Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1331 tot 1335 van 11897
Nummer
1915, nr.9, 29 jan. 1915
Blad
03
Tekst
DE UITWERKING VAN EEN BOM. Te King s Lynn sloeg een boni een groot gat in den grond, vlak achter de loods van den Koninklijken trein. ZIJN DOEL GEMIST. Een der niet ontplofte bommen, die te Yarmouth gevonden werden. EEN ZEPPELIN BOVEN DE KUST. Deze fotografische samenstelling geeft een zeer juist beeld van het verschijnen van den eersten Zeppelin boven de Engelsche kust. Een nieuw soort bommen, die vanuit de Zeppelins gelanceerd worden Het gedeelte van de Engelsche kust. dat een bezoek van de Zeppelins heeft gehad. De verwoesting door de ontploffing van één bom veroorzaakt. De Duitsche luchtraid tegen de Engelsche kust
PDF
Nummer
1915, nr.9, 29 jan. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA DUITSCHLAND EN DE OORLOG DE IN DEN GROND GEBOORDE DUITSCHE KRUISER ,,BLUCHER". Op de Noordzee heeft er tusschen Duitsche en Engelsche schepen een kort maar hevig gevecht plaats gehad, met het gevolg dat de kruiser „Blücher", een der snelstvarende Duitsche pantserkruisers, gezonken is. Van de 888 opvarenden werd vermoedelijk niet meer dan een vijftigtal gered. OORLQGS-KRONIEK. I 5 Jan. In den Kaukasus hebben de Russen den Turken een grooten nederlaag toegebracht: het 9e Turksche legerkorps werd vernietigd; de commandanten van de 17e, 28e en29e divisie, 2 luit generaals, de generale staven met hun chef, meer dan 100 officieren en een groot aantal soldaten, krijgs- en levensbehoeften werden door de Russen genomen. De rest van het 10e Turksche legerkorps, dat zich door de vlucht trachtte te redden, wordt krachtig achtervolgd. — Langs de Montenegrijnsche grens zijn de Oostenrijkers een hevig offensief begonnen. 6 Jan. Aan het Westelijke front zijn door de Franschen, ondanks de slechte gesteldheid van het terrein, enkele vorderingen gemaakt, o.a. in de duinen van Nieuwpoort, in de streek van Notre-Dame-de Lorette enz. — Aan het Oosteiijke front hebben enkele kanonnades en plaatselijke gevechten plaats. Russische cavalerie overviel de terugtrekkende Oostenrijkers in den Uszok-pas. 7 Jan. Behoudens enkele kleine successen der Verbondenen, is de toestand op het Westelijke oorlogsterrein onveranderd. — Aan het Oostelijke front vallen evenmin belangrijke gebeurtenissen voor. 8 Jan. Aan het Westelijke front werden verscheidene Fransche aanDE EENZAME WACHTPOST. OE OORLOG IN DE SNEEUW. Aangezien het vervoer per auto door de sneeuw niet meer mogelijk is, wordt er ook in het Duitsche leger een zeer druk gebruik van sleden gemaakt. vallen door de Duitschers afgeslagen; de laatsten maakten enkele geringe vorderingen. — Aan het Oostelijke front duurt de strijd met groote hevigheid voort, zonder voor een der partijen succes te hebben. In de Boekowina zetten de Russen het offensief voort. 9 Jan. Aan het Westelijke front veroverden de Franschen ten Noorden van Soissons een redoute op de Duitschers, bezetten 2 opvolgende loopgravenliniën en sloegen 3 tegenaanvallen der Duitschers af. 10 Jan. Aan het Westelijke front maakten de Franschen enkele vorderingen ; in het Oosten der Argonne deden de Duitschers een stormaanval, maakten 1200 Franschen gevangen en namen eenige mijnen- 'werpers en een mortier — Op het Oostelijke oorlogstooneel blijft door het aanhoudende slechte weer de toestand ongewijzigd. 11 Jan. Aan het Westelijke front is de toestand bijna ongewijzigd — In het Oosten maakten de Russen op enkele punten onbeduidende vorderingen, terwijl elders hun aanvallen werden afgeslagen. 12 Jan. Op het Westelijke oorlogstooneel wordt door de geallieerden en Duitschers met afwisselend succes gestreden, zonder evenwel belangrijke wijzigingen in den algemeenen toestand te doen ontstaan. VOORZORGEN IN DUITSCHLAND. De vrijliggende landerijen worden zooveel mogelijk in gereedheid gebracht voor het verbouwen van aardappelen enz. Ook het Tempelhoferfeld te Berlijn, bekend door de parades die er altijd' op gehouden worden, wordt nu omgeploegd. GODSDIENST IN HET DUITSCHE LEGER. Op verlangen van den Aartsbisschop van Keulen werd voor het westelijke Duitsche leger een kapel-auto gebouwd. De gelden welke daartoe noodig waren zijn door de „Kölnische Volkszeitung” ingezameld. De foto is genomen op ’t oogenblik, dat de auto aan den Kardinaal von Hartmann in het Aartsbisschoppelijk paleis werd afgeleverd. BARON STEPHAN BURIAN VON RAJECZ, de nieuwbenoemde Oostenrijksche minister van buitenlandsche zaken, die een bezoek aan Berlijn en ’t Duitsche hoofdkwartier heeft gebracht.
