Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1396 tot 1400 van 11897
Nummer
1915, nr.17, 26 feb. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 132 DE ONTRUIMING VAN OOST-PRUISEN DOOR DE RUSSEN. Een gepantserde Duitsche trein rijdt door het Noordelijkste gedeelte van Oost-Pruisen, Duitsche schijnwerpers opgesteld achter een hoogen dam in Noordelijk ten einde ook daar de laatste vijanden te verdrijven. Oost-Pruisen. OORLOGS-KRONIEK. 24 Dan. Op het Westelijke oorlogstooneel werden de Fransche aanvallen op HartnaWeilerkopf afgeslagen. Bij de gevechten in het woud leden de Franschen zware verliezen. Verder hadden slechts hevige artillerie-duels plaats, terwijl een loopgraaf, die de Duitschers voor eenige dagen in de streek van Berry au Bac op de Franschen veroverden, weder verloren ging, — Op het Oostelijke front werden de Russen gedwongen enkele stellingen ten Z.-O. van Gumbinnen op te geven. Verder zijn er geen belangrijke wijzigingen ontstaan. — In een Nota naar aanleiding van het verslag der Tweede Kamer over het wetsontwerp tot het langer in dienst houden van dienstplichtigen bij de landweer, verklaart de Nederlandsche Regeering, dat de positie van het land nog evenzeer als in Augustus de onmiddellijke beschikking over de geheele krijgsmacht eischt. 25 Dan. Op het Westelijke front deden de Duitschers ten Zuiden van het Kanaal een aanval op de Engelsche stellingen over een frontbreedte van 1100 meter. Daarbij werden twee sterke steunpunten veroverd, 3 officieren en 110 man gevangen genomen en 1 kanon en 3 machinegeweren buitgemaakt. Verder valt niets belangrijks voor. — Op het Oostelijke front namen de Duitschers een Russische loopgraaf bij Berjimoff. De Russen veroverden een Duitsche loopgraaf en mitrailleurs; tevens vernielden zij een gepantserden auto. Een zekere activiteit der Oostenrijkers is merkbaar ten O. van de Karpathen. — In den Kaukasus wordt het Russische offensief voortgezet in hert land aan de overzijde van de rivier Tsjoroch, ondanks de hardnekkige verdediging van de Turken. In de richting van Olty hebben afzonderlijke gevechten plaats, door de neiging van kleine Turksche afdeelingen, om zich te handhaven. — Aan de overige gedeelten van het front duurde de gewone artillerie-beschieting voort. 26 Dan. Aan het Westelijke front is de toestand ongewijzigd. — Aan het Oostelijke front werd bij de Oostenrijkers meerdere activiteit waargenomen ten O. van de Karpathenpassen. Overigens viel er niets belangDE TERUGKEER UIT DE LOOPGRAVEN. Dat er vooral in Russisch-Polen zeer strenge hygiënische maatregelen noodig zijn, blijkt wel uit het feit, dat er voor de terugkeerenden uit de loopgraven een speciale desinfecteerinrichting is geïnstalleerd. DE BUIT IN VLAANDEREN. De vrije uren worden door de officieren en manschappen benut om op jacht te gaan, wat, te oordeelen naar onze foto, een tamelijk loonend vermaak schijnt te zijn. rijks voor. De Duitschers namen een van de Russische vooruitgeschoven loopgraven bij Berjimoff. De Russen veroverden een loopgraaf der Duitschers, maakten machinegeweren buit en vernielden een gepantserden automobiel. 27 Dan. Op het front aan de Y$er maken de Belgische troepen in de streek van Pervyse vorderingen. — Bij La Bassée, Givenchy en Quinchy deden de Duitschers vijf aanvallen op de Engelsche stellingen en maakten daarbij eenige vorderingen. — Aan het Oostelijke front: Ten Noorden van Gumbinnen vielen de Russen de stellingen van de Duitsche cavalerie op het Noordelijke front, echter zonder succes, aan. Op het Oostelijke front hadden hevige artillerie-gevechten plaats. Ten Noord-Oosten van Wloclaweck hadden kleinere gevechten plaats, waarin de Duitschers succes hadden. In Polen, ten Westen van de Weichsel en ten Oosten van de Pilitza deed zich niets vermeldenswaardigs voor. 28 Dan. Op het Westelijke front is de dag verloopen, zonder wijziging in den toestand te brengen. — In Oost-Pruisen duren de gevechten op de linie Malwischken—Lasdenen voort. Bij het plaatsje Skempe dwongen de Russen verscheidene Duitsche bataillons te retireeren. Op den linkeroever van de Weichsel wijzigde zich in het algemeen gedurende den nacht van den 26sten en den daaropvolgenden dag de toestand niet aanmerkelijk. In Galicië ontwikkelden zich gevechten op grooter schaal over het geheele front van den Dukla-pas tot Wyszkow. Op den rechtervleugel van dit front namen de Russen 100 man gevangen en veroverden twee mitrailleurs. 29 Dan. Aan het Westelijke front deden de Duitschers aanvallen te Fontaine Madame en in het bosch van Dailly, die door de Franschen werden afgeslagen, terwijl de Iaatsten in de Vogeezen ongeveer 600 M. terrein wonnen. In den Boven-Elzas vielen de Franschen op het front Nieder Aspach—Heidweiler—Herzbacher Woud aan. Deze aanvallen werden met zware verliezen voor de Franschen afgeslagen. — Op het Oostelijke front hebben de Oostenrijkers ’t Nagy-Ag-dal van Russen gezuiverd. Toronya werd door de Oostenrijkers hernomen. DE COMMANDANT VAN DE BLÜCHER, Kapitein Erdmann, is volgens de berichten in Engeland aan een longontsteking overleden. RESERVE-LOOPGRAVEN. Duitsche soldaten zijn bezig met het vervaardigen van reserve-loopgraven. Om instortingen te voorkomen, worden de wanden met balken en planken gestut. Eigenaardig is de onregelmatige lijn van de loopgraaf.
