|
127
droomenden toestand van gevoelloos egoïstisch
voortleven !
„Bemin, zoo lang gij minnen kunt!”
zingt in het naaste vertrek een jeugdige,
frissche stem, die men het aanhoort, dat de
eigenares alle begrip van liefde ontbreekt.
Het is ook zoo natuurlijk ! Wat weet de
jeugd van de smart van het zelfverwijt?
Eens komt de dag vol rouw en smart,
Waarin de dood u treedt op ’t hart.
Emma rees verschrikt op — een siddering
overviel haar. Is de dag van heden dan een
dag van openbaring voor haar? Wat lijdt zij
onder dat visioen.
Dood 1 - Hij dood ! — Uitgebluscht de
goddelijke vonk van zijn geest, die trots alle
lichamelijk lijden zooveel schept tot geluk
van anderen ! — Koud en star dat edele ge
zicht, gebroken die verwijtende, moede oogen.
Een siddering grijpt haar aan. De gastheer,
die juist voorbijkomt, bemerkt het.
„Zijt ge ziek, mevrouw?” vraagt hij deel- <5\
. nemend. — Zij is niet in staat antwoord te geven. Haar
oogen staan vol tranen.
,,Heeft iemand u beleedigd ?” roept hij verschrikt uit.
„Neen, neen.” klinkt het eindelijk met moeite van haar
lippen. ,,Het is alleen, mijn . . . man ... ik kan het met
woorden niet zeggen, maar, als ik alles om mij heen in
vreugde en geluk zie . . . en . . . hij . . . hij . .
Zij kon niet verder spreken.
„Ik verlang naar huis,” steunt zij eindelijk.
De gastheer drukt haar stilzwijgend de hand. ,,Ik begrijp,”
zegt hij vol achting voor haar smart. „Uw rijtuig
zal dadelijk voor zijn.”
OM DER WILLE
VAN EEN VROUW
ï 11.11 lilllIllllliintillllIilllhhitillllillhhiiHttiilihihiliMitlliüllihüHtllllIlhlhHiDlliiKHillliiHtllldlillti11111É
(Vervolg).
§^ater,” antwoordde de zeeman. ,,Ik heb hier
een meisje, ’n pracht ’. zoo stevig in d’r want
als een zeeman maar wenschen kan. Die ga
ik eerst opzoeken.”
,,Je zou haar welkomer zijn als je wat geworden
was in dienst, niet?” opperde Hayes.
,.Vrouwen zijn raar volk. die kun je nooit begrijpen,”
hernam de matroos op luchthartigen toon. „Ze heeft liever
mij in mijn pikbroek dan alle goudgeborduurde heeren
van de'vloot. Zoo is Nancy Morton.”
..Nancy Morton ?” riep boer Hayes verwonderd uit.
..Bedoel je Nancy Morton die hier op ’t dorp woont?”
vroeg nu Simon.
De zeeman knikte.
„Ze heeft blauwe oogen en haar zoo goudgeel als rijpe
korenaren.”
,.Oogen als de blauwe zee dat is ze.”
„En d’r lach is als muziek.”
,,Ja. dat is ze, dat is Nancy ! Maar natuurlijk, je moet
haar kennen. Ik vergat dat we dicht bij haar dorp zijn.”
„Het is hetzelfde meisje,” zei Simon tot boer Hayes, die
blijkbaar niet in staat was een woord te zeggen.
„Jij ... jij ... .” barstte Hayes los, doch de woorden
bleven hem in de keel steken.
„Wat is er met hem aan de hand ?” vroeg de matroos.
„Het is hetzelfde meisje, waarop hij verliefd is,” antwoordde
Simon.
„Ze heeft hem toch niet aangemoedigd, is ’t wel ?”
„Niet dat ik weet.”
„Het spijt me voor je, meester,” zei de zeeman, terwijl hij
oprees en Hayes aanzag met een blik vol vertrouwen, die
aan de vooruitzichten van den boer weinig goeds voorspelden.
„Ik ga opstappen en zien of alles nog goed is.
Goeien avond jullie samen.”
Zoodra de zeeman vertrokken was. wilde Hayes hem
volgen.
„Blijf hier, Hayes,” zei Simon. „De ale zit in je hoofd en
je begaat een ongeluk.”
„Verhinder me niet, Simon Abbyshaw, om naar Nancy te
gaan. Heeft ze me niet zoo goed als aangenomen en heb ik
al geen maanden lang gespaard ?”
