Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1421 tot 1425 van 11897
Nummer
1915, nr.20, 10 mrt. 1915
Blad
13
Tekst
157 PANORAMA DE DUITSCHERS IN BELGIË EN NOORD-FRANKRIJK FREIHERR VON BISSING OP INSPECTIE. Freiherr von Bissing, de gouverneur van België, inspecteert de troepen, die naar het front vertrekken. DE VERSTERKINGEN IN BELGIË. Om instorten te voorkomen worden de loopgraven gestut met zware balken. VERSTERKINGEN VOOR HET FRONT. Duitsche lanciers op weg naar het front in Noord-Frankrijk. GEREED OM DEN VIJAND TE ONTVANGEN. Een afdeeling soldaten, voorzien van een machinegeweer heeft een kleine verschansing opgeworpen en ligt nu op de komst van den vijand te wachten. EEN -STORMAANVAL. Een Duitsche patrouille in het Argonnerwoud, gaat tot den stormaanval over. HET SIGNAAL. Het commando ,.verzamelen” wordt door den Duitschen hoornblazer geblazen. IN NOORD-FRANKRIJK. Een afdeeling soldaten aan den rand van een bosch in NoordFrankrijk, gereed om op den vijand te’ vuren. IN HET BEZETTE BELGIE. _ , , _ x , Het hooi vcfor de paarden aan het front wordt zoover mogelijk per spoor verzonden en daarna Een Belgisch koopvrouwtje prijst den Duitschen soldaten haar koopwaar aan. met paard en wagen verder getransporteerd.
PDF
Nummer
1915, nr.20, 10 mrt. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA 158 DE LAATSTE TRUC VAN SAM PLUG HUMORESKE DOOR COR Z. , dat was een kerel die Sam Plug ’ ’t Maakt me nog warm als ik aan hem denk, werkelijk. Zeg nou eerlijk: wie zou er in staat wezen, zoo’n prachtig plan te bedenken als hij om in één nacht rijk te worden ? En wie zou zoo joviaal zijn geweest om mij in de winst te willen doen deelen ? „Een gevaarlijke schurk" noemde de president hem, toen hij voor de rechtbank stond, en de rechters knipten met hun oogen. Nou. ze hadden niet heelemaal ongelijk 1 Geloof me, ik had aan Nans, m'n meisje, gezworen dat ik zoo fatsoenlijk zou worden als een catechiseermeester (en ’k meende wat ik zei!) als ze maar geduld met me wilde hebben. Toen, op zekeren dag (ik begon warempel al grootsch op mezelven te worden) liep ik den kerel net in zijn armen. „Wat ’ Jij daar, ouwe jongen! Dat is ’n vingerwijzing van ’t lot,” begon hij plechtig. „Kom hier, verzet je er niet tegen, man. Jij moet op mijn gezondheid drinken, want ik ben, net als jij, van plan om fatsoenlijk te worden, een vrouw te nemen en het verleden te vergeten. Ik moet alleen nog eenige goederen te gelde maken en een cheque van / 8000 incasseeren. Maar dat is niet alles ! Neen, amice! Als ik eenmaal getrouwd ben, ga ik rentenieren, en wat ik hiervoor te kort kom, Krijg ik van een schatrijken vent, en, op een bijzondere manier.” En hij toonde mij in zijn portefeuille een blanco en ongeteekende chèque, betaalbaar bij de Twentsche Bank. „Geen praatjes nou," ging hij zorgeloos voort, „we zullen samen het geld incasseeren en de twee bruiloften hebben te zamen plaats. Jij helpt me natuurlijk om het zaakje in orde te brengen. Hier heb je een tientje als handgeld ■ Maandagmiddag ontmoet ik je hier en voor die dag om is, hoop ik je in kennis te hebben gebracht met mijn aanstaande en • hm! — met het landhuis." Je mag over me denken zooals je wilt, een feit is dat toen ik een uur later Nans ontmoette, al mijn gezworen besluiten als kaf in den wind verdwenen waren. ’t Is genoeg als ik zeg, dat ik mij Maandagmiddag in den trein bevond naar Meer-en-Berg en dat zich tegenover mij in den coupé bevond Sam Plug. kalm en lachend als altijd. „Luister," begon hij boven het geratel van den trein uit, „het is hier een eenvoudige toepassing van taktiek. Ik zal jou een eenzame villa aanwijzen in een fraai park en deze villa wordt bewoond, nou raad eens door wie? Zachtjes hoor ! Door eenige schatrijke zonderlingen. Zij worden daar zorgvuldig nagegaan, op last hunner bevreesde familieleden, die bang zijn dat, als zij in de maatschappij terugkeeren, zij allerlei gekke of misschien heel verstandige dingen zouden doen, dingen die voor de erfgenamen evenwel minder aangenaam zouden zijn. Hun verblijf wordt echter zooveel mogelijk geheim gehouden, want de familieleden willen voor het meerendeel niet weten, dat daar betrekkingen van hen opgesloten zijn. „Nou, heel toevallig leerde ik Klazien