|
103 PANORAMA
hè ?” schertste Kitty terug. Nu echter keek Gérard
serieus.
„Neen” sprak hij zonder een zweem van plagerij.
„In dit opzicht kunnen jullie van groot, zeer groot
nut zijn. ’k Ben werkelijk blij, dat je je aan dat
liefdewerk wijdt.”
’t Deed Kitty goed, hem zoo te hooren. Haar hart
popelde. Hoe gaarne had ze hem met iets heel
aardigs hiervoor bedankt!
,,Kom verbind mij eens,” vroeg hij, weer met iets
schalksch in z’n oogen. „Laat eens kijken, of je je
..les” goed kent.”
Kitty aarzelde. Mèende hij het? Gérard drong aan.
Toen gaf ze toe, verheugd.
„Kom mee naar de serre,” zei ze met ’n blos, dien
ze niet kon bedwingen. „Anders klaagt ma weer
over den rommel op Zondag!”
Die uitnoodiging was voor den luitenant bevel. Die
lieve serre! ’t Maakte hem gelukkig, dat hij eindelijk
dat gezellige hoekje weer betrad. En met Kitty ! Paul
bleef bescheiden in de kamer.
„Hier heb ’k alles” sprak Kitty rad. terwijl ze ’t benoodigde
van een tafeltje haalde.
Gérard volgde verrukt elk harer bewegingen. Hoe
had hij zoo lang koppig kunnen zijn !
„Ga daar zitten,” wees Kitty hem.
Hij verroerde zich niet.
„Nu, versta je me niet ?” vroeg ze verbaasd.
„Pardon.” excuseerde hij zich. Werkelijk hadden
haar ranke gestalte, haar lief blond kopje hem zoo
geboeid, dat hij haar niet verstaan had. Wanneer
liefde al ’n keer niet blind maakt, maakt ze doof!
Gérard zette zich op den rieten stoel. Wat stond
hem nu te wachten ?
„Je vingers zijn stuk geschoten, begrijp je?” sprak
Kitty ernstig.
„Ja” antwoordde de officier zacht. „De hemel
verhoede, dat ’t in werkelijkheid gebeurt!”
„Dat hoop ik met je,” meende Kitty van harte
en haar stem klonk week.
„Begin nu maar,” moedigde hij aan, er naar verlangend
dat ze zijn hand in de hare nam.
Spoedig had hij dat geluk bereikt! Met de grootste
omzichtigheid, alsof ’t droeve ernst was, omwikkelde
ze de vingers van z’n rechterhand met
gaas. Wat deed ze alles zacht en liefdevol!
„Nu moet je me aankijken,” zei Kitty gewichtig.
„Graag,” antwoordde Gérard gul. „Maar waarom?”
„Dat moet" leeraarde ’t verpleegstertje, dat zich
op dit oogenblik volstrekt geen onbelangrijk persoon
vond. „Dan kunnen we zien, of we den patiënt pijn
doen.”
Gérard glimlachte.
„Hoe kan [ik nu pijn hebben, als jij me verbindt?”
vroeg de gelukkige verliefde met een zucht.
„Flauwerd!” kreeg hij daarop ten antwoord.
Doch dat klonk op ’n toon, alsof ze hem toch eigenlijk
niet zoo heel erg flauw vond!
Nu werden de vingers dik met watten belegd en
vervolgens omzwachteld. ’t Verband zat zóó stevig,
dat Gérard z’n hand, behalve zijn duim die vrijgebleven
was, absoluut niet kon bewegen. Hij had er dan ook, al
vond hij ’t niet noodig op overdreven wijze de loftrompet
er over te steken, werkelijk respect voor.
„’k Zit heelemaal in je windselen verstrikt,” verzuchtte
hij andermaal. „Hoe kom ik er ooit uit ?”
Kitty wendde zich een weinig af. Die toespeling van Gérard
was duidelijk genoeg ! En ze had tóch zoo gauw last van
kleuren !
’t Was een oogenblik stil in de serre. De jonge officier
dacht er over, hoe de mogelijkheid op oorlog in elk geval nog
bestond. En dan zou, wat nu spél was, wèrkelijkheid kunnen
worden ! Ja, als je dat alles bepeinsde . . . . ! Raadde Kitty
z’n gedachten ? Ze kwam wat dichter bij hem staan en keek
zwijgend naar z’n verbonden hand.
