Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1381 tot 1385 van 11897
Nummer
1915, nr.15, 19 feb. 1915
Blad
05
Tekst
117 PANORAMA UIT HET KAMP DER GEALLIEERDEN DE RAID DER ENGELSCHE VLIEGERS OP DE BELGISCHE KUST. Vier en dertig Engelsche vliegers onder leiding van Commandant Samson, wiens portret hierboven, hebben een tocht ondernomen naar de Belgische kust. Op het bovenstaande kaartje hebben wij met een stippellijn den gemaakten tocht aangegeven. DE ONDERZEEËRS. Een Fransche onderzeeër bevindt zich in een groot drijvend dok voor onderzeeërs, ten einde te worden nagezien. IS DAT EEN ZEPPELIN? In Londen zijn plakkaten aangeplakt, waarop de verschillende soorten vliegmachines en luchtschepen ziin afgebeeld, zoodat het publiek een zich in de lucht bevindend vliegtuig kan herkennen. EEN DAMLIEFHEBBER. Een Engelsch liefhebber van dammen heeft zich een dambord laten haken, dat hij dus om jzijn lichaam kan wikkelen en in de loopgraven mêenemen. IN DE LOOPGRAVEN. Met welke moeilijkheden het leven in loopgraven gepaard gaat, toont ons wel het uiterlijk van deze soldaten, temeer waar de Engelschen toch altijd bekend staan voor hun netheid in kleeding. GARIBALDI TE LONDEN. Generaal Ricotti Garibaldi, die in 1870 voor Frankrijk gestreden heeft, bracht met zijn vrouw,, ’n Engelsche van geboorte, ’n bezoek aan Londen. het klooster te soissons. Van het beroemde klooster te Soissons is er, zooals onze foto laat zien, na de hevige gevechten, die er in den omtrek gevoerd zijn, niet veel meer over. DE STRIJD AAN HET SUEZ-KANAAL. Een overzicht van het tentenkamp der Australiërs, aan wie de verdediging van het Suez-kanaal is opgedragen. HET ENGELSCHE GESCHUT. In de laatste weken hebben de Engelsche troepen wederom flinke versterkingen gekregen in den vorm van zwaar kaliber kanonnen.
PDF
Nummer
1915, nr.15, 19 feb. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 118 HET LEIDSCHE STUDENTENVRIJWILLIGERSCORPS. Te Katwijk zijn er de vorige week door het Leidsche Studentenvrijwilligerscorps „Pro Patria” schietwedstrijden gehovfden. Onze foto geeft een groep der deelnemers en officieel genoodigden. In het midden der le rij zittend Majoor Muller Massis, vertegenwoordiger van den Minister van Oorlog, rechts: de territoriale bevelhebber in Zuid-Holland, kol. van Hoek. SCHAKEN. De Residentie-Schaakclub herdacht 8 Februari LI. haar 5-jarig bestaan. Als slot van de feestviering werd er den 12en Februari een simultaan-séance gegeven door het eerelid den heer te Kolsté. Onze foto geeft het bestuur der Residentieclub met eenige leden. Zittende v. l.n. r. de heeren J. C. Lippe; G. H. W. Moolenbel; J. W. H. J. Wildenboer: G. C. Herweijer. P. N. Misset, resp., comm., secretaris, voorzitter, penningm.. comm. De club oefent Donderdagsavonds „Café Nationaal’' Pinsengracht 2. HOE IK BEROEMD WERD |ijn lange zwarte lokken, die vroeger door mei nige blanke vrouwenhand werden gestreeld, zijn nu wit en schaarsch. De bohémien Willet ] is nu de beroemde fresco schilder Willet, die i met z’n penseel fortuin heeft gemaakt. En * waarlijk, ik erken het eerlijk, m’n fortuinen m’n beroemdheid heb ik niet aan m’n verdiensten maar aan een toeval te danken. Als ik dien duivelschen Soebramanie nooit ontmoet had, zou ik nimmer de ----- muren van het kasteel van Lady Mirleton met fresco’s voorzien hebben, en als ik dat niet gedaan had, dan zou niemand ooit van m’n bestaan gehoord hebben. M’n fresco’s hebben absoluut geen artistieke waarde, maar de pers roemde ze om bij Lady Mirleton in het gevlei te komen. De bladen schreven zelfs dat de kunstwereld Lady Mirleton niet