kennen, die kamermeisje is bij den dokter. Ze vertelde mij de ongelooflijkste geschiedenissen, genoeg om boeken mee te vullen ! Een van die malloten is bezig aan een uitvinding, om water naar boven te laten vloeien, hij wil daar patent op nemen. Een ander snijdt alle knoopen van zijn goed. hij noemt die zijn penningen en wil een museum stichten, evenals een penningkabinet, waarin allerlei soorten knoopen worden-ten toon gesteld. Enfin, ieder van die snuiters zit dik in de moppen. Ze kunnen met d’r allen wel effectenbeurs houden. Ik zag direct dat daar voor ons wat te —• hm — verdienen was. Ik zal je uitleggen hoe! Een van hen, voor wien ik me bijzonder interesseer, is een oude snoeshaan met een paar witte bakkebaarden en een militair voorkomen. Hij noemt zichzelven Keizer Frans Jozef en verwacht iederen dag de nadering van de Russen. Ik mag je zijn waren naam niet zeggen, dat heb ik Klazien moeten beloven, want hij is een hooge Oome en zijn zenuwziekte wordt door de familie strikt geheim gehouden. Zijn bankiers weten niet beter dan dat hij voor zijn gezondheid wat rust geniet. Dat is een voordeel, snap-je ? Ze zullen onmiddellijk iedere chèque van hem uitbetalen, zoodra die aangeboden wordt. Dat is dus onze eerste slag! „Luister verder! Ik durf er met Klazien niet over te praten, ze is zoo akelig bezorgd voor de patiënten, dat ze een appelflauwte zou krijgen als ze van ons plan hoorde. Ik heb ’t anVOOR ONZE MILITAIREN. In Leiden is voor eenigen tijd een ontspanningslokaal voor de militairen geopend in de buitensociëteit „Amicitia”. Dank zij vooral de bemoeiingen van de commissie, mag deze inrichting zich geregeld in een druk bezoek verheugen. (foto Jonker & Zn.). ders fijn uitgewerkt. De ouwe „Frans Jozef" zal ik de blanco-chèque laten teekenen en dan uit het asyl doen vluchten. De verdwijning van zoo’n kostbaren patiënt zal natuurlijk een algemeen gezoek ten gevolge hebben. Gebeurt dit niet, dan breek ik de deur van de villa open en laat alle gekken wegloopen. Ze zullen natuurlijk in alle richtingen verdwijnen. Dit laatste zal evenwel niet noodig zijn. Ik reken er op, dat iedere oppassseren iedere knecht den „keizer” achterna zullen gaan. En wat gaan wij dan doen ? Aan het andere einde van het groote park bevindt zich de villa van den dokter. Zijn studeerkamer is vol van allerlei W. HOVY. + Dr. HANS friedenTH AL. Op 74-jarigen leeftijd is den 28en Februari overleden de heer W. HOVY. lid van de Eerste Kamer. In den heer Hovy verliest de anti-revoluüonnaire partij een harer „voormannen”, die met onbezweken trouw en innige verknochtheid de hem dierbare beginselen heeft gediend. Dr. HANS FRIEDENTHAL, privaatdocent aan de Beriiinsche Universiteit, is er in geslaagd om uit stroo een voedingsmiddel te winnen. Het klinkt ongelooflijk. doch dr. Friedenthal heeft met zijn proeven bewezen, dat stroo eetbaar is. Tot nog toe is het slechts voor veevoeder gebruikt, maar het i-u niet uitgesloten, dat ook menschen zich daarmede voeden kunnen. kostbaarheden, geschenken van dankbare patiënten. Terwijl dus Jan en alleman op de jacht zijn naar den ouden gek, kiezen wij met zorg de mooiste en duurste bulletjes uit, pakken den trein en gaan aan de bank onze chèque verzilveren. Mochten we gezien worden, dat heb ik nog een pijl op mijn boog, zooals je zien zult.” Eindelijk waren wij aan de plaats van bestemming, dat wil zeggen, we stonden aan den zuidelijken muur van het asyl, die aan de binnenzijde geheel met struiken en klimplanten begroeid was. Alles was landelijk-rustig rondom. Ik wierp een touwladder om een dikken overhangenden tak en we klauterden vlug naar boven. We gluurden van bovenaf in het park en zagen hier en daar patiënten loopen. Sommigen liepen met het hoofd naar beneden, alsof ze spelden liepen te zoeken, anderen hielden een redevoering tegen een boom, of deze een oude vriend van hen was. WINTERVERMAAK. De jaarlijksche bobsleewedstrijd op Long Island is de groote gebeurtenis voor de Amerikaansche sportwereld. Dit jaar werd de bovenstaande „bemanning” als de beste geroemd. We hielden ons schuil tot het ging schemeren, toen sprong Sam op met de woorden : „Daar komt hij, en hij is alleen!” Glurende door het struikgewas zag ik een ouden deftigen heer