PDF
Nummer
1915, nr.17, 26 feb. 1915
Blad
05
Tekst
133 PANORAMA IN DE LOOPGRAVEN. Engelsche soldaten, die in de korte rust, die hun gegund wordt, het genot van een pijp Engelsche tabak smaken. DE AANKOMST DER GEWONDEN. De Roode-Kruis-automobielen brengen vriend en vijand naar het naastbijzijnde hospitaal. OP ZOEK NAAR GEWONDEN. Tusschen de loopgraven en hospitalen rijden er geregeld RoodeKruis-coionnes om de gewonden te vervoeren. AAN HET NOORDZEESTRAND. Belgische troepen, die zoo juist uit de loopgraven zijn terug gekeerd, gekampeerd aan het Noordzeestrand. OP VERKENNING UIT. Fransche kurassiers verlaten de stallen, waar zij ’s nachts verblijf hebben gehouden, en gaan op verkenning uit. DE VELDTELEFOON. Een der gewichtigste factoren in dezen oorlog is ongetwijfeld de veldtelefoon, die de loopgraven onderling en met de hoofdkwartieren verbindt. OORLOG EN VREDE. Een eigenaardig contrast. Den boer, die bezig is met zijn vreedzamen arbeid, wordt door den bestuurder van een gepantserden automobiel inlichtingen gevraagd. VOOR DE MANNEN AAN HET FRONT. Bij de laatste transporten Engelsche soldaten, die naar het vasteland zijn vertrokken, zijn er ook wederom eenige keurig ingerichte „koffiewagens” medegegaan. VOOR DE NIEUWE RECRUTEN. Duizenden arbeiders en arbeidsters zijn er op het oogenblik in Engeland bezig met de vervaardiging van uniformen voor de nieuwe recruten. De Gealliëerden in Noord-Frankrijk en Vlaanderen
PDF
Nummer
1915, nr.17, 26 feb. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 134 Set was op een kouden winteravond van het nu voorbije jaar, We zaten met ons vieren op ’t atelier van den Vrouwenhater: Lariks de beeldhouwer, Bong de etser, en mijn eigen bescheiden persoonlijkheid: de schrijver. De Vrouwenhater heette Geldingen, doch hij werd steeds bij zijn bijnaam genoemd; velen onder de minder intieme kennissen wisten zelfs ternauwernood ’s mans familienaam. Hij was een schilder van meer dan gewone begaafdheid; hij werkte veel en koppig, en maar heel zelden ging hij uit. De enkele malen dat dit geschiedde was hij nochtans niet minder vroolijk dan wij, en kon hij, evenals wij, van het oogenblik genieten: maar wanneer er meisjes of vrouwen bij het gezelschap kwamen, was het of er een ommekeer in hem plaats vond; hij werd allengs minder spraakzaam en zweeg ten slotte geheel. Terwijl wij met de vrouwen lachten en praatten en ons uitmuntend vermaakten, kon hij dan zonder een woord neerzitten als met stomheid geslagen. Wanneer we dan poogden hem weer in het gesprek te betrekken, kon hij op zoo plompe, onhebbelijke manier antwoorden, dat we er maar verder van afzagen. Het wonderlijke was dat hij ons, die toevallig echte ,,opgewonden standjes" waren, in zulke oogenblikken niet kwetste met zijn grofheid. Een elk onzer voelde dat een man zoo zachtzinnig van aard als hij wel niet zonder oorzaak zijn vrienden, van wie hij veel hield, zou grieven. We voelden allen dat zijn vermijden, ook van den vluchtigsten omgang met vrouwen een diepen, tragischen giond moest hebben. Weten deden we echter niets uit zijn verleden. Eens had Bong gepoogd een gesprek met hem over dat onderwerp te beginnen, maar het vlotte niet, heel niet. Of hij gehuwd geweest was, had Bong hem gevraagd. Neen, hij was niet gehuwd geweest, was Geldingen’s antwoord, maar op zulken toon werd het gegeven, op zulk een harren toon, zoozeer verschillend met ’s mans gewone zachtzinnige, bijna teedere wijze van spreken, dat het Bong verschrikt had en deze het onderwerp, dat blijkbaar voor zijn vriend zoo uitermate pijnlijk was. nooit meer aanroerde. Bong had ons van zijn gesprek verhaald en niemand onzer had sindsdien meer lust gevoeld om den eigenaardigen kerel uit nieuwsgierigheid of belangstelling dan, bekentenissen uit zijn vroeger liefdeleven te ontlokken. Zoo waren wij even wijs gebleven tot op dien avond nu wij met ons vieren bijeen zaten in zijn atelier. Het vroor buiten fel, en onze vriend had zijn kleine potkachel roodheet gestookt. Wij zaten er om heen, Bong in een wrakken crapaud, Lariks en ik op den divan, die uit twee lage kisten en een stroomairasje bestond, Geldingen op een krukje met het lichaam tegen den met teekeningen en studies bedekten wand geleund. Een werklamp met wijde kap-huif, hing midden in het vertrek van de lage zoldering af. We hadden haar niet aangestoken. Een vaag schijnsel gleed van de straat het eenige venster binnen, en dat was met den rooden gloed der potkachel het eenige licht in het vertrek. Die schemering gaf iets zeer intiems aan ons samenzijn, daar op dien kouden winteravond op dit eenzame, hooggelegen atelier in de buitenwijk der stad. Lariks was den laatsten keer met ons. Die ging trouwen en zou zich in het dorp, waar zijn schoonouders, rustige gegoede burgerlieden woonden, gaan vestigen. We hadden hem herhaaldelijk geplaagd met de burgerlijkheid zijner toekomstige omgeving, en lachend weerde hij die plagerijen af. „Ik zie je al over een paar jaar met een paar geborduurde pantoffels aan en een paar tweelingen op je knie/* schertste