genoeg kon prijzen om de ontdekking van zóó een talentvollen schilder. In haar kringen was zij een toonaangevende figuur en om haar ontdekking te adoreeren, verzocht mij een groot deel van haar vrienden en vriendinnen, die alle tot den oud Engelschen adel behoorden, de muren van hunne kasteelen met fresco’s te beschilderen. Ik werd zelfs populair en er kon niets in de kunstwereld gebeuren of ik moest in de kranten m’n meening er over zeggen. M’n werk was in de mode en ik maakte het fortuin, waarvan ik nu in een ,,dolce far niente” leef. In Montmartre dacht men anders over mijn werk en fluisterend noemde men mij den aanbidder van Lady Mirleton. En toch was dit niet zoo .... Niemand heb ik de geschiedenis verteld, die menig schrijver van sensatie romans genoeg stof voor een boek van tien deelen zou geven, met een titel „Van misdadiger tot beroemd Kunstenaar” of zoo iets dergelijks. Zeven-en-twintig jaar is het geleden, dat het geluk op me neerplofte .... Je behoeft waarlijk geen genie te zijn om beroemd te worden. Een gelukje moet je hebben, anders niet. Laat ik hog eens nagaan hoe alles ook weer gebeurd is ... . Ik was toen dertig, en op de boulevards verkocht ik aan vreemdelingen kartonnen kaartjes, waarop ik midinettes, Parijsche types en gezichten van Parijs met waterverf geschilderd had. „Hand-painted” riep ik den Amerikanen en Engelschen toe en ze kochten ze grif. In het seizoen had ik volop geld, maar als dat achter den rug was, dan zat ik over m’n ooren in de dalles en gevoelde ik dikwijls veel lust om een tijdje op den bodem van de Seine verblijf te houden. Ik woonde, even buiten Parijs, in een krot van een woning, dat onteigend was en dat de eigenaar voordat het gesloopt zou worden, voor een prikkie aan een paar bohémiens verhuurd had. Op een avond, toen ik weer .zat te piekeren over mijn rampzalige ingeving om kunstschilder te willen worden, werd de deur van m’n kamer geopend. Het was Soebramanie, de Indische dichter, zooals wij hem noemden, die zijn donkeren kop om de deur stak. Ik had kennis met hem gemaakt bij Madame Tussor, waar wij altijd aten, mits we één franc voor ’n diner konden betalen. Hij was 'n excentrieke persoonlijkheid en niemandwist met zekerheid te zeggen wat hij uitvoerde. Wel is waar verscheen zoo nu en dan in een of ander Engelsch Magazijn een artikel van hem, maar de opbrengst daarvan kon hem niet in staat stellen zoo te leven als hij deed en zich zoo goed te kleeden als hij naar de Grand Opera ging. Bij intuïtie moest niemand iets van den „chocolatier”, zooals wij hem noemden, hebben en zijn gezwets over Oostersche wijsheid, waarop hij al z’n kennissen trakteerde, werd nooit au sérieux genomen., — „Aha, monsieur 1’artiste! Wat zeg je ervan. Ik woon hier ook,” riep hij uit toen hij binnen kwam en op een kist ging zitten. DE HANDELSOORLOG. Het Engelsche stoomschip „Laertes’’, dat door het optreden van den kapitein den Duitschen onderzeeër ,U 2” wist te ontloopen en slechts met eenige materieele schade te Amsterdam binnenkwam. „Je hebt zeker geen geld .... Artisten hebben nooit geld .... Maar ik kan je helpen.........We kunnen samen veel geld verdienen ... en je zult niet meer lachen om de stille Oostersche kracht.... Ik kan dat alléén verdienen, maar ik vind je sympathiek. We verdienen het samen.” Dat was het begin van den korten weg naar mijn fortuin. De Indiër zat tegenover me en lachtte me toe als een jonge coquette vrouw, terwijl zijn oogen vreemd glansden. Ik verlangde natuurlijk niets liever dan veel geld te verdienen en vroeg hem wat voor een zaak we samen zouden maken. Hij liet