|
PANORAMA 150
HET VERBORGEN KOPER TE ROTTERDAM.
In ons vorig nummer plaatsten wij een foto van de Rijnaak „Hanna", waarin het koper verborgen was. Na veel
moeite gelukte het ons nu ook van de autoriteiten toestemming te krijgen in het schip te fotoarafeeren terwijl de politie
en de douane met het onderzoek bezig waren. Op onze foto ziet men hoe het koper onder den nu weggebroken
vloer verborgen was.
BLOEMENTENTOONSTELLING IN „KRASNAPOL5KY".
In „Krasnapolsky” te Amsterdam is wederom een schitterende bloemententoonstelling ingericht.
Onze foto geeft een groep tulpenboomen, waarvan de bloemen op het opengaan staan
Onderaan een groep azalea’s.
’N JEUGDHERINNERING
DOOR P. VAN DER LELIE
endrik Hageman had een langen baard en
een jonge, aardige vrouw. Zijn baard was
kastanje-bruin, imponeerend en ... . had veel
meegemaakt; zijn vrouw — Bertha heette ze
— was blond, brutaalblond, was zeer onervaren
en hield zeer veel van den baard van haar
man. Ze waren sinds zeven maanden getrouwd, en nog altijd
vond Hendrik zijn vrouwtje blond en zij zijn baard mooi
en manlijk.
Maar de baard had veel meegemaakt, en zooals vanzelf
spreekt, wat de baard ondervonden had, was door Hendrik
Hageman óók ondervonden, en alles wat Hendrik ondervonden
had, was door hem, iedere gebeurtenis opzichzelf,
vastgelegd in een novelle en in een of ander tijdschrift wereldkundig
gemaakt. En hij had veel, veel meegemaakt, want 33
novellen waren door hem geschreven, alle 33 op die eigenaardige
Fransche manier, fijn, kort en piquant. Bij de 34ste
novelle echter scheen zijn talent voor het korte genre hem
in den steek te laten, want de vroolijke geschiedenis — op
slechts enkele pagina’s berekend — eindigde met een huwelijk,
en eindigde dus in werkelijkheid niet dan met zijn dood.
Maar aan zoo’n tragisch einde — nu in werkelijkheid het
einde — dacht Hendrik vooreerst niet. Wie zou het hem
kwalijk nemen ? Het afscheid nemen van een zoo aardig
vrouwtje als Bertha is te tragisch, om daar, als je zeven
maanden getrouwd bent, reeds aan te denken. Ten minste
in den regel doe je dat niet.
Maar Bertha was nieuwsgierig. Nieuwsgierig naar de 33 in
tijdschriften uitgegeven novellen. En wat is natuurlijker dan
dat zij zich interesseerde voor haar 33 collega’s, die door de
tijdschriften, waarin zij ,,verschenen” waren, beroemd waren
geworden? Maar Hendrik had nog tot voor korten tijd steeds
zorgvuldig zijn handschriften voor haar verborgen gehouden,
en al haar nasporingen om de 33 novellen in handen te
krijgen waren vergeefsch geweest. Totdat hij op een avond
zijn handschriften bij elkaar had gepakt, ermede naar beneden
was gegaan, en begonnen was zijn vrouw aan haar 33 collega’s
— natuurlijk een voor een — voor te stellen. Maar ook nu
gaf hij zijn novellen niet uit handen, maar hij las ze haar voor
als zij samen, in het halfdonker van de schemerlamp, zaten
thee te drinken en nog wel zeer voorzichtig, nooit meer dan
een tegelijk en hoogstens twee of drie minuten achtereen.
De gezellige avondjes, waarop de voorlezing plaats had,
hadden voor Bertha een eigenaardige bekoring. Zelfs de
moeite, die het haar kostte, om de ijverzucht, die haar soms
bij een al te levendige schildering overviel, te onderdrukken,
vervulde haar met een zekeren trots en hoogmoed. En steeds
klom haar aandacht bij het einde van een novelle zoodanig,
dat het handwerkje, dat zij bij het begin in haar hand gehouden
had, haar ontglipte en haar fijne, blonde kopje zich vol
kinderlijke nieuwsgierigheid en heimelijk leedvermaak, dat
ook déze hem niet had kunnen voldoen, vooroverboog en
haar blauwe sprookjesoogen ingespannen voor zich heenzagen,
zoodat zij dikwijls, als het einde reeds daar was, nog peinzens-stille
zat....
Zulk een avond was het ook nu.
Het jonge vrouwtje had zich, evenals voor ieder van
die voorlezingen, ook voor deze op z’n voordeeligst gekleed
en men kon het haar oogen aanzien, dat zij den novellist
in de gelegenheid wilde stellen zijn vergelijkingen te maken,
zooals zij zelf dat ook dikwijls deed.