„Er zijn ernstiger wonden dan deze” sprak Gérard bijna
plechtig.
„Ja” antwoordde Kitty, die nu heelemaal niet vroolijk
meer keek. Weer volgde een stilte.
Toen fluisterde Gérard, al z’n moed bij
elkaar zamelend : „’t Is tenminste een troost
te weten, dat als ik gewond raak, jij me komt
verplegen.”
„Zoo ? Zou je denken ?” deed Kitty weer
ondeugend.
„Nee, nu geen grapjes” drong de „patiënt”
aan, terwijl z’n stem momenteel allesbehalve
commando-achtig klonk. „Toe Kitty, als ’t
zoover met me komt, mag ik dan op je rekenen
?”
Z’n vraag ging bijna over tot smeeken.
Dat ontroerde Kitty meer dan ze wel weten
wou.
„Ach, gekke jongen” weerde ze nog af, geheel
verward.
„Gek? Ja, op jou !” bekende Gérard nu plots
onstuimig en geen verbandgaas kon hem meer
weerhouden, z’n armen uit te steken naar den
schat, welken hij reeds zoo lang begeerde.
„Kom, Kitty ! Zou je ’t zoo erg naar vinden,
een officiers vrouwtje te zijn ?”
Even schrok Kitty. Want al wachtte ze al
maanden op die vraag, ’t kwam toch nog erg
onverwacht.
En die Paul, die alles hoorde! Maar
neen, de kiesche broer had de kamer stilletjes
verlaten.
HET TEHUIS VOOR ALLEENSTAANDE BLINDEN
TE WOLFHEZEN.
Het .Te Huis" voor alleenstaande blinden van alle gezindten te Wolfhezen is in zijn soort
eenig in Nederland. Geen gesticht met den verlammenden gestichtsgeest, maar een Te
Huis met vrijheid, liefde, gezelligheid en huiselijkheid. En geen vragen naar godsdienstige
of politieke overtuiging, noch naar kerkelijke belijdenis. Hier zetelt de liefde zonder eenig
exclusivisme. Het Bestuur der Vereeniging voor Nationale Blindenzorg, beschermheer Prins
Hendrik der Nederlanden, heeft het aangedurfd, een Te Huis te stichten op geen andere
basis, dan op het vertrouwen in den liefdadigheidszin van de Nederlanders van alle gezindten.
Het is tot nog toe in dit vertrouwen met beschaamd. Alsof het over schatten kon
beschikken, nam het van de ellendigsten onder de ellendigen - blinden zonder steun: alleenstaande
volwassenen, w.o. zelfs voortdurend lijdenden en ouden van dagen - in het
Te Huis op. thans reeds acht en 4ertig in getal, geheel kosteloos of met een geringe
betaling, en het put zijn vertrouwen in het geloof, daarmede een heerlijk en droevig-noodzakelijk
werk te doen. Ja zeer droevig-noodzakelijk inderdaad. In dit vertrouwen verricht
het zijn zeer zwaren arbeid. Nu er zooveel van de offervaardigheid in Nederland geëischt
wordt, is die arbeid dubbel zwaar geworden. Een prachtige loterij waarvan de trekking
24 Maart a.s. in den Haag zal gehouden worden ten bate van het Te H ui s. is nu voor
het Bestuur een nieuw belangrijk nummer op zijn program van arbeid; de prijs der loten
is 25 cent. Daaraan kan ieder helpen — loten verkoopen ten bate van het T e Huis, ter
wille van de liefde tot den naaste, die er toe dringt .— Wie wil er aan meedoen ? De Penningmeesteres,
Mej. Joanna Desmons, Archimedesstraat 48 te ’s-Gravenhage, wacht met
een hart vol hoop de brieven af, die haar om loten zullen vragen, of prijzen die men daarvoor
beschikbaar stellen wil. Hier is een mooi, een heerlijk een gezegend werk te doen.
(foto Couvèe).