mij een krant zien waarin gemeld werd dat Lady Mirleton aan een soirée bij Baronesse du Reusz zou deel nemen en dat zij een waarde van twee honderd duizend francs aan sieraden zou dragen, waarvan haar diadeem EEN SIERAAD MEER VOOR NIJMEGEN. Hierboven een kijkje vanaf het tooneel in het nieuwe concertgebouw .De Vereeniging” te Nijmegen het grootste gedeelte uitmaakte. — „Lady Mirleton geeft mij den diadeem ... en wij verkoopen hem.” Ik moest lachen en hij werd boos. „Ik dwing haar met mijn geheimzinnige kracht mij dat sieraad te geven . . . .” riep hij woedend uit. Ik lachte nog luider. Hij stond op en terwijl hij op m’n schouder klopte, zeide hij : „Monsieur Partiele, op jou heb ik geen invloed, ik heb het al geprobeerd; maar op Lady Mirleton wel, en ik kan haar laten doen wat ik wil. . .-r Zullen we vrienden zijn, ja of nee ! We deelen samen. Diefstal is het niet, zij gééft mij den diadeem 1” Onverschillig stemde ik toe, want ik dacht dat het niets anders dan opsnijderij zou wezen en bovendien vond ik het avontuur wel geschikt om mij in mijn vervelend bestaan wat emotie te geven. Samen zouden we in het Bois de Boulogne het rijtuig van de Lady opwachten en hij zou het doen stilhouden en den diadeem in ontvangst nemen, terwijl ik op den achtergrond moest blijven. Hij vertelde mij dit op een toon, waaruit je voelde, dat hij elke mislukking uitsloot. We wisten dat de Lady om elf uur van Barones du Reusz zou vertrekken en stonden op genoemd uur in het „Bois” op het rijtuig te wachten. Soebramanie zeide geen woord tegen me; ik gevoelde een vreeselijken angst in mij opkomen en had gaarne teruggekeerd als ik gedurfd had, maar de vreemde uitdrukking op het gelaat van den Indiër weerhield me. Een rijtuig met twee paarden bespannen naderde, hij kneep me in den arm en fluisterde mij toe: „Spreek geen woord, blijf achter dien boom staan en verroer je niet.” Daarna ging hij midden op den weg het rijtuig te gemoet. Hij strekte de armen, de koetsier hield de paarden in en het rijtuig stond stil. De koetsier bleef roerloos op den bok zitten en de paarden stonden als versteend. Ik sloop naderbij en in het schijnsel van de lantaarn zag ik de Lady het portier openen. Zij scheen zeer geschrokken te zijn. Soebramanie keek haar met zijn groote oogen strak in het gelaat en de uitdrukking van schrik verdween van haar gezicht. In plaats daarvan kwam een glans van rust, zooiets als men bij sluimerende menschen ziet. De Indiër zwaaide met zijn armen, deed eenige passen achteruit en daarna eenige vooruit... De Lady nam den diadeem uit het haar en overhandigde dezen aan Soebramanie, zonder haar oogen, noch haar lippen ook maar even te bewegen. Daarna sloot ze het portier weer. Hij liep nu met de armen zwaaiend achteruit, zag den koetsier aan en streek over de hoofden der paarden ; onmiddellijk daarna reed het rijtuig verder alsof er niets gebeurd was. „Monsieur 1’artiste, voila 1” riep hij mij toe, terwijl hij mij den diadeem toereikte. De steenen fonkelden in het bleek maanlicht, dat door de kruinen der boomen op het pad viel. Ik kon niet spreken, ik was perplex ; en voor ik mijn bezinning terug kreeg, had hij mij het kleinood in de handen geduwd. Doch eensklaps begon hij als een razende te schelden en te tieren, in een taal, die ik niet verstond, om daarna mij toe te schreeuwen, dat ik naar huis moest gaan, daar hem nog iets te doen overbleef, wilde het niet slecht met ons beiden afloopen. „Ik had moeten meerijden, bonne nuit, monsieur 1’artiste” riep hij zenuwachtig uit en holde het rijtuig na. Ik bedacht me geen oogenblik, verborg ’t kostbare sieraad zoo goed mogelijk en in het donker van het struikgewas (foto P. H. Kouiv). volgde ik hem zoo snel en gedoor G. A. DIETERLE