PDF
Nummer
1915, nr.9, 29 jan. 1915
Blad
05
Tekst
DE ENGELSCHE TROEPEN NAAR EN IN VLAANDEREN DE UITRUSTING DER PAS GELANDE ENGELSCHE ARTILLERISTEN . IN MARSCHTENUE. DE UITRUSTING OER PAS GELANDEENGELSCHE ART I LLE RISTEN . TEGEN REGEN BESCHERMD. DE LANDING DER NIEUWE ENGELSCHE TROEPEN. In de vorige week Is de verscheping naar Frankrijk begonnen van het nieuwe Engelsche leger. Honderdduizenden soldaten zijn volgens de berichtgevers in Hêvre in de meest volmaakte orde aan land gezet. Onze foto geeft een troep te zien na de ontscheping, op marsch naar de plaatsen achter het front. TERUG UIT DE LOOPGRAVEN. De courantenberichten, afkomstig uit de loopgraven, hebben ons reeds dikwijls de ellendige toestanden beschreven, waaronder de soldaten in en onder den grond leven. Een van de bezwaren, waarmede de mannen het meest kampen, is wel de modder. Bezie maar eens goed onze foto. Hoe vervuild zien deze Engelsche soldaten, wier trots hun goedverzorgde plunje en gladgeschoren gezicht is, er na een verblijf van een paar dagen in de loopgraven uit. HOE DE MANNEN AAN LAND WORDEN GEBRACHT. DOOR „PRINCESS MARY'S GIFT” GERED. Men herinnert zich de Kerstgift die de Engelsche soldaten aan het front met Kerstmis van Prinses Mary hebben ontvangen en waarvan wij in ons blad indertijd een foto hebben gegeven. Deze „box" heeft een der soldaten net leven gered. Een kogel kwam juist op de doos, ging door de tabak, sloeg de pijp kapot en vloog aan aen anderen kant er weer uit. ENGELSCH E VERPLEEGSTERS a h. FRONT. De Engelsche vrouwen trachten zich ook verdienstelijk te maken in den oorlog. Voortdurend gaan er nieuwe ambulances naar het front De dames zijn gekleed in een speciale uniform en werken zoowel in de hospitalen als op de gevechtsterreinen. Waar de haven niet diep genoeg is voor de groote schepen, worden de mannen in kleine booten overgeladen en zoo aan land gebracht.
