|
119 PANORAMA
luidloos als doenlijk was.
Het rijtuig had hij niet
meer ingehaaid want toen
hij bij haar villa was gekomen,
was zij al thuis.
Hij bleef een oogenblik
staan en zag om ... . Ik
wierp me voorover in het
gras, zóó dat ik al zijn bewegingen
kon gadeslaan ....
Of het verbeelding of werkelijkheid
was, weet ik nog
niet. Maar ’t kan best werkelijkheid
geweest zijn, want
bij een individu, dat zulk
’n bovenmenschelijke kracht
bezit, is alles mogelijk. Ik zag
zijn silhouet omlijnd door een
rand van blauw licht....
’t Puurde maar heel even,
slechts een gedeelte van een
seconde .... oh, ik herinner
het mij nog zoo goed....
Hij geleek wel tweemaal zoo
groot .... Misschien was
het een hallucinatie. . . . maar ik geloof het niet, want
het spookbeeld is nog nimmer uit m’n gedachten geweest.
Ik kroop Vooruit, telkens voelde ik of ik den diadeem
nog had .... Ik was vlak bij hem, maar hij bemerkte er
niets van. In het maanlicht zag ik dat zijn gelaat een geheel
anderen vorm had aangenomen en dat zijn oogen geleken
op glazen ballen, gevuld met groen water, waarachter
een licht brandde .... Hij scheen op de vogels ook invloed
uit te oefenen, want zoo nu en dan hoorde ik in ’t geboomte
een onrustig fladderen.
Plotseling deed hij een sprong en zat op den muur, die
den tuin van de villa omringde. Een hond sloeg aan, maar
het geblaf hield onmiddellijk op ; daarna verdween hij.
Ik stond op en besloot in het donker van de boomen
te blijven wachten op de dingen, zie zouden komen. Lang
duurde het wachten niet, maar ik weet wel dat mijn verbazing
ten top steeg, toen ik Lady Mirleton met Soebramanie
den stoep van de villa af zag komen. Hij hield zijn groen
lichtende oogen steeds op haar gevestigd en zij liep als een
slaapwandelaarster. Niets anders van haar lichaam bewoog,
dan haar beenen. Ik zag het zeer goed, want zij gingen
vlak langs mij.
Beiden volgde ik, want ik begreep dat er iets merkwaardigs
zou gebeuren. Ze gingen een zijlaan in tot bij een groot
grasperk waar een bank stond. Hij deed een paar stappen
achteruit en zij ging op de bank zitten. Ongemerkt sloop
ik tot achter de bank. Mijn bloed voelde ik uit m’n wangen
weg trekken .... Met een uiterst langzame beweging
haalde zij een revolver uit haar reticule en zette den loop
MILITAIRE VOETBALWEDSTRIJDEN.
De vorige week werd op het terrein der K. V. V. „Amsterdamsche Bank” de eerste militaire wedstrijd gespeeld, georganiseerd door de sportcommissie
voor de militaire wedstrijden in de stelling Amsterdam. De elftallen die elkaar bekampten waren het Detachement B., der administratie-troepen en
IJmuiden-Wijk aan Zee. Generaal Majoor A. R. Ophorst en vice-Admiraal G. F. Tydeman (op den achtergrond in het midden) gaven blijk van
hun belangstelling.
tegen haar voorhoofd .... Als een tijger sprong ik uit m’n
schuilplaats, rukte de revolver uit haar hand en schoot die op
den Indiër af. Ik zag hem zijn kop buigen en zijn dolk
trekken .... Ik schoot nog een keer, en toen snelde hij weg.
De Lady gaf een gil, en ik nam haar op m’n armen en droeg
haar naar de villa.
Aan den hoek van de zijlaan en den grooten weg hoorde ik
in het kreupelhout een mensch kermen.
Bij de villa was alles in rep en roer. Bedienden met fakkels
kwamen mij te gemoet en hielpen mij de Lady dragen.
Zij was bewusteloos en onmiddellijk werd de dokter ontboden.