naderen met witten baard en een hoogen hoed op. Hij klom op een tuinbank en keek met een veldkijker als een generaal rondom zich. Op eens sprong hij van de bank en rende op ons af. Sam liep hem haastig te gemoet. „Majesteit! snel, dezen weg uit ! Slecht nieuws ’ De Russen zijn in aantocht !” „Ha! Eindelijk! Waar — waar?” hijgde hij. „Wie voert hen aan ?” „De grootvorst zelf! Honderd tachtig duizend man met zware veldartillerie naderen Weenen van vier verschillende kanten. Ze bereiden een nachtelijken aanval voor. Het garnizoen is in opstand en eischt dat ge u gevangen geeft. We hebben alles goed bespionneerd, met gevaar van ons leven, en nacht en dag doorgereden om Uw Majesteit te komen waarschuwen." •„Trouwe vriend!” antwoordde de oude zonderling. „Verlaat mij niet! Ik ben verloren! Maar ik zal vechten tot het uiterste. Hoe lang kunnen we het uithouden tegen honderdtachtigduizend man met een muitend garnizoen in de stad?" „Een paar dagen hoogstens; doch er is nog hoop," fluisterde Sam Plug op zoo’n toon, alsof hij het zelf geloofde. „Het garnizoen is ontevreden, omdat het re ds eenige maanden geen traktement heeft gehad. Dat moet betaald worden ! Bovendien moeten alle inwoners gewapend en geoefend worden, maar dat kost geld, veel geld, Majesteit. Zie, hier is een chèque voor dertig duizend kronen ; dat is voorloopig voldoende om de eerste onkosten te bestrijden. Hier is een vulpen ! Schrijf gauw en duidelijk : de woorden dertig duizend en dan de onderteekening .... Zoo I Mooi ! Even laten drogen ! Nou, hier langs deze touwladder den muur overklimmen, Sire, en luister dan naar ons plan 1” Een paar minuten later stond de oude snuiter puffende en hijgende aan den anderen kant van den muur, buiten het park. Sam maakte een buiging voor hem en kuste hem de hand. Het kwam mij alles onbegrijpelijk en onwerkelijk voor, behalve dat Sam de geteekende chèque veilig en wel in zijn bezit had. „Nu kan slechts één ding u redden, Sire, van het gevaar gevangen genomen te worden," vervolgde Sam, „en dat is : u moet uzelven vermommen. Neemt u mijn jas en pet en dan zal ik u een geheim pad wijzen, waarlangs u buiten de belegeringsgordel kunt komen. Is u eenmaal buiten gevaar, dan kunt ge u aan het hoofd van de troepen stellen en den vijand in den rug aanvallen. Kijk, ik heb een valschen baard en pruik meegebracht, opdat, als we vervolgd mochten worden, de vijand zal denken, dat ik Uwe Majesteit ben.” En warempel, toen hij de vermomming had aangedaan, was hij het sprekend evenbeeld van den gewaanden Frans Jozef. „Dezen weg uit, Sire ! We moeten voor den nacht in het kreupelhout zijn.” En de ongelukkige stakker volgde ons als een lam. Tot zoover was alles gegaan of ’t gesmeerd ging, maar nu kwam er een kink in den kabel. Voordat we het kreupelhout bereikt hadden, ging onze weg langs een veld dat men aan het omspitten was. Niet zoodra ziet de oude gek dat of hij vliegt het veld in, neemt een daar liggende spade en roept uit: „Geen hoop verloren 1 Aan ’t werk 1 Aan ’t werk ! We zullen loopgraven maken rondom de stad. Gauw ! Gauw ! Voor de dag aanbreekt moet alles klaar zijn !’’ „Om ’s hemels wil, Sire, vlucht! Denk om uw volk! Het leger wacht op u ! Vlucht!” „Nimmer !” riep hij fier uit. „Als ik sterven moet, dan sterf ik in de loopgraven. Hier zal ik stand houden !” Hij meende wat hij zei, want de spa met forsche hand in den grond drijvende, begon hij woedend te graven. Juist op dit oogenblik klonk ons van uit de verte het zwak gelui van een klokje te gemoet. Sam Plug greep mij bij den arm en ondanks den schemer zag ik aan zijn bleek gelaat, dat een deel van het programma in de war was geloopen. „Dat is mis !’’ fluisterde hij. „Ze hebben hem al gemist. Ik ga terug om hem te vervangen, laat al de patiënten ontvluchten en maak het voor jou gemakkelijk om de rest te doen. Gauw. Nog een paar minuten en dan vinden ze den ouden dwaas en zullen ze aan zijn graven wel een einde maken. Volg me en houd je verborgen .... Daar komen ze aan !” We hadden juist den weg verlaten toen twee oppassers op een fiets kwamen aanrijden. De bel luidde nog steeds en overal in het. rc^rd hoorde men luid roepen. „We zijn het veiligst,” fluisterde Sam, „als we dicht langs den muur voortsluipen.”