Bong, „En je leven geregeld als een klok, die nooit voor of achter is, en nooit van slag af,” zei ik. „Ja,” beaamde Bong, „de buren moeten hun horloge op je gelijk kunnen zetten.” „Hè ja, hè ja,” vulde Lariks zelf aan. „Om 8 uur opstaan, om kwart over achten aangekleed, halfnegen geschoren, twee minuten over half negen in de huiskamer, kus als een klok, goeie morgen, mooi weer. Dampende havermout, één bordje. Twee sneedjes wittebrood met twee sneedjes zwart, zoogenaamde houtsnippen. Negen B. J. R. ENGEL- Mr. J. W. A. VAN BREGT.t EMBDEN.t Te ’s-Gravenhage is in den ouderdom van 74 jaar overleden de heer B. J. R. ENGELBREGT, oud-inspecteur der posterijen en telegrafie, afdeeling Zuid-Holland. — Te Arnhem is in den ouderdom van 69 jaar overleden Mr. J. W. A. VAN EMBDEN, vice-deken van de orde van advocaten, aldaar. HET MIJNENGEVAAR. De bemanning van den trawler „Urania” van IJmuiden had den 20en Februari het „buitenkansje’’ een mijn in zijn korre (sleepnet) op te halen. Gelukkig is de mijn niet ontploft, anders ware de ramp verschrikkelijk geweest. uur opstaan, echtelijke kus, demi afborstelen en aanschieten, hoed op, stok onder den arm (altijd onder denzelfden arm; den hoed trouwens altijd op hetzelfde hoofd) straat uitwandelen atelier of bureau inwandelen. En de andere helft is ook zoo. Als je een minuut over je tijd bent, worden de buren bleek om den neus en gelooven ze, dat de laatste oordeelsdag subiet voor de deur WIE HELPT ZOEKEN? Jos. Jac. Stommels uit Lier, op ’t oogenblik verpleegd door ’t Vluchtelingen-Comité te Rhenen, zoekt zijn dochter MARIA EL1SABETH STOMMELS, die bij het bombardement bij haar grootouders Bogaerts vertoefde. C. F. V. VAN LAUTEN, o.a. winner aan den prijs, uitgeloofd door de officieren van het Hoofdkwartier der stelling Amsterdam, voor de 24 uurbetrouwbaarheidsmotorrit door Nederland, staat..Allen lachten, ook Geldingen lachte zachtjes mede, maar hij bleef steeds zwijgen. Wanneer wij echter nog voortgaan met het opperen van alle denkbare dwaasheden, die het burgerlijke regelmatige leven van den belachelijken kant belichten, zegt de Vrouwenhater eensklaps, halfluid, als voor zichzelven alleen de woorden bestemmend: Het is wellicht toch nog JUBILEUM SPEENHOFF. Den dichter-zanger Speenhoff is bij zijn jubileum door den bekenden schilder Piet van der Hem en anderen, een schilderij aangeboden van Mevrouw C. J. A. Speenhoff-Pnnz, geschilderd door Piet van der Hem. het best voor den mensch, die orde, die regelmatigheid, die zelfzucht. Het andere is slecht voor hem. ,,Ha, ha”, lacht Bong, wat bevreemd om den ernstigen toon van Geldingen, „wat is daar nu voor moois in die saaie dagverdeeling, waarvan alles piecies in elkaar siuiten moet op gevaar af van de menschen anders heelemaal uit den koers te brengen .*..’* „Dat is goed voor kleine zieltjes”, val ik hem bij, „voor menschen, die van het leven niets anders, niets grooters maken kunnen, geen groote hartstocht, geen je-uitleven. Juist een artist voelt dat het sterkst”. „Het is beter, je hartstocht in te toornen,” doet Geldingen met een diep accent van ernst, „je zelven te beheerschen, je als een gareel van dagelijksche gewoonten te maken en daarin te spannen. Dat is de zelfzucht, als je je Voorneemt, je te beheerschen en daarin werkelijk slaagt, kerels, dan sta je zoo sterk en je bent zoo oprecht tegenover jezelf, en zoo zuiver tevreden. Je kunt elk uur van den dag om zooJe zeggen, je eigen onder de oogen komen. Die alledaagsche gewoonten zijn maar niet zoo vanzelf gekomen; het zelfbehoud heeft de menschen ertoe gebracht, en dat doet die schijnbare banaliteit zich ook handhaven. En dat is goed, goed. Geloof me, het is goed. Het andere voert tot slapte, tot slechtheid.” Geldingen zwijgt. Terwijl hij sprak is een vreemde stemming over ons gekomen. We willen allen iets opperen om zijn inzicht te bestrijden, doch iets onzekers doet ons zwijgen. Gedurende, de stilte nu zijn ons aller oogen vol aandacht op hem gericht. Zijn groote donkere figuur beweegt als pijnlijk tegen den lichteren kamerwand in den rossigen schemer, en ineens met een halfluide stem, ook een schemer bijna, gaat hij spreken, We zijn allen ontroerd, want deze man, wiens zwijgen, we wisten het, veel levensleed bedekt had, ging dat zwijgen nu op dezen wonderlijken avond verbreken : we zouden zijn leed zien. „Ik heb,’’ zoo begon hij zijn verhaal, „ik heb ook eens zulk een hartstochtelijke liefde gekoesterd voor een vrouw, en tijdens mijn omgang met haar me in die liefde zoo uitsluitend verdiept, haar zoo tot mijn geheele bestaan gemaakt, dat ik me absoluut in haar macht gegeven had. Ze liet me die macht op de gruwelijkste manier gevoelen, en dreigde me herhaaldelijk van mij weg te gaan als ik niet aan elk van haar grillen toegaf. En ze had het gedaan ook. Zonder haar hand ervoor om te draaien had ze om een luim met een glimlach me voor eeuwig den rug toegekeerd; dat wist ik; dat voelde ik eiken dag, elk uur, elke minuut als een afschuwelijke, doodelijke bedreiging boven mij, en dat maakte mij nog