Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1366 tot 1370 van 11897
Nummer
1915, nr.13, 12 feb. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 102 DE GEÏNTERNEERDEN TE GRONINGEN. Enkele malen reeds gaven wij in ons blad foto’s van de Engelsche geïnterneerden te Groningen. Waar evenwel op de bovenstaande foto uit de gezichten van de matrozen zulk een genoegelijke stemming spreekt, dachten wij goed te doen haar op te nemen. ROODE-KRUISOEFENING TE TILBURG. Te Tilburg hebben de vorige week wederom Roode-Kruisoefeningen plaats gehad, die door Z. K. H. Prins Hendrik werden bijgewoond. DE VERBANDLES SCHETS UIT DEZE DAGEN DOOR JOH. W. BROEDELET j de Verhaeren’s was ’t den laatsten tijd een zonderlinge toestand. Soms leek het er wel een hospitaal [in ’t klein. Niet, dat de verschrikkingen van den oorlog in dat huis hun intree hadden gedaan. Neen, gelukkig was men daar voor den grooten ramp nog even veilig als overal elders in Nederland. Toch had (’t er veel van, alsof in den huize Verhaeren gewonden waren ondergebracht. De woonkamer bijv. lag bezaaid met zwachtels, verbandgaas, spelden. Men viel er over en wanneer men een stoel nam, ging men er op zitten. Dikwijls schudde mama ’t hoofd. Dan verzuchtte ze :„ls die rommel weer niet weggeruimd ? Kitty, Kitty, wanneer leer je eindelijk netheid !” Ja, Kitty, de aardige, blonde op-één-na-de-oudste van't gezin (ze had nog één broer boven zich) was de onschuldige oorzaak van de wanorde, welke zich soms uitstrekte tot in den salon en de serre. Sinds twee van haar béste vriendinnen (ze had er om en bij ’n stevig dozijn!) ’n verbandcursus volgden en daar den mond steeds van vol hadden, had ze er alles op gezet, daar ook aan mee te doen. Het doel was zoo schoon : in tijden dat de zonen van 't land hun bloed offerden voor de vrijheid, zich beschikbaar te kunnen stellen voor den verplegingsdienst. En dan .... het was een afwisselingetje, ’n pretje. Op dien cursus, had ze gehoord, was ’t een gezellige boel en Kitty en gezelligheid waren één. ’t Gaf meteen ’n geschikte aanleiding, er *s avonds nog eens tusschen uit te wippen zonder dat eeuwig geleide van mama of broer en je snapte er met je vriendinnen zoo lustig op los, alsof de wereld van jou was. Kitty bleek een van de ijverigsten onder de verbindstertjes te zijn. Ze verwaarloosde er zelfs haar piano door, zóó vervuld was ze van haar nieuwe taak. „Dat is tenminste een troost” zei papa, die niet erg muzikaal was, met een ondeugenden lach. „Hè, hè, eindelijk eens rust 1” Doch dit laatste viel hem tegen. Op andere wijze werd hij nu door de liefhebberijen van z’n dochter geplaagd. Den geheelen dag werd er verbonden, geoefend, geprobeerd. Dat was op den duur niet om uit te houden. Pa kon de kamer niet binnen komen, of ’t was : „Pa, uw vinger ! Pa, uw arm ! Pa, uw hoofd !” En dan kwamen er weer zwachtels voor den dag en watten en „prik-werktuigen”, zooals broer Paul de spelden noemde, waarmee Kitty weleens onhandig omsprong. Of meneer Verhaeren wilde of niet, hij moest zich onderwerpen „voor het goede doel.” Dra zat z’n arm in een stevig verband, zoodat hij grappend zei, zonder de hulp van z’n lieve dochter nooit los te kunnen komen. Of z’n neus girtg schuil achter een breede strook gaas, wat een mal gezicht gaf, of hij werd op een andere manier als proef-konijn gebruikt. Eens had hij zelfs met een gespalkt been geduldig op de sofa moeten liggen. Ma en dochter waren daarop — ze moesten iets halen — naar boven gegaan en... hadden hem vergeten. Brommend had pa toen gebeld en was daarbij opgestaan, hoe moeilijk het ook ging. ’k Lijk wel een paraplubak, had hij gemompeld, 'want dochter had z’n been, bij gebrek aan een geschikt voorwerp, aan ’n regenscherm vastgebonden. Op ’t bellen verscheen de meid. Meneer Verhaeren gaapte haar ontzet aan. Haar BAL-MASQUÉ VAN ,,N I EUW-LIM BURGIA” In „Bellevue? te Amsterdam heeft de Vereeniging „Nieuw Limburgia’’ j.1. Zaterdag een welgeslaagd bal-masqué gegeven. Onze foto geeft de groep na het démasqué. dik appelbollen-hoofd was zwaar omwonden. „Dat wordt te gek!” riep hij dan uit. „Is niemand hier