Dr. CARLIER Dr. n. reeling
VAN DISSEL.. BROUWER. +
Te ‘s-Gravenhage is j.l. Zaterdag op 76-jarigen leeftijd overleden de heer J. H. BERGSMAoud-minister
van Koloniën, commandeur in de orde van den Ncd. Leeuw. — Dr. CARLIER
VAN DISSEL herdacht deze week den dag, waarop hij zich voor 60 jaar te Lochem vestigde.
Onlangs werd er in de bladen melding van gemaakt dat Dr. Carlier van Dissel als
verloskundige in vier^ generaties^ was opgetreden, — Te ’s-Gravenhage is de vorige week
ER,
J. H. BERGSMA +
overleden Dr. N. REELING BROUWER, oud-lid der Provinciale staten van Friesland.
Welke woorden ze dan stamelde, kon ze zich later niet goed
meer herinneren. Doch ’t resultaat er van was, dat haar gloeiende
wang kwam te liggen tegen de blinkende knoopen van
de luitenants uniform.
Daar klonk opeens luid gepraat. Papa en Paul traden de
kamer binnen. Aardig van Paul, om zoo te waarschuwen !
„Haha !” sprak de heer Verhaeren op z’n gewonen, luiden
toon. „Heeft ze weer een prooi gevonden ? Laat eens zien !”
Met veel rumoer verscheen hij in de serre en lachte daar
dat het daverde.
„Haha !” riep de gezellige oude heer vroolijk uit. „Ja, als
Kitty niet iemand verbinden kan ....!”
De jongelui lachten verlegen, zeiden er niet veel op.
Spoedig gehoeg toch zou de heer Verhaeren vernemen, dat
Kitty haar Gérard verbonden had .... voor het leven !
DE HANDELSOORLOG.
Hierboven een foto van de „Dacia", waarover de laatste weken in de couranten zooveel is geschreven. Zooals
bekend is, is dit schip, dat aan de Hamburg-Amerika-lijn behoorde en zich bij het uitbreken van den oorlog
in Amerika bevond, door een Amerikaan van Duitsche afkomst overgenomen, die het nu, geladen met 12000 balen
katoen naar Duitschland heeft gezonden. De Engelsche regeerlng is van plan het schip aan te houden, teneinde het
Prijzenhof te laten beslissen.
DUEIK SERTANTE
en paar jaar geleden nog had ik een
suikertante. En nog wel een, die er
héél warmpjes inzat. Elk jaar kwam ze
enkele weken bij ons logeeren en dan
deden we natuurlijk allemaal even hard
ons best om het tante maar naar den
zin te maken : ik ruimde mijn studeerkamer voor
haar in, mijn wederhelft kookte al dien tijd tante’s
lievelingsgerechten en m’n twee dochters vlogen op
tante d’r wenken. En waarom zouden we ook niet!
Tante was zoo heel jong al niet meer en als zij eindelijk
eens haar oude grijze hoofd voor eeuwig neer
zou leggen, waren wij boven-Jan, want wij waren de
eenige erfgenamen ! Geduld dus maar! De kwalen
van den ouden dag begonnen haar reeds ietwat te
plagen en de dokter oordeelde een rustkuur aan zee
zeer wenschelijk. Bijgevolg reisde tante op zekeren
da af naar Domburg en m’n jongste dochter ging
mee voor de gezelligheid. Nu had tante een papegaai,
waar ze zoowat gek mee was. Dat beest had haar
n.1. eens het leven gered, beweerde ze, door met zijn
geschreeuw inbrekers op de vlucht te jagen, en sinds
kon hij geen kwaad meer doen in tante d’r oogen.
„Lorre” kon bezwaarlijk mee de baden gaan gebruiken
en zoo kregen wij hem bij ons te logeeren. Een heel
prettige logé was het niet direct, want hij wasschrikkelijk
verwend. Voor hazelnoten bedankte meneer,
koekjes kruimelde hij fijn op den bodem van zijn
kooi en alsof dat nog niet mooi genoeg was, kreeg hij
al heel gauw in z’n leelijken kop om ziek te worden.