PDF
Nummer
1915, nr.15, 19 feb. 1915
Blad
07
Tekst
119 PANORAMA luidloos als doenlijk was. Het rijtuig had hij niet meer ingehaaid want toen hij bij haar villa was gekomen, was zij al thuis. Hij bleef een oogenblik staan en zag om ... . Ik wierp me voorover in het gras, zóó dat ik al zijn bewegingen kon gadeslaan .... Of het verbeelding of werkelijkheid was, weet ik nog niet. Maar ’t kan best werkelijkheid geweest zijn, want bij een individu, dat zulk ’n bovenmenschelijke kracht bezit, is alles mogelijk. Ik zag zijn silhouet omlijnd door een rand van blauw licht.... ’t Puurde maar heel even, slechts een gedeelte van een seconde .... oh, ik herinner het mij nog zoo goed.... Hij geleek wel tweemaal zoo groot .... Misschien was het een hallucinatie. . . . maar ik geloof het niet, want het spookbeeld is nog nimmer uit m’n gedachten geweest. Ik kroop Vooruit, telkens voelde ik of ik den diadeem nog had .... Ik was vlak bij hem, maar hij bemerkte er niets van. In het maanlicht zag ik dat zijn gelaat een geheel anderen vorm had aangenomen en dat zijn oogen geleken op glazen ballen, gevuld met groen water, waarachter een licht brandde .... Hij scheen op de vogels ook invloed uit te oefenen, want zoo nu en dan hoorde ik in ’t geboomte een onrustig fladderen. Plotseling deed hij een sprong en zat op den muur, die den tuin van de villa omringde. Een hond sloeg aan, maar het geblaf hield onmiddellijk op ; daarna verdween hij. Ik stond op en besloot in het donker van de boomen te blijven wachten op de dingen, zie zouden komen. Lang duurde het wachten niet, maar ik weet wel dat mijn verbazing ten top steeg, toen ik Lady Mirleton met Soebramanie den stoep van de villa af zag komen. Hij hield zijn groen lichtende oogen steeds op haar gevestigd en zij liep als een slaapwandelaarster. Niets anders van haar lichaam bewoog, dan haar beenen. Ik zag het zeer goed, want zij gingen vlak langs mij. Beiden volgde ik, want ik begreep dat er iets merkwaardigs zou gebeuren. Ze gingen een zijlaan in tot bij een groot grasperk waar een bank stond. Hij deed een paar stappen achteruit en zij ging op de bank zitten. Ongemerkt sloop ik tot achter de bank. Mijn bloed voelde ik uit m’n wangen weg trekken .... Met een uiterst langzame beweging haalde zij een revolver uit haar reticule en zette den loop MILITAIRE VOETBALWEDSTRIJDEN. De vorige week werd op het terrein der K. V. V. „Amsterdamsche Bank” de eerste militaire wedstrijd gespeeld, georganiseerd door de sportcommissie voor de militaire wedstrijden in de stelling Amsterdam. De elftallen die elkaar bekampten waren het Detachement B., der administratie-troepen en IJmuiden-Wijk aan Zee. Generaal Majoor A. R. Ophorst en vice-Admiraal G. F. Tydeman (op den achtergrond in het midden) gaven blijk van hun belangstelling. tegen haar voorhoofd .... Als een tijger sprong ik uit m’n schuilplaats, rukte de revolver uit haar hand en schoot die op den Indiër af. Ik zag hem zijn kop buigen en zijn dolk trekken .... Ik schoot nog een keer, en toen snelde hij weg. De Lady gaf een gil, en ik nam haar op m’n armen en droeg haar naar de villa. Aan den hoek van de zijlaan en den grooten weg hoorde ik in het kreupelhout een mensch kermen. Bij de villa was alles in rep en roer. Bedienden met fakkels kwamen mij te gemoet en hielpen mij de Lady dragen. Zij was bewusteloos en onmiddellijk werd de dokter ontboden. Ik werd bij haar oom, Lord Mirleton, ontboden en ik moest hem beloven, dat ik van de