meer veilig? Dan nog maar liever de piano !” Pa bedankte er dus voor, langer slachtoffer te zijn. Kitty keek een weinig sip. Op pa had ze juist zoo gerekend. Hij was bijna altijd thuis. Als gepensionneerd officier had hij H.M. DE KONINGIN MOEDER TE AMSTERDAM. De vorige week heeft H. M. de Koningin-Moeder een bezoek gebracht aan het Observatiehuis voor jongens in de Vosaerstraat te Amsterdam, waar zij door den directeur, den heer Jonker, werd rondgeleid. toch niets te doen. De zusjes moesten er reeds lang niets meer van hebben. Paul had er zich nooit toe geleend. Mama .... neen, ’n soort kinderlijke eerbied weerhield haar daarvan. Die goeie mama ! Die had ’t toch al zoo druk ! Kitty was al blij, dat ma 'n zeker ontzag had voor de technische benamingen, welke haar dochter gebruikte als: dakpan-verband, Hypocrates-muts. Daar moest ze tevreden mee zijn. En met de meid, dat durfde ze niet goed meer aan. Je wist nooit: om de minste kleinigheid zeien die tegenwoordig haar betrekking op ! Daar mocht ze mama niet aan wagen Alzoo, Kitty zocht ’n nieuw „slachtoffer.” Waar zou ze dat vinden ? „Gérard komt morgen eten” zei Paul op ’n middag terloops. Kitty blikte op. Gérard ? ’n Blos, welken ze door bukken trachtte te verbergen, steeg naar haar wangen. Ha, dus eindelijk kwam hij weer ? O, ze had ’t wel geweten ! Gérard was de beste vriend van Paul èn . . . . van Kitty. Tusschen die twee was heel wat geflirt, geschertst, gelachen. „Dat wordt ’n engagement” hadden de kennissen onder elkaar dikwijls gezegd. Tot nu was het er echter nog niet toe gekomen, al had ook Kitty vaak gedacht : vandaag vraagt hij me ! En toen, opeens, hadden ze die onaangenaamheden gekregen. O, eigenlijk was hun ruzietje te kinderachtig om los te loopen ! ’t Was gebeurd in de eerste dagen na de oorlogsverklaring van Duitschland aan Frankrijk, toen ons leger gemobiliseerd werd. Gérard. jong luitenant, blij dat hij nu eens wérkelijk actief kon zijn, had in z’n overmoed wat met Kitty gespot. „Haha 1” hoorde ze hem nog plagen en ’t was haar, alsof ze z’n oogen weer zag, die zoo ondeugend schitterden. „Jullie vrouwtjes ! Wij moeten er maar weer aan te pas komen ! Ja, als wij er niet waren . . . Ach , ach !” Dat was natuurlijk volstrekt niet slecht van hem bedoeld, doch Kitty had nogal moderne begrippen en daar ze dien dag bij uitzondering bijzonder prikkelbaar was (die oorlogsgeruchten maakten iemand dan ook geheel van streek !), had ze hem nog al snibbigjes geantwoord. Daarop was ’t van het eene woord op ’t andere gekomen en ’t einde was geweest, dat Gérard, nerveus aan z’n snor trekkend, ’t huis van de Verhaeren’s gepiqueerd had verlaten. Sinds had ze hem niet weergezien. Morgen echter kwam hij eten I Dat beloofde ! Had hij niet langer buiten haar gekund ? O, ze zou hem z’n koppigheid toch betaald zetten ! Dien nacht sliep ze niet te rustig. Ach, Gérard was toch ’n schat! Maar dat halsstarrige in hem moest hij afleeren. Den volgenden dag — ’t was Zondag — verscheen hij klokke drie uur. Kitty hoorde z’n sabel in de gang. O, dat was muziek voor haar ! Hoe lang had ze dat gerinkel niet gehoord? Overdruk pratend met Paul, zeker om z’n zenuwachtigheid te verbergen, trad hij binnen. Ze beefde. Ze was vast besloten eerst wat geretireerd te doen. Maar Gérard, die zichzelf dadelijk weer in bedwang had, stak haar zóó openhartig de hand toe, z’n lach was zóó gul, z’n oogen stonden zóó trouw, dat Kitty zich niet tot die comedie in staat voelde en ,.na ’n paar minuten al waren ze op denzelfden ongedwongen voet met elkaar als voorheen. Hun harten waren nog te jong om te huichelen ! - „Zie hier je nieuwe „slachtoffer*” zei Paul dan met ’n knipoog. Kitty begreep hem niet dadelijk. Wat bedoelde haar broer? „Ja, ja” lachte Gérard. „’k Heb gehoord, dat je zoo’n kranig verpleegstertje bent geworden. Je vader durft al niet meer in de huiskamer te komen ! ’k Ben benieuwd, in hoeverre je al „kundig” bent.” O, nu vatte Kitty, waar Paul op zinspeelde! Maar begon dat geplaag van Gérard nu alweer ? ’t Was ook om hèm, dat ze dien cursus zoo ijverig volgde. Ze wou hem laten zien, dat ’n „vrouwtje” ook nog wel voor iets deugde. Zoodra hij weer bij hen aan huis kwam want dat ditgebeuren zou, daaraan had ze geen seconde getwijfeld ! —, zou ze hem versteld doen staan van haar kennis. Was ’t oogenblik nu daar? Doch dan moest hij niet opnieuw zoo spotten ’ „Ach, wij vrouwtjes,
