|
PANORAMA 134
Set was op een kouden winteravond van
het nu voorbije jaar, We zaten met
ons vieren op ’t atelier van den Vrouwenhater:
Lariks de beeldhouwer, Bong de
etser, en mijn eigen bescheiden persoonlijkheid:
de schrijver. De Vrouwenhater
heette Geldingen, doch hij werd steeds
bij zijn bijnaam genoemd; velen onder
de minder intieme kennissen wisten zelfs ternauwernood
’s mans familienaam.
Hij was een schilder van meer dan gewone begaafdheid; hij
werkte veel en koppig, en maar heel zelden ging hij uit.
De enkele malen dat dit geschiedde was hij nochtans
niet minder vroolijk dan wij, en kon hij, evenals wij, van
het oogenblik genieten: maar wanneer er meisjes of vrouwen
bij het gezelschap kwamen, was het of er een ommekeer
in hem plaats vond; hij werd allengs minder
spraakzaam en zweeg ten slotte geheel. Terwijl wij met
de vrouwen lachten en praatten en ons uitmuntend vermaakten,
kon hij dan zonder een woord neerzitten als
met stomheid geslagen. Wanneer we dan poogden hem
weer in het gesprek te betrekken, kon hij op zoo plompe,
onhebbelijke manier antwoorden, dat we er maar verder
van afzagen. Het wonderlijke was dat hij ons, die toevallig
echte ,,opgewonden standjes" waren, in zulke oogenblikken
niet kwetste met zijn grofheid. Een elk onzer
voelde dat een man zoo zachtzinnig van aard als hij
wel niet zonder oorzaak zijn vrienden, van wie hij veel
hield, zou grieven. We voelden allen dat zijn vermijden,
ook van den vluchtigsten omgang met vrouwen een diepen,
tragischen giond moest hebben. Weten deden we echter
niets uit zijn verleden. Eens had Bong gepoogd een gesprek
met hem over dat onderwerp te beginnen, maar het
vlotte niet, heel niet. Of hij gehuwd geweest was, had
Bong hem gevraagd. Neen, hij was niet gehuwd geweest,
was Geldingen’s antwoord, maar op zulken toon werd het
gegeven, op zulk een harren toon, zoozeer verschillend
met ’s mans gewone zachtzinnige, bijna teedere wijze
van spreken, dat het Bong verschrikt had en deze het
onderwerp, dat blijkbaar voor zijn vriend zoo uitermate
pijnlijk was. nooit meer aanroerde. Bong had ons van
zijn gesprek verhaald en niemand onzer had sindsdien
meer lust gevoeld om den eigenaardigen kerel uit nieuwsgierigheid
of belangstelling dan, bekentenissen uit zijn
vroeger liefdeleven te ontlokken.
Zoo waren wij even wijs gebleven tot op dien avond
nu wij met ons vieren bijeen zaten in zijn atelier.
Het vroor buiten fel, en onze vriend had zijn kleine
potkachel roodheet gestookt. Wij zaten er om heen, Bong
in een wrakken crapaud, Lariks en ik op den divan, die
uit twee lage kisten en een stroomairasje bestond, Geldingen
op een krukje met het lichaam tegen den met
teekeningen en studies bedekten wand geleund. Een
werklamp met wijde kap-huif, hing midden in het vertrek
van de lage zoldering af. We hadden haar niet aangestoken.
Een vaag schijnsel gleed van de straat het eenige
venster binnen, en dat was met den rooden gloed der
potkachel het eenige licht in het vertrek. Die schemering
gaf iets zeer intiems aan ons samenzijn, daar op dien
kouden winteravond op dit eenzame, hooggelegen atelier
in de buitenwijk der stad.
Lariks was den laatsten keer met ons. Die ging trouwen
en zou zich in het dorp, waar zijn schoonouders, rustige
gegoede burgerlieden woonden, gaan vestigen. We hadden
hem herhaaldelijk geplaagd met de burgerlijkheid zijner
toekomstige omgeving, en lachend weerde hij die plagerijen
af.
„Ik zie je al over een paar jaar met een paar geborduurde
pantoffels aan en een paar tweelingen op je knie/*
schertste Bong,
„En je leven geregeld als een klok, die nooit voor
of achter is, en nooit van slag af,” zei ik.
„Ja,” beaamde Bong, „de buren moeten hun horloge
op je gelijk kunnen zetten.”