PDF
Nummer
1915, nr.20, 10 mrt. 1915
Blad
15
Tekst
159 PANORAMA I DOOR EEN N I ET-ONT PLOFTE MIJN GEDOOD. Maandag 1 Maart spoelde bezuiden Egmond aan Zee een walvisch aan, ter grootte van ongeveer 20 meter. De staart van het dier was omwoeld met Staaldraad, dat op 10 meter afstand van den visch verbonden was met een mijn. Het is dus klaarblijkelijk dat de staart van het kolossale dier verward is geraakt in den draad van de mijn, zoodat deze op sleeptouw werd genomen, wat de dood van den visch tengevolge heeft gehad. Door de foto links krijgt men een idee van de grootte van den visch; de foto rechts geeft de mijn nog aan haar slachtoffer verbonden. Hierin had hij gelijk. Nadat we aldus gedurende tien minuten hadden voortgeloopen, telkens even stilstaande om te luisteren, bevonden wij ons aan de andere zijde van het park. „Hier is de villa van den dokter 1 Alles is hier rustig ! Snel, op een drafje er heen ! De studeerkamer is op de eerste verdieping - dezen kant uit!” We liepen langs een zijpad. Hier en daar zagen we licht, doch we hoorden geen geluid; blijkbaar was iedereen naar het hoofdgebouw. Een glazen deur stond op een kier, we stapten naar binnen en liepen de kamer door; een paar zilveren kandelaars, die op een buffet stonden, stak Sam „en passant” in zijn zak. We slopen de trap op. Ik begon juist mijn koelbloedigheid weer wat terug te krijgen, toen Sam een deur open deed, en daarna .... Ik zal ’t nimmer vergeten 1 Een lange doordringende kreet, die mijlen ver in het rond doordrong. We wilden juist op een schrijfbureau toeloopen, maar bleven staan, als versteend van schrik ! Alsof het gisteren gebeurde, zie ik nog hoe een porte-brisée opengaat en in de opening een meisje verschijnt dat ons verschrikt maar toch kordaat aanziet. Zij had zich daar blijkbaar bij het eerste alarm opgesloten, bevreesd voor den ontsnapten gek, en nu ziet ze den man, keizer Frans Jozef in persoon, de kamer binnentreden. Sam keert zich snel om, knijpt me in den arm en fluistert; „Klazien!” en op hetzelfde oogenblik heeft zijn vindingrijk brein een plan tot ontsnapping uitgedacht. „Ik heb een oogenblik de stad verlaten,” zei hij tegen mij. „Ik wilde zien, met eigen oogen, of de Russen al nabij waren. Er is geen tijd meer te verliezen ! We moeten de bruggen laten springen 1” „Ja, ja !” antwoordde ik. Ik had genoeg gezond verstand om de list te begrijpen. „We zullen het den dokter zeggen ! Dezen weg uit !” We wilden nu kalm de kamer uitstappen, doch opnieuw faalde onze-toeleg. In de verwarring van het oogenblik had Sam twee dingen vergeten; allereerst zijn stem en ten tweede de zilveren kandelaars, die uit zijn jaszakken staken. Klazien liep op ons toe, greep Sam bij zijn witten baard, VAN DEN MAN DIE ZIJN GEHEUGEN KWIJT WAS DOOR HENK1E oelt u zich wat beter, mijnheer ? De man tot wien deze woorden gericht waren en die pas uit een bewusteloozen toestand ontwaakte, keek met verwonderden blik om zich heen. Jag Op Jen vJoer jn een Winkel van rijwielen. Twee mannen stonden over hem heengebogen ; de een bevochtigde zijn hoofd met een natte spons, de andere, een stoere politieagent, had hem de vraag gedaan. „Wat is er gebeurd? Hoe kom ik hier?” vroeg hij. „Je hebt ’n ongeluk gehad, m’neer ! Je bent uitgegleden en met je achterhoofd hier op het trottoir gevallen. Toen hebben we je hier ingedragen. Je