poging tot zelfmoord van zijn nicht tot niemand zou spreken .... Ik zie nog zijn gezicht, toen ik hem zeide, dat hier van zelfmoord geen sprake was, maar wel van diefstal en moord. De Lord werd boos en toonde mij een brief, waarin de Lady de reden van haar daad had beschreven. Hij werd nog boozer, toen ik hem zeide, dat zij dien brief buiten haar wil geschreven, had en hij begon eerst te kalmeeren, toen ik hem verzocht mij even te laten uitspreken. Ik vertelde hem van het voorstel dat de Indiër mij gedaan had en hoe ik er eerst geen geloof aan hechtte Hoe hij de Lady den diadeem afhandig gemaakt had, hoe hij de villa ingeslopen was en haar gedwongen had den brief te schrijven, en hoe hij haar onder hypnose zelfmoord wilde doen plegen. „Bewijzen!” riep hij uit. Hier is de diadeem, hier is de revolver, en de Indiër, op wien ik tweemaal geschoten heb, ligt op den hoek van de zijlaan te sterven. We gingen met twee bedienden naar de plek, waar ik had hooren kermen, het was nu stil. We kropen in het houtgewas en daar lag de booswicht zoo dood als een pier.... De Lord drukte mij de hand en ik moest hem nogmaals beloven nimmer over de zaak te spreken; voor een stille begrafenis van Soebramanie zou hij wel zorg dragen. Dien nacht bleef ik in de villa. Denvolgenden dagwas de Ladyweer zoo goed als hersteld en ze wist zich niets anders te herinneren dan dat het rijtuig plotseling had stil gehouden en dat zij voor het portier een man zag met een bruin gelaat. De koetsier wist niet veel meer en dacht niet anders dan dat de paarden even gesteigerd hadden. Ik moest Lady Mirleton mijn levensgeschiedenis vertellen en zij gevoelde zich verplicht mij te protegeeren. Ik kreeg de opdracht de muren van haar kasteel in Engeland met fresco’s te beschilderen, tegen een groot honorarium en logies op het kasteel. Drie jaren heb ik er aan gewerkt en toen ik gereed was had ik een aardig duitje bij elkaar.... Zoo ben ik beroemd en rijk geworden en als ik eenmaal van de wereld verdwijn, zullen de bladen nogmaals over den beroemden Willet schrijven, wiens fresco’s door den Engelschen adel zoo gezocht waren, en over Lady Mirleton, die het talent van Willet ontdekt heeft. Maar over den Indiër Soebramanie zal niemand schrijven. MILITAIRE HUISVLIJT TENTOONSTELLING. Door de afdeeling Brielle van den Volksbond tegen misbruik van sterken drank is een tentoonstelling gehouden van militaire huisvlijt van gemobiliseerden in de Stelling van de Monden van de Maas en het Haringvliet. Onze foto links geeft de genoodigden en autoriteiten, aanwezig bij de openingsplechtigheid. Foto midden: Een der fraaie inzendingen „Snijwerk’’. Menig staaltje van dit knappe werk zal na de mobilisatie de huiskamer van een der landweermannen sieren. Foto rechts: Medailles geschonken door H. M. de Koninging, den stelling-commandant viceAdmiraal v. Hekking Colenbrander, den Commandant van de Stelling Hellevoetsluis, Majoor van Rijswijck de Jong, en andere militaire autoriteiten uit de stelling. iïjjil'........."iiijjji.... njjijjib'.......................... ii|||||i"""'ii||||||i..... iiijpiin» ft OM DER WILLE ft ft VAN EEN VROUW ft :|ll» den voet van een breede helling liep de v we& over een steenen bruggetje en ging g dan weer over eenigen afstand scherp glooiend omhoog. Koetsiers van de omnibussen die naar het zuiden reden, maakten gebruik van de hellHg om, de zweep over hun paarden leggende, in galop de tegenovergestelde helling op te rijden. Het bijna stilstaande watertje verwijdde zich aan een zijde der brug tot een breeden ondiepen poel, waar in de zomermaanden de vrachtrijders