„Hè ja, hè ja,” vulde Lariks zelf aan. „Om 8 uur opstaan,
om kwart over achten aangekleed, halfnegen geschoren,
twee minuten over half negen in de huiskamer,
kus als een klok, goeie morgen, mooi weer. Dampende
havermout, één bordje. Twee sneedjes wittebrood met
twee sneedjes zwart, zoogenaamde houtsnippen. Negen
B. J. R. ENGEL- Mr. J. W. A. VAN
BREGT.t EMBDEN.t
Te ’s-Gravenhage is in den ouderdom van 74 jaar overleden de heer B. J.
R. ENGELBREGT, oud-inspecteur der posterijen en telegrafie, afdeeling
Zuid-Holland. — Te Arnhem is in den ouderdom van 69 jaar overleden
Mr. J. W. A. VAN EMBDEN, vice-deken van de orde van advocaten, aldaar.
HET MIJNENGEVAAR.
De bemanning van den trawler „Urania” van IJmuiden had den
20en Februari het „buitenkansje’’ een mijn in zijn korre
(sleepnet) op te halen. Gelukkig is de mijn niet ontploft,
anders ware de ramp verschrikkelijk geweest.
uur opstaan, echtelijke kus, demi afborstelen en aanschieten,
hoed op, stok onder den arm (altijd onder denzelfden
arm; den hoed trouwens altijd op hetzelfde hoofd)
straat uitwandelen atelier of bureau inwandelen. En de
andere helft is ook zoo. Als je een minuut over je tijd
bent, worden de buren bleek om den neus en gelooven
ze, dat de laatste oordeelsdag subiet voor de deur
WIE HELPT ZOEKEN?
Jos. Jac. Stommels uit Lier, op ’t
oogenblik verpleegd door ’t Vluchtelingen-Comité
te Rhenen, zoekt
zijn dochter MARIA EL1SABETH
STOMMELS, die bij het bombardement
bij haar grootouders Bogaerts
vertoefde.
C. F. V. VAN LAUTEN,
o.a. winner aan den prijs, uitgeloofd
door de officieren van het
Hoofdkwartier der stelling Amsterdam,
voor de 24 uurbetrouwbaarheidsmotorrit
door Nederland,
staat..Allen lachten, ook Geldingen lachte zachtjes
mede, maar hij bleef steeds zwijgen.
Wanneer wij echter nog voortgaan met het opperen
van alle denkbare dwaasheden, die het burgerlijke regelmatige
leven van den belachelijken kant belichten, zegt
de Vrouwenhater eensklaps, halfluid, als voor zichzelven
alleen de woorden bestemmend: Het is wellicht toch nog
JUBILEUM SPEENHOFF.
Den dichter-zanger Speenhoff is bij zijn jubileum door den bekenden
schilder Piet van der Hem en anderen, een schilderij aangeboden van
Mevrouw C. J. A. Speenhoff-Pnnz, geschilderd door Piet van der Hem.
het best voor den mensch, die orde, die regelmatigheid,
die zelfzucht. Het andere is slecht voor hem.
,,Ha, ha”, lacht Bong, wat bevreemd om den ernstigen
toon van Geldingen, „wat is daar nu voor moois in die
saaie dagverdeeling, waarvan alles piecies in elkaar siuiten
moet op gevaar af van de menschen anders heelemaal
uit den koers te brengen .*..’*
„Dat is goed voor kleine zieltjes”, val ik hem bij,
„voor menschen, die van het leven niets anders, niets
grooters maken kunnen, geen groote hartstocht, geen
je-uitleven. Juist een artist voelt dat het sterkst”.
„Het is beter, je hartstocht in te toornen,” doet Geldingen
met een diep accent van ernst, „je zelven te beheerschen,
je als een gareel van dagelijksche gewoonten
te maken en daarin te spannen. Dat is de zelfzucht, als
je je Voorneemt, je te beheerschen en daarin werkelijk
slaagt, kerels, dan sta je zoo sterk en je bent zoo oprecht
tegenover jezelf, en zoo zuiver tevreden. Je kunt elk uur
van den dag om zooJe zeggen, je eigen onder de oogen
komen. Die alledaagsche gewoonten zijn maar niet zoo
vanzelf gekomen; het zelfbehoud heeft de menschen ertoe
gebracht, en dat doet die schijnbare banaliteit zich ook
handhaven. En dat is goed, goed. Geloof me, het is goed.
Het andere voert tot slapte, tot slechtheid.”