laffer, nerveuzer, karakterloozer,” Even beeft de stem in de schemer, een paar seconden zwijgt zij geheel. Dan, vaster wederom, vervolgt die menschelijke, diepe stem: „Wij maakten vreeselijk veel geld samen op. In alle schouwburgen en vele café’s kenden ze ons als vaste royale bezoekers. En dan, wat haar kleeren kosten, en ook de mijne. Ik had vroeger nooit van mooie kleeren voor mijzelf gehouden, had altijd op de dandy’s onder de vrienden als op domme nuffen afgegeven, maar voor haar kleedde ik me als de meest opvallende dandy .... maar .... Haar kleeren.........Wat die kostten is ongeloofelijk. Wat ons geheele leven op die manier kostte, is fabelachtig. Ik begrijp niet hoe dat nog een half jaar achtereen heeft kunnen duren. Ik had wel veel middelen om aan geld te komen; ik leende bij rijke vrienden en familie, en, onder allerlei voorwendsels groote bedragen van mijn vader, die veel van mij hield en altijd maar gaf. Hij dacht dat ik het met mijn vele vrienden in losse leutigheid maar niet in slechtheid vertceide. Gejaagd kwam ik altijd bij hem; soms was het om duizenden tegelijk. Op het laatst durfde ik niet meer, telkens wanneer die goeie ouwe, goed, misschien wel zwakke vader het mij weci gaf, zwoer ik dat het de laatst maal was, maai zij zat thuis op me te wachten, en als ik geen geld bracht, beleedigde ze me en hoonde ze me zoo afschuwelijk, en stiet zo me van haar weg. Mijn vader kreeg echter meer en meer argwaan. Telkens als ik weer kwam. keek hij me dringender aan met zijn groote, goede oogen. en dan waarschuwde hij me telkens. „Jongen”, zei hij dan, „je doet er toch geen kwaad mee?” „Nee, vader", zei ik dan natuurlijk altijd, „Je mag gerust uitgaan hoor, ik heb toen ik op jouw leeftijd was ook wel soms te veel geld verteerd; ik geloof dat het de traditie in onze familie is. Enfin, we hoeven, Goddank, niet op een paar honderd gulden te zien. Als ik maar wist, dat het niet tot je nadeel is, zooals je het gebruikt, jongen.” Ik zei dat het dat niet was, onveranderlijk telkens zei ik natuurlijn Prof. Dr O. LANZ. J. C. THEYSSEN ’ Op uitnoodiging van het Pruisische Kriegsministerie heeft Prof. Pr. O. LANZ, van half December tot half Januari de leiding op zich genomen van een lazaret in Trier. — Te Rotterdam is in den ouderdom vat.o9jaar overleden de heer J. C. THEIJSSEN, oud-commissaris van politie aldaar, ridder in de orde van Oranje-Nassau. DE VROUWENHATER
PDF
Nummer
1915, nr.17, 26 feb. 1915
Blad
07
Tekst
13.5 PANORAMA datzelfde, en hij gaf me het geld. Maar de sommen werden telkens grooter en vader ging me wantrouwen. Tot op *n keer. Op ’n keer. ,., Weer aarzelde de stem in den schemer. Slechts kort echter, want temidden van ons ademloos luisteren, zette zij weer in: Op ’n keer was ik zonder dat zij het wist weer naar mijn vader gegaan, ze had me den Iaatsten tijd herhaaldelijk bedreigd van mij weg te loopen, en ik was radeloos van angst, dat zij haar bedreiging ten uitvoer zou brengen. En ze zou dat, ze zou dat. Alleen, zoo viel het me als een uitkomst in mijn ellende in, — alleen als er geld was, zou ze wellicht goedertieren voor me zijn. En ik ging naar vader om geld te vragen. Ditmaal aarzelde hij meer dan den vorigen keer; hij had een vermoeden dat het verkeerd met mij liep. Hij zei geen woord, en keek mij lang en vorschend aan. Toen stond hij ineens op. Hij was een vreemde man. Mijn moeder was toen al twee jaar dood, en al dien tijd, ieder uur dacht hij aan haar; hij had ontzaglijk veel van haar gehouden, hij leefde van hare nagedachtenis, van de herinneringen der jaren vol geluk met haar samen doorDe Groote Zaal van Pulchri Studio, waar de plechtige opening plaats Koningin was gezeten op den vooraanstaanden fauteuil, er achter bevonden zich c en de verdere dignitarissen. leefd. Ook ik had veel van haar gehouden; zij was het geluk van mijn jeugd geweest; later had ik als de meeste jongens op den leeftijd van plezier-maken ma wel eens wat verwaarloosd, maar in mijn gevoel was zij altijd een engelachtig wezen gebleven, en haar dood was ook voor mij een schrikkelijke ramp. Vader had zich na haar sterven langen tijd opgesloten in zijn eigen kamer, maar gaandeweg had hij de alledaagsche levensgewoonten weer aanvaard, zijn dagverdeeling was die van vele heer en van zijn leeftijd. Maar één gewoonte was minder banaal: iederen middag ging hij naar moeders kamer. Daar stond een bidstoel, dien zij, vrome vrouw als ze was, dagelijks gebruikt had. En erboven hing een oud, verguld beenen crucifix. Na haar dood knielde vader, die nooit tijdens haar leven gebeden had, eiken dag een poos op dien bidstoel neer, en.... hij bad. En het moet wel tot haar zijn geweest dat hij bad, want zij was zijn heilige, zijn Gcd. Dien dag dan, toen ik hem weer geld vragen kwam, deed hij, zooals ik zei, heel wonderlijk. Hij ging de kamer uit, en kwam terug met het beenen crucifix van ma. Ik begreep niet wat hij doen wilde. Zijn gebaren waren ► OM DER WILLE < ► VAN EEN VROUW < ( Vervolg). Q koetsiers van de postkarren behoefden hun paarden niet meer aan te sporen