|
111
s’t.-»ndcn voor een groot Moorsch landhuis, waarvan
4e gevel met arabesken versierd was; de details
kon ik niet onderscheiden omdat de nacht duister
en het gebouw niet verlicht was. We liepen naar de
achterzijde van het huis, waar de Arabier bij oen
klein portaal, dat met een zwaar gordijn gesloten
was, bleef staan. Hij schoof den voorhang zoo ver
open dat ik er juist door kon. Nu waren we in een
lange, smalle gang met op den vloer een buitengewoon
dik tapijt. De verlichting was electrisch, doch
zeer schaarsch, er hingen slechts drie gloeilampjes
in roode zijde gehuld. Geen geluid werd gehoord;
zelfs ons gaan over het dikke tapijt was geruischloos.
Hoe dieper ik de gang inliep, des te zwaarder
werd de damp van een zoet-geurig parfum; ik kon
niet zien waar het vandaan kwam, omdat de breede
rug van den Arabier, die voor mij liep, mij elk uitzicht
benam .... Eensklaps werd de stilte verbroken,
m’n geleidei zei iets in het Arabisch, dat in dezelfde
taal beantwoord werd. Hij week op zij en ik stond
weer voor een gordijn, dat door een Berber, die
met gekruiste beenen er bij zat, geopend werd.
Ik trad binnen en wat ik toen zag, zal ik nimmer
vergeten en was het geheele avontuur waard.”
,,’t Begint interessant te worden” zeide Tommy
terwijl hij een versche sigaiet aanstak.
„Nu,” vervolgde ik, „moest ik eerst m’n oogen
aan het Oostersche tableau vivant wennen, voordat
ik alles kon onderscheiden. Maimouné lag, bijna
geheel in zijden kussens begraven, op een divan, die
tegen den muur stond, waaraan een Perzisch tapijt
hing. Zij was op Oostersche wijze gekleed, in een
crème zijden jak met wijde mouwen en een broek
met lange pijpen waaruit de rood gemuilde, kleine
voeten staken. Haar kleeding was geheel met kleine
paarlen en goud-brocade gegarneerd. Haar mooi
kopje lag achterover in een kussen, dat van zijde
geweven was en waarvan het dessin veel overeenkomst
had met de teekening van een pauwoog-vlinder. Om
haar zwart haar boog een gouden ornament met
guirlandes van paarlen, diamanten, robijnen en safferen.
In het midden, juist waar haar wenkbrauwen bijna
samenvloeiden, was een groote diamant gezet en daarboven
een aigrette, waarvan aan elk uiteinde der veeien
een klein diamantje bevestigd was.
Voor de divan zat een panter te snorren, even vreedzaam
als onze poes bij den haard. Even spleet het beest de oogleden.
toen ik binnen kwam, doch sloot ze weer onmiddellijk.
Bij het hoofd en voeteneinde stond een uit koper gedreven
reuklamp, waaruit een blauwe damp opsteeg, die het vertrek
met een eigenaardig parfum vulde. Het was ongeveer
dezelfde geur als waarmede de dame, die ons daareven passeerde.
geparfumeerd was en waardoor de herinnering aan
mijn avontuur bij mij opgewekt werd.
Maimouné lachte mij toe en verzocht mij plaats te nemen.
Bij de zwakste beweging, die zij maakte, lichtten de diamanten,
saffieren en robijnen en glansden de paarlen.........
Zij zeide mij dat het haar speet, dat zij mij had teleurgesteld,
doch haar heer. een Armeniër, ruw en onbeschaafd,
had haar den geheelen avond niet verlaten en zij was zoo
verlangend mij te zien. dat zij besloten had mij bij haar
thuis te ontvangen.
We spraken over de voorstelling van La Juive, over Egypte
en over het leven van een Oostersche vrouw. Eensklaps
zeide ze met een stem waaruit een wereld van verlangen
sprak : ,,Ik wilde dat ik als een Europeesche kon leven.”
„Maar Madame,” riep ik verrukt uit, „dat is niet onmogelijk.
U behoeft maar te spreken en ik voer u van hier naar mijn
Engeland. Onze reis door Europa zal voor U een* zegetocht
zijn, men zal U fêteeren om uw geestigheid en schoonheid.”