PDF
Nummer
1915, nr.13, 12 feb. 1915
Blad
07
Tekst
103 PANORAMA hè ?” schertste Kitty terug. Nu echter keek Gérard serieus. „Neen” sprak hij zonder een zweem van plagerij. „In dit opzicht kunnen jullie van groot, zeer groot nut zijn. ’k Ben werkelijk blij, dat je je aan dat liefdewerk wijdt.” ’t Deed Kitty goed, hem zoo te hooren. Haar hart popelde. Hoe gaarne had ze hem met iets heel aardigs hiervoor bedankt! ,,Kom verbind mij eens,” vroeg hij, weer met iets schalksch in z’n oogen. „Laat eens kijken, of je je ..les” goed kent.” Kitty aarzelde. Mèende hij het? Gérard drong aan. Toen gaf ze toe, verheugd. „Kom mee naar de serre,” zei ze met ’n blos, dien ze niet kon bedwingen. „Anders klaagt ma weer over den rommel op Zondag!” Die uitnoodiging was voor den luitenant bevel. Die lieve serre! ’t Maakte hem gelukkig, dat hij eindelijk dat gezellige hoekje weer betrad. En met Kitty ! Paul bleef bescheiden in de kamer. „Hier heb ’k alles” sprak Kitty rad. terwijl ze ’t benoodigde van een tafeltje haalde. Gérard volgde verrukt elk harer bewegingen. Hoe had hij zoo lang koppig kunnen zijn ! „Ga daar zitten,” wees Kitty hem. Hij verroerde zich niet. „Nu, versta je me niet ?” vroeg ze verbaasd. „Pardon.” excuseerde hij zich. Werkelijk hadden haar ranke gestalte, haar lief blond kopje hem zoo geboeid, dat hij haar niet verstaan had. Wanneer liefde al ’n keer niet blind maakt, maakt ze doof! Gérard zette zich op den rieten stoel. Wat stond hem nu te wachten ? „Je vingers zijn stuk geschoten, begrijp je?” sprak Kitty ernstig. „Ja” antwoordde de officier zacht. „De hemel verhoede, dat ’t in werkelijkheid gebeurt!” „Dat hoop ik met je,” meende Kitty van harte en haar stem klonk week. „Begin nu maar,” moedigde hij aan, er naar verlangend dat ze zijn hand in de hare nam. Spoedig had hij dat geluk bereikt! Met de grootste omzichtigheid, alsof ’t droeve ernst was, omwikkelde ze de vingers van z’n rechterhand met gaas. Wat deed ze alles zacht en liefdevol! „Nu moet je me aankijken,” zei Kitty gewichtig. „Graag,” antwoordde Gérard gul. „Maar waarom?” „Dat moet" leeraarde ’t verpleegstertje, dat zich op dit oogenblik volstrekt geen onbelangrijk persoon vond. „Dan kunnen we zien, of we den patiënt pijn doen.” Gérard glimlachte. „Hoe kan [ik nu pijn hebben, als jij me verbindt?” vroeg de gelukkige verliefde met een zucht. „Flauwerd!” kreeg hij daarop ten antwoord. Doch dat klonk op ’n toon, alsof ze hem toch eigenlijk niet zoo heel erg flauw vond! Nu werden de vingers dik met watten belegd en vervolgens omzwachteld. ’t Verband zat zóó stevig, dat Gérard z’n hand, behalve zijn duim die vrijgebleven was, absoluut niet kon bewegen. Hij had er dan ook, al vond hij ’t niet noodig op overdreven wijze de loftrompet er over te steken, werkelijk respect voor. „’k Zit heelemaal in je windselen verstrikt,” verzuchtte hij andermaal. „Hoe kom ik er ooit uit ?” Kitty wendde zich een weinig af. Die toespeling van Gérard was duidelijk genoeg ! En ze had tóch zoo gauw last van kleuren ! ’t Was een oogenblik stil in de serre. De jonge officier dacht er over, hoe de mogelijkheid op oorlog in elk geval nog bestond. En dan zou, wat nu spél was, wèrkelijkheid kunnen worden ! Ja, als je dat alles bepeinsde . . . . ! Raadde Kitty z’n gedachten ? Ze kwam wat dichter bij hem staan en keek zwijgend naar z’n verbonden hand. „Er zijn ernstiger wonden dan deze” sprak Gérard bijna plechtig. „Ja” antwoordde Kitty, die nu heelemaal niet vroolijk meer keek. Weer volgde een stilte. Toen fluisterde Gérard, al z’n moed bij elkaar zamelend : „’t Is tenminste een troost te weten, dat als ik gewond raak, jij me komt verplegen.” „Zoo ? Zou je denken ?” deed Kitty weer ondeugend. „Nee, nu geen grapjes” drong de „patiënt” aan, terwijl z’n stem momenteel allesbehalve commando-achtig klonk. „Toe Kitty, als ’t