|
,, I n tegenwoordigheid van mijn dochter?’ ’
„Er is niets waarover ik mij tegenover
haar behoef te schamen.”
„Dan.... zal ik het u zeggen: uw
vader was een dief, mijnheer! En je zoudt
willen dat ik aan den zoon van een dief
mijn dochter zou uithuwelijken?”
Een oogenblik kon Otto niet antwoorden.
Het scheen wel of het hem niet mogelijk
was de beteekenis der woorden van den
kolonel te begrijpen. Toen schreeuwde hij
het eindelijk uit: „Je liegt!”
„Dat kan niet waar zijn, vader!” kreet
Janna, wie de tranen nu langs de wangen
stroomden. - „Als je moeder het feit
voor je verzwegen heeft, ben ik niet te
laken,” zei de kolonel. „Als ze nog in
leven is, vraag het haar dan !”
„Het is een leugen,” riep Otto weer.
„Ik kan het niet gelooven. En al was dit
zoo, ben ik verantwoordelijk voor mijns
vaders fouten? Mag een zoon worden gestraft
voor de misdaad van zijn vader ?
Een misdaad waaraan hij geen deel nam?
Moet hij even slecht wezen als zijn vader?
Dat is niet nobel, dat is schandelijk onbillijK’
En bovendien, mijnheer, ik zeg u
het is een leugen !”
„Je kent het spreekwoord : de appel
valt niet ver van den stam !” was het
antwoord van den kolonel.
Otto voelde de aanvechting om zijn beleediger tegen
den grond te slaan, de tegenwoordigheid van Janna
weerhield hem hiervan. Hij wendde zich af en liep naar de
deur; daar keerde hij zich om en vroeg aan het meisje,
angstig haar antwoord verbeidend : „Jij gelooft het toch
niet, Janna?”
„Zoo waar ik hier sta, zweer ik, het is waar!” antwoordde
de kolonel. „Mijn kind weet niets!”
* *
♦
Een half uur later stond Otto voor zijn moeder;
zijn oogen vol woede en verdriet; met hijgenden
adem; de handen tot vuisten gebald, dat de nagels
in zijn vleesch drongen.
Mevrouw Striening zat in een lagen stoel, het hoofd
in de beide handen en weende alsof haar hart zou
breken — „Moeder, je zegt het is waar,” kermde
haar zoon, „maar waarom, waarom heb je me het
nooit verteld?” — „Ik heb steeds gedacht dat
het onnoodig zou zijn,” snikte ze. „Ik wilde het
voor goed verbergen.”
„De waarheid komt altijd uit, moeder 1”
„Maar het was niet jouw fout, mijn jongen,” zei
ze. „Jij bent niet aansprakelijk voor je vaders vergrijp.”
— Hij grimlachte.
„Niet in uw oogen, maar wel in de oogen van de
wereld !”
„Het is onrechtvaardig, Otto ! Ach, ik ben zoo
bedroefd. Ik dacht dat het reeds lang vergeten was,
dat elk spoor was uitgewischt en nu na zooveel
jaren .... Otto, Otto ! vergeef het mij. Ik verzweeg het
om je bestwil!”
Hij viel op zijn knieën voor haar neer, zijn armen om
haar hals, zijn gelaat tegen het hare, terwijl beider tranen
zich vermengden.
„Ik vergeef je, moeder,” mompelde hij. „Ik was wreed!
Ik heb je verdriet gedaan. Had ik kunnen vermoeden dat
het waar was, nimmer zou ik gesproken hebben. Maar ik
DE TOESTAND TE DENDERMONDE BLIJKT ZEER ERNSTIG TE ZIJN.
Deze kinderen werden 3 Februari door het R.-K. Huisvestigings-Comité te Leiden uit Dendermonde gehaald en van
Roosendaal onmiddellijk doorgevoerd naar Horst (Limburg), waar zij allen bij families ondergebracht zijn. De kinderen
werden aangetroffen tusschen de puinhoopen van de verwoeste stad. waar zij natuurlijk heel treurig gehuisvest waren
(van de 1400 huizen zijn er niet meer dan een honderdtal over). De foto werd genomen op de binnenplaats van het
„Steen”, te Antwerpen. Giften worden gaarne door Dr. E. Verviers, 3 Octoberstraat 11a, Leiden, ontvangen.
wilde hem zijn leugen teruggeven ! Huil niet, moeder!”
Haar snikken hielden eensklaps op en ze lag stil in haar
stoel. Hij nam haar handen van haar gelaat en lichte haar
hoofd op.
