|
143 PANORAMA
ONZE MILITAIREN
Met de mobilisatie werd er te ’s -Gravenhage een Landweer Schaak- en
Damclub opgericht, waarbij direct een 40 leden toetraden. Deze week heeft
genoemde club een simultaan-séance gehouden met den bekenden heer
Te Kolsté als simultaanspeler. (fcto Hipnans).
„Binnen een paar maanden zouden we gaan trouwen en
ik had daarom mijn kosthuis al opgezegd. Meubelen behoefde
ik niet te koopen, want de weduwe zat goed in d’r
spulletjes. Het was een aardig klein huisje, waar ze woonde,
en ik dacht er met blijdschap aan, dat dit alles spoedig mijn
eigendom zou wezen.
,Enfin, de tijd ging zoo ongemerkt snel voorbij en eindelijk
reekenden we aan. Ik was bijzonder in m’n knollentuin,
lederen dag was ik bij mijn bruid in den winkel, dronk er thee
en bleef er ’s middags eten. Ik had al zoo’n idee alsof ik een
getrouwd man was.
„Maar op een dag had mijn bruid het erg druk in den
winkel en zat ik alleen in het achterkamertje mijn pijp te
rooken. Er stond in die kamer een soort latafel waar verschillende
winkelboeken in lagen. Nou ik toch binnenkort
eigenaar van ’t zaakje worden zou, was het niet kwaad eens
te zien wat er wel in verdiend werd. Dat viel verbazend
mee. Maar terwijl ik daar zoo in die boeken aan ’t snuffelen
was, kwam me iets onder de oogen wat ik eerst niet begreep,
maar wat me daarna een rilling bezorgde.”
De oude man zweeg een oogenblik, de wenkbrauwen hoog
opgetrokken keek hij met een afwezigen blik van zijn leeg
glas naar de flesch met oude klare.
„Wel Jansen, vertel verder,” zei ik. „wat was dat voor
vreeselijks dat je ontdekte?”
„M’neer”, antwoordde Jansen met een snik in zijn stem.
„’t was een lijst — een lijst van werkzaamheden. Eerst dacht
ik dat ze voor den loopjongen waren, maar ze waren voor
een heel ander persoon. Ik herinner me den inhoud zoo
goed hé, alsof ik hem nog voor me zie. De lijst luidde als volgt:
5 uur ; opstaan en vuur aanmaken.
5.30 „ : een kop thee bij me brengen.
6 „ ; in den winkel den vloer aanvegen.
6.30 ,, ; blinden inhalen en den winkel openzetten.
7—8 ; : kranten rondbrengen.
8 „ : brood eten.
8.30 „ ; in den winkel helpen tot één uur.
1 „ : aardappelen schillen.
1.30 „ : In den winkel tot drie uur.
3 ,, : middageten.
3.30 „ ; thee zetten en mij een kopje brengen.
5—7 „ ; kranten rondbrengen.
7.30 „ ; afrekenen.
10 „ : winkel sluiten.
N. B. Hierdoor iedere week zes gulden uitgespaard van den
loopjongen en bovendien man’s hulp.
„Nu heeren, je kunt je zeker mijn toestand wel voorstellen.
In plaats van te verbeteren, was ik op ’t punt mijn leven
lang in slavernij te gaan. Ik zat er over te denken op welke
wijze ik mijn mannelijke waardigheid het best zou kunnen
handhaven, maar onderwijl danste de beeltenis van mijn
imposante bruid met haar ontzaglijken mond en breede kin
mij voor de oogen en maakte me bijna gek. Ik was zoo
overstuur dat ik nauwelijks tijd had de boeken weer in de
lade te bergen, toen mijn aanstaande de kamer weer binnentrad.
„Ze was dien dag erg lief tegen me en had mijn lievelings- •
kostje, zuurkool met spek, voor me gereed gemaakt. Het
Ds. J. G. BRUINING. Ds. D. v. KREVELEN.
De vorige week werd er door twee predikanten een jubileum gevierd. Ds.
BRUINING te Middelharnis herdacht het feit. dat hij vóór 40 jaar tot
predikant werd benoemd, terwijl Ds. VAN KREVELEN zijn 25-jarige
ambtsvervulling als zoodanig te Lichtevoorde herdacht.
smaakte me echter niemendal. Ik dacht maar steeds aan die
lijst. Ik had het graag afgemaakt, maar dat ging zoo gemakkelijk
maar niet. De volgende week zouden we trouwen.
In mijn wanhoop besloot ik onmiddellijk te vluchten.
„Ik zei mijn kosthuis op en vertrok naar Amsterdam.
EEN NI EUWE BRANDSPUIT VOOR OEN HAAG.
De nieuwe „Benz-Gaggenau" benzine-motorbrandspuit, die door de Gemeente
’s-Gravenhage is aangekocht en de vorige week beproefd.
