vader zal dus den brief ontvangen en hem openen,
denkende dat hij voor hem is.”
„Drommels, dat is zoo !” mompelde Flip, bleek wordende.
„Daar heb ik niet aan. gedacht; wat zijn we toch ezels geweest!
Weet je wat we doen moesten, Pauw?” vervolgde
hij, na even nagedacht te hebben, „we moesten naar het
circus gaan en zien of we haar spreken kunnen. Misschien
heeft ze nog niet geschreven.”
„Maar daar ben ik toch niet bij noodig,” zei ik, voor het
eerst betreurende dat ik zoo snugger was geweest.
„Ga mee, Pauw, wees nou kameraadschappelijk,” smeekte
hij. „Ik heb mijn jongsten broer dat mes gegeven met dien
kurketrekker erin. Als ik ’t van hem terug kan krijgen, is’t
voor jou.”
’t Zou wat. Ik kende Flips broertje genoeg om te weten dat
er van het mes met den kurketrekker niet veel over zou zijn
als ’t eenmaal in mijn bezit kwam. Ik zei echter niets en
stapte met hem op de tram,'om zoo gauw mogelijk aan het
circus te zijn.
We gingen naar den artistenuitgang, waar tal van
jonge mannen en vrouwen in- en uitliepen. Er waren verscheiden
feeën bij, zooals Flip me vertelde. Best mogelijk,
ze zagen er anders niets feeachtig uit. Als je ’t niet geweten
had, zou je ’t nooit geraden hebben.
We wachtten zoo lang, totdat ik er koude beenen van
kreeg. Ik dreigde eindelijk naar huis te gaan en nu vatte
Flip moed om aan den portier te gaan vragen of juffrouw
Amalie al vertrokken was.
„Juffrouw Amalie,” vroeg een dame, die juist het gebouw
verlaten wilde. „Wat wil je van juffrouw Amalie, jongenheer
?”
„We hebben haar geschreven, juffrouw.... mevrouw,”
stamelde Flip.
Erg lollig, dat „we”, dacht ik. Wat had ik eigenlijk met de
zaak te maken ?
„Wie is „we” ?” vroeg de dame.
Koning Constantijn, een zwager
van den Duitschen Keizer, die zich
op het standpunt gesteld heeft, dat,
alvorens mede te doen in den oorlog
het voorzichtiger was eerst de
verdere ontwikkeling der operaties
tegen de Dardanellen af te wachten.
Venizelos, de Grieksche minister
president, die zich voor deelneming
aan den oorlog tegen Turkije uitesproken
heeft, doch wiens politiek
oor den Koning niet wera goedgekeurd
en nu als minister zijn
ontslag heeft gevraagd.
DE MINISTERIEELE CRISIS IN GRIEKENLAND
„Ik, Flip de Bruyn, ik meen J. de Bruyn,’ stotterde mijn
kameraad, die zich al heel ezelachtig aanstelde.
„O, zoo !” zei de dame. „En jij,” zei ze, zich lachend tot
mij wendend, „jij bent zeker die aardige jongen, Pauw genaamd.”
Ik werd rood tot achter mijn ooren. Hoe wist zij mijn
naam ? Ik keek haar eens goed aan ; ze was niet groot van
stuk, had blond haar en veel poeder op haar gezicht. Ze leek
jong, ik bedoel, ze zou het geweest zijn als ze niet verscheidene
kleine rimpels rondom de oogen had gehad.
„’t Is erg grappig, heel grappig,” zei ze meer tot zichzelf.
„Jullie zijn een paar aardige jongens, dat moet ik zeggen.
Ik weet wat we doen zullen, ’ ging ze voort, terwijl ze ons
beiden vroolijk aanzag. „Waarom ook niet ? Welja, dat zal
eerst grappig wezen.” En ze klapte in de handen als een kind.
„Kom mee, jongens,” zei ze, terwijl ze ons ieder een arm gaf.
„’t Is koud hier!”
DE DUITSCHE GEZANT AAN ONS HOF.
De heer Von Müller, Duitsch gezant in Nederland, heeft om
gezondheidsredenen zijn ontslag aangevraagd. Onze foto geeft
den heer Von Müller bij het verlaten van het Ministerie van
Oorlog te ’s-Gravenhage.
PANORAMA
„Maar hoe is ’t met juffrouw Amalie?” vroeg Flip,
onbeweeglijk staan blijvende, zooals ’t een goede „achterspeler
betaamt.
„O, dat komt terecht,” antwoordde de dame. „Ik beloof
je dat ik je binnen enkele minuten met haar in kennis zal
brengen.”