„Hemel!” gilde hij uit. „Ze is dood ! Dood ! De schok
JAN BROM. t N. VAN VLIET. + S. I. DE VRIES.
Te Utrecht is den len Februari na een smartelijk lijden overleden de bekende edelsmid
JAN BROM. Van de belangrijkheid zijns levensarbeid voor de Katholieke sierkunst, leggen
zijn talrijke werken een sprekende getuigenis af. — Te ’s-Gravenhage is op 67-jarigen
leeftijd overleden de heer N. VAN VLÏET, die zich in tal van functies zeer verdienstelijk
heeft gemaakt, o.a. als bestuurslid v. d. Gem. Handelscursus. — De heer S. I. DE VRIES
te Hoorn, oud-lid v. d. Gemeenteraad aldaar en oprichter der bekende firma te Amsterdam
en te Hoorn, die op het oogenblik in de modebranche een zoo belangrijke plaats inneemt,
heeft Zondag 31 Januari zijn 90en verjaardag gevierd.
vermoordde haar. Moeder,
wusteloos bij haar neer.
moeder 1” Toen viel hij beDe
rechter-commissaris zat in zijn kamer in het
gerechtsgebouw, wachtende op zijn equipage die hem naar
huis zou voeren. Hij had een drukken dag gehad en voelde
zich moe, en toen de gerechtsbode hem meldde dat er een
dame was, die hem wenschte te spreken,
voelde hij weinig lust het verzoek toe te
staan.
„Ik zal haar morgen ontvangen,” zei hij.
„Ze zegt het is voor haar een zaak van
het hoogste belang. Het is over het jonge
meisje Spencer, dat heden verhoord is.
Ik denk dat het haar moeder is.”
„Maar ik kan niets voor haar doen, nu.”
De bode aarzelde en in de stilte die
volgde hoorde de magistraat het gesnik
eener vrouw.
„Enfin ! Laat haar maar binnenkomen.
Ik zal haar .vijf minuten aanhooren. Laat
me onmiddellijk weten, wanneer mijn
rijtuig voor is.”
De dame die binnentrad, was geheel in
het zwart gekleed en droeg een zwaren
sluier.
De rechter-commissaris bood haar een
stoel aan en vroeg haar; „U wenscht mij
te spreken over Marie Spencer, is ’t niet ?”
„Ja,” klonk het antwoord door haar
snikken heen. „Ik ben haar moeder. Haar
beschuldigers hebben het vergrijp geheel
verkeerd voorgesteld. Ik weet zeker dat
het niets anders is dan een karakterfout,
een geval van kleptomanie, edelachtbare.”
„Mijn lieve mevrouw, ik vind het zeer
verdrietig voor u,” was het antwoord,
„doch ik kan er thans niets meer aan
doen. Het recht moet zijn loop hebben. Rijkdom mag
geen verontschuldiging zijn voor diefstal, integendeel!
Voor een arme die uit wanhoop steelt, zou die verontschuldiging
niet kunnen gelden, voor een rijke mag ze niet
gelden.”
„Maar ze is pas twintig jaar, edelachtbare,”
bad de dame.
„Denk aan haar toekomst.”
„Ik kan niets doen, mevrouw!”
De bode klopte aan en trad binnen.
,-,Het rijtuig is voor !”
De rechter stond op.
„Het spijt me zeer voor u, mevrouw, maar ik
kan er thans niets meer aan doen !”
De dame stond op, sloeg haar sluier terug, en
riep uit, terwijl ze voor hem op de knieën viel :
„Ook niet voor mij, Otto?”
Hij deinsde achteruit.
„Janna Fokker!” riep hij verwonderd uit.
„Heb medelijden,” bad zij. „Mijn vader. . .
„Vermoordde mijn moeder en vernietigde mijn
levensgeluk,” ging hij somber voort.
„Het was niet uw schuld, mevrouw Spencer, ik
weet het.”
De bode trad weer binnen.
„Uw rijtuig wacht, edelachtbare!”
Otto Striening, oud en grijs op drie en vijftigjarigenleeftijd,
nam zijn hoed en stok en ging naar
de deur.
„Goeden dag,” zei hij tot den bode. „Laat mevrouw
uit!”
En hiermede vertrok hij, terwijl mevrouw Spencer haar
hoofd in haar handen begroef en tranen weende van bitter
lijden.