Een treurige trek kwam op haar gelaat en ze sohudde
ontkennend haar hoofd ....
„Zou U dat doen vroeg ze met nadruk.
„Ja, dat zal ik —!”
Ze stak mij haar linkerhand toe en zeide : „alstl mijn hand
kust, geloof ik U.”
Ik drukte mijn lippen op haar geurend handie .... Ik
voelde een steek in m’n achterhoofd, een hevigen schok door
mijn geheele lichaam en ik viel neer.........
DE NIEUWE INRICHTING VOOR OOGLIJDERS TE R’DAM.
D
ank zij een vorstelijke schenking
van Vrouwe Maria
Caroline Blankenheym is te
Rotterdam een fraai gesticht voor
Ooglijders geopend kunnen worden.
De instelling zelve bestond
reeds jaren. Dr. F. v. Moll heeft
er duizenden patiënten aan zich
verplicht. Het gebouw zelf. aan
de Geldersche Kade, liet echter
te wenschen over. Op de plaats
waar vroeger de oude Engelsche
Kerk stond, is nu de inrichting
verrezen. Ontworpen en gebouwd
naar de plannen van de architecten
Nolen en Kromhout, met
een fraaien voorgevel en monumentalen
toren, biedt het
interieur alles wai een modern
ziekenhuis bieden kan en is er
in de geneeskundige zalen en
operatiekamers het laatste wat
wetenschap en techniek vermogen
bijeen te brengen om
het lijden van ooglijders te vergezichts-organen
te
Dr. v. d. BRUGH.
de nieuwe directeur.
zachter, en hun kostbare
belangstelling van veel autoriteiten en _
het directeurschap aanvaard heef
Dr. F. D. A. C. VAN MOLL
de na een 4O-jarige ambtsvervulling
afgetr. directeur.
behouden of genezing te geven. Onder
den is de inrichting, waarvan nu Dr. v. d. Brugh
aandag 15 Februari officieel geopend.
DE NIEUWE OOGLIJDERSINRICHTING TE ROTTERDAM,
ontworpen en gebouwd door de architecten Nolen en Kromhout.
..Was de panter jaloersoh geworden of zat de dolk van den
Armeniër tusschen je ribben ?” vroeg Tommy lachend.
„Neen, geen van beide en als je het slot wilt weten, val
me dan niet meer in de rede, en luister maar. Toen ik m’n
oogen weer opende lag ik in een kleine kamer met een venster
waarvan de jaloezie was neergelaten. Een verpleegster zat
bij mijn bed. De witte meubels en de verpleegster schenen
zóó snel rond te draaien, dat ik m’n oogen weer moest
sluiten. Even later zag ik weer op en nu stonden twee dokters
bij m’n bed. Ik kon geen lichaamsdeel bewegen, zelfs
m’n tong niet, zoodat ik kunstmatig gevoed moest worden.
Langzaam voelde ik het leven in mijn lichaam terug
keeren en na een maand mocht ik mijn bed verlaten; eerst
toen vernam ik wat er met mij gebeurd was.
Men had mij ’s morgens in de donkere Rue Darb-elTarraqua
gevonden, liggend tegen een muur en in bewusteloozen
toestand. Ik werd naar het hospitaal gebracht, waar
het bleek dat ik al minstens een week buiten bewustzijn was
en dat men mij aan de binnenzijde van mijn rechterarm een
vergiftige injectie gegeven had. De hand van Maimouné
was dus ook met een bedwelmende stof overdekt geweest,
AANVARING.
De vorige week Zondag is op 50 M. van de Noorderpier van den Nieuwen
Waterweg het Noorsche stoomschip „Fix“ door het Noorsche stoomschip
„Eimstad" aangevaren. Persoonlijke ongelukken kwamen niet voor.
PANORAMA
want van een injectie wist ik me niets te herinneren.
Gedurende den tijd dien ik nog in het hospitaal bewusteloos
ben gebleven kwam men door het verraad
van Maimouné te weten, wat er met mij gebeurd
was en dat is het meest verrassende dat je denken
kan. De Armeniër, die haar van den schouwburg gehaald
had was noch ’n Armeniër, noch haarechtgenoot.
maar haar broer, van beroep een valschc speler, die
de mailstoomers en de mondaine steden der wereld
zoo nu en dan onveilig maakte. Zij was een
Fran£aise, in Algiers geboren en de Arabier was haar
man en van geboorte een Rus. Dit echtpaar had er
een beroep van gemaakt om verschillende levensverzekeringmaatschappijen
op te lichten. In Singapore
hadden ze eenige jaren geleden een Engelsche maatschappij
voor een flink bedrag opgelicht en met mijn
onbewuste medewerking een Oostenrijksche.
