|
71
Rotterdamsche geneesheeren onderteekend. Luister wat ze
schrijven : Lijdt aan grootheidswaanzin, verbeeldt zich rijk-en
ongetrouwd te zijn, noemt zichzelve Agnes Viljoen, doch
is de vrouw van Jacob Batels en leeft met haar echtgenoot
in behoeftige omstandigheden. Waar blijf je nu met je
beweringen ?”
„En ik geloof niet dat ze gek is. Aha, dat zal ’t zijn 1”
„Wat zal ’t zijn ? Praat een weinig duidelijker, bitte 1”
„Ik zie de heele truc! De dokters zagen werkelijk de
vrouw van Batels. Zij speelde voor gek. Klaarblijkelijk
hadden ze in een volksbuurt een paar kamers gehuurd
voor dit doel. Toen ze eenmaal de certificaten hadden,
hebben ze Juffrouw Viljoen mogelijk in bewusteloozen
toestand naar dit tweede verblijf gebracht, haar van andere
kleeren voorzien, en haar op deze certificaten onder de
hoede van een wijkzuster naar hier laten brengen.’'
„Wat ’n fantasie! ’t Is om te lachen, ha, ha, ha!” riep
ik uit.
„Jij lacht nou overal om!” antwoordde mijn zuster
vinnig. Ik meen zelfs dat ze er „idioot” op volgen liet.
„Luister, de zaak kan gemakkelijk opgelost worden. Ik
ga dadelijk naar Rotterdam, naar die twee stadsdokters,
en breng ze.in mijn auto hierheen. Dan zullen we zien of
Agnes werkelijk de vrouw van Batels is of niet.”
Zoo gezegd, zoo gedaan !
Ze kwam spoedig met mijn beide Rotterdamsche collega’s
terug en'ik had een onaangenaam en toch gelukkig kwartiertje,
toen de beide heeren eenstemmig verklaarden onze
patiënte nooit te voren gezien te hebben.
Ik heb al mijn best gedaan dat misdadige echtpaar
Batels (als ze werkelijk zoo heetten) op te sporen, doch
tevergeefs. De avonturiers waren gevlogen met meeneming
van Agnes’ juweelen, geld en andere waarden. J. H. SPEENHOFF, de bekende dichter-zanger, hoopt 13 Februari a.s.
zijn 121/2-jarig jubileum te vieren (foto H. Berssenbrugge)
Kort daarop begon de zomervacantie en ik besloot mijn
slimme zuster, die nu met haar man weer in Zwitserland
vertoefde, eens te verrassen. Ik reisde dus naar Andermatt
waar ze zich bevonden; doch toen ik te Belle Vue aankwam,
vernam ik tot mijn teleurstelling dat ze dienzelfden dag
naar de Furka gegaan warer, Het was te laat om ze nog
te volgen; ik besloot dus tot den volgenden morgen te
wachten.
Des anderen daags liet ik mij naar boven rijden tot waar
de weg zigzag hooger gaat. Hier steeg ik uit en besloot
verder den weg te wandelen.
„Hallo ! wat is dat ?” riep ik uit, toen ik langs het pad
naar boven keek. „Een paard op hol ? En die laffe Zwitser
is van den bok gesprongen ! Er is geen houden aan !
Wat, ze komen hierheen ! Groote hemel, er zitten dames
in het rijtuig, ik moet ze trachten te redden !”
Niet licht zal ik de botsing vergeten, die daarop
plaats greep: een vreeselijke schok, toen sloeg ik tegen
den grond, bewusteloos. Spoedig kwam ik echter weer bij
EEN MILITAIR KWARTET.