U
houdt van muziek, niet waar? U hebt
Glück, Grieg, Mozart, Scharwenka, en wie
al niet meer, beluisterd. Gij hebt U ’n idee
gevormd, hebt het beweeg dier muziek gadegeslagen,
en toen ge ze hebt zien dansen,
gedacht: ja, dat is de lente, dat is de hartstocht,
dat het gracielijk bewegen. Dat heeft
U de muziek duidelijk gemaakt, en ge hebt
gevoeld dat achter iedere muziek ’n bewegen zit,
dat door den dans kan worden naar voren
gebracht. Maar zoodra hebt ge geen rag-time gehoord,
of ge hebt niet meer gadegeslagen, en uw voet heeft’
alleen meegeklopt op den grond, uw hoofd heeft alleen,
als hing het plotseling aan ’n draadje, meegeknikt in het
rhythme, en ernstig beluisterd hebt ge ’t niet. Ik heb vandaag
’n rag-time zien dansen, waarin je voelde, dat er
meer in zit. Daar z i t meer in. Daar zit in, heel het
moderner, bewuster verlangen naar wat van het leven om
ons, het leven van iederen dag, het leven zooals het reilt
en zeilt, te genieten. Dat is de cadans van de talrijke
kleine emotie’s, die je doortrillen, bij het gaan door ’n
straat, en ’t zien van ’n mooien fijn geschoeiden vrouwenvoet,
van het zien, voor je in den schouwburg van kleine
blonde of zwarte krullen, even bewogen vaak, levendbewogen,
tegen het teere blank van de huid, het is de
cadans van die spontane verliefdheid op de duizend
en een beloften van alles wat lief en mooi wezen kan,
en het misschien engros niet is. Vroeger mijmerde je.
Liet je je gaan op de walsmuziek als de Donauwellen.
Dat was droomen. Dat was geen realiteit. Je hadt
er ’n achtergrond van ’n sentimenteelen zonsondergang
of ’n maneschijn bij noodig. Dat is uit. Je wordt
nu verliefd in ’n tram, op ’n hoek van ’n straat,
bij ’n theater-voorstelling of in ’n bioscoop. Je
ziet waarop je verliefd wordt. Je weet ’t, je dweept
niet meer. Je wilt en je wilt niet. Je laat je gaan en je
houdt je in. Je wilt méér en je vréést voor meer. Je tracht
vast te houden aan het kleine werkelijke, dat je trof en je drijft
tóch door. Het komt op eens en van dichtbij. Het wordt niet
geboren uit ’n lang-gekoesterd ideaal, het rijst spontaan voor
je, tastbaar, aanwezig. Het is er. En dat trekt je mee onweerstaanbaar.
Zoo is de moderne verliefdheid. Zoo is de modërne
dans. Ik heb dezen gezien bij Maddy en Willy Encla. Het
is de bekoring van het tijdelijke, het aanwezige, de bekoring
van lijn, en stand, de bekoring van wat je direct om je ziet, en
de bekoring van het te bereiken niet alleen, maar de bekoring vooral
van het schoone waardeeren. Een moderne dans is ’n les. ’n
Les hoe blij te kunnen zijn, als, wat we aan vreugde bezitten om
ons, door ’n emotie levend wordt, ’n Moderne dans is niet de vertolking
van het hemelhooge, dat velen slaat met de onmacht het
ooit te bereiken, en ’n melancholie om ’t leven nalaat vaak; ’n melancholie,
dat we geen góden zijn. ’n Moderne dans geeft van wat
we hebben, wat we maken kunnen ervan, de vreugde. En die geeft
hij, met al het reeele, het misschien korte, nooit zekere, het stijgende
en dalende, het méér-willende en het weer verwerpende van onzen
tijd van twijfel en sterk verlangen niet te twijfelen, ’n Moderne dans is
’n episode. De duizendmaal zich herhalende en nooit genoeg beleefde.
Hij is telegrafisch kort; in z’n rhythme is het korte tikken van ’n Morsetoestel.
Vroeger waren we lyrisch. Nu zijn we beknopt, kort, haast
nuchter. De glijingen van ’n Donauwellen hebben plaats gemaakt voor
de moderne korte afgebroken cadans van de rag-time’s. Maar de dans
lééft nóg. Op het andere rhythme krijgen we onze nieuwe emotie’s, de
korte emotie’s om het schoone aanwezige en wat niet meer te bemijmeren
is, en onze vreugd geeft er vorm en lijn en schoonheid aan.
Maar het is niet eeuwig meer, al is ’t begeeren tijdeloos. Maddy en
Willy Encla geven dien dans Na de rag-time’s, de tango, zien we
the Hesitation-valse: Hesitation! Armoede en Rijkdom tevens
van onzen tijd! CI-DEVANT.
DANS-AFTERNOON WILLY en MADDY ENCLA.
|