De Rus had zich te Weenen laten verzekeren voor
honderdduizend kronen en om dat bedrag machtig
te worden kozen ze Cairo tot het terrein hunner operaties.
Ze huurden te Gizeh een villa en de schoone
Maimouné moest in Cairo oen slachtoffer zoeken, die
de functie van dooden echtgenoot te vervullen had.
Vreemdelingen, vooral ongehuwden, hadden de voorkeur.
Er moeten veel onbewuste sollicitanten geweest
zijn, doch geen enkele is in den val geloopen. Met mij
hadden ze bepaald geboft. Nu, toen ik met het tot
op heden onbekende narcotische middel zoo goed
bewerkt was, dat ik voor een doode kon doorgaan,
werd ik tot den echtgenoot van Maimouné gepromoveerd.
De dokter verklaarde dat ik aan een
hartverlamming was overleden en zij liet den Oosten -
rijkschen consul daarvan een procesverbaal opmaken.
Mijn lijk werd gekist en op den dag van het begraven
werd ik er uit genomen en een zak zand daarvoor
in de plaats gelegd. De zak zand werd met veel
ceremonie en veel geween van Maimouné begraven
en ik werd ’s nachts in de Rue Darb-el-Tarraqua
gedeponeerd. Ze waren te verstandig om mij voorgoed
van de wereld te helpen, want op den een of
anderen dag zou mijn verdwijning uitkomen en wie
weet of er geen menschen waren, die aanwijzingen konden
doen die tot ontdekking zouden kunnen leiden.
„Maar de Oostenrijksche consul of de dokter, die je dood
geconstateerd had, zou je hebben kunnen vinden . . . .”
„Dan had geen van tweeën me herkend ,want men had mij
op Oostersche wijze gekleed en m’n geheele lichaam okerkleurig
gemaakt, toen ik als lijk moest fungeeren, en nadat
ik die onbewuste plicht vervuld had, verkleedden zij mij weer
en reinigden m’n corpus....... Maar laat ik vei der gaan. Mijn
lijk had honderdduizend kronen opgebracht en die zouden
Maimouné en de „Arabier” samen deelen. De pseudo-Arabiei
scheen een bedrag van vijftigduizend kronende veel te
vinden voor zijn mooie vrouw en streek den geheelen buit
alleen op. Maimouné werd daarover zeer boos, en dreigde de
zaak bij de justitie aan te geven. Haar echtgenoot wist dat
zij met haren broer een nog grootëre oplichterij uitvoerde en
hij antwoordde dat indien zij daar toe overging hij alle gepleegde
misdaden en bovendien de geschiedenis van Singapore
zou aangeven, want hij had daarbij wel het grootste gedeelte
van den buit in zijn zak laten glijden, maar was altijd zoo
verstandig geweest om bij de uitvoering der trucs een ondergeschikte
rol te spelen, zoodat ze hem niet veel konden
maken. Maimouné was daardoor zoo angstig geworden, dat
ze naar Alexandrië is gevlucht en van daar uit een anoniem
briefje naar den Oostenrijkschen Consul heeft geschreven,
waarin zij de geheele misdaad beschreef en haar man als
den eenigen dader aanwees. Zij heeft de gevolgen van haar
schrijven niet afgewacht, maar zich een kogel door de slapen
gejaagd.
De justitie liet de kist opgraven en toen die zich overtuigd
had, dat ze. werkelijk zand bevatte, werd een inval in de
villa gedaan, waar men behalve de Oosteische pracht alleen
den Berber en den panter aantrof. De pseudo-Arabier en
haar broer waren verdwenen.
Dit is het avontuur, waaraan ik door het parfum van die
vreemde dame herinnerd werd en je kunt er uit leeren.
Tommy, dat je nooit te veel moet kijken naar vrouwen
met mooie oogen en vooral niet in het verre Oosten.