Ik werd bij haar oom, Lord Mirleton, ontboden en ik
moest hem beloven, dat ik van de poging tot zelfmoord van
zijn nicht tot niemand zou
spreken .... Ik zie nog zijn
gezicht, toen ik hem zeide,
dat hier van zelfmoord geen
sprake was, maar wel van
diefstal en moord. De Lord
werd boos en toonde mij een
brief, waarin de Lady de
reden van haar daad had
beschreven. Hij werd nog
boozer, toen ik hem zeide,
dat zij dien brief buiten haar
wil geschreven, had en hij
begon eerst te kalmeeren,
toen ik hem verzocht mij
even te laten uitspreken. Ik
vertelde hem van het voorstel
dat de Indiër mij gedaan
had en hoe ik er eerst geen
geloof aan hechtte Hoe hij
de Lady den diadeem afhandig
gemaakt had, hoe hij de
villa ingeslopen was en haar
gedwongen had den brief te
schrijven, en hoe hij haar
onder hypnose zelfmoord wilde doen plegen.
„Bewijzen!” riep hij uit.
Hier is de diadeem, hier is de revolver, en de Indiër, op
wien ik tweemaal geschoten heb, ligt op den hoek van de
zijlaan te sterven.
We gingen met twee bedienden naar de plek, waar ik
had hooren kermen, het was nu stil. We kropen in het houtgewas
en daar lag de booswicht zoo dood als een pier....
De Lord drukte mij de hand en ik moest hem nogmaals
beloven nimmer over de zaak te spreken; voor een stille
begrafenis van Soebramanie zou hij wel zorg dragen. Dien
nacht bleef ik in de villa. Denvolgenden dagwas de Ladyweer
zoo goed als hersteld en ze wist zich niets anders te herinneren
dan dat het rijtuig plotseling had stil gehouden en
dat zij voor het portier een man zag met een bruin gelaat.
De koetsier wist niet veel meer en dacht niet anders dan
dat de paarden even gesteigerd hadden.
Ik moest Lady Mirleton mijn levensgeschiedenis vertellen
en zij gevoelde zich verplicht mij te protegeeren. Ik kreeg de
opdracht de muren van haar kasteel in Engeland met fresco’s
te beschilderen, tegen een groot honorarium en logies op
het kasteel. Drie jaren heb ik er aan gewerkt en toen ik
gereed was had ik een aardig duitje bij elkaar....
Zoo ben ik beroemd en rijk geworden en als ik eenmaal
van de wereld verdwijn, zullen de bladen nogmaals over den
beroemden Willet schrijven, wiens fresco’s door den Engelschen
adel zoo gezocht waren, en over Lady Mirleton, die het
talent van Willet ontdekt heeft.
Maar over den Indiër Soebramanie zal niemand schrijven.
MILITAIRE HUISVLIJT TENTOONSTELLING.
Door de afdeeling Brielle van den Volksbond tegen misbruik van sterken drank is een tentoonstelling gehouden van militaire huisvlijt van gemobiliseerden in de Stelling van de Monden
van de Maas en het Haringvliet. Onze foto links geeft de genoodigden en autoriteiten, aanwezig bij de openingsplechtigheid. Foto midden: Een der fraaie inzendingen „Snijwerk’’. Menig staaltje
van dit knappe werk zal na de mobilisatie de huiskamer van een der landweermannen sieren. Foto rechts: Medailles geschonken door H. M. de Koninging, den stelling-commandant viceAdmiraal
v. Hekking Colenbrander, den Commandant van de Stelling Hellevoetsluis, Majoor van Rijswijck de Jong, en andere militaire autoriteiten uit de stelling.
iïjjil'........."iiijjji.... njjijjib'.......................... ii|||||i"""'ii||||||i..... iiijpiin»
ft
OM DER WILLE
ft
ft VAN EEN VROUW ft
:|ll»
den voet van een breede helling liep de
v we& over een steenen bruggetje en ging
g dan weer over eenigen afstand scherp glooiend
omhoog. Koetsiers van de omnibussen die naar
het zuiden reden, maakten gebruik van de
hellHg om, de zweep over hun paarden leggende,
in galop de tegenovergestelde helling op te rijden.
Het bijna stilstaande watertje verwijdde zich aan een
zijde der brug tot een breeden ondiepen poel, waar in de
zomermaanden de vrachtrijders hun honden lieten zwemmen,
terwijl zij zelve zich een verfrisschenden dronk
verschaften in de herberg aan de overzijde van den heirweg.