bent anders geen vijf minuten buiten kennis geweest. Ik zag je schuin de straat over steken, voor dezen winkel stilstaan en toen gleed je uit op een of andere manier en viel met uw achterhoofd op den hardsteenen trottoirband.” De gevallen man herinnerde zich van dit alles niets, en wat gekker was, hij zag in den spiegel van de étalage de beeltenis van een man die hijzelf was, en tooh herinnerde hij zich niet dit gezicht ooit te voren gezien te hebben. De beeltenis, die hij in den spiegel zag, was die van een flinken, netgekleeden jongeman, van ongeveer vijf en twintig jaar. Hij herkende zichzelven evenwel niet. „Zal ik een rijtuig voor u halen, m’neer?” vroeg de politieman. 4 „Ja, graag..... of neen, wacht nog even.” De jongeman wreef nadenkend met de hand over het voorhoofd en trachtte zich te herinneren wie hij was. Het was vruchteloos ; niets DE COMMANDANT DER „TH A L.1 A”. t Bij het uitbreken van den oorlog bevond het Oostenrijksche toeristenschip „Thalia” zich in de Amsterdamsche haven. De bemanning ging naar huis doch de commandant, Karl Freiherr von Bretfeld Kronenburg, bleef met enkele getrouwen aan boord van zijn schip, waar hij nu voor enkele dagen, ver van zijn vaderland, is overleden. Hierboven een foto van de „Thalia”. (foto van Steijn.) EEN NIEUWE UNIVERSITEIT. Aan den voet van het Dornacher slot bij Basel is een dezer dagen de Universiteit van het Anthroposophisch Genootschap gereed gekomen. De bouw van deze stichting, die verscheidene miliioenen gekost heeft, heeft geruimen tijd geduurd. schoot hem te binnen, noch wie hij was, noch vanwaar hij gekomen was. „Mijn geheugen is totaal weg!” riep hij verschrikt uit. „Ik kan mij niets herinneren.” „U is nog niet geheel hersteld van den schok,” opperde de winkelier. „Aanstonds zal het u wel te binnen schieten. Zeg ons maar om te beginnen ; wie u is.” „Ik ben... ik ben...,” stamelde de man, en hij verbleekte van ontsteltenis, toen de volle omvang van het ongeval tot zijn bewustzijn doordrong. „Ik weet niets, niets ! Ik kan mij niet herinneren wie ik ben.” „Kijk in uw zakken,” merkte de practische politieman op. De onbekende tastte gretig met beide handen in de zakken van zijn overjas : ze waren ledig. „U heeft toch iets zwaars in een uwer borstzakken,” zei de agent. „Ik voelde het toen ik uw jas losmaakte.” Dit „zwaars” bleek een lederen taschje te wezen, gevuld met goudgeld. Overigens bevatten de zakken niets anders dan een zakdoek, een huissleutel, een horloge en eenig zilvergeld. ,,H. v. 1!.” las de politieagent, den zakdoek op speurderswijs onderzoekende. „Doe uw jas uit, m’neer, binnenin zal de naam van uw kleermaker wel te vinden zijn, denk ik.” Ook dit was niet het geval, evenmin in den hoed, waarin echter wel dezelfde initialen als op den zakdoek te lezen waren. „Nou, heerschap, je hoeft nog niet bepaald naar het werkhuis te gaan,” zei de rustbewaarder, terwijl hij het geldtaschje in de hand woog. „Maar, komaan, m’neer, u moet je nou iets herinneren over jezelf 1” „Neen,” riep de jonge man uit. „Ik herinner me niets, absoluut niets !” De beide anderen, een beetje ongeloovig, begonnen hem waarop dat vervloekte ding natuurlijk losliet, keek haar vrijer een oogenblik verbouwereerd aan, en toen. voordat we beiden van de verrassing bekomen waren, was ze de kamer uitgevlogen en had de deur achter ons