|
PANORAMA 166
Mor. J. B. BOTS. t D®. O. J. KARRES. t M MOUW. t W. VERHAGEN. +
P. R. LOS VAN
AARLANDERVEENt
4. MAARSCHALKERWEERD.
t
J. H. HESSELS. J. B. STRUWE.
Te Tilburg is overleden de HoogEerw. Heer Mgr. J. B. BOTS, Huis
prelaat van Z.H. den Paus, officier in de Oranje-Nassau Orde. —
In den ouderdom van 57 jaar is te 's-Gravenhage overleden Ds.
D. J. KARRES, Predikant bij de Ned. Herv. Kerk aldaar, officier in
de Oranje-Nassau Orde. — Op 95-jarigen leeftijd is te's-Gravenhage
overleden de heer P. R. LOS VAN AARLANDERVEEN, oud-consul van
Nederland te Sunderland (Engeland). — Te Utrecht is in den ouderdom
van 76 jaar overleden de heer M. MAARSCHALKERWEERD.
De overledene bezat een groote vermaardheid als kerkorgelfabrikant.
DE KAZERNEBRAND TE DELFT.
In de Kazerne te Delft is er de vorige week een brand uitgebroken die
vooral in den beginne zich zeer ernstig liet aanzien. Gelukkig zijn er geen
menschenlevens te betreuren.
Te Zwolle is de vorige week overleden de heer M. MOUW, inspecteur
der posterijen en telegrafie. — Zaterdagavond is te IJmuiden op'den
infanterist VERHAGEN, herkomstig van Rotterdam, een manslag
gepleegd. De vermoorde werd gevonden met verbrijzelde hersen
pan. — De heer J. H, HESSELS vierde den 9en Maart zijn 40-jarig
jubileum als trein-controleur bij de Staatsspoor. - Den 17en Maart
zal het 50 jaar geleden zijn. dat de heer J. B. STUWE in dienst
trad bij de firma H. Bernhard te Amsterdam.
KALVERLIEFDE
HUMORESKE DOOR COR Z.
et moet toch bepaald wel iets prettigs wezen
om verliefd te zijn! Er was geen twijfel aan
of Flip de Bruyn had ’t te pakken, en erg
ook. Als een jongen van de vierde klas
H. B. S., die kampioen is in de voetbalmatches,
die doodelijke keien kan schoppen,
en die bovendien reeds duidelijk eenige haren
op zijn bovenlip heeft, als een jongen met zooveel talent
vriendschap aanknoopt met een jongen van de tweede klas,
zooals ik, dan kun je er zeker van zijn, dat hij zijn evenwicht
verloren heeft.
Ik raadde het al heel gauw; dat was op een partijtje dat
zijn oudelui gaven, omdat zijn zuster jarig was en waar ik
ook was uitgenoodigd.
,,Laten we een portie ijs gaan halen en in den tuin gaan
zitten,” zei Flip tegen mij, terwijl ze in de huiskamer aan
’t pandverbeuren waren. „We zijn veel te oud voor die kinderachtigheid.”
Ik vroeg mijzelven af of Flip zich te oud zou gevonden
hebben, als hij nog in de tweede klas had gezeten; ik zei
evenwel niets, want Flip had zoo’n venijnige manier om in
je arm te knijpen, als je iets zei wat hem niet beviel.
Nou, we haalden allebei onze portie ijs en gingen dat in
den tuin opeten.
„Hou je veel van meisjes ?” vroeg Flip plotseling toen zijn
portie op was.
Ik dacht dat hij wilde zeggen : „hou je veel van ijs,” en
wilde haast „ja” zeggen, gelukkig hield ik dit nog gauw in.
„Neen,” antwoordde ik. Toen, bedenkende dat het toch
niet aardig was ten opzichte van zijn zuster, bij wie ik nog wel
op de verjaarpartij was, verbeterde ik : „Da’s te zeggen, er
zijn er wel, waar ik van houd. Bij voorbeeld je zuster.”
„Mijn zuster ! Ha, ha, ha!” schaterde hij geringschattend
op mij neerziende. „Die is veel te oud voor jou, jongen !
Bovendien, Thomassen is doodelijk van d’r. Heb je niet
gezien, hoe hij telkens muziek omsloeg, als zij aan de piano
zat ? Nee, mijn zuster is geen partuur voor zoo’n broekie
als jij bent 1”
„Ik begrijp niet dat ze te oud voor mij is, om van haar te
houden,” antwoordde ik met een gezicht rood van woede.
Wat een beleediging ook om mij „broekie” te noemen!
„Sapperloot, Pauw, ik geloof dat jij ’t ook te pakken hebt !”
En hij sloeg mij van pure blijdschap zoo hard op den schouder,
dat mijn laatste lepel ijs het verkeerde keelgat inschoot
en ik er bijna in stikte.
„Welnu, als jij mij
helpt, zal ik zien wat ik
voor jou doen kan,” ging
Flip voort, toen mijn
hoestbui over was.
„Hoewel ik niet geloof
dat je veel kans, hebt,
ouwe jongen! Thomassen
heeft zijn eindexamen al
achter den rug, en begint
een heele heer te worden.”
„Thomassen is een ezel
en jij eveneens, als jullie
denken dat ik er groen
op ben om voor je zuster
de muziekbladen om
te slaan,” antwoordde ik
nijdig, terwijl ik de tranen
wegveegde, die ik door
het hoesten m de oogen
gekregen had.
Tot mijn verwondering
VOOR HET STEUNCOMITÉ.