PDF
Nummer
1915, nr.9, 29 jan. 1915
Blad
06
Tekst
STEUNPENNING. Te Utrecht is een comité gevormd, waarvan de heer (*. R. T. Baron Krayenhoff sécretaris-penningmeester ó, welk comité zich ten doel stelt het verkoopen van e-;n Steunpenning, dienaar de modellen van J. C. Wieneke uitgevoerd is door de Kon. Utrechtsche Fabriek van C. J. Begeer. De netto opbrengst van den verkoop komt ten bate van het Steuncomité. De geredde bemanning dat door den Duitschen OP ADVIES VAN DEN DOKTER gWqfl&mokter, er is een nieuwe patiënt. Dokter Hoorn is met haar in de fe polikliniek en vraagt of u dadelijk kij hem komt. Ik, dokter Rudolf Vogel, was op oogenblik inwonend assistent in het krankzinnigengesticht te D. Ik begaf mij naar de polikliniek. „Ha, amice,” begon Dokter Hoorn, de geneesheer-directeur van het gesticht, „we hebben hier een nieuwe patiënt. Een jonge vrouw, die aan grootheidswaanzin lijdt. Ze spreekt over diamanten en goudmijnen enz. Let eens op haar pupillen. Zeer ongelijk 1 Ongeneeslijk, natuurlijk 1” Ik zette mij neer en maakte mijn notities. Alle patiënten van dokter Hoorn waren „ongeneeslijk, natuurlijk !” Mijn belangstelling werd gewekt door de schoonheid en het beschaafde uitzicht van de jonge vrouw. Ze was armelijk gekleed en heur haar zat zeer slordig, doch haar bijzonder net voorkomen en haar goede manieren (zoo ongewoon bij de arme patiënten die ons gesticht bezochten) deden mij vermoeden dat deze vrouw betere dagen gekend had. „U weet zeker, juffrouw Batels,” zei dokter Kroon op zijn zachten, overredenden toon, waarmede hij steeds zijn patiënten aansprak, „u weet zeker waar u thans is ? Niet ? Wel u is in een inrichting voor zenuwlijders. Dit. . . .” „Toch niet in een krankzinnigengesticht ?” riep zij uit. „Dat is onmogelijk 1” Ze zag er zeer bekoorlijk uit met haar blos van verontwaardiging en haar stralende oogen, waarin zij tevergeefs poogde de tranen terug te dringen. „Wel, juffrouw Batels,” antwoordde dokter Kroon geruststellend, „wees maar niet boos. Als blijkt dat uw mededeelingen juist zijn, dan kunt u in een paar dagen weer vertrekken. Ondertusschen, deze certificaten zijn volkomen in orde; ik ben dus verplicht u voorloopig hier te houden.” „Arm ding,” zei hij, zich tot mij wendende. „Grootheidswaanzin zooals ik je reeds zei. Noteer dat en neem vooral notitie van de ongelijkheid der pupillen.” f Ik was voorbeschikt om meer aandacht aan haar pupillen te besteden, dan ik op dat oogenblik wel vermoedde. Nu zag ik alleen den droevigen. smeekenden blik in haar oogen, toen zij het vertrek verliet. — Een paar dagen later door den tuin loopende, hoorde ik op de piano in de conversatiezaal de sonate pathétique van Beethoven spelen. Beethoven is nu juist niet wat men gewoon is in een armengesticht te hooren. Het was juffrouw Batels die spelde en ze deed het onberispelijk. Het kwam misschien door den heerlijken zomerdag, door de bijen die zoemden over de rozen, door de koerende duifjes, door honderden andere dingen in de mooie natuur; ik weet het niet, doch ik liep voort .met het beeld in mijn hart van een meisje aan de piano met dwepende bruine oogen, een massa mooi zacht haar en een paar blosjes op de wangen. Wat ik ook deed, ik kon dit visioen niet meer kwijtraken. * * * „Mevrouw Delmeier om u te spreken, mijnheer,” zei de portier. De góden waren mij gunstig; de juiste persoon om mij raad te verschaffen was daar aangekomen. ‘ Mijn zuster Adeleida, mevrouw Delr~°ier, is een schat. Zij heeft een beter leventje dan ik, hoewel ook ik financieel niet te klagen heb. Adeleida en haar man zijn echter „globe-trotters” en dus zelden thuis. Nu was