„Blijf hier tot je kalm bent,” herhaalde Simon. „’t Is een
goede raad 1 ’ ’
„Geef hem dan aan dengene die er je om vraagt,” en
de boer uitte een gesmoorden vloek en zwaaide de deur uit.
Simon keek hem eenige oogenblikken na; toen trad hij
huiverend naar binnen en sloot de herberg.
De volgende morgen kwam, helderen koud. en vond Nancy
Morton zingende bij haar werk. Ze was een lieve, vroolijke
meid, die slechts in het heden leefde en weinig over de
toekomst dacht.
En als de jongens haar boven de andere dorpsmeisjes
het hof maakten, waarom zou zij zich dan bekommeren
over een afwezigen minnaar ?
GOEDE EN GOEDKOOPE WONINGINRICHTING.
Z
iehier een onderwerp, dat meer en meer de belangstelling wekken gaat.
En terecht. Te lang reeds zijn, wie niet uit ruime beurs konden putten,
opgeknapt met allerlei leelijke meubels en huiselijk gerei. Lang heeft men
beweerd, dat het goede, mooie, eenvoudige, slechts voor veel geld te krijgen
was, doch dit is slechts een betrekkelijke waarheid: in allen geval behoeft,
wie weinig besteden kan, zich niet tevreden te stellen met de onredelijke,
leelijke dingsigheden, die men in het meerendeel der winkels er op nahoudt
en den argeloozen kooper aanpriist; te goeder trouw, best mogelijk: maar heeft men ze eenmaal aangeschaft, dan zit men er mee opgescheept
voor een groot deel van zijn leven.
Teneinde nu een beter inzicht in het meubelen en inrichten van eenvoudige
woningen te brengen, houdt mevrouw Leliman-Boseh uit Amsterdam
voor de afdeelingen van het „Nut van het Algemeen” zeer leerrijke
voordrachten, en, wat meer is, thans werd door deze dame een verzameling
van behoorlijk, menigmaal zelfs zeer aangenaam uitziend meubel- en versiermateriaal
bijeengebracht, en worden hiermede door haar kleine tentoonstellingen
georganiseerd op verscheidene plaatsen. De eerste tentoonstelling
werd een dezer dagen te Amsterdam gehouden, en wel in „Ons Huis”, die
nuttige stichting, welke al zooveel voor de ontwikkeling van den arbeidenden
stana heeft gedaan. De tentoonstelling vond zeer veel bijval. Gedurende
anderhalven dag was zij opengestëld en er kwamen in dien korten tijd
meer dan duizend bezoekers, en vooral bezoeksters, die zich gaarne door
mevrouw Leliman lieten voorlichten. Wij juichen hartelijk dezen aesthetischen.
socialen arbeid toe, en twijfelen niet of gaandeweg zal het goede doel
bereikt worden: „de nieuwe woningen, die, dank zij de Woningwet, alom
in den lande verrijzen, en die de Volkshuisvesting zoozeer verbeteren, tot
haar voile recht te doen komen door een passende inrichting."
Wij raden een ieder onzer lezeressen en lezers aan, wanneer dt „reizende"
tentoonstelling de plaats hunner inwoning aandoet. er eens een kijkje te
gaan nemen. Het is ng ook niet uitsluitend de arbeidende klasse, die baar
voordeel kan doen met het bezien der aangename; eenvoudige en goedkoope
voorwerpen, welke daar bijeen zijn gebracht, en met de inlichtingen,
welke men er gaarne geeft. Onze kieken van de tentoonstelling zullen zonder
twijfel ons woord van opwekking nog beter ingang doen vinden.
Hieronder vinden onze lezeressen eenige zeer behartigenswaardige wenken,
door mevrouw Leliman-Boseh gegeven.
Laai de ruimte en de inrichting uwer kamers strekken ten gerieve van
de bewoners. Offer het gemak en ae gezondheid niet op aan het huisraad.
Laat u door verkeerden schroom voor uw eenvoudig bestaan vooral niet
verleiden tot valschèrtf schijn en wrakken opschik. Bij een eenvoudige leefwijze
behoort een eenvoudig tehuis. Duldt, evenmin als ge dat van uw
kennissen zoudt dulden, van uw meubels geen onwaarheid en bluf.
Laat bij het inrichten uwer woningen het gezonde menschenverstand
werken. Bedenk daarbij, dat de inrichting der vertrekken voor het gezin
bestemd is en dus beantwoorden moet aan zijn smaak, zijn liefhebberijen,
zijn levenswijze, zijn gewoonte.