Van het fort a. d. St.-Aagtendijk ontvingen wij bovenstaande foto van het
militaire kwartet, dat zoo velen militairen reeds een aenotvollen avond heeft
bezorgd en zich steeds gaarne beschikbaar stelt op forten en in garnizoenen
te concerteeren. De namen zijn van 1. n. r.: K. Coenen, J. Biederman,
E. J. von Duinen, M. Kinsbergen Jr.
en zag dat ik langs den weg lag. Bij mijn eersten oogopslag
bemerkte ik bovendien dat ik de eenige was, de
inzittenden waren dus onverlet gebleven.
„Heb je pijn, Dol? Zeg het gauw, jongenlief ?”
Het was mijn zuster. Zij was juist weer van de Furka
teruggekeerd. Ik had kunnen begrijpen uit haar gewoonten,
dat ze geen vier en twintig uur op dezelfde plaats zou
blijven en mij den tocht naar boven kunnen sparen, maar . . .
dan lagen zij en haar gezellin, juffrouw Viljoen, misschien
verpletterd in den afgrond.
„Pijn?” herhaalde ik. „In het geheel niet. Au, mijn
voet!”
Het liep vrijwel los. Ik scheen den voet verstuikt te
hebben. Tusschen de beide dames in, werd ik hinkende
naar een kleine herberg in de nabijheid gebracht, totdat
er een draagbaar kwam om mij naar mijn hotel te vervoeren.
Daar werd mijn voet verbonden, doch ik moest
eenige weken blijven liggen. Al dien tijd had ik gezelschap
van de beide dames, die hun reisplan geheel veronachtzaamden.
Agnes zei me dat ze er niets om gaf.
Eindelijk was ik zoover hersteld dat ik aan den arm
van een der dames en met een flinken stok in de hand
een kleine wandeling kon doen.
Op zekeren dag werd ik vergezeld door Agnes.
„Ik zal spoedig weer beter zijn en dan is het voor mij
tijd om terug te keeren en......... en dan zal je me wel
weer spoedig vergeten zijn, juffrouw Viljoen,” zei ik
wel wat onhandig.
Ze keek mij guitig aan; de kleine heks begreep wat er
komen zou.
„Ik zal u niet vergeten 1 U heeft ons het leven gered.
We zouden zeker zonder uw tijdige hulp in den afgrond
zijn gestort. Bovendien is er nog een ander voorval, dat
ik nimmer vergeten zal.”
„O, Agnes, wees niet zoo hard voor mij. Laat het verleden
rusten. Wees niet wreed ! Ik bemin je, maak me
tot den gelukkigsten man ter wereld.”
„Zwijg mijnheer, of ik neem je stok af en laat je hier
hulpeloos staan.
Luister eens naar mij. Ik heb zeer veel bezwaar om
te trouwen.
Je weet, ik was eens patiënt in een krankzinnigengesticht,
mijn pupillen zijn ongelijk. Apropos, dat waren
ze al toen ik nog een kind was. U zult toch als specialist
in zenuwziekten een meisje met zulke ongunstige
antecenten als ik met kunnen veroorlooven een huwelijk aan
te gaan?”
„Zeker,” antwoordde ik vroolijk. „Mijn advies als specialist
is dat u dadelijk trouwt.... met mij 1”
„Ja,” zuchtte ze komisch, „tegen het advies van zulk
een autoriteit durf ik niets inbrengen. Maar, Rudolf,”
voegde ze er aan toe, „zeg dan die betrekking in dat afschuwelijke
gesticht vaarwel 1”
PANORAMA
EEN SCHADUW UIT
HET VERLEDEN
(Slot).
deed hierop de deur open en John stapte
de kamer binnen, waarna zij de deur weer
sloot. Aan het tegenovergestelde gedeelte
van het vertrek zag hij op een rustbed een
man liggen. Door de schemering, die in de
kamer heerschte, kon hij niet zien of de man
jong of oud was, en zelfs toen hij vlak bij hem stond, kon hij
onmogelijk den leeftijd van dit menschelijk wrak bepalen.
De man was vreeselijk vermagerd en scheen in het laatste
stadium van een ongeneeslijke ziekte te verkeeren.