op slot gedaan. . Daar stonden we opgesloten, terwijl het meisje buiten de kamer voortging luid om hulp te roepen. „Klazien !” riep Sam nederig en smeekend. „Klazien ! Je weet toch wie ik ben ? Je geliefde Sam 1 Het was maar een grapje ! Ik heb je zoo lief. Klazien, laat ons er uit, gauw!” Doch het meisje stoorde zich niet aan zijn gesmeek, en ging voort met luidkeels om hulp te roepen. Sam probeerde nog de deur open te breken, doch toen dit niet gauw gelukte en we beneden reeds stemmen hoorden, vlogen we beiden naar het raam. Hoe hoog het ook was, we wilden elk de eerste zijn om den sprong te wagen en vrij te komen. Die zelfzucht was ons beiden noodlottig. We vochten als échte gekken wie het eerst buiten zou zijn. Flauw herinner ik mij nog hoe Sam mij bij de keel greep, en mij in de kamer terugwierp; toen werd alles mij duister voor de oogen ; ik raakte buiten kennis. Spoedig kwam ik weer tot bewustzijn en bemerkte dat ik in de hal op den grond lag en mijn handen op mijn rug gebonden waren. Ik hoorde toen tevens dat Sam met de chèque en de kandelaars had kunnen ontsnappen en dat ze „keizer Frans Jozef” gevonden hadden halverwege in een kuil, dien hij gegraven had en waaruit men hem slechts met de grootste moeite had kunnen verwijderen. * * ♦ Drie jaar gevangenisstraf! Een mooi koopje ! En dat was nog niet alles; Nans moest natuurlijk niets meer van me hebben, ik had evenwel één troost, namelijk ; Klazien haar tweede naam zal nimmer luiden : Plug. nu allerlei vragen te doen : of hij bekend was te Amsterdam ? Waar hij dien morgen gegeten had ? Of hij zich niet den naam van een zijner vrienden herinnerde ? Ze vroegen hem den dag van de week, en de maand van het jaar. Op al deze vragen kwam evenwel steeds hetzelfde ontkennende antwoord. Ze vertelden hem, dat het Maandag was, 21 December, even voor halftwee, dat hij zich bevond op den Nieuwezijds Voorburgwal niet ver van den Dam en het Centraal-Station. Doch het was alles tevergeefs;’s mans verleden was een onbeschreven blad. „Luister m’neer.” zei eindelijk de politieagent weer, „als we hier dit steegje doorloopen komen we in de Kalverstraat, vlak bij Hotel Suisse. Ik zal u daarheen brengen, u bestelt daar een kamer, gaat wat slapen, en zult u dan mogelijk alles wel weer herinneren.” „Ik denk,” zei de winkelier „dat u aan een bank hier in den omtrek een chèque gewisseld hebt; als u nu iemand met uw persoonsbeschrijving naar de verschillende bankinstellingen stuurt, kunt u misschien uw naam te weten komen.” De politieman vond dat een prachtig idee en de rijwielhandelaar beloofde dadelijk iemand voor dit doel uit te zenden. Zijn broer kon dat wel doen. De onbekende werd intusschen naar het hotel gebracht, waar hij zich terstond ter ruste begaf en tot zes uur des namiddags bleef slapen. Hij ontwaakte geheel verkwikt, maar helaas 1 zijn geheugen weigerde nog steeds hem omtrent zijn identiteit ook maar de geringste inlichting te geven. Waarschijnlijk zou de beste wijze geweest zijn aan de politie te vragen het geval algemeen bekend te maken, en in alle politiebureaux zijn signalement of portret in het openbaar op te hangen. Dat de onbekende voor dit paardenmiddel evenwel terugschrok, zal ieder begrijpen. Bovendien was dit thans nog niet zoo noodzakelijk, omdat ieder oogenblik zijn geheugen kon terugkeeren. (Wordt vervolgd).