Geldingen zwijgt. Terwijl hij sprak is een vreemde
stemming over ons gekomen. We willen allen iets opperen
om zijn inzicht te bestrijden, doch iets onzekers doet ons
zwijgen. Gedurende, de stilte nu zijn ons aller oogen vol
aandacht op hem gericht. Zijn groote donkere figuur
beweegt als pijnlijk tegen den lichteren kamerwand in den
rossigen schemer, en ineens met een halfluide stem, ook
een schemer bijna, gaat hij spreken, We zijn allen ontroerd,
want deze man, wiens zwijgen, we wisten het, veel
levensleed bedekt had, ging dat zwijgen nu op dezen
wonderlijken avond verbreken : we zouden zijn leed zien.
„Ik heb,’’ zoo begon hij zijn verhaal, „ik heb ook eens
zulk een hartstochtelijke liefde gekoesterd voor een vrouw,
en tijdens mijn omgang met haar me in die liefde zoo
uitsluitend verdiept, haar zoo tot mijn geheele bestaan
gemaakt, dat ik me absoluut in haar macht gegeven had.
Ze liet me die macht op de gruwelijkste manier gevoelen,
en dreigde me herhaaldelijk van mij weg te gaan als ik
niet aan elk van haar grillen toegaf. En ze had het gedaan
ook. Zonder haar hand ervoor om te draaien had
ze om een luim met een glimlach me voor eeuwig den
rug toegekeerd; dat wist ik; dat voelde ik eiken dag,
elk uur, elke minuut als een afschuwelijke, doodelijke
bedreiging boven mij, en dat maakte mij nog laffer,
nerveuzer, karakterloozer,”
Even beeft de stem in de schemer, een paar seconden
zwijgt zij geheel. Dan, vaster wederom, vervolgt die menschelijke,
diepe stem:
„Wij maakten vreeselijk veel geld samen op. In alle
schouwburgen en vele café’s kenden ze ons als vaste
royale bezoekers. En dan, wat haar kleeren kosten, en
ook de mijne. Ik had vroeger nooit van mooie kleeren
voor mijzelf gehouden, had altijd op de dandy’s onder
de vrienden als op domme nuffen afgegeven, maar voor
haar kleedde ik me als de meest opvallende dandy ....
maar .... Haar kleeren.........Wat die kostten is ongeloofelijk.
Wat ons geheele leven op die manier kostte, is
fabelachtig. Ik begrijp niet hoe dat nog een half jaar
achtereen heeft kunnen duren. Ik had wel veel middelen
om aan geld te komen; ik leende bij rijke vrienden en
familie, en, onder allerlei voorwendsels groote bedragen
van mijn vader, die veel van mij hield en altijd maar
gaf. Hij dacht dat ik het met mijn vele vrienden in losse
leutigheid maar niet in slechtheid vertceide. Gejaagd
kwam ik altijd bij hem; soms was het om duizenden
tegelijk. Op het laatst durfde ik niet meer, telkens wanneer
die goeie ouwe, goed, misschien wel zwakke vader
het mij weci gaf, zwoer ik dat het de laatst maal was,
maai zij zat thuis op me te wachten, en als ik geen geld
bracht, beleedigde ze me en hoonde ze me zoo afschuwelijk,
en stiet zo me van haar weg. Mijn vader kreeg
echter meer en meer argwaan. Telkens als ik weer kwam.
keek hij me dringender aan met zijn groote, goede oogen.
en dan waarschuwde hij me telkens. „Jongen”, zei hij
dan, „je doet er toch geen kwaad mee?” „Nee, vader",
zei ik dan natuurlijk altijd, „Je mag gerust uitgaan hoor,
ik heb toen ik op jouw leeftijd was ook wel soms te veel
geld verteerd; ik geloof dat het de traditie in onze familie
is. Enfin, we hoeven, Goddank, niet op een paar honderd
gulden te zien. Als ik maar wist, dat het niet tot je
nadeel is, zooals je het gebruikt, jongen.” Ik zei dat het
dat niet was, onveranderlijk telkens zei ik natuurlijn
Prof. Dr O. LANZ. J. C. THEYSSEN ’
Op uitnoodiging van het Pruisische Kriegsministerie heeft Prof. Pr. O.
LANZ, van half December tot half Januari de leiding op zich genomen
van een lazaret in Trier. — Te Rotterdam is in den ouderdom vat.o9jaar
overleden de heer J. C. THEIJSSEN, oud-commissaris van politie aldaar,
ridder in de orde van Oranje-Nassau.
DE VROUWENHATER
|