Hendrik wachtte nog slechts om te beginnen totdat
het theewater behaaglijk raasde, Betha haar handwerkje
ter hand genomen had, waaraan zij zich voorgenomen had
haar oogen te bederven, en totdat de pendule tien slagen
sloeg. Hij schikte zich toen wat in zijn fauteuil, smakte een
UIT SPANJE.
Een hoogst eigenaardige foto. Een vogelvluchtfoto van de arena van
Madrid, genomen vanuit een vliegmachine.
paar maal oneindig melancholisch met zijn tong en begon
toen zijn geschiedenis uit droomverloren jeugd.
„De Blonde haarvlecht.”
„Zoo,” zei Bertha, was dus ook blond ? — zóóals ik ?”
„Neen,” zei hij droevig. „Zij was blonder —ach, zij was
mijn eerste liefde.”
„In de 14e novelle?”
„Dat is het juist. Vóór haar had ik reeds menigmaal liefgehad,
maar zij was mijn eerste liefde."
„O,” zei Bertha verstandig.
„Ja!” knikte hij. „Jazeker. — Zij is een ommekeer in
mijn leven geweest. Wat vóór haar kwam, was treurig en
grauw als een winterdag; wat nè haar kwam, was opgewonden
en vroolijk als een avond in een variété. Zij echter
was een zonnestraal, een verloren geluk uit mijn jeugd, zij
was misschien het eenige waardige wezen, dat ik vóór jou
heb liefgehad.”
„Zeer vereerd,” zei het jonge vrouwtje.
„En wanneer ik nog heden aan haar terugdenk, komt zij
mij voor als een droom, als een droom over blond haar. De
novellen vóór haar waren alle treurig, na haar alle vroolijk,
maar zij was een droom.”
Hendrik wond zich op.
„Een beetje kalmer, alsjeblieft,” zei Bertha plagend.
En Hendrik begon voor de tweede maal:
„De blonde haarvlecht.”
— „Drie dagen zijn voorbij sinds deze verschrikkelijke gebeurtenis.
Nog trilt iedere zenuw van mijn lichaam bij de gedachte
er aan. Maar ik wil mijn herinnering een gestalte
geven en bewaren als een dierbaar en lief bezit. Ik wil doen
zooals men met bloemen doet, die men uit vriendenhand ontvangen
heeft: wanneer ze verwelken gaan en niet meer
geuren, legt men ze in vloeipapier en droogt ze. — Ik wil vertellen.
Helma is bij mij gekomen. Zij was nooit knapper dan
op het oogenblik dat zij de deur achter zich sloot en de kamer
binnentrad. Haar gezicht drukte vrees uit en haar oogen
vreugde.
Zij zeide, dat zij slechts gekomen was om mij te zeggen,
dat ze wegging.
Een kwartier later zaten wij in de serre met open deuren
en blikten in de verte waar de ondergaande zon den hemel
kleurde en er de wolken als prachtig gekleurde marmerblokken
schijnen deed.
Zoo zaten wij een poos zwijgend.
Plotseling zei zij dat zij zeer gelukkig was.
„Houdt je dan van mij ook ?” vroeg ik.
„O, neen,” zei ze lachend.
Ik keek haar lang en innig aan en bewonderdeT haar
prachtig blonden haartooi. Aan den hemel lichtte reeds de
eerste avondster.
„Ben je mij trouw?” vroeg zij met een lichte siddering
in haar stem.
Als antwoord drukte ik haar een kus op de kersroode
lippen.
Zij scheen tevredert met dit antwoord.
Maar na een poos vroeg zij mij :
„En zal je altijd van mij houden ?”
Wat moest ik daar op antwoorden ? Ik hield misschien
juist daarom zoo veel van haar, omdat ik wist dat wij nooit
vereenigd konden worden, omdat een oude familie-veete
ons voor altijd den kans benemen zou.
„Ik zal van je houden, zoolang je haren blond en je oogen
blauw zijn !”
Zij lachte, een weinig zenuwachtig over deze zonderlinge
bepaling.
Toen wendde zij zich half af en keek met haar groote,
blauwe droom-oogen in den donkeren avondhemel.
Ik echter keek even naar haar prachtig blond haar, dat
TEGEN OEN REGEN.
De chauffeurs van den militairen auto-dienst te Tilburg ontvingen de vorige week oliejassen
en zuidwesters.
CHINEESCHE CERAMIEK.
De vorige week werd de 3e Tentoonstelling van Chineesche Ceramiek in de Kunstzalen gebouw Roos & Co. te
Amsterdam bezocht door een aantal leerlingen van de Kunstnijverheidsschool te Haarlem. De heer Vecht, de
verzamelaar van de collectie, hield een causerie over de techniek en de historie.
|