hun honden lieten zwemmen, terwijl zij zelve zich een verfrisschenden dronk verschaften in de herberg aan de overzijde van den heirweg. Het was een eenzaam huis, zelfs in het best van den tijd, en gedurende de donkere gure winteravonden, wanneer de verlichte vensters zwak in het water van den vijver weerkaatsten, zag „De Korenschoof”, zoo heette de herberg, er spookachtig uit. De plaats, waar het huis stond, was zeer onherbergzaam en meer dan een mijl van het naaste dorp verwijderd. Menig vreemdeling, die deze streek doorreisde, verwonderde er zich dan ook over hoe iemand er toe komen kon op deze plaats een herberg te beginnen. De voerlieden en postiljons wisten evenwel verhalen te vertellen van struikroovers, voor wie de eenzame „Korenschoof” des nachts een plaats van samenkomst ’ ras. Hoeveel struikroovers zich ook in den omtrek mochten bevinden, Simon Abbyshaw had met hen niets uit te staan en hij had evenmin te klagen over slechte zaken. Dezen winter vooral waren er nog andere reizigers op den heirweg behalve dié welke de diligence vervoerde. Het einde van den oorlog had een groote beweeglijkheid gebracht op den weg van Portsmouth naar Londen; men zag er allerlei reizigers, te paard en te voet en menig matroos op weg naar huis was een gaarn geziene gast in herberg of boerenwoning, waar men hem bijzonderheden vroeg over den oorlog, over Nelson en den slag bij Trafalgar. Op een avond in Januari, toen de wegen hard bevroren waren en de vijver met een dikke ijskorst was bedekt, brandde er in den grooten schouw van „De Korenschoof” een vroolijk knappend houtvuur, waaromheen drie mannen zaten in druk gesprek gewixkeld, terwijl ze zoete ale dronken en uit lange pijpen rookten. In het midden zat de waard, Simon Abbyshaw, een lange, zwaargebouwde man, nog geen veertig jaar oud, doch ouder lijkende. Hij was een weinig spraakzaam man, doch listig en een goed opmerker. In den hoek aan zijn rechterhand zat zijn boezemvriend, boer Hayes, die de meeste avonden in „De Korenschoof” doorbracht en deze vaak niet al te steêvast verliet. Aan de andere zijde zat een matroos, die een reuk van zout en teer rondom zich verspreidde. Hij had juist een van zijn avonturen verteld en wachtte nu met zijn neus diep in zijn bierkan op de loftuitingen van zijn auditorium. „Er gebeuren meer wonderen op zee, dan op het land, geloof ik,” merkte boer Hayes op. De ale begon haar invloed op hem uit te oefenen en dan was hij gevaarlijk twistziek. „Da’s waar, meester, menig varensgast heeft de gewoonte om op te snijen en de menschen knollen in hun muts te draaien, doch dat doe ik niet. Een enkelen keer vertelde ik eens een leugen tegen iemand, van wien ik dacht dat hij nooit verder dan zijn dorp geweest was, en per ongeluk was ’t een ouwe zeerob, die van het voorval beter op de hoogte was dan ik.” „Zoo, dus je kent Lord Nelson, hè ?” vroeg Hayes. „Of ik Nelson ken ? Hm ! En hij kent mij ! Dat heb je nou als je op zee vaart, meester; daar leer. je je flinke mannen veel beter kennen dan op land. Meermalen zei hij tegen mij: „Jack, er is een gevaarlijk karweitje en daar ben jij net de man voor.” Dat was genoeg. Het karweitje werd gedaan.” „Onbegrijpelijk dat je dan niet vooruitgekomen bent in den dienst,” merkte boer Hayes op. „De dood van den admiraal (zijn ziel ruste in vrede!) is daar de oorzaak van. Als hij nog geleefd had, was ik niet als matroos thuisgekomen. Hij had me een stuurmansbaantje zoo goed als beloofd; maar toen kwam zijn dood, die maakte aan alle vooruitzichten een einde. En nou ben ik op stap !” „Naar Londen?” vroeg Simon. [Wordt vervolgd).