ze plotseling In de stad gekomen en had zich dadelijk naar mij toe begeven. IN DEN.GROND GEBOORD. van het Engelsche stoomschip ..Durward’’, onderzeeër „U 19” tot zinken is gebracht. C. G. VERWIEL. MEJ. A. OOYMAN. KAPITEIN A. HACKSTROH. I Kapitein A. HACKSTROH, uit ’s-Gravenhage, die onlangs bij een auto-ongeval om het leven gekomen. De heer C. G. VERWIEL hoopt op 6 Februari a.s. den dag te herdenken, waarop hij vóór 25 jaar tot Burgemeester van Besoyen werd benoemd. — Mejuffrouw ANNA OOYMAN herdenkt 30 Januari het zeldzame feit, dat zij 35 jaren lang bij de familie Simons in Den Haag werkzaam is. r familie, is tot op heden gezond en altiitjd bezig. KAZERNEBRAND TE ’s-H ERTOGEN BOSCH. De vorige week is er brand uigebroken in de Mortelkazerne te ’s-Hertogenbosch, waar ongeveer 400 artilleristen vertoefden. Geen hunner bekwam eenig letsel. Bovenstaande foto geeft de kamer, waar de brand is uitgebroken. KAZERNEBRAND TE ’s-H ERTOGEN BOSCH. Wat er van de kazerne is overgebleven. STEUN PENNING. Voorzijde van den penning (zie de foto links) „Je maintiendrai” de fiere wapenspreuk is verzinnebeeld’ door den tot verweer bereid zijnden Nederlandschen leeuw in dèn Hollandschen tuin, waarop de golven, die de van buiten dreigende gevaren verbeelden, beuken. Keerzijde (zie bovenstaande foto) de vredespalm in de as, aan den voet gedekt door den vuurslag, symbool der hooge gedachte, ter weerszij bloeiende en vruchtdragende oranjetakken. Op het ülad van den vuurslag staat: „Steunpenning 1914”, hetgeen de bedoeling van den penning nader aanduidt. ’ Overtuigd dat ze beter op de hoogte was van haar sekse dan ik, begon ik haar, zoodra ze gezeten was, alles omtrent de krankzinnige jonge vrouw te vertellen, mijn eigen krankzinnige liefde niet verzwijgende, en vroeg haar mij met haar raad bij te staan. Mijn zuster is zeer spotziek; ze lachte me ronduit in mijn gezicht uit, toen ze hoorde dat ik verliefd was, alsof dat nu zoo om te lachen is. Ze verwaardigde zich niet iets te zeggen of te vragen over de krankzinnigheid van het meisje, negeerde dit onderwerp totaal, alsof dokter Hoorn reeds niet dagen te voren met nadruk op de „ongelijke pupillen” gewezen had. Het eenige wat mijn zuster vroeg was, of ze het meisje eens zien en spreken kon. Ik knikte toestemmend en ze begaf zich toen naar de conversatiezaal, terwijl ik mij een oogenblik zette om eens wat te lezen in een nieuw vakboek, dat mijn zuster (goeie meid !) voor mij uit het buitenland had meegebracht. Ik was juist geheel verdiept in mijn studie, toen het boek mij onverwacht uit de handen gerukt werd. Het was Adeleida. „Mijn beste jongen,” riep ze vroolijk uit, „ik ben erg blij dat je mij in kennis gebracht hebt met zoo'n lief meisje als Agnes Viljoen.” „Juffrouw Batels, ‘verbeterdeik. „Onzin,” antwoordde ze. „Ze heet Agnes Viljoen en niet juffrouw Batels. O, je behoeft me niet tegen te spreken, Dolf, dat leidt toch tot niets. Ze heeft mij haar geheele geschiedenis verteld en dat heeft mij volkomen overtuigd. Ze is niet gek, ze is geen juffrouw Batels, ze is alleen het slachtoffer van een paar doortrapte schelmen.” „Maar mijn lieve meid,” zei ik, „dat is alles heel aardig en voldoende voor jou, maar daar kan een dokter zich niet mee tevredenstellen. Een belangrijk symptoom, „ongelijke pupillen” is door dokter Hoorn onbetwistbaar vastgesteld.” „Loop rond met je ongelijke pupillen,” riep mijn ongeloovige zuster lachend uit. „Wat maal ik om haar pupillen ? „Laten we hierover nu maar niet verder redekavelen. Ze is natuurlijk abnormaal. Welnu, wat weet je van haar geschiedenis? Ze heeft je zeker van haar goudmijnen in