zoover met me komt, mag ik dan op je rekenen ?” Z’n vraag ging bijna over tot smeeken. Dat ontroerde Kitty meer dan ze wel weten wou. „Ach, gekke jongen” weerde ze nog af, geheel verward. „Gek? Ja, op jou !” bekende Gérard nu plots onstuimig en geen verbandgaas kon hem meer weerhouden, z’n armen uit te steken naar den schat, welken hij reeds zoo lang begeerde. „Kom, Kitty ! Zou je ’t zoo erg naar vinden, een officiers vrouwtje te zijn ?” Even schrok Kitty. Want al wachtte ze al maanden op die vraag, ’t kwam toch nog erg onverwacht. En die Paul, die alles hoorde! Maar neen, de kiesche broer had de kamer stilletjes verlaten. HET TEHUIS VOOR ALLEENSTAANDE BLINDEN TE WOLFHEZEN. Het .Te Huis" voor alleenstaande blinden van alle gezindten te Wolfhezen is in zijn soort eenig in Nederland. Geen gesticht met den verlammenden gestichtsgeest, maar een Te Huis met vrijheid, liefde, gezelligheid en huiselijkheid. En geen vragen naar godsdienstige of politieke overtuiging, noch naar kerkelijke belijdenis. Hier zetelt de liefde zonder eenig exclusivisme. Het Bestuur der Vereeniging voor Nationale Blindenzorg, beschermheer Prins Hendrik der Nederlanden, heeft het aangedurfd, een Te Huis te stichten op geen andere basis, dan op het vertrouwen in den liefdadigheidszin van de Nederlanders van alle gezindten. Het is tot nog toe in dit vertrouwen met beschaamd. Alsof het over schatten kon beschikken, nam het van de ellendigsten onder de ellendigen - blinden zonder steun: alleenstaande volwassenen, w.o. zelfs voortdurend lijdenden en ouden van dagen - in het Te Huis op. thans reeds acht en 4ertig in getal, geheel kosteloos of met een geringe betaling, en het put zijn vertrouwen in het geloof, daarmede een heerlijk en droevig-noodzakelijk werk te doen. Ja zeer droevig-noodzakelijk inderdaad. In dit vertrouwen verricht het zijn zeer zwaren arbeid. Nu er zooveel van de offervaardigheid in Nederland geëischt wordt, is die arbeid dubbel zwaar geworden. Een prachtige loterij waarvan de trekking 24 Maart a.s. in den Haag zal gehouden worden ten bate van het Te H ui s. is nu voor het Bestuur een nieuw belangrijk nummer op zijn program van arbeid; de prijs der loten is 25 cent. Daaraan kan ieder helpen — loten verkoopen ten bate van het T e Huis, ter wille van de liefde tot den naaste, die er toe dringt .— Wie wil er aan meedoen ? De Penningmeesteres, Mej. Joanna Desmons, Archimedesstraat 48 te ’s-Gravenhage, wacht met een hart vol hoop de brieven af, die haar om loten zullen vragen, of prijzen die men daarvoor beschikbaar stellen wil. Hier is een mooi, een heerlijk een gezegend werk te doen. (foto Couvèe). Dr. CARLIER Dr. n. reeling VAN DISSEL.. BROUWER. + Te ‘s-Gravenhage is j.l. Zaterdag op 76-jarigen leeftijd overleden de heer J. H. BERGSMAoud-minister van Koloniën, commandeur in de orde van den Ncd. Leeuw. — Dr. CARLIER VAN DISSEL herdacht deze week den dag, waarop hij zich voor 60 jaar te Lochem vestigde. Onlangs werd er in de bladen melding van gemaakt dat Dr. Carlier van Dissel als verloskundige in vier^ generaties^ was opgetreden, — Te ’s-Gravenhage is de vorige week ER, J. H. BERGSMA + overleden Dr. N. REELING BROUWER, oud-lid der Provinciale staten van Friesland. Welke woorden ze dan stamelde, kon ze zich later niet goed meer herinneren. Doch ’t resultaat er van was, dat haar gloeiende wang kwam te liggen tegen de blinkende knoopen van de luitenants uniform. Daar klonk opeens luid gepraat. Papa en Paul traden de kamer binnen. Aardig van Paul, om zoo te waarschuwen ! „Haha !” sprak de heer Verhaeren op z’n gewonen, luiden toon. „Heeft ze weer een prooi gevonden ? Laat eens zien !” Met veel rumoer verscheen hij in de serre en lachte daar dat het daverde. „Haha !” riep de gezellige oude heer vroolijk uit. „Ja, als Kitty niet iemand verbinden kan ....!” De jongelui lachten verlegen, zeiden er niet veel op. Spoedig gehoeg toch zou de heer Verhaeren vernemen, dat Kitty haar Gérard verbonden had .... voor het leven ! DE HANDELSOORLOG. Hierboven een foto van de „Dacia", waarover de laatste weken in de couranten zooveel is geschreven. Zooals bekend