De zieke man wees Pendergast een stoel in zijn nabijheid
aan.
„Mijnheer Pendergast,” begon hij, „mijn zuster heeft
mij alles verteld: uw raadselachtige droom, uw komst
hier, uw vreemde vangst en eindelijk uw even zonderlinge
kennismaking met haar.” — Pendergast knikte.
„U kent mij niet,” ging de zieke voort. „Onze familienaam
is Camforth.”
„Ja?”
„Is u niet verbaasd?”
„Ik heb nooit te voren den naam Camforth gehoord,”
antwoordde de ander. „Waarom zou ik dan verbaasd zijn ?”
Howard Camforth rees met moeite op en keek zijn bezoeker
ongeloovig aan.
„Nooit gehoord?” herhaalde hij verwonderd. „Ken je
dan de geschiedenis van je voorouders niet?”
Pendergast schudde het hoofd.
„Heb je dan nooit gehoord van den twist die er gerezen
is tusschen onze beide families ? Weet je dan niet van den
vloek die op onze familie gebracht is door een mijner voorvaderen,
doordat hij den echtgenoot van een uwer voorouders
doodde en diens erfrecht stal ?”
„Het is alles nieuw voor mij,” antwoordde Pendergast,
„en wat den vloek betreft. . . .”
„Daaraan gelooft u niet, zie ik.”
Pendergast lachte. „Neen, niet als hij eeuwen oud is.”
„Welnu, luister dan naar mij. Toen John Camforth
in het jaar 1631 een uwer voorvaderen doodde, vervloekte
diens vrouw hem en ons geheele geslacht.” Toen, zich zooveel
mogelijk oprichtende, riep hij met bevende stem uit:
„De vloek, dien zij uitte, was dat ieder lid van ons geslacht
zou sterven vóór zijn dertigste jaar. Ze zijn.allen voor
dien leeftijd gestorven. Ik ben nu aan de beurt en dan
mijn zuster.”
„Neen,” kreet Pendergast van zijn stoel opstaande,
want hij voelde een rilling hem langs den rug loopen, „dat
kan ik niet gelooven, dat is te wreed !”
„Wreed, maar waar 1” ging Camforth voort. „Ik ben
nu negen en twintig, Elizabeth, mijn zuster, twee en twintig.
Het is waar! Het is al die eeuwen waar gebleken. Al mijn
voorvaderen huwden, behalve ik, en niet een van hen bereikte
den leeftijd van dertig jaar.”
„En toch, ronduit gezegd,” beweerde Pendergast, „kan
ik aan dien vloek geen waarde hechten. Al uw familieleden
zijn gestorven uit een ziekelijke vrees voor de vervloeking,
een soort auto-suggestie, en dit is ook met u het geval.”
Camforth scheen niet overtuigd.
„Is u mij niet vijandig gezind?” vroeg hij angstig.
„Niet in het minst,” antwoordde John. „En,” ging hij
opgewekt voort, „is er geen middel om van den vloek
verlost te worden?”
„Ik weet het niet,” was het moedeloos bescheid. „Somtijds
denk ik, er moet een middel zijn. Ik geloof dat die
kist daar wel een oplossing zou geven, doch niemand durft
haar openen.”
Pendergast keek in de aangewezen richting en zag een
met ijzer beslagen kist in een hoek van het vertrek staan.
„Waarom durft men ze niet openen ?” vroeg hij.
„Omdat de familielegende zegt, dat ieder die haar opent,
binnen een maand zal sterven.”
„Heeft iemand het al eens geprobeerd ?”
„Niet in mijn tijd. Ik heb geen recht om iemands leven
in de waagschaal te stellen, en bovendien is de sleutel
verloren geraakt.”
„John Camforth moet wel een schurk van een kerel
geweest zijn, om zulke maatregelen te treffen,” merkte
Pendergast op.