I
k rnoet in dit stukje streng incognito bewaren. Nog strenger dan anders. Want wat me op
de omzwervingen in de hofstad dit maal gebeurde, was een van die vriéndelijke spelingen
des lots, waaraan we in ons leven vaak meer prettige ervaringen beleven. Het was in ’n
bioscoop. Ik ben dol op bioscopen. Het is veel interessanter dan ’n krant, hoewel je evenals
bij iedere krant er je actualiteiten, je cjemengd nieuws, je wetenschappelijk feuilleton, en je
roman-bijvoegsel krijgt. Alleen in ‘n bioscoop zie je alles van het begin tot ’t eind, terwijl
je in je krant maar telkens ’n eetlepel krijgt Dan, ’n krant is wel eens slecht geschreven.
’n Bioscoop nooit, ’n Bioscoop is ’n levend ding, je doet veel meer zelf mee. Geen lens is
zóó slecht, geen oog zóó grijs, of er komt wat van terecht op ’n film; geef daarentegen ’n
gemakkelijk te behandelen onderwerp aan ’n slecht journalist, dan bederft ie ’t nóg. Je moest
overal bioscopen hebben voor alle dingen, die gebeuren. Politie-rapporten met de bioscoop :
wat ’n materiaal bij de terechtzitting: ’n vergadering van de Tweede Kamer met de bioscoop,
en ’n gramophoonplaat, die de rede van het een of ander Kamerlid erbij afdraaide. Gemengd
nieuws: bioscoop! ’s Avonds kreeg je inplaats van je krant, je film thuis of was je geen
abonné, dan maar naar het bioscope-theater! Maar ik dwaal af. Stel nou eens dat je bij je
krant, plotseling door ziekte van ’n niet bijster-bije journalist voor de vulling ’n keurig geteekende
plaat krijgt, dan is dat zoo ongeveer de verrassing, die ik gisteravond in de
Residentie-bioscoop kreeg. Want inplaats van het beroemde drama Severo Torelli, groot
drama in 5 bedrijven en een proloog .... gebeurde er iets bijzonders. Eerst ging het licht
aan, en toen weer uit, en toen weer aan .... en toen was alleen het verslagen gezicht van den
explicateur, den heer Mullens, te zien, die verkondigde, dat ’t drama niet kon doorgaan, dat
’t wèggeraakt was! Stel je voor, de strop! Maar er kwam hulp! Een heer uit het ’t publiek
stond op, en vroeg of hij misschien de leemte in ’t programma ontstaan, kon aanvullen
met ’n paar Engelsche liedjes. Wie hij was deed er niets toe. Hij was meneer „Hij”. Meneer
van Weezel, de pianist, zou accompagneeren. Maar hij kon wel piano-spel, maar niet
„Engelsch.” Nieuwe moeilijkheid! Maar ten tweede maal klonk ’n stem van het balcon, ’n
quite English women-voice: ..Mr. Albert, can I help you?” En in ’n keurig evening-dress
daalt ’n English girl de trappen van het balcon af, de zaal door en dat was Miss Margareth
Morris: „She”. Van Weezel stond z’n piano af en zoo ontstond, „Hij. Zij en de piano”! —
Ik moet zeggen ’twas ’n allercharmantst duo. Een der aardigste dingen, die ik zag. Eerst zongen ze in het Engelsch: You made me love you, 1 dia not want to do it, toen in het Hollandsch, waarbij Miss Morris zong: lek wau niet
fan je hauwe. Daarna zong „hij’’ alleen ’n liedje van „In den Haag daar woont ’n Graaf en z’n zoon heet Jantje”, en ten slotte zongen ze samen weer ’n Enqelsch ding van Billy Williams, ’n naam aien je alleen kan uitspreken met
’n Engelsch gezicht, zooals „Hij” opmerkte. Maar die droge opsomming van het programma, die doet ’t niet. Daarvoor moet je ’t witte slanke figuurtje van Miss Morris aan den zwarten vleugel hebben zien zitten en „Hij ’ in rok c'
'iaast hebben zien staan. Daarvoor moet je gezien hebben haar guitig, vriendelijk gezicht, de charmante virtuositeit van haar accompagnement, de bekorende onbeholpenheid van hare Hollandsche uitspraak, en de prettige jong*»:
|