|
PANORAMA 126
STORM OP ZEE.
De vorige week Dinsdag liep te IJmuiden het stoomschip „Triton” binnen, dat door den storm zwaar beschadigd
was. Twee der opvarenden zijn in de Noordzee over boord geslagen en konden door het woeste weer niet gered worden.
DE DUITSCHE MAATREGELEN OP ZEE.
Het stoomschip „Gelria’’, dat uit Amsterdam vertrok, was evenals de „Rotterdam”, die wij in een onzer vorige nummers
gaven, aan beide zijden van den boeg voorzien van een reusachtige beschildering in de nationale kleuren.
Om negen uur
uur ! Zoo vele
zijn smartelijke
DEN WEG GEVONDEN
de halfdonkere kamer, waarin een mystieke
schemering heerscht aan ziekekamers eigen,
staat in de nabijheid van het venster een rolstoel.
Een bleeke man met intelligente gelaatstrekken
rust daarin. Een groote menigte
wetenschappelijke werken bevinden zich ter
zijde van hem in een boekenkast, en rechts van hem is een
schrijfbureau zoo geplaatst, dat hij het met een lichte
beweging van zijn draaibaren stoel bereiken kan.
Hij arbeidt niet. Door de half neergelaten gordijnen
glijdt een zonnestraal naar binnen en weemoedig rust zijn
oog op den breeden, lichten band die dwars om zijn zetel
valt.
Die zonnestraal spreekt van een ontwaken des levens
daarbuiten, van een krachtigen drang tot genieten,
van levensvreugde en vreugdeleven.
En hij ?
Een hongerende aan de tafel des levens!
Daar treft zijn oor een geknetter en geruisch van
vrouwenkleeding ; de zware portière aan deze zijde
van de deur wordt geopend en zijn vrouw staat in
de deuropening, gekleed in visitetoilet.
Een schaduw verduistert zijn gelaat, als zij op
koelen, rustigen toon spreekt: ,,Ik kom even afscheid
nemen, Anton! Tot van avond.
uiterlijk ben ik weer thuisI”
Hij krimpt ineen ! Tot negen
uren zal hij weder alleen zijn met
gedachten.
,,Ga je dus werkelijk. Emma ?” Een zwakke hoop
klinkt in deze vraag.
Zij haalt de schouders op.
„Ik moet de kolonelsvrouw persoonlijk met de
onderscheiding van haar man gaan gelukwenschen.
Zij is zoo lichtgeraakt!” en zij knoopte langzaam
de lange, roodkleurige handschoenen toe.
Haar man antwoordde niet, maar zijn wenkbrauwen
trokken te zamen en een grimlach ontsierde zijn gelaat.
Waarom ook moest hij de hulpelooze kranke zijn. die
altijd op het medelijden van anderen was aangewezen.
Emma draalt nog. Zij kan nog niet besluiten heen te gaan.
Als echter haar man blijft zwijgen, buigt zij zich een weinig
tot hem neer, schikt de deken over zijn voeten recht en keert
zijn stoel een weinig meer naar het licht. Zij doet alles met
de rustige gelatenheid, die haar de dagelijksche uitoefening
van haar plicht tot een gewoonte gemaakt heeft.
Haar plicht, slechts haar plicht gebiedt haar om haar
man behulpzaam te wezen. Liefde heeft zij nooit voor hem
gekoesterd. Als zij zijn hand nam, was het zijn rijkdom die
haar verlokte en toen een ongelukkige ziekte hem terneder
wierp, dwong haar plichtgevoel haar. het bij hem uit te
houden en haar jonge leven op te offeren. Eindelijk heeft
zij met dat onafwendbaar noodlot vrede gesloten en is zijn
verpleegster geworden — meer niet. Aan dit alles denkt
hij, terwijl hij haar gadeslaat, terwijl zij met zwevenden
tred naar het andere venster gaat en het opent. Licht en
bloemengeur stroomen de kamer binnen : de bleeke, treurige
man kan dit niet verdragen : de stem der lente is hem te
machtig, te sterk gevoelt hij nu ziin eigen hulpeloosheid
en verlatenheid.
„Maak toe, maak toe, Emma ! Dat licht hindert me !”
zegt hij.
„Zooals je wilt,’' geeft ze koel ten antwoord en sluit het
venster weer. „Je moet je door Jozef wat in den tuin laten
rondrijden, in de warme, zonnige lucht.”
„Goed, goed,” zegt hij ongeduldig met een afwerende handbeweging.
Dat is voor hem geen genoegen. Dan onderhoudt
hij zich liever met zijn boeken. Ja, als zijn vrouw
des dienaars plaats wilde innemen ....
Doch dat is een dwaze wensch, dien de nog steeds niet
VOOR ONZE MILITAIREN.
Het Comité „Leiderdorp-Zoeterwoude”, dat. niettegenstaande de mitrailleurs
naar Oegstgeest overgeplaatst werden, doorgegaan is met het organiseeren
van gezellige avonden voor de mitrailleur-afdeeling. benevens de officieren
der mitrailleurs. V. 1. n. r. zittend: de heeren Viervant Tukker, kapitein
Verberne, comm. der le mitrailleursafd., ds. Cramer. de Graaff.
EEN MIJN TE WEST-KAPELLE.
De jongste van onze badplaatsen, het vriendelijke dorp West-Kapelle, gelegen
aan den beroemden dijk en 's nachts beschenen door het sterkste
vuurtorenlicht, heeft een treurige bekendheid gekregen door de ontzettende
mijnramp op 16 Nov. 1914. Dal mijnen, indien ontladen, geen gevaar
opleveren, bewijst deze opname.' de eenige nog te West-Kapelle verblijvende
Belgische vluchtelinge is in de mijn gekropen! Dit meisje, Elise van Mael
uit Antwerpen, verblijft nog bij den burgemeester. Haar vriendinnetjes, met
wie zij school gaat, zijn ook niet bang meer.