Zuid-Afrika verteld, is ’t niet ?” „Wel, Agnes Viljoen vertelde me het volgende : Ze is een wees, een Zuid-Afrikaansche. Een weinig geld, haar door haar ouders nagelaten, stelde haar in staat naar Europa te komen en in de muziek te gaan studeeren. Heb je haar hooren spelen, wel ? Het was goddelijk 1” „Haar spelen doet hier niets ter zake ! Ga voort met je verhaal 1” „Houd je stil ! Welnu, ze heeft drie jaar gestudeerd aan het Conservatorium en is toen naar de Kaap teruggekeerd. Kort na haar aankomst aldaar had ze het geluk in kennis te komen met een der mijnmagnaten aan den Rand, zekeren heer Murgatros, die een gezelschapsdame zocht voor zijn dochter. Ze nam de betrekking aan en de oudelui werden weldra zeer aan haar gehecht, terwijl de beide jonge meisjes als zusters met elkander omgingen. Toen kwam er een groot verdriet in haar leven. Het is zoo recent dat ze er nu nog om huilde, het arme kind. Haar zuster, zooals ze haar noemde, en haar aangenomen moeder stierven beiden plotseling aan moeraskoortsen, en Murgatros, die reeds eenigen tijd sukkelende was, overleefde dezen dubbelen slag niet en liet haar als eenig erfgenaam van al zijn bezittingen achter. Kort daarop verliet ze Zuid-Afrika om naar Europa terug te gaan. Tijdens den overtocht leerde zij het echtpaar Batels kennen. Zij, bedroefd en zonder vrienden, was weldra zeer bevriend met deze menschen, die allerliefst voor haar waren en haar uitnoodigden in Rotterdam eenigen tijd bij hen te blijven logeeren. Een week later werd ze hier binnengebracht, ondanks haar protest. Dit is de geschiedenis, en als er nog eenige rechtvaardigheid in Holland bestaat, dan moet ze zoo spoedig mogelijk worden vrijgelaten. Ik zal ten minste alles in het werk stellen om dit te bewerkstelligen.” „Tut, tut, vergaloppeer je niet I” antwoordde ik. „Kijk, hier zijn de officieele documenten, door twee
PDF
Nummer
1915, nr.9, 29 jan. 1915
Blad
07
Tekst
71 Rotterdamsche geneesheeren onderteekend. Luister wat ze schrijven : Lijdt aan grootheidswaanzin, verbeeldt zich rijk-en ongetrouwd te zijn, noemt zichzelve Agnes Viljoen, doch is de vrouw van Jacob Batels en leeft met haar echtgenoot in behoeftige omstandigheden. Waar blijf je nu met je beweringen ?” „En ik geloof niet dat ze gek is. Aha, dat zal ’t zijn 1” „Wat zal ’t zijn ? Praat een weinig duidelijker, bitte 1” „Ik zie de heele truc! De dokters zagen werkelijk de vrouw van Batels. Zij speelde voor gek. Klaarblijkelijk hadden ze in een volksbuurt een paar kamers gehuurd voor dit doel. Toen ze eenmaal de certificaten hadden, hebben ze Juffrouw Viljoen mogelijk in bewusteloozen toestand naar dit tweede verblijf gebracht, haar van andere kleeren voorzien, en haar op deze certificaten onder de hoede van een wijkzuster naar hier laten brengen.’' „Wat ’n fantasie! ’t Is om te lachen, ha, ha, ha!” riep ik uit. „Jij lacht nou overal om!” antwoordde mijn zuster vinnig. Ik meen zelfs dat ze er „idioot” op volgen liet. „Luister, de zaak kan gemakkelijk opgelost worden. Ik ga dadelijk naar Rotterdam, naar die twee stadsdokters, en breng ze.in mijn auto hierheen. Dan zullen we zien of Agnes werkelijk de vrouw van Batels is of niet.” Zoo gezegd, zoo gedaan ! Ze kwam spoedig met mijn beide Rotterdamsche collega’s terug en'ik had een onaangenaam en toch gelukkig kwartiertje, toen de beide heeren eenstemmig verklaarden onze patiënte nooit te voren gezien te hebben. Ik heb al mijn best gedaan dat misdadige echtpaar Batels (als ze werkelijk zoo heetten) op te sporen, doch tevergeefs. De avonturiers waren gevlogen met meeneming van Agnes’ juweelen, geld en andere waarden. J. H. SPEENHOFF, de