als ze het bruggetje passeerden en den heuvel opreden, veeleer moesten ze hun paarden intoomen, terwijl de reizigers fluisterend elkander verhalen deden of vragen stelden. En iederen avond, voordat hij de herberg sloot, stapte Simon Abbyshaw naar buiten tot bij het grasveld aan het brugje en riep met luide stem : „Goeden nacht, boer Hayes 1” Maar de man, die daar hing aan de galg, gaf geen antwoord, slechts de kettingen waarin hij hing rammelden, heen en weer bewogen door den wind. 1) De misdadigers in Oud-Engeland werden, in den tijd waarin ons verhaal handelt, niet zooals bij ons te lande aan een strop om den hals, maar in ijzeren ringen en kettingen, een soort van kooien, opgehangen. Ze bleven daarin jarenlang hangen ten prooi en vaak tot schuilplaats dienende van roof- en andere vogels. Zoo kon men in 1808 in Saxilby het cadaver van een moordenaar zien hangen in welks hoofd een negental meesjes hun nest hadden gebouwd. Een ongevoelige snaak maakte hierop het volgende* raadsel: In één hoofd tien tongen, ’t is waar sapperloot! Een negental levend en één is er dood. Ik liep gauw naar huis toe en haalde wat brood. Als voer voor de levenden thuis bij den dood ! Onbegrijpelijk is het dat in de onmiddellijke nabijheid van zoo’n luguber voorwerp, dat zich meestal op een eenzame plek bevond, steeds een herberg gevonden werd, waarvoor de bengelende moordenaar vaak als reclamemiddel diende. In de nabijheid van Caxton bevond zich zelfs een herberg, die blijkens haar uithangbord den weinig aanlokkelijken naam van „Galgherberg” voerde. De aankomst van H M. de Koningin bij Pulchri Studio. Kunst en Weldadigheid in Pulchri Studio. I n ons vorig Panorama-nummer hebben wij uitvoerig geschreven over de groote nationale tentoonstelling waarvoor Pulchri-Studio j.1. Maandag zijn aiesteit. omgeven en de mannen, die Haar verder in deze moeilijke dagen zoo krachtig tot hulp zijn, aanwezig was, maar evenzeer ook om de stemming, die heerschte: Dit maal geen vroolijke feeststemming, zooals Pulchri die zoo vaak binnen zijn wanden gekend heeft. Wel was er een breede schaap van mannen en vrouwen uit de eerste kringen van de Hofstad, zelfs uit geheel ons land, aanwezig en merkte men verschillende bekende kunstenaars in het gezelschap op. Doch iedereen begreep, dat voor een gelegenheid ais deze de ernst gebiedend moest zijn. En zoo waren ook ae toespraken. Jhr. Mr. W. Roëll, de voorzitter van het tentoonstellingscomité, sprak het inleidende woord. Hij dankte allen die tot het welslagen van deze onderneming hadden bijgedragen. In de eerste plaats H. M. de Koningin, dan de Autoriteiten, de groote schare particulieren, die door hun geschenken de tentoonstelling mogelijk maakten, de Kunstenaars-genootschappen. wier leden er zeker wel het meeste toe hadden bijgedragen. Het was een lange rij van erkennen, wat een gelukkig verschijnsel is, daar hieruit toch sprak, welk ’n animo en sympathie voor deze tentoonstelling bestond. Gelukkig is het en niet verwónderlijk toch. De opbrengst is immers bestemd voor het Koninklijk Nationaal Steuncomité behalve een zeker percentage, dat den lijdenden kunstenaars ten goede komt. een niet minder sympathiek doel. Over het Steuncomité sprak daarna MinisterTreub en zijn rede, in haar aangenaam aandoende soberheid maakte meer indruk dan een woordenspel vol schittering had kunnen bereiken Er is geholpen ja: doch er moet veel meer gedaan worden. Dus de hand aan den ploeg. Dat was de quintessence van ’s Ministers speech. Na de openingsplechtigheid wandelde Hare Majesteit, in wier omgeving ook de opperbevelhebber zich bevond, door de zalen, belangstellend het vele beschouwend, waarin zij zoo bereidwillig had bijgedragen. In een keurig theesalonnetje gebruikte Zij eenige ververschingen en kocht een aantal loten. Haar voorbeeld werd door velen der aanwezigen gevolgd. Het verheugt ons aan het slot van dit korte overzicht te kunnen melden, dat het Hare Majesteit behaagde den directeur onzer Uitgeverszaak, den Heer A. W. Frentzen, te ontbieden. De Heer Frentzen dankte deze onderscheiding aan het feit, dat de directie van A. W. Sijthoff’s Uitgevers Mij. den Catalogus bereidwillig had aangeboden. De Catalogus met zijn fraaie Rotogravure-prenten, door de Ned.-Rotogravure Mij. te Leiden eveneens bereidwillig ter beschikking gesteld, is ontegenzeggelijk een fraai geheel en een goede herinnering aan deze unieke tentoonstelling. Moge de opbrengst van dezen Catalogus, welke ook in den boekhandel a f 1.