|
PANORAMA 158
DE LAATSTE TRUC
VAN SAM PLUG
HUMORESKE DOOR COR Z.
, dat was een kerel die
Sam Plug ’ ’t Maakt me
nog warm als ik aan
hem denk, werkelijk. Zeg
nou eerlijk: wie zou er
in staat wezen, zoo’n
prachtig plan te bedenken als hij om
in één nacht rijk te worden ? En wie
zou zoo joviaal zijn geweest om mij in
de winst te willen doen deelen ?
„Een gevaarlijke schurk" noemde
de president hem, toen hij voor de
rechtbank stond, en de rechters knipten
met hun oogen. Nou. ze hadden
niet heelemaal ongelijk 1
Geloof me, ik had aan Nans, m'n
meisje, gezworen dat ik zoo fatsoenlijk
zou worden als een catechiseermeester
(en ’k meende wat ik zei!) als ze maar
geduld met me wilde hebben. Toen,
op zekeren dag (ik begon warempel al
grootsch op mezelven te worden) liep ik den kerel net in
zijn armen.
„Wat ’ Jij daar, ouwe jongen! Dat is ’n vingerwijzing
van ’t lot,” begon hij plechtig. „Kom hier, verzet je er niet
tegen, man. Jij moet op mijn gezondheid drinken, want ik
ben, net als jij, van plan om fatsoenlijk te worden, een vrouw
te nemen en het verleden te vergeten. Ik moet alleen nog
eenige goederen te gelde maken en een cheque van / 8000
incasseeren. Maar dat is niet alles ! Neen, amice! Als ik eenmaal
getrouwd ben, ga ik rentenieren, en wat ik hiervoor te
kort kom, Krijg ik van een schatrijken vent, en, op een bijzondere
manier.”
En hij toonde mij in zijn portefeuille een blanco en ongeteekende
chèque, betaalbaar bij de Twentsche Bank.
„Geen praatjes nou," ging hij zorgeloos voort, „we zullen
samen het geld incasseeren en de twee bruiloften hebben te
zamen plaats. Jij helpt me natuurlijk om het zaakje in orde
te brengen. Hier heb je een tientje als handgeld ■ Maandagmiddag
ontmoet ik je hier en voor die dag om is, hoop ik je
in kennis te hebben gebracht met mijn aanstaande
en • hm! — met het landhuis."
Je mag over me denken zooals je wilt, een feit is dat toen
ik een uur later Nans ontmoette, al mijn gezworen besluiten
als kaf in den wind verdwenen waren. ’t Is genoeg als ik
zeg, dat ik mij Maandagmiddag in den trein bevond naar
Meer-en-Berg en dat zich tegenover mij in den coupé bevond
Sam Plug. kalm en lachend als altijd.
„Luister," begon hij boven het geratel van den trein uit,
„het is hier een eenvoudige toepassing van taktiek. Ik zal
jou een eenzame villa aanwijzen in een fraai park en deze
villa wordt bewoond, nou raad eens door wie? Zachtjes
hoor ! Door eenige schatrijke zonderlingen. Zij worden daar
zorgvuldig nagegaan, op last hunner bevreesde familieleden,
die bang zijn dat, als zij in de maatschappij terugkeeren, zij
allerlei gekke of misschien heel verstandige dingen zouden
doen, dingen die voor de erfgenamen evenwel minder aangenaam
zouden zijn. Hun verblijf wordt echter zooveel mogelijk
geheim gehouden, want de familieleden willen voor het
meerendeel niet weten, dat daar betrekkingen van hen opgesloten
zijn.
„Nou, heel toevallig leerde ik Klazien kennen, die
kamermeisje is bij den dokter. Ze vertelde mij de ongelooflijkste
geschiedenissen, genoeg om boeken mee te vullen !
Een van die malloten is bezig aan een uitvinding, om water
naar boven te laten vloeien, hij wil daar patent op nemen.
Een ander snijdt alle knoopen van zijn goed. hij noemt die
zijn penningen en wil een museum stichten, evenals een penningkabinet,
waarin allerlei soorten knoopen worden-ten
toon gesteld. Enfin, ieder van die snuiters zit dik in de
moppen. Ze kunnen met d’r allen wel effectenbeurs houden.