Laat ieder voorwerp in uw huis bruikbaar, sterk en gemakkelijk in onder
houd zijn en laat daarmede gepaard gaan een goeden vorm en goed
samenstemmende kleuren.
Laat u niet door vooroordeel weerhouden om af te wijken van sleur en
mode. Durf een nieuwe oplossing te aanvaarden, wanneer ze practisch en
goed is, zonder u daarbij van de wijs te laten brengen door bedillige,
vasthoudende kennissen en buren.
Laat u leiden door de gedachte, dat het karakter van uw woninginrichting
van onmiskenbaren invloed is op uw huiselijk leven, en daardoor ook zijn
stempel drukt op de karaktervorming uwer .kinderen.
Laat het meubel uit dezen tijd, niet minder dan dat uit vroeger eeuwen,
een gunstige getuigenis afleggen van den zin voor schoonheid en degelijkheid/
die heerschte bij degenen, die het voor hun gebruik vervaardigden,
dan zal het hedendaagsche meubel een blijvende bron van vreugde zijn
ook voor onze nazaten.
Laat wetten en verordeningen waken over de soliditeit, de hygiëne en
het gerief van het huis. Het gezellige, het warme, het knusse en het behaaglijke
is ons werk. En hebben we dat bereikt, dan komen ook de overige
deugden onzer woning eerst ten volle tot haar recht.
Laat door krachtigen en aanhoudenden aandrang, jw invloed gelden op de
nijverheid, zoodat de verwezenlijking gemakkelijk wordt gemaakt van het
begrip „goede en goedkoope woninginrichtingen".
’s Middags kwam een jonge vrachtrijder met zijn honden
kar voorbij haar deur.
„Goeie morgen, juffie !”
„Ook goeie morgen, Tom Rellery. Wat is er voor nieuws?”
„Herinner je je* den jongen zeeman nog, die verleden jaar
hier kwam en wien je boven alle dorpsjongens de voorkeur
gaf ?”
„O, Tom, da’s al zoo lang geleden.” antwoordde ze
vroolijk.
„Hij ging naar zee met jouw trouwbelofte, da’s toch waar ’ Daarom lachen we altijd om boer Hayes, die zich verbeeldt
dat je met hèm trouwen zult.”
„Wie durft er over mijn zaken op die manier te praten ?”
vroeg ze met verontwaardiging.
„Je kunt toch niet verhinderen dat er over je gesproken
wordt,” zei de jonge man. „Nou die zeeman is gisteravond
teruggekomen, net van pas! Ze vonden hem van morgen
dood op den weg tusschen het dorp en „De Korenschoof”
met een gat in ’t hoofd. Jim Lomax vond hem.”
„Bedoel je dat hij vermoord is?” vroeg het meisje met
bevende stem.
„Zoo is ’t! Er zullen lastige vragen gesteld worden aan
sommigen van ons.”
Diep geschokt ging Nancy haar woning binnen. Ze treurde
niet om haar minnaar — ze had de vrijage van den jongen
matroos nooit als een ernstige gebeurtenis in haar leven beschouwd
— evenwel, de dood maakt op de jeugd altijd
indruk en een gewelddadige dood vooral is iets om van te
beven.
PANORAMA
De warme avondzon hult alles in een
rood licht. Daar houdt het rijtuig voor haar
woning stil.
Met een hart vol kwellend zelfverwijt treedt
zij de kamer van haar man binnen. Wat is
het hier stil en duister.
Het is haar als betreedt zij een grafkelder.
Zoo kil en eenzaam is het hier en daarbuiten
is het lente en ontwaakt de natuur !
Juist als eenige uren te voren dringt een
lichtstreep door een spleet in de gesloten gordijnen
de kamer binnen en vertoont zich als
vloeibaar goud op den wand.
En de oogen van haar man zijn op de
lichtstreep gericht, vo) weemoed, in stomme,
diepe smart.
„Anton ?”
Bijna verschrikt wendt de zieke man zich
om. Dat was toch de stem van zijn vrouw l
Maar . . . maar hoe klinkt die ? — Hoe ?
In zijn stoutste droomen heeft hij gehoopt,
dat zij zóó zou klinken !
Doch dat is lang geleden, héél lang geleden
.
En toch, toch is het geen droom. Emma.
/£) zijn vrouw, staat daar in de deuropening.
Half leunt zij tegen de post, als is zij te zwak om verder
te gaan; en haar gelaat, haar gansche houding drukt
kommer uit.