PDF
Nummer
1915, nr.15, 19 feb. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 120 DE 24 UURS-MOTORRIT De kranige kampioen-wielrenner COR BLEKEMOLEN.die den geheeien tocht, pl.m. 500 K.M., per rijwiel heeft meegemaakt. De start aan de Boschbrug te 's-Gravenhage. Enkele deelnemers uit de stelling Amsterdam, vóór hun vertrek uit Amsterdam naar den Haag. De trein, waarop de automobielen en motorrijwielen geplaatst zijn verlaat de Veerpont te Enkhuizen. De aankomst te Enkhuizen. Onder enorme belangstelling heeft de 24 uur-betrouwbaarheidsmotorrit door Nederland plaats gehad en gezien het resultaat, dat van de 56 deelnemers er 24 in den Haag terugkeerden, na het geheele 502 K.M.-lange parcours te hebben afgelegd, kan de tocht als uitnemend geslaagd worden beschouwd. DE PLAAG DOOR EEN INFLUENZA-LIJDER S spat ik hier ga schrijven, is niet oorspronkelijk. Mijn hersens hebben het niet zelf gevonden. Hoe zouden ze het, in den staat ; waarin mijn lichaam verbeert, ook hebben < kunnen vinden! ik heb ’t gelezen en vertel rhet U na, zooals het behoort. Want elk verhaal, vol diepe waarheid, verdient naverteld te worden, al zouden ook duizend wetten met kerkerstraffen dreigen als gevolg van inbreuk op auteurs- en vertalingsrechten. Ik vrees die wetten niet in mijn gevai. Oordeelt zelf. ♦ * * De Daily Mirror vertelt zijn lezers het volgende: Het is waar en heelemaal niet vreemd, dat er geen dokter ter wereld een middel schijnt te willen kennen, dat zijn patiënten vrijhoudt van influenza Merkt goed op, Panorama-lezers, hoe er een verborgen insinuatie ligt in dezen aankef. En als gij dat opgemerkt hebt en begrepen, hoort dan verder. Er zijn dokters, die u, met groote toewijding, zelfs van influenza zullen genezen, doch wanneer ge, welken arts ook, vraagt boe men vrij kan blijven van deze plaag, zoodat het lijden en het genezen uit den weg kunnen gegaan worden, wel, dan schudt hij mysterieus het hoofd, zoo geheimzinnig als alleen een dokter het hoofd kan schud den. Waarom het dan ook begrijpbaar is, dat bij het gros der menschheid de overtuiging inwortelde, dat men zich tegen influenza even weinig kan hoeden als tegen een dwalenden kogel, die over de slachtvelden vliegt. Daarom is het ook goed. dat ieder menschenkind, zich heel bescheiden zal uitlaten als hij van influenza praat en niet zal grootspreken door te beweren ,, Influenza, die krijg IK nooit." *♦* Want zulke bluffers zijn er! Evenzeer als er in de dagen van die zoo vreeselijke plaag, de pokken, mannen waren, groote sterke kerels, die den geur van speciale kruiden opsnoven en geheimzinnige middeltjes slikten om van de ziekxe bevrijd te blijven, die toen de wereld teisterde. Die sterke mannen beweerden eveneens, dat zij daardoor van een aanval niets te vreezen hadden. Doch zij vielen als slachtoffers, net als de andere stervelingen, in die kwadedagen van weleer. Boccacio spreekt in een van zijn werken, zoo leerde mij de belezen redacteur van den Daily Mirror (en ais hij het mis heeft, lieg ik in commissie), dat menig veelbelovend en jolijtig Florentijnsch jonkman in den morgen vroolijk met zijn vrienden vroegmaalde en in den avond diep in de onderwereld met de schaduwen den avondmaaltijd deelde. Wat absoluut niet even oleizierig is. dai snapt elk lezer, zelfs als hij op dit moment aan influenza lijdt, wat op het snapvermogen sterk belemmerend inwerkt. ,,DE EER”. In het Grand-Theater te Amsterdam gaat met succes Hermann Sudermann’s Tooneelspel in vier bedrijven „De Eer’’. Hierboven een