|
ONZE BOEKENTAFEL.
Bezuiniging — maar niet op boeken!
e oorlog heeft ook aan het Nederlandsche volk een
schoone deugd geleerd: bezuiniging. We hebben
geleerd afstand te doen, afstand van een te veel
aan Veelde, een overmaat van genot, vermaak
en gemakzucht. Strenge materieele beperking hebben we
ons moeten opleggen, en voor zoover we daarmede ons
lichamelijk welzijn, onze gezondheid niet hebben geschaad
— want die gaan boven al 1 — kunnen we niet anders
dan dankbaar zijn dat de dwang der omstandigheden ons
een harden leefregel heeft opgelegd.
Waarlijk, wij moderne menschen waren al te zeer verwend.
Als iets wat ons rechtens toekwam aanvaardden
wij genietingen, waarvan een vorig geslacht niet had gedroomd.
In allerlei opzichten veroorloofden we ons buitensporigheden,
en hadden ons langzamerhand zoo daaraan
gewend, dat we niet anders meer wisten of ze behoorden
tot onze meest primitieve bestaansvoorwaarden : buitensporigheden
in kleeding, voeding, genoegens, uitgangen,
die een inderdaad bedenkelijken omvang hadden aangenomen.
Ware er niet een schok van buiten gekomen, we hadden
zeker nooit beseft dat we het zeer goed zonder dit alles
konden stellen, en gedachteloos waren we voortgegaan
steeds grooter stoffelijke genietingen van het leven te
verlangen.
Totdat de oorlog kwam, als een waarschuwing, een vermaning.
Hij gaf ons geen gelegenheid tot protest of onderhandeling
: onverbiddelijk moesten we afstand doen van
zeer veel wat ons zoo langen tijd volstrekt onmisbaar had
geleken. En — het ging 1 Het ging, na de eerste dagen van
schrik en vruchteloos tegenspartelen, zelfs zeer goed. In
allerlei opzichten leerden we onzen levensstandaard een
flink eind omlaag te schroeven. Oude deugden begonnen
terug te komen: matigheid, ingetogenheid en eenvoud.
Maar niet alleen stoffelijke penitentiën, ook moreele
boetedoening werd aan velen opgelegd. En misschien zal
er een tijd komen waarin we in dit opzicht van de zegeningen
van den oorlog zullen spreken. Want welk een
ongekende rust: het zwijgen van onze echt-hollandsche,
albedillende zucht tot kritiek !
In dit kleine land, waarvan elk bewoner president van
een vereeniging wil zijn die uitsluitend zijn denkbeelden
voorstaat, zijn de clubjes en partijtjes talloos. Het een
kritiseert het ander ; geen ervan acht zijn dag nuttig doorgebracht
wanneer hij niet met de anderen geredekaveld
heeft. Nederland is zoo klein ; we zien elkaar zoo op de
vingers; de zucht tot kritiek is zoo natuurlijk gegroeid
en we kunnen er niet meer buiten. Ieder bevit zijn buurman,
breekt af wat deze juist had opgebouwd.
De oorlog, met zijn zwaar geluid, heeft al dit krakeel
overstemd en tot zwijgen gebracht. Merk nu de weldadige
stilte ! Voor het eerst sinds lang kan regeeringsarbeid en
wetgevend werk zijn rustigen gang gaan, zonder belemmerd
en opgeschrikt te worden door politieke listen en lagen ;
voor het eerst is er die zuivere, kalme atmosfeer, waarin
groote dingen tot stand kunnen komen. Ons volk heeft
geleerd te zwijgen. Het heeft een groote overwinning op
zichzelf behaald, waarvan de lauweren eenheid en samenwerking
heeten. ,,Eendracht maakt macht I” Voor het
eerst sinds langen tijd lijkt het wel of deze schoone leus
niet voor niets boven onze vaderlandsche historie geschreven
werd. Kritiek, partijzucht, jacht naar politiek fortuin, zij
zijn aan één groot, gezamenlijk doel ondergeschikt gemaakt.
Te wenschen rest ons slechts, dat dit altijd zoo blijven
mocht!
Geen verstandig denkend mensch zal de waarde van de
zegeteekenen onderschatten, die wij in onzen onbloedigen
oorlog hebben behaald. Uit een grooten ramp hebben we
een diepe les geput, van een boozen nood een schoone
deugd gemaakt, en het valt te hopen dat de zoo onverwacht
genezen ziekte niet opnieuw uitbreekt wanneer de
bittere medicijn ophoudt te werken.
* **
Evenwel — er is een keerzijde. Van het eene uiterste
is men in het andere gevallen. Beperking, moreel en materieel,
moge voortreffelijk zijn, tegen besnoeiing van geestelijke
behoeften kan niet ernstig genoeg gewaarschuwd,
niet krachtig genoeg opgetreden worden.