WATERLEIDING TE EGMOND AAN ZEE.
Maandag j.i. had te Egmond aan Zee de opening plaats van de waterleiding.
Voor deze badplaats is de moderne watervoorziening een groote
aanwinst, die niet alleen gewaardeerd zal worden door de geregelde bezoekers,
doch er zeker toe zal bijdragen het aantal badgasten te vermeerderen.
Bovenstaande afbeelding stelt voor den gemeenteraad, met adviseur
en Directeur der waterleiding op den openingsdag op het terrein der
waterleiding met op den achtergrond den sierlijken op een hoog duin
staanden watertoren. V. 1. n. r. raadslid G. de Groot, Directeur. J. Blaau
boer, adviseur A. J. Lafeber uit Bussum, wethouder G. E. A. van Hall
burgemeester C. J. Eyma. wethouder H. Conijn. gemeentesecretaris
W. G. Noorman v. d. Dussen. raadsleden R. Gul en A. Zwaan.
Ik heb gelukkig sedert niets meer van de weduwe Wiggers gehoord.”
Jansen zweeg en dronk naderhand zijn inmiddels weer
volgeschonken glaasje leeg.
„En daar heb je nou mijn liefdesroman, heeren,” ging
onze looper voort. ,,Je begrijpt dat ik voorgoed van mijn
trouwlustige bui genezen was. Een ezel stoot zich geen tweemaal
aan eenzelfden steen, en daarom heb ik altijd medelijden
met jongelui die nog groen genoeg zijn om te denken dat de
vrouwen maar uit pure liefhebberij met hen trouwen. Wel
zeker! Dat vrouwenvolk is allemaal met één sop overgoten.”
Deze onomwonden critiek op het schoone geslacht van
onzen ouden kantoorfrik lokte onder ons, erkende bewonderaars
ervan, opnieuw een bulderend gelach uit.
Jansen echter liet zich niet uit het veld slaan en met zijn
blik op mij gericht, riep hij uit, terwijl hij opstond : „Ik
geloof niet, dat mijn lotgevallen u zullen afschrikken,
meneer ! Och. een mensch ziet zijn ongeluk pas, als hij er
in zit. Enfin, ik hoop dat je je ziel in lijdzaamheid mag
bezitten.”
„Nou, dank je wel, Jansen, voor je welgemeenden wensch,”
antwoordde ik vroolijk. „Als ik je raad en voorbeeld niet
navolg, komt het omdat ik de lijst nog niet gevonden heb.
Overigens ben ik niets bezorgd voor mijn ongeluk.”
De oude Jansen zuchtte diep; toen keek hij naar de flesch
of er nog oude klare in was en ziende dat hij alle hoop op een
laatste hartsversterking moest laten varen, veegde hij zijn
mond nog eens met den harigen bovenkant van zijn hand
af en liep heen, hoofdschuddend over de roekeloosheid der
jeugd of misschien ook over de teleurstelling die hij bij zijn
huwelijksplannen ondervonden had.
:2J»“"‘>l|jjj||l...................................................Ii|j|||||l"",1!,(j|||||,1n»!i,|||||j||l.„„^
► OM DER WILLE '
!► VAN EEN VROUW -■
lliuitiililI illii111111 iliilllfili it iiillilllhll i H ii ii illl llhhuiiii iiillHIllllh.iiiifp
(SLOT).
af dien dag waren de avonden niet eeni
zaam meer voor Simon Abbyshaw, en toen
de winter kwam, klonken er weer tal van
vroolijke stemmen in de gelagkamer van
„De Korenschoof”. Vroolijk blonk ’s avonds
jic^t door vensters van de gelagkamer
en scheen den reizigers, die met de diligence den heuvel
kwamen afrijden., aanlokkelijk en uitnoodigend tegen.
„Het is naar Nancy, dat ze komen zieiX” zeiden de
betweters in het dorp. „Hij deed een verstandigen streek,
die Simon Abbyshaw, toen hij Nancy trouwde. Het was een
opkomst voor „De Korenschoof”.
In één ding bracht de komst van Nancy geen verandering!
Simon sprak er nooit over tegen zijn vrouw, het zou
haar maar verontrusten, doch iederen nacht als hij‘de herberg
sloot, wandelde hij naar het grasperk aan het brugje
om zijn ouden vriend te groeten; en als hij soms ’s avonds
van het dorp huiswaarts keerde, keek hij altijd op naar de
galg, waaraan nog slechts de ledige kettingen hingen, en zei ;
..Goeden nacht, boer Hayes !”
Doordat er steeds meer bezoek kwam in de herberg, wei d
deze gewoonte van den waard spoedig bekend, en ofschoon
niemand er ooit een woord tegen hem over sprak, prees men
toch Simon’s aanhankelijkheid aan zijn ouden dooden
vriend.