Ik zag direct dat daar voor ons wat te —• hm — verdienen
was. Ik zal je uitleggen hoe! Een van hen, voor wien
ik me bijzonder interesseer, is
een oude snoeshaan met een
paar witte bakkebaarden en
een militair voorkomen. Hij
noemt zichzelven Keizer Frans
Jozef en verwacht iederen dag
de nadering van de Russen. Ik
mag je zijn waren naam niet
zeggen, dat heb ik Klazien
moeten beloven, want hij is een
hooge Oome en zijn zenuwziekte
wordt door de familie strikt
geheim gehouden. Zijn bankiers
weten niet beter dan
dat hij voor zijn gezondheid
wat rust geniet. Dat is een
voordeel, snap-je ? Ze zullen
onmiddellijk iedere chèque van
hem uitbetalen, zoodra die
aangeboden wordt. Dat is dus
onze eerste slag!
„Luister verder! Ik durf er
met Klazien niet over te praten,
ze is zoo akelig bezorgd voor
de patiënten, dat ze een appelflauwte
zou krijgen als ze van
ons plan hoorde. Ik heb ’t anVOOR
ONZE MILITAIREN.
In Leiden is voor eenigen tijd een ontspanningslokaal voor de militairen geopend in de buitensociëteit
„Amicitia”. Dank zij vooral de bemoeiingen van de commissie, mag deze inrichting zich geregeld in
een druk bezoek verheugen. (foto Jonker & Zn.).
ders fijn uitgewerkt. De ouwe „Frans Jozef" zal ik de
blanco-chèque laten teekenen en dan uit het asyl doen
vluchten. De verdwijning van zoo’n kostbaren patiënt
zal natuurlijk een algemeen gezoek ten gevolge hebben.
Gebeurt dit niet, dan breek ik de deur van de villa open en
laat alle gekken wegloopen. Ze zullen natuurlijk in alle
richtingen verdwijnen. Dit laatste zal evenwel niet noodig
zijn. Ik reken er op, dat iedere oppassseren iedere knecht den
„keizer” achterna zullen gaan. En wat gaan wij dan doen ?
Aan het andere einde van het groote park bevindt zich de
villa van den dokter. Zijn studeerkamer is vol van allerlei
W. HOVY. + Dr. HANS friedenTH
AL.
Op 74-jarigen leeftijd is den 28en Februari overleden de heer W. HOVY.
lid van de Eerste Kamer. In den heer Hovy verliest de anti-revoluüonnaire
partij een harer „voormannen”, die met onbezweken trouw en innige verknochtheid
de hem dierbare beginselen heeft gediend. Dr. HANS
FRIEDENTHAL, privaatdocent aan de Beriiinsche Universiteit, is er in
geslaagd om uit stroo een voedingsmiddel te winnen. Het klinkt ongelooflijk.
doch dr. Friedenthal heeft met zijn proeven bewezen, dat stroo
eetbaar is. Tot nog toe is het slechts voor veevoeder gebruikt, maar het i-u
niet uitgesloten, dat ook menschen zich daarmede voeden kunnen.
kostbaarheden, geschenken van dankbare patiënten. Terwijl
dus Jan en alleman op de jacht zijn naar den ouden
gek, kiezen wij met zorg de mooiste en duurste bulletjes
uit, pakken den trein en gaan aan de bank onze chèque
verzilveren. Mochten we gezien worden, dat heb ik nog een
pijl op mijn boog, zooals je zien zult.”
Eindelijk waren wij aan de plaats van bestemming, dat
wil zeggen, we stonden aan den zuidelijken muur van het
asyl, die aan de binnenzijde geheel met struiken en klimplanten
begroeid was. Alles was landelijk-rustig rondom.
Ik wierp een touwladder om een dikken overhangenden
tak en we klauterden vlug naar boven. We gluurden van
bovenaf in het park en zagen hier en daar patiënten loopen.
Sommigen liepen met het hoofd naar beneden, alsof ze spelden
liepen te zoeken, anderen hielden een redevoering tegen
een boom, of deze een oude vriend van hen was.
WINTERVERMAAK.
De jaarlijksche bobsleewedstrijd op Long Island is de groote gebeurtenis voor de Amerikaansche sportwereld. Dit jaar
werd de bovenstaande „bemanning” als de beste geroemd.
We hielden ons schuil tot het ging
schemeren, toen sprong Sam op met de
woorden :
„Daar komt hij, en hij is alleen!”
Glurende door het struikgewas zag
ik een ouden deftigen heer naderen
met witten baard en een hoogen
hoed op. Hij klom op een tuinbank en
keek met een veldkijker als een generaal
rondom zich.
Op eens sprong hij van de bank en
rende op ons af. Sam liep hem haastig
te gemoet.
„Majesteit! snel, dezen weg uit !
Slecht nieuws ’ De Russen zijn in aantocht
!”
„Ha! Eindelijk! Waar — waar?”
hijgde hij. „Wie voert hen aan ?”