En Flip lachte als een idioot
Ze nam ons mee naar een lunchroom en, — ik kon mijn
oogen niet gelooven —, daar werden we onthaald op allerlei
fijn gebak. Geen mensch zou gedacht hebben, dat Flips’ eetlust
in de war was, zoo deed hij zich te goed aan al dat
lekkers. De dame zelf at niets, maar zat naar ons te kijken,
terwijl ze Flip allerlei vragen deed over zijn vader, zijn
moeder, zijn zusters en broers en over den brief dien hij aan
juffrouw Amalie gezonden had.
„Zoo, en is dat de schriftgeleerde?” vroeg ze, zich tot mij
wendende, toen Flip haar verteld had, dat ik den brief geschreven
had.
Ik vond het niet prettig aldus genoemd te worden, want
het deed mij dadelijk aan Farizeërs denken. Ik geloof echter
dat zij het zoo niet meende.
„En jij gelooft dat je verliefd bent op die juffrouw Amalie,”
zei ze tot Flip. „Dwaze jongen. Weet je dan niet dat op het
tooneel alles maar kunstmatig is ? Je hebt daar nagemaakte
bloemen, juweelen, mannen en vrouwen; niets is daar echt.
Maar,” hier zuchtte zij, „misschien is het maar goed om niet
te gauw zulke dingen te leeren.”
Plotseling kwam er een spottende glimlach op haar gelaat.
Ik keek denzelfden kant uit als zij en het stuk taart, dat ik
juist in mijn mond stak, viel er bijna uit van schrik. Daar, op
twee tafeltjes afstand van ons, stond de vader van Flip, bleek
en zoo ernstig, dat ik het onaangename gevoel kreeg,
alsof ik voor een examencommissie moest komen. Zijn oogen
op de dame gericht kwam hij langzaam naar ons toe.
„Edith,” zei hij, „wat beteekent dat?”
„Dat beteekent,” zei de dame, terwijl ze opsprong,
„maar neen, we zullen niet uit de school klappen ! Ik zal
alleen volbrengen, wat ik daar straks beloofd heb. Jongens,”
ging ze voort, tegen öns een kleine buiging makende, „ik
heb beloofd je met juffrouw Amalie in kennis te brengen.
Welnu, hier is ze : uw dienaresse !”
Je had Flips gezicht eens moeten zien, toen ze dat zei. Het
was rood geworden toen zijn vader binnentrad, nu werd het
bijna groen. Maar zijn vader keek zwart.
„Wat doen jullie hier, jongens?” vroeg hij.
„Zich vroolijk maken over een zeker voorval,” antwoordde
de dame glimlachend.
„Schiet op, jongens,” commandeerde Flips vader. „Ik
heb met deze dame een en ander te bespreken.”
Wij sneden uit en omdat Flip zijn hoofd heelemaal
verloren scheen te hebben, bedankte ik de dame voor haar
vriendelijk onthaal.
„Wie zou gedacht hebben,” gromde Flip, „dat zij al zoo
oud was.”
„Hindert niet,” zei ik. „Zij was voor mij een ware fee I”
Den volgenden dag vertelde Flip mij wat hij thuis vernomen
had. De kleine juffrouw Amalie was een tante van Flip, de
jongste zuster van zijn vader, die jaren geleden weggeloopen
en met een acteur was getrouwd. Nou, da’s toch niks erg,
maar de oude de Bruyn is zoo’n trotsche man en hij wilde
sedert niets meer met zijn zuster te doen hebben. Toen zij
nu den brief van Flip ontving, dacht zij dat haar broeder
dien geschreven had op een grappige manier om hiermee de
toenadering wat te vergemakkelijken. Zij had hem toen teruggeschreven
haar te ontmoeten in de lunchroom, waar ze
ons zoo heerlijk getrakteerd had. Ze moest vroeger een vroolijke
meid geweest zijn, een echte wildzang. Hoe ’t zij, ze
heeft Flip aan zijn vader niet verraden, en gaf ons ieder een
gulden; ik denk van blijdschap dat ze weer met haar familie
verzoend is.
Ik zal Flip niet verklappen op school, zoolang hij mij niet
knijpt. Ik heb alleen in zijn taalschrift met rooden inkt
geschreven : „een man zal niet trouwen met zijns vaders
zuster.” Als hij ’t leest, zal ik er van lusten.
VAN DEN MAN DIE ZIJN
GEHEUGEN KWIJT WAS
DOOR HENKIE
( Vervolg).
besloot de jonge man voorloopig af
ichten wat het onderzoek aan de verende
bankinstellingen uitwerken zou,
loor den broeder van den rijwielhandezou
worden ingesteld.