„De sleutel werd bij zijn dood niet gevonden, maar
ik geloof dat het degene is, die door u is opgevischt met
het portret der jonge vrouw, die John’s vrouw had moeten
worden.”
„Had moeten worden ?”
„Ja, want dat gebeurde niet, zij trouwde uw voorvader.”
„En hij zwoer wraak, denk ik, en wierp den sleutel in
het water.”
„Ja, of verloor hem,” zei Camforth. „Hij verdronk
twintig jaar later op denzclfden dag waarop hij uw
voot vader vermoord had.”
„Misschien kan ik met den sleutel de kist openen. Geeft
u er mij permissie voor? Ik ben niet bang voor vervloekingen.”
En Pendergast knielde voor de kist neer. Na een paar
vergeefsche pogingen gelukte het hem den sleutel om te
draaien en voor het eerst sedert drie eeuwen ging het deksel
omhoog en scheen het daglicht op eenige bundels netjes
saamgebonden documenten en verscheidene zware zakken.
„Nu is het aan u,” zei Pendergast oprijzende, „om in
deze documenten de oplossing der kwestie te zeeken. Als
deze zakken goud bevatten, is hier een fortuin aanwezig.”
De documenten bestonden hoofdzakelijk uit particuliere
brieven van John Camforth, voor de tegenwoordige generatie
van geen waarde. Eindelijk vonden zij evenwel een
stuk door John onderteekend, waarin van zijn misdaden,
den vloek, en zijn boetedoening gesproken werd. De zakken
bevatten goud en vertegenwoordigden het bedrag dat
Camforth gestolen had van de Pendergast-familie. Hij
beval dat geld aan de rechthebbenden terug te geven,
opdat de vloek van zijn nabestaanden zou worden opgeheven.
„Zoo,” zei Elizabeth, „al dit geld is dus uw eigendom,
mijnheer Pendergast.”
„Onzin,” sputterde hij. „’t Is al te dwaas.”
Howard Camforth was echter van hetzelfde gevoelen
als zijn zuster en drong erop aan, dat Pendergast dit geld
als zijn rechtmatig eigendom zou aanvaarden.
„Het is uw plicht dit geld te nemen, mijnheer Pendergast,”
zei Elizabeth. „U móét het nemen.”
„Welnu,” besloot hij van de een naar den ander ziende,
„als het u eenige voldoening geeft, dan zal ik dit geld
aanvaarden, maar . . . .”
Howard greep een zijner handen en Elizabeth de andere
en drukte ze vol dankbaarheid.
„Maar,” ging Pendergast voort, naar het meisje ziende,
wier hand hij stevig vasthield, „ik verlang dat je het met
mij deelt, met mij deelt als mijn vrouw. Ik weet wel, mijn
aanzoek is plotseling, lijkt misschien overhaast, omdat we
elkander eerst een paar uur kennen; doch, Elizabeth, ik
bemin je al weken lang, ik bemin je al van af het oogenblik
dat ik je zag in mijn droom.”
Elizabeth boog blozend het hoofd, doch trok haar hand
niet terug. Howard’s gelaat was opgewekt en wel tien jaar
jonger. Hij staarde vol verwachting zijn zuster aan, nieuwsgierig
haar antwoord te hooren.
„Ik behoef hierin niets te zeggen, zuslief,” zei hij. „Ik
geloof dat mijnheer Pendergast je bemint. Hij heeft een
open gelaat. Onderzoek je eigen hart en doe wat dit je
zegt.”
Elizabeth zag Pendergast aan en gaf hem ook haar
andere hand.
„Ik geef u mijn hart niet,” zei ze. „Het eerste oogenblik
dat ik u zag op den weg hebt ge het reeds gestolen.”
„En nu, ofschoon ik je naam weet, haat ik je toch niet,”
hervatte John. „Je bent een slechte profetes geweest,
Elizabeth,” vervolgde hij lachende, haar in de armen sluitende.
|