Onder leiding van Mevrouw Chr. Chrispijn-van Mekeren, heeft er te Haarlem door amateurs 6 Maart een opvoering plaats gehad
van de operette „De Geisha”. De opbrengst komt ten bate van het Steuncomité.
kneep Flip mij niet; integendeel hij zat een oogenbiik in
gedachten en sprak geen woord. Eindelijk begon hij weer:
„Dus Pauw,, ben jij nooit verliefd geweest ?”
„Neen,” zei ik, „nog nooit in mijn leven ! Jij ?”
„Ja, in een wip was ik ’t!” antwoordde hij. Toen opstaande
: „Ik ga wat gebakjes halen !”
Ik zie niet het minste verband tusschen gebakjes en
liefde. Gebakjes zijn heerlijke dingen, terwijl liefde, voor
zoover ik er wel eens van gehoord heb, zoo ietsis als kiespijn.
VOOR ONZE MILITAIREN.
Door eenige Oldenzaalsche heeren is een club gevormd, met
het doel, de verschillende grenswachten aan onze Oostgrens
door muziek en voordrachten eenige avonden te amuseeren.
Je hebt de pijn net zoo lang tot je het meisje kwijt bent of de
kies is uitgetrokken; dat doet dan op zoo’n oogenbiik erge
pijn, doch daarna voel je je veel beter.
Flip kwam terug met negen gebakjes, die we samen verdeelden.
De oneven helft gaf hij aan mij en zat toen naar mij
te kijken, terwijl ik at.
„Mijn trek is heelemaal weg,” zei hij. „Ik ben bang dat
moeder het gauw merken zal.”
„Wat is er aan de hand ?” vroeg ik, mijn laatste gebakje
wegwerkende.
Oordeelende naar wat Flip dien middag al gegeten had,
moest zijn eetlust in normale tijden schrikbarend zijn.
„Kun je een geheim bewaren, Pauw?” vroeg hij.
„Nog al,” antwoordde ik, terwijl ik er bij dacht, dat
pandverbeuren toch veel gezelliger was.
„Nu, de zaak is . . . .” hier ging zijn stem in een gefluister
over, „ik ben verliefd !”
„Wie is het?” vroeg ik. „Het meisje met den rooden
strik in ’t haar of die met den groenen?”
„Geeneen van dat slag,” zei hij, met zijn neus in den wind.
„’t Is ... . Heb je de pantomime in het circus gezien ?”
„Ja, wat*zou dat?”
„’t Is een van hen !”
„Een van hen ?”
„Ja, ’t is een van de feeën uit het ballet, ’t Is degene die
het eerste binnenkomt!”
„Die ?”
„Ja ! Is ’t geen kranige meid ?”
„Hm !” zei ik langzaam. „Ik vind ze een beetje klein;
ze is te jong voor jou.”
„Geen kwestie van,” meende Flip. „Ze lijken op ’t tooneel
altijd jonger dan ze zijn. Ik wed dat ze net zoo oud is als ik.”
„Heb je al met haar gesproken ?”
Toen vertelde hij mij dat hij tijdens een morgenrepetitie
buiten , op haar gewacht had en haar toen gevolgd was om
haar adres te weten te komen, iets wat ik voor een 4de
klasser en nog wel zoo’n voetbalkampioen een beetje min
vond.
Nu kwam ik ook te weten, waaraan ik al die confidenties
te danken had. Flip schreef een erbarmelijk pootje, bovendien
doet zijn taal denken aan een wanhopige poging om
de fonetische spelling in te voeren. Nou, niet om mijzelven
te roemen, maar ik was op school algemeen bekend om mijn
mooi schrift, en de jongens van mijn klas waren gewend
mij hun nieuwe boeken te geven om er hun namen in te
schrijven. Flip wilde nu een brief geschreven hebben, om dien
aan haar te sturen en daarom kwam hij bij mij, om dat
zaakje voor hem op te knappen.
„All right,” zei ik, „maar wat moet ik daarin schrijven ?”
„Denk nou maar, dat jij verliefd op haar bent, dan weet
je wat je schrijven moet,” antwoordde hij.
„Maar ik ben nog nooit verliefd geweest,” merkte ik
op. „Wat is dat voor een gevoel en waar voel je het ?”
Hij drukte zijn hand op zijn borst.
„Het is zoo ongeveer hier dat je het voelt,” zei hij.
„Ik zal hem morgen voor je meebrengen !”
Den volgenden morgen gaf ik hem den brief. Hij luidde
als volgt.
Lieve juffrouw Amalie (onder dezen naam kwam ze
op het affiche voor !) Ik heb je zien spelen in de pantomime
en ik vond je dadelijk een kranige meid. Je kan
prachtig dansen. Van af het oogenbiik dat ik je zag,
heb ik steeds aan je gedacht en ik heb er pijn in mijn
borst van gekregen en mijn maag is ook in de war. Ik
heb mijn eetlust heelemaal verloren en begin langzamerhand
weg te kwijnen. Ik heb aan een aardigen
jongen, Pauw genaamd,
op de verjaarpartij van
mijn zuster gisteren de
grootste helft van de
taartjes gegeven en hij
had de anderen ook kunnen
krijgen, want ik houd
niets meer van taartjes,
ik houd alleen maar van
u. Ik blijf, lieve juffrouw
Amalie, uw liefhebbende
FLIP DE BRUYN,
captain.
Wat zeg je van zoo’n
brief, fijn hè ? Maar
denk je dat Flip er me
erkentelijk voor was ?
Geen sprake van hoor!
Hij had allerlei aanmer
kingen; om te beginnen
kwam er veel te veel
over eten in voor, zei hij.
|