„on als dat niets uitwerkt, zal ik een advertentie
plaatsen, waarin ik mededeel dat ik mijzelven
verloren heb en mijn vrienden en familie verzoek mij weer
te willen terugbezorgen,” zei hij met een pijnlijk lachje.
„Het zal mij niets verwonderen,” merkte de winkelier
vertroostend op „dat als u vannacht goed geslapen hebt,
bij uw ontwaken ook uw geheugen weer zal ontwaakt zijn.”
De heer Smit (zooals we hem zullen noemen, want onder
dien naam had de politieagent hem in het hotel doen inschrijven)
ging naar zijn kamer, zette zich daar in een gemakkelijken
stoel neer en begon zijn herinneringen te
peilen.
Hij wist dat hij Nederlander was, en wat meer was, hij
moest ook Amsterdammer zijn, want hoewel niets in het
bijzonder hem van het verleden sprak, kwam de stad hem
niet onbekend voor, integendeel was hij overtuigd zonder
moeite overal den weg te zullen vinden. Voorts wist hij
dat er oorlog was en wist hij zich verschillende algemeenheden
hieromtrent te herinneren ; zoodra hij evenwel
probeerde zijn eigen geschiedenis te onderzoeken, faalde
zijn pogingen.
Onder al dat gepeins dommelde bij in en toen hij weer
wakker werd, begon zijn maag hem er aan te herinneren, dat
hij sedert den morgen niet gegeten had ; hij begaf zich dus
naar de eetzaal en, terwijl hij zich de gerechten goed
liet smaken, nam hij het besluit het verdere van den avond
in een of andere publieke vermakelijkheid door te brengen.
Hij zou gek worden als hij geen verstrooiing zocht.
Hij liep de straat op. Ja, er was geen twijfel mogelijk,
hij moest Amsterdammer zijn : de winkels, café’s, bioscopen
in de Kalverstraat en op het Rembrandtplein kwamen
hem, zij ’t ook min of meer vaag, als oude bekenden
voor.
Een stroom van menschen ging het Rembrandttheater
binnen ; hij mengde zich in dien stroom en kwam eindelijk
in de zaal. Er werd een operette gegeven. Hé ! wat kwam
hem dat theater bekend voor! De stalles, de galerijen,
het tooneel, het décor, zelfs de operette die werd opgevoerd'was
hem niet onbekend. Hij wond zich onwillekeurig
op; het werkte storend op zijn zenuwen, dat alles
hem sprak van het verleden, dat de meest onbekende
bezoeker hem bekend voorkwam en dat onder al die vreemde
menschen, de eenige persoon, die hem totaal vreemd was,
— hijzelf was. Hij voelde zich verlaten, en in zijn verlatenheid
kreeg hij behoefte om kennis te maken met de
personen die naast hem gezeten waren.
Het waren een jonge man en een vrouw, beiden opzichtig
gekleed, beiden blijkbaar van twijfelachtige professie.
De man. met een opgewonden kleurtje, scheen in
een vroolijke cognacstemming; zijn gezellin, met goudblond
haar, weelderige vormen en knap maar ordinair
gezicht, gaf hem in dartelheid niets toe.
Het was niet moeilijk met dergelijke lieden een kennismaking
aan te knoopen. Spoedig voerde de heer Smit dan
ook een gesprek met den man, die dadelijk daarop zei:
„Laot ik je eirst eris effe voirstelle an m’n meissie 1”
Welk „meissie” onmiddellijk aan het gesprek deelnam
met de woorden :
„Seg, Jèn, mot jij meheir niet wat priseteere, omdat ik
jaorig ben ? ’n Glaosie anniesette pij befoirbild I”
^„Lise, hou jij nou. je gesicht op mekaor, wat is dat
nou voor ’n presentaotie foor ’n mén, ’n glaosie anniesette.
Meheir sel ter eire fan jouw ferjaordag saomen met main
’n rum-grokkie drinken.”
„Soo !” antwoordde het jarige „meissie”, „as je dan de
rum maor an meneir geeft en ’t warme waoter foor jeselven
houdt. Jij sou fan al dat gesontheit drinken maor ongesond
worden.”
„Wat seg je me daörfan ?” mopperde de metgezel van
’t jarige „meissie” en liet, blijkbaar om aan te toonen dat
ze zich om zijn gezondheid nog niet benauwd behoefde te
maken, ook voor zichzelven een nieuwen grog aanrukken,
die weldra door een, nu door den heer Smit aangeboden,
grog gevolgd werd.
Het paar was blijkbaar met hun nieuwen kennis bijzonder
ingenomen, want voor de pauze begon, hadden ze hem de
meest vertrouwelijke confidenties gedaan.
(Wordt vervolgd).
|