scène uit de vierde acte. Zoo onverwacht overviel ,,De Plaag’’ en zoo onverwacht overvalt ook die andere plaag, die van onze dagen is: de influenza. Daarom waarschuwen wij de grootsprekers en veimanen hen. Want ieder van ons heeft wel opgemerkt, hce vele dier kakenblazers tot ons plegen te komen, terwijl je net' hersteld bent van je honderdenvijftigsten aanval en je zeggen „wat jammer hè, dat je zoo permanent ziek bent, heusch je kwaal lijkt wel op een eeuwigdurende influenza, een voortdurende krankheid .... Ik kan maar niet begrijpen dat je daar nu niets tegen doet. Eet sinaasappelen, drink kwast, neem odol-neusbaden, zuig op formaminttabletten, ik heb er nooit last van. maar ik neem ook voorzorgsmaatregelen . ..." En net als zij met hun zin klaar zijn beginnen zij te gapen, wrijven over hun neus. En dan .... heeft het kwaad al wortel gevat. Gapen en het hoofd zwaar voelen. Dat zijn de eerUe verschijnselen. Dan komt dat loodachtige gevoel in lendenen en beenen. En de temperatuurverhooging. Ik ken geen akeliger object, dan een koortsthermometer. Zoo'n ding komt alleen maar op de proppen, wanneer er iets kwaads dreigt. En 7 is influenza, geven. Hij worstelt als een afgestorven al wil de grootspreker het niet toetevergeefs één heelen dag, gebroken blad, in de droeve uren van den herfst. Maar daarna wo^/hij het opgeven. Den anderen dag heeft hij officieel de influenza. Hij ligt te bed. zijn, Wij zullen hem niet bespotten. Hij is er te beklagenswaardig voor. Maar hij had niet zoo moeten pochen. Hij had niet moeten doen alsof hij boven de plaag verheven stond. Hij vroegmaalde in vroolijkheid des geestes en in den avond .... heeft hij duizend kwelduivels in zijn lendenen ter danspartij .. ♦ * * Is het verdedigbaar van deze kwaal zoo erg op te geven, nu er duizenden en duizenden zooveel erger beproevingen te doorstaan hebben? Influenza heeft een. zekere verwantschap met oorlog. Zij veroorzaakt den oorlog wel niet, maar maakt ons wel zoo erg van streek. Zou de oorlog niet evenzeer als de influenza een bacil tot aansteker hebben ? i Lijkt mij heel verdedigbaar dit te veronderstellen. Cholera = kcmmabacil, Influenza == uitroepteekenbacil. Oorlog — vraagteekenbacil. Wij nemen terwijl wij thuis in bed liggen de vrees van den oorlog nog veel meer in ons op. Wat heel wat zeggen wil. Wanneer jve zóó ziek met influenza behebt, dan schijnt het ons toe of niemand ooit winnen zal. Alles is oorlog. De wereld is heelemaal oorlog en schijnt er voor geschapen, tot in der eeuwigheid. Alles is verloren. Niets kan het kwade weer goed maken. En zoo voort, en zoo voort ! Influenza-gedachten, zij gaan over naar gelang de genezing nader komt. Dan is er ook weer meer hoop op overwinning voor de partij, die je sympathiën heeft. De influenza laat ’t ééne slachtoffer los, die haalt weer adem .... 't volgende slachtoffer is dan ai in den greep van het duivelsch, vreeselijk monster! ! Dit is een korte omschrijving van het woord besmettelijk, welke op literaire waarde aanspraak maakt. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN
PDF
Nummer
1915, nr.16, 24 feb. 1915
Blad
09
Tekst
No» HÓ (34b) 24 Februari WIS» VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.075 UITQAVE A. W. SU\TIJHOFFS IUITöEVERS=MAATSCHAPPU, LEIDEN - RED. EN ADM. DOEZASTRAAT I, TEL. De nieuwe luchtraid der Engelschen op Vlaanderen. Een der met een machinegeweer gewapende vliegmachines, die aan de raid deelnam.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1381 tot 1385 van 11897