is, is dit schip, dat aan de Hamburg-Amerika-lijn behoorde en zich bij het uitbreken van den oorlog in Amerika bevond, door een Amerikaan van Duitsche afkomst overgenomen, die het nu, geladen met 12000 balen katoen naar Duitschland heeft gezonden. De Engelsche regeerlng is van plan het schip aan te houden, teneinde het Prijzenhof te laten beslissen. DUEIK SERTANTE en paar jaar geleden nog had ik een suikertante. En nog wel een, die er héél warmpjes inzat. Elk jaar kwam ze enkele weken bij ons logeeren en dan deden we natuurlijk allemaal even hard ons best om het tante maar naar den zin te maken : ik ruimde mijn studeerkamer voor haar in, mijn wederhelft kookte al dien tijd tante’s lievelingsgerechten en m’n twee dochters vlogen op tante d’r wenken. En waarom zouden we ook niet! Tante was zoo heel jong al niet meer en als zij eindelijk eens haar oude grijze hoofd voor eeuwig neer zou leggen, waren wij boven-Jan, want wij waren de eenige erfgenamen ! Geduld dus maar! De kwalen van den ouden dag begonnen haar reeds ietwat te plagen en de dokter oordeelde een rustkuur aan zee zeer wenschelijk. Bijgevolg reisde tante op zekeren da af naar Domburg en m’n jongste dochter ging mee voor de gezelligheid. Nu had tante een papegaai, waar ze zoowat gek mee was. Dat beest had haar n.1. eens het leven gered, beweerde ze, door met zijn geschreeuw inbrekers op de vlucht te jagen, en sinds kon hij geen kwaad meer doen in tante d’r oogen. „Lorre” kon bezwaarlijk mee de baden gaan gebruiken en zoo kregen wij hem bij ons te logeeren. Een heel prettige logé was het niet direct, want hij wasschrikkelijk verwend. Voor hazelnoten bedankte meneer, koekjes kruimelde hij fijn op den bodem van zijn kooi en alsof dat nog niet mooi genoeg was, kreeg hij al heel gauw in z’n leelijken kop om ziek te worden. „Ouderdom”, zei de veearts, „misschien ook wel heimwee omdat hij z’n meesteres mist !”Wat van tweeën het nu was, is me niet duidelijk geworden, maar heel duidelijk zag ik m’n logé een paar dagen later dood liggen. Dat was een ware ramp ! Tante had ons zoo nadrukkelijk bevolen om toch vooral goed op haar lieveling te passen en in eiken brief informeerde ze zeer belangstellend hoe „Lorre” het maakte. En nu maakte „Lorre” het heelemaal niet meer! We durfden het haar natuurlijk niet schrijven, maar als ze terugkwam en „Lorre” was er niet meer, dan was ons ongeluk ook niet te overzien ! Er bleef dus maar één middel over : een anderen papegaai koopen en hem zoo gauw mogelijk aan het praten zien te krijgen. Want dat kon „Lorre” goed ! Als tante ’s morgens bij z’n kooi kwam, begroette hij haar direct met een: „Goeden morgen, vrouwtje!” en dat moest de remplaQant dus ook kunnen, ’t Was een heele toer om een vogel te vinden, die vrijwel op den dierbaren afgestorvene geleek, maar na heel wat zoeken vonden we er tenslotte toch een, die het wel kon doen. Hij kon nog niet praten, maar de vogelhandelaar beweerde, dat het dier verbazend veel aanleg had en dat hij het in een paar weken zeker al aardig onder de knie zou hebben. Voor vijftig gulden veranderde de kromsnavel van eigenaar en nog denzelfden dag gaf ik hem het eerste spreekonderricht. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zei ik hem heel langzaam en akelig duidelijk voor: „Goeden-mor-gen vrouw tje !”, maar ik had er absoluut geen succes mee. De nieuwe „Lorre” deed maar net alsof hij me geheel niet hoorde en keek gewoonlijk recht van me af. Dat begon me somwijlen vreeslijk te vervelen en dan schreeuwde ik hem wel eens nijdig toe : „Kijk toch niet zoo stom uit je doppen, leelijk mirakel!” of ook wel eens : ..Loop naar de maan !” Dat liet hem schijnbaar echter even koud als mijn vriendiijk : „Goe-den-mor-gen-vrouw-tje !”, want dan deed hij evenmin z’n bek open, en toen tante gezond en wel weer terugkwam, hadden we dan ook nog nooit één woord van hem gehoord. Geen wonder dus, dat wij ons alle drie het hart vasthielden, toen zij dadelijk voor de kooi ging staan en „Lorre” allerlei zoete naampjes gaf. Als ze ’t eens merkte, dat het haar oude „Lorre” niet meer was ! Dat ging echter goed, maar