Daar bevangt hem een naamlooze angst.
Al zijn eigen verdriet is vergeten.
„Emma, wat scheelt je ?” vraagt hij vol zorg.
Daar komt zij nader, zinkt voor zijn stoel op de knieën,
slaat de armen om zijn hals en terwijl haar tranen rijkelijk
vloeien, klinkt het zacht, bijna onhoorbaar van haar
lippen :
„Lieve man, eindelijk heb ik den weg tot je gevonden
!”
Terzelfder tijd trad een man de herberg „De Korenschoof”
binnen en vertelde Simon Abbyshaw van de misdaad die
had plaats gevonden.
„Wat?” riep de waard uit. „Hij was hier gisteravond en
praatte met mij en boer Hayes. Hij kwam van Portsmouth
geloopen en ging nog laat naar het dorp om Nancy Morton
te zien !” „Da’s vreemd, vind je niet ?”
„Ik vind er niets vreemds in !”
„Beiden vrijden naar Nancy en de hoed van Hayes is
gevonden aan den kant van den weg dicht bij den dooden
zeeman.”
Simons gelaat werd ernstig. Hij legde zijn pijp neer en
nam zijn hoed en jas van den kapstok.
„Ze spraken beiden over Nancy gisteravond en ... . Wel, ’t is mijn plicht als vriend naar boer Hayes te gaan en
hem te vertellen welke praatjes er loopen.”
„Hij weet alles reeds. Hij zal uitlegging moeten geven
hoe en waarom zijn hoed daar aan den weg lag, en ze zeggen
in het dorp dat hij daartoe niet in staat is. Jij zal ook verslag
moeten doen van het gesprek gisteravond, Simon Abbyshaw.”
Boer Hayes. ondervraagd zijnde, verklaarde dat hij den
matroos niet meer gezien had nadat hij de herberg verlaten
had. Hij was beneveld, zooals Abbyshaw getuigen kon, en toen
hij uit de warme gelagzaal in de koude buitenlucht gekomen
was, was zijn dronkenschap nog verergerd en was zijn geheugen
verdwenen. Toen hij weder tot bewustzijn Kwam,
vond hij zichzelven zitten langs den weg, zonder hoed en
half bevroren. Hij had de herberg verlaten met het voornemen
naar Nancy Morton te gaan en haar rekenschap te
vragen over den zeeman. Hij was dan ook naar haar woning
gegaan, maar alles donker vindende, naar huis teruggekeerd.
Hij bleef bij die verklaring, toen hij later beschuldigd
werd den moord bedreven te hebben. Simon Abbyshaw
getuigde dat Hayes de waarheid gesproken had, wat betreft
zijn benevelden toestand en voegde er aan toe, dat
hij getracht had zijn vriend bij zich te houden, tot hij wat
nuchterder was.
„Was dat omdat u bang was dat hij den zeeman zou
volgen ?” vroeg de rechter op scherpen toon.
„Ze moesten denzelfden weg en ik was bang dat ze elkaar
ontmoeten zouden en twist krijgen,” antwoordde Simon
langzaam.
Nancy Morton ontkende ten stelligste dat ze ooit eenige
trouwbelofte gedaan had; zoomin aan den matroos als aan
den boer Hayes.
„Heb je niet beloofd hem te trouwen ?”
„Zeker niet.” antwoordde zij, doch toen ze hierover
nadrukkelijk ondervraagd werd, voegde zij er aan toe:
„Mogelijk heb ik gezegd, dat hij antwoord zou krijgen als hij
terugkwam.”
„En de arme kerel beschouwde dat als een belofte,” ging
de rechter voort, terwijl zijn streng gelaat nog onverbiddelijker
werd. „Jouw lichtzinnigheid, meisje, is voor een groot
deel verantwoordelijk voor dezen moord.”
Hij had evengoed er aan toe kunnen voegen : ook voor
den dood van den gevangene, want het stond voor ieder
ontwijfelbaar vast, dat niets boer Hayes van de galg redden
kon. Ieder bewoner van het dorp had medelijden met den
boer, doch niemand maakte aanmerking op de rechtvaardigheid
van het vonnis.
„De Korenschoof” ondervond den terugslag van deze
droeve gebeurtenis. De herberg geleek eenzamer en ongezelliger
dan ooit te voren. Slechts weinig bezoekers kwamen
er gedurende den dag, en zoodra het duister gevallen was,
was de gelagkamer geheel verlaten. (Wordt vervolgd).
|