Het was een eenzaam huis, zelfs in het best van den tijd,
en gedurende de donkere gure winteravonden, wanneer
de verlichte vensters zwak in het water van den vijver
weerkaatsten, zag „De Korenschoof”, zoo heette de herberg,
er spookachtig uit.
De plaats, waar het huis stond, was zeer onherbergzaam
en meer dan een mijl van het naaste dorp verwijderd.
Menig vreemdeling, die deze streek doorreisde, verwonderde
er zich dan ook over hoe iemand er toe komen kon op deze
plaats een herberg te beginnen. De voerlieden en postiljons
wisten evenwel verhalen te vertellen van struikroovers, voor
wie de eenzame „Korenschoof” des nachts een plaats van
samenkomst ’ ras.
Hoeveel struikroovers zich ook in den omtrek mochten
bevinden, Simon Abbyshaw had met hen niets uit te
staan en hij had evenmin te klagen over slechte zaken.
Dezen winter vooral waren er nog andere reizigers op den
heirweg behalve dié welke de diligence vervoerde. Het
einde van den oorlog had een groote beweeglijkheid gebracht
op den weg van Portsmouth naar Londen; men zag er
allerlei reizigers, te paard en te voet en menig matroos
op weg naar huis was een gaarn geziene gast in herberg of
boerenwoning, waar men hem bijzonderheden vroeg over
den oorlog, over Nelson en den slag bij Trafalgar.
Op een avond in Januari, toen de wegen hard bevroren
waren en de vijver met een dikke ijskorst was bedekt,
brandde er in den grooten schouw van „De Korenschoof”
een vroolijk knappend houtvuur, waaromheen drie mannen
zaten in druk gesprek gewixkeld, terwijl ze zoete ale dronken
en uit lange pijpen rookten.
In het midden zat de waard, Simon Abbyshaw, een
lange, zwaargebouwde man, nog geen veertig jaar oud,
doch ouder lijkende. Hij was een weinig spraakzaam man,
doch listig en een goed opmerker. In den hoek aan zijn
rechterhand zat zijn boezemvriend, boer Hayes, die de meeste
avonden in „De Korenschoof” doorbracht en deze vaak
niet al te steêvast verliet. Aan de andere zijde zat een
matroos, die een reuk van zout en teer rondom zich verspreidde.
Hij had juist een van zijn avonturen verteld
en wachtte nu met zijn neus diep in zijn bierkan op de loftuitingen
van zijn auditorium.
„Er gebeuren meer wonderen op zee, dan op het land,
geloof ik,” merkte boer Hayes op. De ale begon haar invloed
op hem uit te oefenen en dan was hij gevaarlijk twistziek.
„Da’s waar, meester, menig varensgast heeft de gewoonte
om op te snijen en de menschen knollen in hun muts te
draaien, doch dat doe ik niet. Een enkelen keer vertelde
ik eens een leugen tegen iemand, van wien ik dacht dat hij
nooit verder dan zijn dorp geweest was, en per ongeluk was
’t een ouwe zeerob, die van het voorval beter op de hoogte
was dan ik.”
„Zoo, dus je kent Lord Nelson, hè ?” vroeg Hayes.
„Of ik Nelson ken ? Hm ! En hij kent mij ! Dat heb je nou
als je op zee vaart, meester; daar leer. je je flinke mannen
veel beter kennen dan op land. Meermalen zei hij tegen mij:
„Jack, er is een gevaarlijk karweitje en daar ben jij net de
man voor.” Dat was genoeg. Het karweitje werd gedaan.”
„Onbegrijpelijk dat je dan niet vooruitgekomen bent in
den dienst,” merkte boer Hayes op.
„De dood van den admiraal (zijn ziel ruste in vrede!) is
daar de oorzaak van. Als hij nog geleefd had, was ik niet
als matroos thuisgekomen. Hij had me een stuurmansbaantje
zoo goed als beloofd; maar toen kwam zijn dood,
die maakte aan alle vooruitzichten een einde. En nou ben
ik op stap !”
„Naar Londen?” vroeg Simon. [Wordt vervolgd).
|