— verkrijgbaar is, een flinke bijdrage ten bate van het Kon. Nat. Steuncomité opleveren. Tot onze spijt was er geen gelegenheid, het comité in zijn geheel te fotografeeren. Tot ons groot genoegen gelukte het ons evenwel toch nog vier der steunpilaren dezer tentoonstelling op de gevoelige plaat te vereeuwigen. V. I. n. r. de Heeren: Willy Mariens, Mr. C. Ridder van Rappard. Jhr. Mr. Dr. W. Roëll, J. A. Frederiks. De meisjes in het dorp ontweken sedert Nancy Morton. Als de rechter het noodig gevonden had haar gedrag openlijk te laken, was dit voor haar dorpsvriendinnen voldoende reden om zich niet meer met haar in te laten. Hoewel Simon Abbyshaw boer Hayes eiken avond aan het brugje goeden nacht wenschte, zooals hij dat vroeger honderdmaal gedaan had, als zijn vriend de gelagkamer verliet, begon hij zich toch verlaten te gevoelen en wandelde daarom vaak naar het dorp. Zijn wandeling had steeds het zelfde doel: het huisje van Nancy Morton. „Het is daar zoo eenzaam,” zei hij de eerste maal dat hij kwam bij wijze van excuus. Dit was echter niet noodig, want de moeder van Nancy hield wel van een babbelpraatje en had groote achting voor Simon Abbyshaw. Op een avond vond hij Nancy alleen. Zij was bezig aan het maken van een japon en hij keek eenige oogenblikken stilzwijgend naar haar ijverige, vaardige handen. „Nancy,” begon hij eindelijk, „hield je veel van dien zeeman ?” „Niet bijzonder, mijnheer Abbyshaw ! Waarom vraagt u dat ?” „En ook niet van Hayes?” „Neen 1” „En is er niemand anders ?” Ditmaal gaf ze geen antwoord. „Nancy, jarenlang heb ik over je hooren spreken dan plechtig als van een priester die de mis op draagt, hij legde het crucifix voor me op tafel, en zei met bevende stem: „Jan, zweer me bij de nagedachtenis van je moeder, dat je me niet bedriegt.” Ik was vreeselijk ontsteld. Vader, doodsbleek, ging in zijn stoel zitten, en keek me maar aldoor strak aan. Mijn strijd duurde niet lang, ik legde mijn hand op het crucifix en ik zwoer, terwijl ik vast mijn vader in de oogen keek. „Dan is het goed, brak de oude man uit, en hij sprong uit zijn stoel, en kuste me hartstochtelijk. Hij ging dan het geld halen en kwam eerst nog eens terug om mij te kussen. „Kind”, zei hij, „zoolang de herinnering aan ma nog als een heilige tusschen ons leeft, kunnen we niet anders dan goed zijn, allebei”. Haastig ging hij dan het geld halen. Onbeweeglijk bleef ik staan, ik had de kracht niet om mij te roeren. Ik voelde mij als een Judas. Een seconde lang heb ik de begeerte in me voelen opkomen mijn eed te herroepen en het geld niet aan te nemen, maar, God, dan zag ik haar dreigend gezicht weer voor mij, en hoorde ik haar weer zeggen, dat ze de handen van mij aftrok, wat mijn doodvonnis was. En ik aarzelde niet meer. Toen vader me het geld bracht, nam ik het De Witte Zaal met de inzendingen van H.M. de Koningin. als versuft aan. Ik was physiek ellendig van het gebeurde. Met een vasten, een bijna dwazen vasten handdruk namen we afscheid. Het was of bij mijn weggaan het huis mij nagilde. Ik voelde, dat ik een gewetenlooze slechtaard was. Maar in mijn ziel was één hoop, en dat maakte alles, alles goed: ze zou straks als ik met het geld thuis kwam, weer wat beter, vriendelijker voor me zijn. De stem zweeg. En wij waren allen zeer ontroerd, zooals we daar bij eenen zaten in de schemering. En onze ontroering werd nog grooter, wanneer de stem, na eenige seconden zwijgens, maar intusschen zeer veranderd, als verouderd, in die paar seconden, als strompelend zei: Toen ik thuiskwam, was ze weg. Weg voor goed. De grootste laagheid van mijn geheele leven had ik voor niets begaan. Nu zwegen allen, en hoonend kerfde de stem door den schemer: Dat is alles. Verwacht niets meer, vrienden. Dit is alles — Of is het niet genoeg?. . . . De Vrouwenhater had ons dien avond zijn tot dan toe steeds verzwegen leed eindelijk verteld. S. door den een, dan door den ander, als het liefste, mooiste meisje uit den ganschen omtrek en hoe menige jonge borst tot over de ooren verliefd op je was. Toen kwam boer Hayes met zijn bewering dat hij je trouwen zou en gat mij iederen avond, als hij met zijn pijp en zijn ale in mijn gelagkamer zat, de gloeiendste beschrijvingen van je, alsof ik zelf je nog nooit gezien had. Al dien tijd, Nancy, was ik even gek op je als alle anderen. Had ik dan ook geen oogen om je schoonheid te bewonderen ? Had ik dan geen hart om je lief te hebben. Ik was al dien tijd zoo krankzinnig verliefd op je, dat ik den grond benijdde, waarop je liep.” Het meisje had haar werk laten vallen gedurende deze hartstochtelijke bekentenis en een vurige blos kwam op haar bekoorlijk gezichtje. „U heeft mij dit nooit gezegd, mijnheer Abbyshaw,” zei ze. „Maar nu, Nancy, nu zeg Ik het 1 En wat zeg jij nu je het weet ?” „Ze noemen mij harteloos,” ging ze voort met een snik. „Die rechter loog, toen hij sprak, zooals hij deed!” barstte Simon woedend los. „Als alle mannen dol op je zijn, is ’t toch jouw schuld niet. Jij kunt het niet helpen en zij ook niet.” „Wil je zeggen — meen je werkelijk ze aarzelde. „Ja, ofschoon ik het ellendig vind voor mijzelf.” „Waarom, Simon ? Heb ik dan „neen” gezegd ?” „Is ’t „ja”, liefste?” riep hij uit, buiten zichzelf van geluk. „Als je me liefhebt,” was het antwoord. Wat gaf dat een gepraat en jaloezie onder de jongelieden in het doip, toen bekend werd, dat Simon Abbyshaw met Nancy Morton in het huwelijk zou treden. In den nazomer, toen het goudgele graan wachtte op den dorscher, had het huwelijk plaats en nimmer stonden er een schooner bruid en een stoerder bruidegom in de kleine dorpskerk. (Wordt vervolgd).