bekende dichter-zanger, hoopt 13 Februari a.s. zijn 121/2-jarig jubileum te vieren (foto H. Berssenbrugge) Kort daarop begon de zomervacantie en ik besloot mijn slimme zuster, die nu met haar man weer in Zwitserland vertoefde, eens te verrassen. Ik reisde dus naar Andermatt waar ze zich bevonden; doch toen ik te Belle Vue aankwam, vernam ik tot mijn teleurstelling dat ze dienzelfden dag naar de Furka gegaan warer, Het was te laat om ze nog te volgen; ik besloot dus tot den volgenden morgen te wachten. Des anderen daags liet ik mij naar boven rijden tot waar de weg zigzag hooger gaat. Hier steeg ik uit en besloot verder den weg te wandelen. „Hallo ! wat is dat ?” riep ik uit, toen ik langs het pad naar boven keek. „Een paard op hol ? En die laffe Zwitser is van den bok gesprongen ! Er is geen houden aan ! Wat, ze komen hierheen ! Groote hemel, er zitten dames in het rijtuig, ik moet ze trachten te redden !” Niet licht zal ik de botsing vergeten, die daarop plaats greep: een vreeselijke schok, toen sloeg ik tegen den grond, bewusteloos. Spoedig kwam ik echter weer bij EEN MILITAIR KWARTET. Van het fort a. d. St.-Aagtendijk ontvingen wij bovenstaande foto van het militaire kwartet, dat zoo velen militairen reeds een aenotvollen avond heeft bezorgd en zich steeds gaarne beschikbaar stelt op forten en in garnizoenen te concerteeren. De namen zijn van 1. n. r.: K. Coenen, J. Biederman, E. J. von Duinen, M. Kinsbergen Jr. en zag dat ik langs den weg lag. Bij mijn eersten oogopslag bemerkte ik bovendien dat ik de eenige was, de inzittenden waren dus onverlet gebleven. „Heb je pijn, Dol? Zeg het gauw, jongenlief ?” Het was mijn zuster. Zij was juist weer van de Furka teruggekeerd. Ik had kunnen begrijpen uit haar gewoonten, dat ze geen vier en twintig uur op dezelfde plaats zou blijven en mij den tocht naar boven kunnen sparen, maar . . . dan lagen zij en haar gezellin, juffrouw Viljoen, misschien verpletterd in den afgrond. „Pijn?” herhaalde ik. „In het geheel niet. Au, mijn voet!” Het liep vrijwel los. Ik scheen den voet verstuikt te hebben. Tusschen de beide dames in, werd ik hinkende naar een kleine herberg in de nabijheid gebracht, totdat er een draagbaar kwam om mij naar mijn hotel te vervoeren. Daar werd mijn voet verbonden, doch ik moest eenige weken blijven liggen. Al dien tijd had ik gezelschap van de beide dames, die hun reisplan geheel veronachtzaamden. Agnes zei me dat ze er niets om gaf. Eindelijk was ik zoover hersteld dat ik aan den arm van een der dames en met een flinken stok in de hand een kleine wandeling kon doen. Op zekeren dag werd ik vergezeld door Agnes. „Ik zal spoedig weer beter zijn en dan is het voor mij tijd om terug te keeren en......... en dan zal je me wel weer spoedig vergeten zijn, juffrouw Viljoen,” zei ik wel wat onhandig. Ze keek mij guitig aan; de kleine heks begreep wat er komen zou. „Ik zal u niet vergeten 1 U heeft ons het leven gered. We zouden zeker zonder uw tijdige hulp in den afgrond zijn gestort. Bovendien is er nog een ander voorval, dat ik nimmer vergeten zal.” „O, Agnes, wees niet zoo hard voor mij. Laat het verleden rusten. Wees niet wreed ! Ik bemin je, maak me tot den gelukkigsten man ter wereld.” „Zwijg mijnheer, of ik neem je stok af en laat je hier hulpeloos staan. Luister eens naar mij. Ik heb zeer veel bezwaar om te trouwen. Je weet, ik was eens patiënt in een krankzinnigengesticht, mijn pupillen zijn ongelijk. Apropos, dat waren ze al toen ik nog een kind was. U zult toch als specialist in zenuwziekten een meisje met zulke ongunstige antecenten als ik met kunnen veroorlooven een