antwoorden deed het beest haar natuurlijk niet. Bezorgd vroeg ze daarom, of we wel goed op „Lorre” gepast hadden. Anders was hij altijd zoo lief tegen haar! Wij hielden ons zoo goed mogelijk en zeiden, dat „Lorre” de laatste dagen al niet praterig was geweest, toen het beest ineens uit alle macht schreeuwde : „Kijk toch niet zoo stom uit je doppen, leelijk mirakel!” Tante wist heelemaal niet hoe ze het had met haar lieveling en stak bestraffend den vinger naar hem uit. In plaats evenwel van zich hierdoor te laten intimideeren, vervolgde de booswicht: „Loop naar de maan!” Daar had je de poppen aan het dansen! Tante werd vuurrood van toorn en snerpte me toe : „Je hebt hem mooie dingen geleerd, dat moet ik zeggen !” Daarop vloog ze de kamer uit, zoo vlug als haar oude voeten het haar veroorloofden, pakte direct haar koffer en vertrok nog denzelfden avond .... zonder papegaai. Dat beest mochten wij houden ! Of ik haar ook in een grooten, poeslieven brief, de heele zaak eerlijk opbiechtte, het hielp me niets niemendal: de vriendschap was voor goed uit. En wat wel het ergste van al was: toen tante stierf en het testament geopend werd, bleek, dat zij haar heele hebben en houden had vermaakt aan .... een vereeniging tot bescherming van vogels ! Of kleine oorzaken dus ook groote gevolgen kunnen hebben! PALUD1S.
PDF
Nummer
1915, nr.13, 12 feb. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 10+ voor de Jeugd —: De gefopte Musch. * I. Een grasmusch, Pietje Pips geheeten, Had sinds twee dagen niets gegeten, En zocht in gras en struiken rond Of hij geen worm of kever vond. Daar komt, wie had dat durven hopen, Een klein zwart mannetje aangeloopen; Een kever, die een wandeling doet En tot zijn schrik den musch ontmoet. Piet roept hem toe met welbehagen : „Nou is je laatste uur geslagen. „Loop maar niet weg en kom maar gauw, „Want ’k val van honger bijna flauw.0 II. De krekel zegt: „wel nou nog mooier ! „Ik zal me haasten om zoo’n schooier, „Zoo’n straatslijper, berooid en kaal, „Te dienen voor zijn middagmaal/’ „Je denkt wel lekkertjes te smullen, „Maar zult met mij je maag niet vullen. „Al ben je nog zoo’n vlugge Piet „Me vangen, vrindje, kun je niet!” „Dat zul je zien !” roept Piet vol woede. „Ik ben die praatjes van jou moede.” Met vliegt hij op den krekel aan, Maar blijft opeens beteuterd staan. III. De krekel is zoowaar verdwenen. „Waar ging die kleine rakker "henen ?” Vraagt Piet zich vol verbazing af. „Daarvan sta ik nou waarlijk paf!” Doch dra gaan hem de oogen open : Vriend krekelaar is weggekropen. . Die vindt een veilig onderdak In ’t leege huisje van een slak. „Maar wie had dat ook kunnen droomen ?” Zucht Piet. „’t Zal m’ niet meer overkomen !” De krekel echter lacht hem uit En roept: „Zoek maar een anderen buit!” Een houten Hoed. In den loop van het jaar 1780 meldde zich een arme werkman aan, in de fabriek van stoomwerktuigen van Boulton en Watt, en vroeg er om werk. Door het gebrek, dat hij den laatsten tijd geleden moest hebben, had hij zijn uiterlijk niet mee, zoodat de Heer Boulton, hem maar raadde, ergens anders zijn geluk te gaan beproeven. Toen de man zich al omgekeerd had, om weg te gaan, riep de eigenaar der fabriek hem op eenmaal terug met de belangstellende vraag : „Wat heb je daar voor een hoed op ’t hoofd, vriend ?” „Een houten hoed, mijnheer !” „Laat eens zien. Hoe kom je daaraan ?” „Ik heb ’m zelf gemaakt, mijnheer.” „En hoe dan wel ? „Op mijn draaibank, mijnheer.” „Maar hoe kan dat nu? Je hoed is ovaal en de draaibank maakt de voorwerpen rond.” „Jawel ; maar ik heb de draaibank genoodzaakt om eens anders dan precies rond te gaan. Ik heb niet veel te verliezen, ziet U, mijnheer en deze „waterproef” kan ten minste niet bederven !” Door zijn aangeboren werktuigkundigen zin had deze man het ovaaldraaien ontdekt en toen nu eenmaal de aandacht van den heer Boulton op zijn werk gevestigd was, maakte hij langzamerhand zijn fortuin. Hij werd althans een der voornaamste werktuigkundigen aan de fabriek van Boulton en Watt. De Snelrekenaar. Oom Piet is een leukerd, die ons gaarne voor het lapje houdt. Zondag kwam hij