* *
*
De houtblokken lagen hoog opgestapeld onder de groote
wijde schouw in de gelagkamer. Het was kouder nog
dan den vorigen winter; de wegen waren zoo mogelijk nog
harder en het ijs was dikker in den vijver. De wind gierde
door den schoorsteen en meermalen gedurende het laatste
uur was Nancy Abbyshaw naar buiten gegaan in de duisternis.
om te luisteren naar een haar bekenden voetstap.
„Is Simon niet thuis?” vroeg er een klant.
„Neen, hij is naar de jaarmarkt; maar hij komt IaatI”
„Hij zal een pot ale te veel genomen hebben, voordat hij
de kou instapte,” zei er een.
„Misschien wel twee of drie stoopen te veel,” lachte een
ander.
„Geen sprake van,” antwoordde Nancy vroolijk, „hij is
veel te verzot op zijn eigen ale en op . . . .”
„En op zijn wijf,” klonk het in koor. „Neem hem dat
ereis kwalijk ! Je gezondheid, vrouw Abbyshaw !”
Het hart vo* verlangen naar vrouw en haard, reed Simon
op dat oogenblik op zijn vermoeiden klepper huiswaarts.
Daar zag hij eindelijk door de kale struiken langs den weg
heel in de verte de eerste lichtstralen van zijn woning; hier
was hij aan de brug en zag hij de donkere ómtrekken van
de galg, welker kettingen knarsten als zij door den wind
heen en weer bewogen werden.
Simon keerde zich om in het zadel, toen hij de brug
passeerde en riep ; „Goeie nacht, boer Hayes!”
„Ook goeie nacht, Simon Abbyshaw,” klonk er van af de
galg met een diep, hol geluid de stem van den boer, juist
zooals hij het honderdmaal gezegd had. als hij vroeger
„De Korenschoof” verliet.
De deur van de herberg werd opengeworpen en een ijzige
wind verdreef de gezellige warmte in de gelagkamer, toen
Simon naar binnen wankelde.
„Sluit de deur ! De grendels er op ! Laat ’m er niet in.”
schreeuwde hij.
„Wat is er?” vroegen een dozijn stemmen ontdaan.
„Boer Hayes!”
Een algemeen gelach barstte los, dat echter onmiddellijk
verstomde, toen men den intensen angst zag, die zich
op het gelaat van den waard afspiegelde.
„Hij is teruggekomen, ik zeg je — teruggekomen, opgestaan
van den dood ! Verberg mij — ergens; verberg me toch !
riep hij uit. „Hij moet mij hebben, mij ! Hij zal jou geen leed
doen, Nancy ! O verberg me toch !”
„Simon. Simon!” gilde zijn vrouw. „Wat is er toch?
„Ik zeg, je het is mijn dood als hij mij ziet!” En de waard
rukte zijn kleederen los, die hem schenen te benauwen,
„’t Is zijn recht, zijn recht is ’t, om terug te komen ! Ach,
jullie hebt de deur niet gegrendeld !”
Op dat oogenblik werd de deur geopend en trad Jim
Lomax de gelagkamer binnen. Hij lachte hartelijk om den
poets dien hij den waard gebakken had, door bij de galg
zijn groet aan Hayes te beantwoorden.
„Vergeef me, Hayes,” smeekte Simon, terwijl hij met uitgestrekte
hand naar Lomax toeliep. „Jullie hadden haar
allen lief; ik ook ! Ik geloofde hetgeen de matroos vertelde,
geloofde dat zij van hem hield en ik volgde hem, toen jij
weg was. Hij viel neer bij den eersten slag .... en toen.........
en toen werd jij veroordeeld en ik heb niets gezegd, want, ik
wist dat jij haar ook liefhadt. En ga nou heen — ga heen !
Ik zal.. .
Hij keerde zich om naar zijn vrouw, toen greep hij plotseling
naar zijn keel.
„Genade !” kreet hij. ,,G e n a de!” Hij rukte aan zijn
hals als wilde hij zich bevrijden van de denkbeeldige vingers,
die zijn keel omvat hielden. Toen, onder het uitstooten van
een rochelend geluid, viel hij voorover op den vloer — dood.
Het was een lange geschiedenis die de postiljon aan de
reizigers vertelde ;
„Boer Hayes hing in deze kettingen, heeren,” zei hij,
wijzende naar de galg, terwijl de diligence ratelend over het
brugje reed. „En het was Simon Abbyshaw, de waard uit
„De Korenschoof”, die den moord beging en zijn vriend de
straf liet ondergaan en dat alles om een vrouw!”
„En wat is er van haar geworden ?”
„Een halve mijl verder staat een huisje, aan de wegzijde
geheel gesloten. Als je een knappe vrouw daar aan de deur
ziet, met wit haar en een zachten maar verschrikten blik in
de oogen, dan is dit vrouw Abbyshaw, vroeger gevierd als
Nancy Morton.”
|