huwelijk aan te gaan?” „Zeker,” antwoordde ik vroolijk. „Mijn advies als specialist is dat u dadelijk trouwt.... met mij 1” „Ja,” zuchtte ze komisch, „tegen het advies van zulk een autoriteit durf ik niets inbrengen. Maar, Rudolf,” voegde ze er aan toe, „zeg dan die betrekking in dat afschuwelijke gesticht vaarwel 1” PANORAMA EEN SCHADUW UIT HET VERLEDEN (Slot). deed hierop de deur open en John stapte de kamer binnen, waarna zij de deur weer sloot. Aan het tegenovergestelde gedeelte van het vertrek zag hij op een rustbed een man liggen. Door de schemering, die in de kamer heerschte, kon hij niet zien of de man jong of oud was, en zelfs toen hij vlak bij hem stond, kon hij onmogelijk den leeftijd van dit menschelijk wrak bepalen. De man was vreeselijk vermagerd en scheen in het laatste stadium van een ongeneeslijke ziekte te verkeeren. De zieke man wees Pendergast een stoel in zijn nabijheid aan. „Mijnheer Pendergast,” begon hij, „mijn zuster heeft mij alles verteld: uw raadselachtige droom, uw komst hier, uw vreemde vangst en eindelijk uw even zonderlinge kennismaking met haar.” — Pendergast knikte. „U kent mij niet,” ging de zieke voort. „Onze familienaam is Camforth.” „Ja?” „Is u niet verbaasd?” „Ik heb nooit te voren den naam Camforth gehoord,” antwoordde de ander. „Waarom zou ik dan verbaasd zijn ?” Howard Camforth rees met moeite op en keek zijn bezoeker ongeloovig aan. „Nooit gehoord?” herhaalde hij verwonderd. „Ken je dan de geschiedenis van je voorouders niet?” Pendergast schudde het hoofd. „Heb je dan nooit gehoord van den twist die er gerezen is tusschen onze beide families ? Weet je dan niet van den vloek die op onze familie gebracht is door een mijner voorvaderen, doordat hij den echtgenoot van een uwer voorouders doodde en diens erfrecht stal ?” „Het is alles nieuw voor mij,” antwoordde Pendergast, „en wat den vloek betreft. . . .” „Daaraan gelooft u niet, zie ik.” Pendergast lachte. „Neen, niet als hij eeuwen oud is.” „Welnu, luister dan naar mij. Toen John Camforth in het jaar 1631 een uwer voorvaderen doodde, vervloekte diens vrouw hem en ons geheele geslacht.” Toen, zich zooveel mogelijk oprichtende, riep hij met bevende stem uit: „De vloek, dien zij uitte, was dat ieder lid van ons geslacht zou sterven vóór zijn dertigste jaar. Ze zijn.allen voor dien leeftijd gestorven. Ik ben nu aan de beurt en dan mijn zuster.” „Neen,” kreet Pendergast van zijn stoel opstaande, want hij voelde een rilling hem langs den rug loopen, „dat kan ik niet gelooven, dat is te wreed !” „Wreed, maar waar 1” ging Camforth voort. „Ik ben nu negen en twintig, Elizabeth, mijn zuster, twee en twintig. Het is waar! Het is al die eeuwen waar gebleken. Al mijn voorvaderen huwden, behalve ik, en niet een van hen bereikte den leeftijd van dertig jaar.” „En toch, ronduit gezegd,” beweerde Pendergast, „kan ik aan dien vloek geen waarde hechten. Al uw familieleden zijn gestorven uit een ziekelijke vrees voor de vervloeking, een soort auto-suggestie, en dit is ook met u het geval.” Camforth scheen niet overtuigd. „Is u mij niet vijandig gezind?” vroeg hij angstig. „Niet in het minst,” antwoordde John. „En,” ging hij opgewekt voort, „is er geen middel om van den vloek verlost te worden?” „Ik weet het niet,” was het moedeloos bescheid. „Somtijds denk ik, er moet een middel zijn. Ik geloof dat die kist daar wel een oplossing zou geven, doch niemand durft haar openen.” Pendergast keek in de aangewezen richting en zag een met ijzer beslagen kist in een hoek van het vertrek staan. „Waarom durft men ze niet openen ?” vroeg hij. „Omdat de familielegende zegt, dat ieder die