PDF
Nummer
1915, nr.20, 10 mrt. 1915
Blad
16
Tekst
PANORAMA 160 EEN ZILVEREN JUBILEUM. De zeer kundige gemeente-archivaris en directeur van het Stedelijk Museum te Leiden, Mr. Dr. J. C. Overvoorde, herdacht 1 Maart onder vele blijken van waardeering en belangstelling zijn zilveren jubileum. Het was dien dag n.1. 25 jaar geleden dat de heer Overvoorde zich aan het archief-wezen wijdde. Gedurende de laatste jaren bekleedde hij de functie van archivaris aan het gemeente-archief te Leiden en heeft hij zich in d-'c.i rju doen kennen als een zeer bekwame en vooraanstaande figuur. In 1910 en 1911 maakte hij een studiereis om de wereld, waarop hij zeer veel belangrijke ondervindingen opdeed. Dat zijn hooge capaciteiten op prijs worden n.oie’d. blijkt uit het feit, dat hij officier is in de orde van Oranje-Nassau en lid van vele wetenschappelijke genootschappen. — Wij hebben hierbij het genoegen onzen lezers het portret van Mr. Dr. J. C. Overvoorde, zittend in 7'j.i werkkamer op het archief, benevens een foto van het gemeente-archief zelf, aan te bieden. Het gebouw is gesticht uit een gift van den heer A. J. Krantz, die de gemeente een bedrag aanbood ter oprichting van een instelling var. algemeen nut. Dat men een goede keuze heeft gedaan, zal ieder beseffen die weet, van welk groot nut voor de gemeente de documenten zijn, die in dit gebouw, onder leiding van den heer Overvoorde worden geordend bewaard. Met deze stukken toch. die vroeger werden beheerd door den gemeente-secretaris, kan de gemeente haar rechten kracht bijzetten, terwijl zij er tevens haar geschiedenis in vindt en haar verhouding tot den staat en de gemeenschap '(? ==^)( De Nieuwe Parijzer Dameshoeden ,O (foto’s Bern. T. Eilers) Q\> Hoe kon het anders ? Een der grondvormen der nieuwe voorjaarshoeden zal een militair hoofddeksel zijn. En wel de politiemuts van den Belgischen piot. Het is niet voor het eerst, dat de groote modisten bij het militairisme grasduinen gaan om een operatiebasis voor hare geestige phantasieën te bemachtigen. Zagen wij reeds voor vele hoopjes van jaren niet de hooge smalle hoeden met een regen van neerhangende veeren overtopt, gelijk de sjako’s van zoogenaamde ,,hooge oomes” ? Werden een andermaal de slappe vouwsteken ftembrandt-vorm, uit iiaeret beige noir, gegarneerd met fantasie uit vischreiger, door ons niet bij duizenden gesignaleerd op de wandeling, die soepele, eenvoudige hoofddeksels als van oud modische generaals in klein tenue ? En de hooge mutsen, met één groote' staande pluim versierd, welke men soms nog heden ten dage door de dames dragen ziet, zou men niet bij alles wat iemand dierbaar is zweren, dat het kleine kolbakken van dragonders waren ? ... . Om kort te gaan, ontelbare vele malen stak de mode haar licht bij den militairen stand op, en zoo geschiedde ook thans wederom, nu zij de pretentielooze muts van den eenvoudigen Belgischen soldaat tot een grondvorm voor hare verbeelding koos. Denk u dus een muts als bovengenoemd, maar denk u die in eindelooze variëteiten door hoogere of lagere ombuiging van den rand, een min of meer afwijkende bovenlijn van dien rand, een onregelmatige vouwing van den rand, .... er zijn véle manieren om met kleine afwijkingen van den grondvorm een aantal als zeer verschillend aandoende modellen te krijgen. De stof. waaruit deze hoeden vervaardigd zijn, is veelal zijde voor den bol, en stroo voor den rand, en wel een zeer fijn stroo, tagal picot genaamd. De schuins oploopende randen van dit stroo doen al bijzonder mooi. Een der vele variëteiten van de Belgische muts is ook de kleine hoed van Engelsch stroo, welke op onze eerste foto is afgebeeld. Deze hoed is evenals al de andere, hierbij gereproduceerd, eene creatie der firma Gebroeders Gerzon te Amsterdam. De garneering van dezen hoed bestaat uit niets dan een paradijsvogel in oorspronkelijke kleur. Een verwanten vorm bij eveneens geringen omvang ziet men ook op onze tweede kiek. Dit model werd met den meer actueelen dan wel hier verklaarbaren naam ; torpedo gedoopt ; de kleur van dezen hoed is donker marineblauw' ; de bol is van zijde, de rand van Engelsch stroo ; de naar ‘Kleine vorm van öngelsch stroo, gegarneerd met paradijsvogel in origlneele kleur. Canotter, gegarneerd met een kroon van awarte crosses met witte toppen. beide zijden breed uitstaande garneering bestaat uit twee witte aigrettes van een zekere soort, crosses genaamd. Uit het voorkomen van deze twee helderwitte garneeringen moet niet worden afgeleid, dat vroolijke kleuren in het algemeen gedragen zullen worden. Integendeel, de heldere kleuren zijn uitzondering in het op handen zijnde seizoen. Stelden voor eenige jaren Amerikaansche en Engelsche bladen (en dat zooweel voor dames als heeren) een blijvende dracht van lichte kleuren in uitzicht, vooralsnog