„Ouderdom”, zei de veearts, „misschien ook wel heimwee
omdat hij z’n meesteres mist !”Wat van tweeën
het nu was, is me niet duidelijk geworden, maar heel
duidelijk zag ik m’n logé een paar dagen later dood
liggen. Dat was een ware ramp ! Tante had ons zoo
nadrukkelijk bevolen om toch vooral goed op haar
lieveling te passen en in eiken brief informeerde ze
zeer belangstellend hoe „Lorre” het maakte. En nu
maakte „Lorre” het heelemaal niet meer! We durfden
het haar natuurlijk niet schrijven, maar als ze terugkwam
en „Lorre” was er niet meer, dan was ons
ongeluk ook niet te overzien ! Er bleef dus maar één
middel over : een anderen papegaai koopen en hem
zoo gauw mogelijk aan het praten zien te krijgen.
Want dat kon „Lorre” goed ! Als tante ’s morgens
bij z’n kooi kwam, begroette hij haar direct met een:
„Goeden morgen, vrouwtje!” en dat moest de remplaQant
dus ook kunnen, ’t Was een heele toer om
een vogel te vinden, die vrijwel op den dierbaren afgestorvene
geleek, maar na heel wat zoeken vonden
we er tenslotte toch een, die het wel kon doen. Hij
kon nog niet praten, maar de vogelhandelaar beweerde,
dat het dier verbazend veel aanleg had en dat
hij het in een paar weken zeker al aardig onder de knie
zou hebben. Voor vijftig gulden veranderde de kromsnavel
van eigenaar en nog denzelfden dag gaf ik hem
het eerste spreekonderricht. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds
laat zei ik hem heel langzaam en akelig duidelijk voor: „Goeden-mor-gen
vrouw tje !”, maar ik had er absoluut geen
succes mee. De nieuwe „Lorre” deed maar net alsof hij me
geheel niet hoorde en keek gewoonlijk recht van me af. Dat
begon me somwijlen vreeslijk te vervelen en dan schreeuwde
ik hem wel eens nijdig toe : „Kijk toch niet zoo stom uit
je doppen, leelijk mirakel!” of ook wel eens : ..Loop naar
de maan !”
Dat liet hem schijnbaar echter even koud als mijn vriendiijk
: „Goe-den-mor-gen-vrouw-tje !”, want dan deed hij
evenmin z’n bek open, en toen tante gezond en wel weer
terugkwam, hadden we dan ook nog nooit één woord van
hem gehoord. Geen wonder dus, dat wij ons alle drie het
hart vasthielden, toen zij dadelijk voor de kooi ging staan
en „Lorre” allerlei zoete naampjes gaf. Als ze ’t eens merkte,
dat het haar oude „Lorre” niet meer was ! Dat ging echter
goed, maar antwoorden deed het beest haar natuurlijk
niet. Bezorgd vroeg ze daarom, of we wel goed op „Lorre”
gepast hadden. Anders was hij altijd zoo lief
tegen haar!
Wij hielden ons zoo goed mogelijk en zeiden,
dat „Lorre” de laatste dagen al niet praterig
was geweest, toen het beest ineens uit alle macht
schreeuwde : „Kijk toch niet zoo stom uit je
doppen, leelijk mirakel!” Tante wist heelemaal
niet hoe ze het had met haar lieveling en stak
bestraffend den vinger naar hem uit. In plaats
evenwel van zich hierdoor te laten intimideeren,
vervolgde de booswicht: „Loop naar de maan!”
Daar had je de poppen aan het dansen! Tante
werd vuurrood van toorn en snerpte me toe :
„Je hebt hem mooie dingen geleerd, dat moet
ik zeggen !” Daarop vloog ze de kamer uit,
zoo vlug als haar oude voeten het haar veroorloofden,
pakte direct haar koffer en vertrok
nog denzelfden avond .... zonder papegaai.
Dat beest mochten wij houden ! Of ik haar
ook in een grooten, poeslieven brief, de heele
zaak eerlijk opbiechtte, het hielp me niets
niemendal: de vriendschap was voor goed uit.
En wat wel het ergste van al was: toen tante
stierf en het testament geopend werd, bleek,
dat zij haar heele hebben en houden had vermaakt
aan .... een vereeniging tot bescherming
van vogels ! Of kleine oorzaken dus ook
groote gevolgen kunnen hebben! PALUD1S.
|