bij ons te visite. „Zeg jongens,” zei Oom, „kunnen jullie goed rekenen ?” „Ik wel, Oom,” antwoordde Wim. „Ik leer nu al wiskunde.” „Zóó! I da’s moeilijk, hè. Dan kun-je zeker wel goed optellen ... .” „Optellen ?” „En deelen ?” ging Oom kalm voort. „Nou, da’s ook wat, Oom. Hoe kun je nou wiskunde leeren als je niet kunt optellen en deelen,” riep Wim lachend uit. „Ja, maar met breuken l” zei Oom weer met een ernstig gezicht. „Natuurlijk,” schamperde Wim, „deelen met breuken, ’t mocht wat!” „Zoo Wim,” en Oom lachte oolijk, „ben jij zoo n kraan in het rekenen 1 Vertel me dan eens, maar snel: hoeveel is een derde van honderd en de helft van een derde van honderd?” „Da’s makkelijk genoeg,” beweerde Wim. „Een derde van honderd is 33’/3 en de helft van 33'/, == 16’ 2 Dat is te zamen iaat eens zien 331 3 -t- 16’/, + l!a is ... is . .. Even uitrekenen op de lei!” „Neen, vriendje,” lachte Oom, „dat mag niet. Je moet het me dadelijk kunnen zeggen. Maar je doet het ook niet zooals het moet. Kijk, de oplossing is heel eenvoudig .. ’ En toen Oom het uitlei, riepen we allemaal uit: „He, ja, Com, hoe eenvoudig!” Wie onder jelui is er zoo knap om de oplossing te vinden ? Wie kan dat? m.uu. Neem in iedere hand een potlood en schrijf bovenstaande letters na, met de linkerhand de eene, met de rechter de andere, maar : b e i d e le t te rs te gelijk! Vraag: Welke cijfers hebben dezelfde uitkomst onverschillig of men ze optelt of vermenigvuldigt ? Antwoord: 2-J-2 en 1 +2-f-31 X2X3. Raadsels, Men schrijft mij met twee lettergrepen, met drie en zelfs met vier lettergrepen en steeds maak ik muziek. Welke rivier in Amerika heeft 1 M, 2 P. 3 S en 4 I’s ? ftebus. Oplossingen der raadsels voorkomende in TMo. 25b en 2ób. 25b: h Steen. 2. Het eerste kwartier, want de volle maan is lichter (geeft meer licht). Rebus: Damhert. 26b: Raadsel: Sneeuwpop. Rebus: Kerstkoeken. Oom Tom. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN Het vroolijke hoekje
PDF
Nummer
1915, nr.14, 17 feb. 1915
Blad
09
Tekst
No. 14 (33b) 17 Februari 1915. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.075 UITGAVE A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERS=MAATSCHAPP1J, LEIDEN = RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. 1. DE BELGISCHE ARTILLERIE. Een Belgisch kanon, achter een aarden wal opgesteld en dus voor den vijand zeer moeilijk te ontdekken, wordt afgeschoten. Men lette op de mannen, die hun ooren tegen den luchtdruk beschermen.
PDF
Nummer
1915, nr.14, 17 feb. 1915
Blad
10
Tekst
PANORAMA 106 Het „linkervak-ensemble” op marsch. Soldaten-musici van naam die hunr.en wapenbroeders in de Hollandsche waterlinie aangename afleiding bezorgden. Links de bekende cellist Oscar Eberlé. Wat er voor onze Militairen gedaan wordt DE GEZONDEN. ij, gewone burgers, hebben ons langzamerhand ai aardig aan den bestaanden toestand weten aan te passen. De ontwrichting, die zich eerst zoo ernstig liet aanzien, viel tenslotte voor ons, neutralen, nogal mee. De zaken gaan slecht, zeker, maar toch, hoe dikwijls wordt het niet gehoord: „In verband met den toestand kan het nog al schikken”? De bioscopen zitten nog steeds vol: de café’s zijn niet minder leeg dan op andere tijden. onze grens- en kustwachters voor de verraderlijkheden van ons klimaat. Er is nóg een stoffelijk gebied, waarop de Hollandsche aard uitkwam. Een Holiandsch soldaat die niet rookt. . . Maarrr.... in deze omstandigheden moesten velen zich het genot van een sigaar ontzeggen. Dat hebben verscheidene Hollandsche mannen begrepen. Talrijke geschonken zendingen sigaren en tabak zijn door de vereenigingen „Onze Vloot” en „Ons Leger” naar verschillende garnizoenen gestuurd. Bij elkaar zullen zeker 400.000 sigaren en 10.000 pakjes tabak wel in rook vervlogen zijn. En soms zal die rook, plus een hengel, plus een soldaat een vredes-idylle geweest zijn, want „Onze Vloot” verzond meer dan 600 hengels met vischwant aan de soldaten in vischrijke streken! Het voortdurende afmattende waakzaam-en gereedmoeten-zijn, verlangt meer dan voorziening in stoffelijke De respectabele hoeveelheid lectuur, welke iedere