schijnt aan de verwezenlijking daarvan nog niet te denken te zijn. Het heette namelijk, dat het stadsleven met zijn damp en zijn smook van treinen, met zijn straatstof, modder, gaswalm, enzoovoorts, de heldere, zoogenaamde „besmettelijke” kleuren verdreven had, maar het gaandeweg overwegend grooter gebruik van de, geen stof, walm noch vuil verspreidende electriciteit bood den vroolijker tinten weer een groote kans op succes. Tot heden toe is het kleurengamma der toiletten echter niet overwegend helder ; integendeel. Zoo zijn de dit jaar meest gedragen tinten een zeer donker bruin, tête de nigre genaamd, voorts veel zwart; dan een blauw dat op zwart af is, corbeau geheeten, en een somber groen, zoogenaamd vert myrt. Voor garneering ziet men veel bloemen, afgewisseld met kleine vruchten als moerbeien, kersen, enzoovoort, maar op de genoemde hoeden, die wel geestige commentaren op de politiemuts kunnen genoemd w'orden, gebruikt men ook zeer veel veeren ; een paar gevulde, zijachtige, opstaande pieken, eenige sierlijke omgebogen hérons, een doorzichtigen fijnen krans van aigrettes, een oordeelTorpedo uit öngelsch stroo, gegarneerd met twee witte crosses. kundig en smaakvol hier en daar geplante paradrjsvogelveder. De paradis met zijn fijne grillige vormen is vooral zeer in zwang, en hij verdient dat ook heel stellig, want mits door een luchtige kunstvolle hand gegroepeerd, doen deze zwierige halmen het boven een aardig dameskopje uitmuntend. Behalve de boven omschreven kleine modellen zagen wij nog verscheidene andere, aan welke evenzeer voor dit seizoen een goede toekomst voorspeld worden mag. Er zijn nu eenmaal eerder menschen geweest dan hoeden; de raenschengezichten kunnen niet naar de hoeden worden vervormd; wel kan dit andersom gebeuren : en de mode hoe grillig en luimig zij soms ook moge zijn, is nimmer zoo wreed, dat zij vooral die verscheidenheid van damesgezichtjes een enkelen hoed-vorm voorschrijft, zoo ongeveer met de bedreiging erbij : ,,geen fratsjes, geen kuurtjes, staan of niet staan, jelui draagt allemaal zonder uitzondering dezen hoed, op gevaar af dat je er anders bespottelijk uitziet.” Maar neen, hare vijanden mogen haar verdacht maken, en van dergelijke tyrannie beschuldigen, maar. heusch, zoo wreed is de mode niet. CasQue pompier uit tagal met korenblauw fluweel en bloemen. Naast de kleinp modellen zagen wij dus ook wat grootere, zoo, ondermeer, een soort van luifelhoed, de niniche, en daarop gelijkend, de snoezige brandw'eerhelm als u op onze derde foto gereproduceerd vindt. Dit model lijkt nu w'el niet precies op een brandweerhelm, maar met eenigen goeden wil is er een verre verwantschap te bespeuren. Het lijkt er meer op dan b. v. op een cilinderhoed of op een slaapmuts. Deze hoed is gegarneerd met linde- en korenbloemen en een korenblauw fluweel lint. Nog omvangrijker is een andere vorm, die wij fotografeerden : den canotier; een soort van matelot met niet overal even breeden rand en een gewelfden bol. Als garneeringen voor deze vormen worden dezelfde genomen als wij voor de kleinere vermeldden ; die op onze vierde foto is opgemaakt met een heelen krans van fijne aigrettes-crosses, zwart met witte toppen, w'at al een zeer geestig luchtig effect geeft. Niet het minst bekoorlijk was ook de groote Rembrandt-hoed, eveneens voor onze lezeressen gekiekt. Hoe zwierig staat die op het moderne kapsel boven het fijne gezichtje, niet waar ? En hoe gracieus staat de wiegelende vischreigerveer er bovenop. Deze sierlijke hoed is uit fijn belgisch stroo vervaardigd en heeft een fluweelen bovenrand. Tusschen en rond deze modellen groepeeren zich een aantal variaties van vorm, terwijl de garneering verder het hare bijdraagt om den hoed tot behalve op zichzelve dan reeds een fraai voorwerp, eerst recht te maken tot wat hij wezen moet: een accent op de karakteristiek van het uiterlijk der draagster, een klemtoon, die het aangename van het gelaat nog beter doet uitkomen. Tot genoegen van een ieder, en nie* het minst tot dat van de draagster zelve. Met allerbeste groetjes voor u allen, lezeressen. Van huis tot huis. Milly. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDErt.
PDF
Nummer
1915, nr.21, 12 mrt. 1915
Blad
01
Tekst
No- 211 (37a) 12 Maart 1915. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f0.075 UITGAVE A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ, LEIDEN = RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. 1. De inzameling van Koper in Duitschland. De Duitsche onderwijzers hebben hun leerlingen het verzoek gedaan, het koper, dat maar eenigszins gemist kan worden, bijeen te zamelen, aan welk verzoek met groote animo gevolg wordt gegeven, zooals wel uit bovenstaande foto blijkt.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1421 tot 1425 van 11897