PDF
Nummer
1915, nr.17, 26 feb. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 136 VOOR DE MILITAIREN. De Centrale Sportcommissie heeft te Amsterdam een goedgeslaagden sportavond gegeven voor het Amsterdamsche garnizoen. Onder de aanwezigen werden o.a. opgemerkt Cen.-Maj. A. R. van Ophorst, comm. der stelling Amsterdam, Dr. N. M. Josephus Jitta. waarn. Burgem., Vice-Adm. G. F. Tydeman, comm. der Marine te Amsterdam. DE AMSTERDAMSCHE BRANDWEER. De commandant van de Amsterdamsche brandweer, de heer J. Meier, heeft om gezondheidsredenen zijn ontslag ais zoodanig aangevraagd. Waarschijnlijk zal hij tegen Mei uit zijn functie treden. Een kindervoorstelling bij Carré, lk had er ai lang op gevlast, hè. Gunst, geen mensch weet hoe ik daar nu mijn ouwe zinnen op had gezet. Én ik heb het eindelijk gedaan. Nou en spijt heb ik er niet van. Louter leutigheid is in mijn herinnering gebleven, een heerlijke frissche nasmaak ais van een lekkere frambozenlimonade op een mensehen-poffenden zomermiddag. ’n Kindervoorstelling bij Carré! Het is. het is ... . neen. neen. ik beken het liever eerlijk en het kan me voor dezen keer nu eens niet schelen, hoe de mensehen mij vinden : liet is in één woord: gelukzalig. Ja, niks meer en. vooral ook, niks minder. Het begon al dadelijk bij het binnenkomen. Nauwelijks was ik erin of ik was „erin**, ganseh en al erin. De stallucht bedwelm Consul Patsy aan tafel. Consul Patsy legt de laatste hand aan zijn nachttoilet. de mij als een wonderbaarlijk parfum, lk gnuifde, ik voelde mij doorstroomd van een extaze, als. waartoe ik mijn ietwat versleten sentiment niet meer in staat had geacht. Ik voelde mij waarachtig weer een kind. en ik verbeeldde me dat deze Woens dagmiddag mijn vrije schoolmiddag was. Weer herleefde in mij de haat aan Versluvs’ meetkundige vraagstukken en de onregelmatige werkwoorden, bliksemsnel, en gelijktijdig daarmede duizelingwekkend diep geluk, omdat deze en aanverwante folterwerktuigen hadden afgelaten op mijn vrijen Woensdagmiddag, en ik, o tegenstelling, mij vermeien zou in het kostelijk milieu van een paardenspel met al deszelfs dierbaarheden ik jubelde als een jubelaris Ik juicht»'. Mijn lichaam was vederlicht in mijn gevoel. Nou, vederlicht is wat sterk. maar. het is nu voorbij en ik kan bet wel zeggen. maar ik geloof, dat ik dien middag geen honderd pond woog. Zoo aap-gauw was ik in mijn bewegingen, zoo licht van tred. lk was op end' op een kwajongen. Hèèèèè . . En toen ik in den groot en spiegel van de hall zag, dat ik een lange broek aan had en een kaasbolletje óp. geloofde ik aan een smakeloos fatamorgana. Zware gordijnen werden opgetild door een menie-rooden portier. en daar lag voor mij in het neergutsende licht der electrische lampen, een cirkelronde zandvlakte, gelijk een Sahara zoo weidsch in (Ie heet»* Afrikaansehe zon. Het tooneel op den achtergrond is met zijn stijl volk» omlijsting als een reusachtige pendule zonder wijzerplaat. In een geheimzinnige loge boven den stal-ingang zit een rood geuniformd orkest zoo te blazen en te strijken en te pauken en te trommelen, dat het dansen mij nader was dan het loopen. Ik kon het waarlijk niet helpen. Het was sterker dan ik. Ik trippelde naar een open plaats tusschen honderden en honderden jongens en meisjes, door hun ouders, voogden en opvoeders geflankeerd en overschaduwd. Nauwelijks ben ik gezeten, (en ik vermoed dat men daarop gewacht heeft,) of daar verschijnt een staf van schitterende pikeurs, in groen laken : met klinkklaar goud overgoten. Zij groepeeren zich voor den stal-ingang, ter rechter- en ter linkerzijde, en uit den donkeren stal komt gelijk een duveltje . . of liever, een engeltje uit een doosje een mamzelletje schits te voorschijn. Ze heeft geen rokken aan als andere mamzelletjes, maar een soort van tricot en verder lijkt ze wel een kerstboom, zoo overstrooid van blauwe, roode, gouden en zilveren loovers. Ze steekt een paraplu op, hoewel het kurkdroog is, en ze gaat op een koord loopen; ze doet de paraplu neer en gaat touwtje springen, wat haar toch ook weer gauw verveelt, want dan gaat ze weer fietsen, (allemaal op dat koord). Maar ook van het fietsen heeft ze gauw haar bekomst, en dan scheidt ze er heelemaal uit. Vreeselijk geklap en gejubel. En het levende kerstboompje komt terug om kushandjes te geven, en dat was echt honneponnig. Neen maar. daar komt me een wonderlijk kereltje de Sahara binnen. Dit is de kleine Cohn; met zijn hoogen hoed erbij komt hij nog niet eens aan mijn broekzak. Als hij op een turf staat, kan hij best over een aardappel heen kijken. Maar in de lengte zit t ’m toch ook niet. want hij vertoont kunststukken, waarde lange pikeur met wien hij aldoor staat te smoezen, waarlijk een punt aan zuigen kan. Hij heeft ganzen afgericht en laat ze marcheeren voor hem als recruten. Rechtsom, keert. Linksom, marsch; uit de flank zus en zoo. En de andere helft is net zoo. Het jeugdige publiek lacht en roept en is opgetogen onderbet vriendelijk waakzaam oog der begeleiders. De kleine Cohn, allemachies in zijn sas om de pret van de kinders. buigt