week vanwege „Onze Vloot’’ aan de militairen wordt verzonden, dank zij onderstaande dames en heeren. Van 1. n. r.: Jhr. C. A. L. v. d. Wijck, secretaris-penningmeester Hoofdbestuur „Onze Vloot”, A. L. Boelen, administrateur Hoofdbestuur „Onze Vloot”, R. Post, Mej. J. Stuten, Mevr. v. d. Wijck. J. Ekering. an w De bekende cellist Oscar Eberlé en zijn vrouw, mevrouw Eberlé-Dermont, een verdienstelijke violiste, die den soldaten in de Hollandsche waterlinie heel wat muziekgenot verschaften. behoeften. Het verlangt ontspanning en afleiding, wil de animo frisch blijven. En de weet gierige geest verlangt ontwikkeling. Een „Centraal-comité tot ontwikkelingen ontspanning van gemobiliseerden” tracht daarin te voorzien. In bijna alle garnizoensplaatsen zijn cursussen opgericht. Deels door burger-leeraren en onderwijzers, deels door militairen worden lessen gegeven in allerhande vakken. En dat zoo’n cursus ingang vindt (ondanks het dienstdoen overdag en ondanks de nauwe Ontwikkeling voor de gemobiliseerden. — Over het geheele land zijn cursussen ingesteld, waarop de soldaten gelegenheid vinden (al zijn zij den schoolbanken in letterlijken zin ’n weinig ontgroeid!) zich in verschillende vakken te bekwamen. We hebben onze krant, onze sport, ons kunstgenot, enz., behouden. Ons leven is vrijwel ’t zelfde gebleven. Voor wie echter de toestand anders is en blijft? Voor de militairen. Verreweg ’t grootste deel is uit hun gewonen levensgang gerukt. En behalve stilstand van zaken als ernstigste factor, beteekent dat ook verandering van toestanden, gewoonten, omkeer in levenssfeer, gemis van vele dingen, die moeilijk gemist konden worden, ja on misbaar leken. Dat gemis is gelukkig in ons land begrepen. En, in ons vorig stukje zeiden we het reeds, de drang tot helpen ging daarmee gelijk op. Op stoffelijk gebied missen de militairen de verzorging, die zij thuis in ’t gewone leven hebben, thuis van moeder of van vrouw. De vróuwen hebben dat ingezien. Wat op haar weg lag, hebben zij flink aangepakt: met onnavolgbaren ijver zijn zij aan het breien getogen. De Koningin stelde geld beschikbaar voor wol, zoodat ook onze vrouwen èn konden meewerken, èn wat verdienden. Tienduizenden bivakmutsen, tienduizenden paren polsmoffen, tienduizenden buikbanden behoeden Een „stilleven", dat de attenties tegenover onze militairen, uitgaande van „Onze Vloot’’, aardig illustreert: boeken, spelen, en last not least ’n gramofoon, die in de eenzaamheid afwisseling brengt. banken!) bewijst onze foto. Ook lezingen met lichtbeelden worden gretig bezocht. Uitgebreider is, en dat is niet te verwonderen, de ontspanning. Vooreerst de lectuur. Wat er in het bureau van „Onze Vloot” verwerkt wordt, is waarlijk belangwekkend ! Dan zijn er de ontspanningslocalen, waar gelegenheid is tot lezen, billardspel, sjoelbak en schrijven. Dat hiervan, dank zij den vrijdom van port, een druk gebruik gemaakt wordt, is te begrijpen. En voor de spelen blijft de animo bestaan door kleine prijsjes, enz. Ook hierin toonde de Koningin belangstelling door verschillende vertrekken van het hoofdgebouw harer stallen af te staan. Tooneel, voordrachten en muziek vullen voorts menigen avond. Verscheidene dilettanten (dikwijls wel wat zwakke krachten I) beijveren zich op dat gebied. Maar ook ..overste” Speenhoff en zijn „adjudante” hebben heel wat plezierige oogenblikken gegeven. En uit de soldaten zelf vormt zich menig verdienstelijk trio of kwartet. Zoo wordt eenigermate tegemoet gekomen aan het gemis van het gewone leven en aan het afmattende afwachten. V. Ontspanning voor de militairen. — ’n Kijkje in de localen, door H. M. de Koningin afgestaan in den Haag. waar avond aan avond verscheidene militairen verpoozing vinden met verschillende spelen, lezen, enz. In de ontspanningslocalen, afgestaan door H. M. de Koningin. De lees-afdeeling wordt door talrijke militairen bezocht. Op de foto ziet men ook (onder 1) mevrouw van Sandick, kolonel Hobbema (2), en den heer Beyaart (3), die zich zeer veel voor de ontspanning interesseeren.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1366 tot 1370 van 11897