L.U1T. - KOLON EL
C. J. PICKÉ +
Wed. R. A. DE
RUYTER t
J. R. RAMBALDO
Dl COLLALTO t
Te Driebergen overleed een dezer dagen de Luit. Kolonel C. j. PICKÉ, ridder in de OranjeNassau
orde, en ridder 3e klasse in de Pruisische kroonorde. — Te s-Gravenhage overleed
de heer J. P. RAMBALDO Dl COLLALTO, assistent-resident van Lombok, met verlof
hier te lande. De vorige week is de oudste inwoonster der residentie, Mevr. de Wed.
P. A. DE RUYTER, overleden. De ontslapene bereikte den leeftijd van 102 jaren. Ten gevolge
van haar heengaan telt de residentie thans geen honderdjarigen onder hare inwoners.
doode liefde voor zijn vrouw deed geboren worden. Het is
ook eigenlijk onverschillig wie hem reed, de bediende of
zijn vrouw — zij deed het met dezelfde onverschillige gelatenheid
als Jozef.
„Nu, adieu,” riep zij hem nog vluchtig toe. met den deur
knop in de hand.
Hij antwoordt niet. Slechts een blik zijner oogen treft
haar. Een blik, zoo vol smart en verlatenheid, dat haar
hart ineenkrimpt Zacht sluit zij de deur.
Zij ziet hem nog op zich gericht als zij in de elegante equipage
gezeten is en door het lachende voorjaarslandschap
rijdt. De bewustheid van de grenzenlooze verlatenheid van
haar echtgenoot ontroert haar het hart en voor de eerste maal
wordt dit opgeschrikt uit zijn rust
Den eenen dag na den anderen van de laatste jaren laat
zij aan haar geestesoog voorbijgaan. Zij kan zich niets verwijten
; niet één plicht jegens haar man heeft zij verzuimd,
en toch, die onrust, die gewetenswroeging als een heimelijke
schuld. . . .
Stil, in zichzelf gekeerd, bereikt zij haar doel en diep ademhalend
verlaat zij haar rijtuig. Zij moet zich geweld aandoen
nu ze op het punt staat in een vroolijk gezelschap te treden,
want nog steeds voelt zij die in-treurige oogen van
haar man op zich gericht.
Thans bevindt zij zich in de feestzaal te midden
van een talrijke, luidruchtige menigte. Men lacht,
schertst, zingt, terwijl smaakvol gekleede dames
en vroolijke, levenslustige heeren haar omringen.
Zij echter hoort niets, ziet niets, dan den weemoedigen,
smartvollen blik van haar man en in
haar verbeelding ziet zij zijn sympathiek bleek gelaat,
met dien goedigen lach, die hem eigen is.
Een zeldzame, tot nu toe niet gekende smart
doet haar hart ineenkrimpen : Voor de eerste maal
gevoelt zij de diepte zijner ellende, het is haar
in dit oogenblik alsof zijn ongeluk het hare geworden
is.
„Wel, lieve mevrouw, waarom zijt ge heden zoo
ernstig?” vraagt iemand tegenover haar aan den
disch gezeten. „Het is toch niet ernstiger met uw
echtgenoot, hoop ik?”
Deze woorden worden in denzelfden hoffelijkkoelen
toon als altijd tot haar gesproken, maar
Emma gevoelt zich op eenmaal als een vreemde onder
al deze vrienden en kennissen ; zij kan zich niet begrijpen,
dat zij zich in deze kringen tot nu toe steeds zoo
wel bevonden heeft.
„Het moet toch verschrikkelijk zijn dat leven, dat gij
leidt,” zegt een jonge vrouw deelnemend tot haar.
„Zulke zware plichten!”
„Ik vraag mij dikwijls af hoe ge bij al die zorgen voor
uw zieken echtgenoot er nog zoo frisch en bloeiend kunt uituitzien.
Nietwaar, Victor,” wendde zij zich tot haar man, „ik
zeg dikwijls, die arme vrouw ’ Het is een geluk dat ze
ondanks allen tegenspoed zoo gelaten en rustig blijft.
Ieder kan dat niet. Ik, bijvoorbeeld, geloof, ik leefde niet
lang meer, als mij, wat God verhoede, zoo’n ongeluk óverkwam.
Ik zou sterven van angst en zorgen.”
Langzaam steeg een fijn rood naar Emma’s wangen.
Zij voelt een verwijt in de woorden, weet er echter niet op te
antwoorden.
Het is maar al te waar wat zij zegt.
Haar bloeiende gezondheid komt haar nu op eenmaal
als een schandelijk onrecht voor.
Het is toch zonderling hoe heden alles haar anders voorkomt
Reeds ontelbare malen heeft zij dergelijke woorden eener
meer of minder oprechte deelname met de houding en het gelaat
eener martelares aangehoord. Wat is het toch. dat haar
heden den blos naar de wangen drijft en haar verlegen maakt
als een schoolmeisje ?
Zij wordt steeds stiller. Reeds lang had men van thema
verwisseld ; zij weet het nauwelijks. In het aangrenzende
salon wordt gezongen, zij hoort het niet.
Zij zit stil daar, het hoofd op de hand rustende en denkt,
denkt — aan haar man ! Aan zijn arm, vreugdeloos leven,
waaraan de zon ontbreekt, de zon der liefde ’ O. zij weet het
thans maar al te wel! Zij is ontwaakt, ontwaakt uit haar
|