nu tot afscheid en dan komt er, ja het is toch wat dan komt er een hond hem, nu ja wel niet de kroon, want die heeft hij niet. maar in elk geval den hoed van het hoofd rukken. Een Cowbov komt nu binnenrijden. Het is net een groote padvinder; ook zoo’n flaphoed en halsdoek en Khaki hesje; in vollen galop Buigt hij zich naar den grond om met evenveel plezier rijksdaalders als zakdoeken op te rapen, hoewel de waarde toch nogal verschillend is. De reuzen-padvinder is op zijn best den stal binnengereden, of een zekere, of beter gezegd, een onzekere Mr. Hu hert, een koddig stukje mensch. met een soort van ransel op eten rug, uitpuilend in zijn geruite waterproof, meldt zich aan. Hij bestelt een paard en kruipt erop, achterstevoren, en vraagt waar het paard zijn kop is. Men brengt hem aan zijn verstand, dat hij andersom moet gaan zitten, en bij doet dit. de stakkerd, waarschijnlijk niet wetend wat voor hem in het vet is. n. 1. een ijselijke val. We hielden allemaal ons hart vast maar hij niet. Hij stond allang weer recht overeind op zijn hoofd te krabbelen, en zei dat het nooit gebeurd zou zijn als het paard niet zóó kort was geweest, dat hij van het kruis wel af moest vallen. En nauwelijks is het eene aangename geval afgeloopen of een nieuw verrijst aan den horizon. De nummers volgen elkaar snel op. en er is te veel om u van alles te verhalen. De gedresseerde Arabisch»' paarden en kameelen. de kittige wel afgerichte poney’s de geestige honden en de verstandige olifanten zal ik niet uitvoerig aan u presenteeren. Laat mij volstaan, met te zeggen, dat het allemaal even echt en emmes was. Paarden boksten met clowns, honden duikelden kopje, poneys sprongen touwtje, het was een lieve lust, al die bedrijvigheid, en het was zoo erg met de knappigheid van al deze gedierten, dat niemand meer erg ontsteld zou zijn geweest, als een kameel plotseling al de maanden van het jaar uit zijn hoofd had opgezegd, als een hit een heel hoofdstuk uit den bijbel in het zand geschreven had of de olifant het „Wien Neerlandsch Bloed*’ ten beste had gegeven. Nog werd ons vertoond een school-scène. waarin vier stoute jongens en meisjes er aldoor op uit zijn om hun braven onderwijzer in poelen van ellende te dompelen en vroegtijdig ten grave te sleepen. En de deerniswaardige paedagoog, geassisteerd door zijn schoonmaakster, weet er niets beters op dan de ongezeggelijke schavuiten maar aldoor af te ranselen ; hij doet niet anders dan ranselen gunt zich nauwelijks den tijd om te eten, elke seconde van zijn paedagogenlevcn. die hij niet heeft benut om een zijner discipelen een pak slaag te geven, is voor hem een verloren seconde. Hij ranselt maar het helsch spektakel kronkelen De kleine Cohn met zijn gedresseerde ganzen. steeds voort, en te midden van De kleine Cohn ontbiedt een pikeur bij zich. en krimpen en kruipen zijn beklagenswaardige slachtoffers over den muilen zandvloer. tot groot vermaak van de kinderen uit het publiek. Doch den meesten bijval mi .sehien van allen vond Consul Patsy. de aap, die zoo goed of zoo kwaad als een mensch is. Hij draagt een beige paletot, een pet en een flanellen pak. Hij eet met mes en vork. schenkt zich een glas wijn in en drinkt het leeg, hij steekt een sigaret aan. en kleedt zich eigenhandig uit. om even eigen handig in bed te stappen. Ongelooflijk, mensch. ongelooflijk. Zoo iets moet je gezien hebben. En ik hèb het gezien. Wat een keurige manieren. Een complete le$on de maintien. en kosteloos. De kinderen vergaapten zich eraan, en bewonderden. De opvoeders waren een tikje geschandaliseerd. Het leek. zoowaar, wel een keurig net jongmensch, dat apebeest. Het beeld der be schaving. Totdat het op een oogenblik tusschen een keurig hapje en een delicaat slokje zich op het beschaafde hoofd ging zitten krabbelen. De kinderen gilden van pret. en beloonden den ('onsui Patsv met luid applaus, maar de Consul keek niet meer om. liet zich in een wollen deken rollen en wegdragen........ Wat ’n middag, wat ’n middag, daar bij Carré. Kinderen, groote en kleine, toen het uit was. kostte het mij moeite om afscheid te nemen. Evenzeer als thans van n. nu ik erover aan het vertellen sloeg. Maar het moet. Alle dingen hebben een eind, en een worst twee, zei Fritz Reuter. Dus, saluut. CITTADINO, TENTOONSTELLING SAN FRANCISCO. In de Delftsche Aardewerkfabriek vh. Thooft & Labouchère, waren gedurende een paar dagen uitgestald de Tegel-tableaux, bestemd om te worden aangebracht in drie der gevels van het Nederlandsche paviljoen op de tentoonstelling te San Francisco. Bovenstaande foto geeft het Wapen van Nederland (ontwerp Kromhout). ALEX FAASSEN, de bekende tooneelspeler, hoopt aan het einde van deze maand zijn 50-jarig tooneeljubileum te vieren. TENTOONSTELLING SAN FRANCISCO. N>g een tegel-tableau uit de Delftsche Aardewerkfabriek vh. Thooft &. Labouchère, voorstellende de Scheepvaart (ontwerp Senf). Ongetwijfeld in deze moeilijke dagen zeer toepasselijk. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN,
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1396 tot 1400 van 11897