„De grootvorst zelf! Honderd tachtig
duizend man met zware veldartillerie
naderen Weenen van vier
verschillende kanten. Ze bereiden een
nachtelijken aanval voor. Het garnizoen
is in opstand en eischt dat ge u gevangen
geeft. We hebben alles goed
bespionneerd, met gevaar van ons leven,
en nacht en dag doorgereden om Uw
Majesteit te komen waarschuwen."
•„Trouwe vriend!” antwoordde de oude zonderling. „Verlaat
mij niet! Ik ben verloren! Maar ik zal vechten tot het
uiterste. Hoe lang kunnen we het uithouden tegen honderdtachtigduizend
man met een muitend garnizoen in de stad?"
„Een paar dagen hoogstens; doch er is nog hoop,"
fluisterde Sam Plug op zoo’n toon, alsof hij het zelf geloofde.
„Het garnizoen is ontevreden, omdat het re ds
eenige maanden geen traktement heeft gehad. Dat moet
betaald worden ! Bovendien moeten alle inwoners gewapend
en geoefend worden, maar dat kost geld, veel geld,
Majesteit. Zie, hier is een chèque voor dertig duizend kronen
; dat is voorloopig voldoende om de eerste onkosten te
bestrijden. Hier is een vulpen ! Schrijf gauw en duidelijk :
de woorden dertig duizend en dan de onderteekening ....
Zoo I Mooi ! Even laten drogen ! Nou, hier langs deze touwladder
den muur overklimmen, Sire, en luister dan naar
ons plan 1”
Een paar minuten later stond de oude snuiter puffende
en hijgende aan den anderen kant van den muur, buiten het
park. Sam maakte een buiging voor hem en kuste hem de
hand. Het kwam mij alles onbegrijpelijk en onwerkelijk
voor, behalve dat Sam de geteekende chèque veilig en wel
in zijn bezit had.
„Nu kan slechts één ding u redden, Sire, van het gevaar
gevangen genomen te worden," vervolgde Sam, „en dat is :
u moet uzelven vermommen. Neemt u mijn jas en pet en
dan zal ik u een geheim pad wijzen, waarlangs u buiten de
belegeringsgordel kunt komen. Is u eenmaal buiten gevaar,
dan kunt ge u aan het hoofd van de troepen stellen en den
vijand in den rug aanvallen. Kijk, ik heb een valschen baard
en pruik meegebracht, opdat, als we vervolgd mochten worden,
de vijand zal denken, dat ik Uwe Majesteit ben.”
En warempel, toen hij de vermomming had aangedaan, was
hij het sprekend evenbeeld van den gewaanden Frans Jozef.
„Dezen weg uit, Sire ! We moeten voor den nacht in het
kreupelhout zijn.”
En de ongelukkige stakker volgde ons als een lam.
Tot zoover was alles gegaan of ’t gesmeerd ging, maar
nu kwam er een kink in den kabel. Voordat we het kreupelhout
bereikt hadden, ging onze weg langs een veld dat
men aan het omspitten was. Niet zoodra ziet de oude gek
dat of hij vliegt het veld in, neemt een daar liggende spade
en roept uit: „Geen hoop verloren 1 Aan ’t werk 1 Aan ’t
werk ! We zullen loopgraven maken rondom de stad. Gauw !
Gauw ! Voor de dag aanbreekt moet alles klaar zijn !’’
„Om ’s hemels wil, Sire, vlucht! Denk om uw volk! Het
leger wacht op u ! Vlucht!”
„Nimmer !” riep hij fier uit. „Als ik sterven moet, dan
sterf ik in de loopgraven. Hier zal ik stand houden !”
Hij meende wat hij zei, want de spa met forsche hand
in den grond drijvende, begon hij woedend te graven. Juist
op dit oogenblik klonk ons van uit de verte het zwak gelui
van een klokje te gemoet. Sam
Plug greep mij bij den arm en
ondanks den schemer zag ik aan
zijn bleek gelaat, dat een deel
van het programma in de war
was geloopen.
„Dat is mis !’’ fluisterde hij.
„Ze hebben hem al gemist. Ik
ga terug om hem te vervangen,
laat al de patiënten ontvluchten
en maak het voor jou gemakkelijk
om de rest te doen.
Gauw. Nog een paar minuten
en dan vinden ze den ouden
dwaas en zullen ze aan zijn
graven wel een einde maken.
Volg me en houd je verborgen
.... Daar komen ze aan !”
We hadden juist den weg
verlaten toen twee oppassers
op een fiets kwamen aanrijden.
De bel luidde nog steeds en
overal in het. rc^rd hoorde men
luid roepen.
„We zijn het veiligst,” fluisterde
Sam, „als we dicht langs
den muur voortsluipen.”
|