haar opent, binnen een maand zal sterven.” „Heeft iemand het al eens geprobeerd ?” „Niet in mijn tijd. Ik heb geen recht om iemands leven in de waagschaal te stellen, en bovendien is de sleutel verloren geraakt.” „John Camforth moet wel een schurk van een kerel geweest zijn, om zulke maatregelen te treffen,” merkte Pendergast op. „De sleutel werd bij zijn dood niet gevonden, maar ik geloof dat het degene is, die door u is opgevischt met het portret der jonge vrouw, die John’s vrouw had moeten worden.” „Had moeten worden ?” „Ja, want dat gebeurde niet, zij trouwde uw voorvader.” „En hij zwoer wraak, denk ik, en wierp den sleutel in het water.” „Ja, of verloor hem,” zei Camforth. „Hij verdronk twintig jaar later op denzclfden dag waarop hij uw voot vader vermoord had.” „Misschien kan ik met den sleutel de kist openen. Geeft u er mij permissie voor? Ik ben niet bang voor vervloekingen.” En Pendergast knielde voor de kist neer. Na een paar vergeefsche pogingen gelukte het hem den sleutel om te draaien en voor het eerst sedert drie eeuwen ging het deksel omhoog en scheen het daglicht op eenige bundels netjes saamgebonden documenten en verscheidene zware zakken. „Nu is het aan u,” zei Pendergast oprijzende, „om in deze documenten de oplossing der kwestie te zeeken. Als deze zakken goud bevatten, is hier een fortuin aanwezig.” De documenten bestonden hoofdzakelijk uit particuliere brieven van John Camforth, voor de tegenwoordige generatie van geen waarde. Eindelijk vonden zij evenwel een stuk door John onderteekend, waarin van zijn misdaden, den vloek, en zijn boetedoening gesproken werd. De zakken bevatten goud en vertegenwoordigden het bedrag dat Camforth gestolen had van de Pendergast-familie. Hij beval dat geld aan de rechthebbenden terug te geven, opdat de vloek van zijn nabestaanden zou worden opgeheven. „Zoo,” zei Elizabeth, „al dit geld is dus uw eigendom, mijnheer Pendergast.” „Onzin,” sputterde hij. „’t Is al te dwaas.” Howard Camforth was echter van hetzelfde gevoelen als zijn zuster en drong erop aan, dat Pendergast dit geld als zijn rechtmatig eigendom zou aanvaarden. „Het is uw plicht dit geld te nemen, mijnheer Pendergast,” zei Elizabeth. „U móét het nemen.” „Welnu,” besloot hij van de een naar den ander ziende, „als het u eenige voldoening geeft, dan zal ik dit geld aanvaarden, maar . . . .” Howard greep een zijner handen en Elizabeth de andere en drukte ze vol dankbaarheid. „Maar,” ging Pendergast voort, naar het meisje ziende, wier hand hij stevig vasthield, „ik verlang dat je het met mij deelt, met mij deelt als mijn vrouw. Ik weet wel, mijn aanzoek is plotseling, lijkt misschien overhaast, omdat we elkander eerst een paar uur kennen; doch, Elizabeth, ik bemin je al weken lang, ik bemin je al van af het oogenblik dat ik je zag in mijn droom.” Elizabeth boog blozend het hoofd, doch trok haar hand niet terug. Howard’s gelaat was opgewekt en wel tien jaar jonger. Hij staarde vol verwachting zijn zuster aan, nieuwsgierig haar antwoord te hooren. „Ik behoef hierin niets te zeggen, zuslief,” zei hij. „Ik geloof dat mijnheer Pendergast je bemint. Hij heeft een open gelaat. Onderzoek je eigen hart en doe wat dit je zegt.” Elizabeth zag Pendergast aan en gaf hem ook haar andere hand. „Ik geef u mijn hart niet,” zei ze. „Het eerste oogenblik dat ik u zag op den weg hebt ge het reeds gestolen.” „En nu, ofschoon ik je naam weet, haat ik je toch niet,” hervatte John. „Je bent een slechte profetes geweest, Elizabeth,” vervolgde hij lachende, haar in de armen sluitende.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1331 tot 1335 van 11897