|
PANORAMA
ben glad
minste ten
J je dan terugkomt met den kogel, die door
vóór den oorlog. Omdat je dan
kans hebt, wat te worden. Als
le arm sneec^ aan ’n touwtje om je hals
en je arm in *n doek, dan ben je ’n held.
Dan komen de zachte krullen van je nichtje
en de lieve hand van je vriendinnetjes zacht op je arm drukken,
en als je nog stem over hebt na het zooveelste verhaal
van je weervaren, begin je weer opnieuw. En je begint, terwijl
de oogen van je nichtjes diep zich vergeten in het blauw van
je eigen oogen en de fluweelen arm, waarvan als ’n geknakte
lelie de liefelijke hand van je vriendinnetje afhangt, rust op
den gezonden schouder. En in je zelf voel je voor het eerst
weer het mannelijk-prestige opleven, dat in onzen tijd
zoo schuil gaat achter heelemaal-de-moeite-niet-meerwaard-zijnde
mannelijke handelingen. Erken zélf. ’n Vrouw
vertoont neiging van je te gaan houden. Denkt u, dat
‘t op haar fantasie werkt, als ze weet, dat je ’s morgens
met je boterhammen in je rechter jaszak op Duinoord
op lijn 3 stapt, en zij je weet zitten van 9 tot 12, goed
geborgen achter de oer-solied gebouwde kantoorwanden;
dat ze weet hoe je van 12 tot halftwee in ’n melkinrichting
je kopje chocolade drinkt, om weer van halftwee
tot vijven tusschen dezelfde muren te verblijven? Zal ze
beven voor je hachie, als je iederen dag op de Beurs
bent, of zal de emotie, zoo hoog noodig voor de stijgende
verliefdheid, misschien gefokt worden, als je met je overschoenen
in het schemerdonker uit de drijfnatte straten,
de dooie straat, waar je woont, binnensjokken komt ? Nee,
nietwaar? Maar zet daartegen: je bent ,,reuzekieper“ bij
’n internationale match: al de jochies, die de sportbladen
lezen, roepen ,,haal op sjeffie” en je werkt met éénen den
bal -door t net, dat de enthousiaste menigte je draagt
naar je clublokaal, waar de manager je onderhanden
neemt, om de ledematen te verzorgen, dan, in die spanning
wordt je gevolgd door wie weet welke schoone oogen achter
de lijn of op de tribune. Dan ben je wat. Maar je kunt
niet allemaal de ,,reuze-back” zijn! En daarom maar oorlog,
dan kun je allemaal wat wezen !
Waarmede ik maar zeggen wil, dat ’n man 'n held
moet wezen, om als man wat te zijn en’t voor’n vrouw
voldoende is, vrouw te wezen.
Het is dan ook heelemaal geen wonder, dat ’n man,
eenmaal ’n verovering hebbende gemaakt, er eenigen prijs
op stelt, het levend bewijs dier verovering zoo fraai mogelijk
in tuig gestoken te zien aan zijne zijde, zooals je ’n
schip pavoiseert op ’n feestdag. En nademaal de vrouwtjes
zich dat met de meeste bereidwilligheid laten aanleunen,
zijn we in den nauwen doorgang geraakt, waar
de mode haar tol heft van den teeren wensch onzer
dames, bij iedere bijeenkomst niet de buitgemaakte prijs
te zijn, maar het admiraalschip!
Ik stem toe, — want ook ik heb de zwakheid om
gevoelig te zijn voor ‘n goede „optuiging" — dat het
ons mannen 'n zekere warmte in de knokkels geeft naast
’n goed-gekleede vrouw te loopen, en we dus ook op die
wijze toegeven aan de luxe-bevliegingen onzer dames.
Waarom echter altijd die tooi in zoo sombere
kleuren?
Ik weet niet, wie ’t eens tegen me zei, dat het jammer
was, dat in ons donkere Holland de vrouwen zich zoo
donker kleeden óók. Er is voor kleur veel te zeggen.
Lichte kleeding vervroolijkt het straat-effect. Nu is het
’n feit. dat we de laatste jaren vooruit zijn gegaan. De
kleurige dracht, roode, paarse, groene blouses, oranje en
violette mantels, ze hebben al menig interieur, menig
Hollandsch-grauwe straat ’n prettigen toon gegeven. Maar
’s winters is het nog niet dat. Ons klimaat? De regen?
Ik heb stoffen gezien, die kleurig evengoed in den regen
te dragen waren, als in donkerder tonen.
En het bont dan ?
Niet ineens zal het gaan, maar is met kleuriger dracht
eenmaal de proef genomen, dan zal het ieder opvallen, hoe
prettig en hoe vroolijk het werkt op den toon van onze
omgeving, juist tegen den miezerigen achtergrond van ons
land, ons klimaat.
Enfin, hopen maar. Reeds nu gaan de donkerder kleuren
al minder dan vroeger. Er zal ‘n tijd komen, dat ze
heelemaal niet gaan, of dat ze alleen als orneering zullen
dienen.
De bijgaande foto’s bewijzen, dat Parijs, Parijs niet zijn
moest, om thans, al is ’t oorlog, bij de pakken neer te
zitten. Meldden de couranten al dat schouwburgen en
andere theaters reeds weer hun deuren openstellen, ook
op modegebied blijft er niets achter. Bijgaande foto’s
mogen er het bewijs van zijn. Het hermelijnen garnituur,
symbool van de sneeuw en den winter, gedragen als dit, blijft
er z’n triomfen . vieren. Een ieder zal toestemmen, dat 'n
geheel blanke verschijning als deze, de teint ambré nog
voordeeliger te voorschijn brengt. De zwarte hoed daarbij
brengt deze wel-aandoende tegenstelling nog scherper naar
voren.
Zwaarder doet de bijgaande zwarte vos, op het witte
costuum gedragen.
Door ’n groote vrouw gedragen, verleent het aan het
geheel iets majestueus.
Voor thuis, bijgaand tea-gown. Van de charme, uitgaand
van deze zijden kleederdracht, met borduurwerk voorzien,
wil ik niets verhalen. Ze zou ons voeren in de mijmering
over verleden dingen, die de charme van de zomermorgens
hebben, zon blij en warm-koesterend. Het andere toilet
- reeds het kleine beer-aapje, dat van den schouder dezer
schoone u wat angstig toeloert, vertelt u dat het eveneens
’n fluweelen huistoilet is; de zijden hoofddoek sierlijk
om de weerbarstige krullen, — is ’n aardig ornament. Daarmede
zal zij, gastvrouw, u ontvangen als ge haar, zonder
dat het haar jour is, ’n bezoek brengt en ge de eer van
bij haar toegelaten te worden, deelachtig wordt. Mij
lijken de figuren in het kleed gebrand.
Zooals u ziet, verscheidenheid genoeg, maar wie zal ’t
durven bestrijden, dat, als de natuur vier maal per jaai
van kleed verwisselt, de vrouw, die van de natuui in
ons leven de schoonste vertegenwoordigster is, het vier
maal per dag ’doet?
,,Habe ich doch meine Freude d’ran!” zei Mefistofeles.
Ci-DEVANT.
MODEPRAATJE
|