Het is in de wereldorde juist zulk een schoon verschijnsel,
dat menig stoffelijk gemis door een geestelijk bezit
kan vergoed worden, ja, dat het laatste dikwijls vanzelf
voor het eerste in de plaats treedt. En betreurenswaard
zou het zijn wanneer onze inkeer schade deed aan onze
geestelijke ontwikkeling.
Wij kunnen onzen geest moeilijk te veel weelde gunnen !
Daarom behooren we, nu meer dan te voren, vergoeding
te zoeken voor alles waarvan we afstand deden in een
meerdere mate van geestelijk genot. Ligt het niet voor de
hand dat we bij dat streven onze trouwste helpers, onze
beste vrienden zoeken moeten en vinden zullen bij het
bóek, bij het schoone en goede boek ?
Bezuinigen op alles — maar niet op geestelijk voedsel,
niet op boeken !
* *
*
We werden tot deze overdenking gebracht bij het doorbladeren
van een merkwaardig prachtwerk : de Verzameling
Majolica’s van Alfred Pringsheim. Twee zware, smaakvol
gebonden en rijk versierde deelen liggen voor ons, een
lust voor de oogen en een vreugde voor den geest. Zooals
de verzamelaars wel weten, bevat de beroemde collectie
Pringsheim een schat van -de schoonste en belangrijkste
Majolica’s uit de 15e en 16e eeuw, die in kwaliteit zelfs
overtreffen wat de Staatsmusea der groote steden hebben
bijeengebracht. Bij het doorlezen van den beschrijvenden
catalogus en den verklarenden, rijk geïllustreerden tekst,
bij het bewonderen der prachtige gekleurde reproducties,
ten getale van niet minder dan 328, hebben wij er ons
opnieuw rekenschap van gegeven welk een onschatbare
waarde een kunstwerk juist in moeilijke tijden voor ons
vertegenwoordigt, welk een troost en een steun het ons
brengen kan.
Het is een verblijdend teeken dat er in dezen tijd een
uitgever te vinden is die een kostbare onderneming als
deze aandurft. Een begeleidend prospectus, dat kosteloos
verkrijgbaar is, geeft nadere inlichtingen omtrent dit
werk ; het is te' hopen dat velen het zullen aanvragen en
als gevolg daarvan tot koopen overgaan. Geen grooter
troost, geen beter steun in perioden van zorg en spanning
dan goede boeken. Zij houden onzen geest gezond en vaardig
; zij zijn onze beste vrienden in den nood. Daarom :
op alles zij bezuinigd, alleen op ons geestelijk voedsel niet.
* ♦
*
Er liggen nog eenige merkwaardige boeken op onze reReproductie
uit „DE VERZAMELING MAJOLICA’S”.
Reproductie uit „DE VERZAMELING MAJOLICA’S”.
Kellner-typen uit „IK KAN KOKEN”.
dactietafel, waarvan het doorbladeren op zichzelf reeds
een vreugde was.
Ten eerste dan het derde deel van Prof. Blok’s standaardwerk
„Geschiedenis van het Nederlandsche Volk,” waarvan
een tweede druk bezig is te verschijnen. In zijn deftigen
blauw en zwarten band, met gouden stempels even smaakvol
als stemmig versierd, ziet het statige boekdeel er aanlokkelijk
uit. Wie de eerste bladzijden leest, ervaart al
dadelijk welk een schat van kennis en nadenken in dit
waarlijk monumentale werk is saamgebracht, en hoe hoog
het boven andere geschiedboeken uitsteekt, doordat de
geleerde schrijver, die toegang had tot moeilijk genaakbare
archieven, van tot nu toe onbekende gegevens kon
gebruik maken. Het juist verschenen deel behandelt een
der meest aantrekkelijke perioden onzer geschiedenis,
waarin van de Republiek tijdens Johan de Witt en het
tijdvak van Willem III wordt verhaald; in onze dagen
een tot nadenken stemmende, maar ook bemoedigende
lectuur. Prof. Blok’s meesterwerk is tevens een nationale
arbeid in den verhevensten zin.
Van dit onderwerp tot het smakelijk Geïllustreerd Handboek
,,Ik kan koken,” samengesteld door de directrice
van de Haagsche Huishoudschool, is een stap „du sublime
a . . . . Luculle.” Heel iets anders behandelt dit lijvige
werk met zijn honderden interessante platen, maar ook
hier : welk een schat van kennis en ervaring ! Zoo wordt
inderdaad de kookkunst tot een wetenschap. „Ik kan koken”
is niet louter een reeks recepten, het is een volledige
culinaire encyclopaedie ; men vindt er de kookkunst en
de tafelgewoonten door alle eeuwen heen beschreven,
om daarna een zeer lezenswaard hoofdstuk aan te treffen
over de lessen welke die eeuwen ons geleerd hebben : wat
de mensch moet eten, hoeveel en hoe. Want het is niet
voldoende dat we eten om te kunnen leven — het kostelijk
en vernuftig organisme van ons lichaam eischt méér:
een zorgvuldige keus van voedingsmiddelen, een zaakkundige
toebereiding ervan en zelfs een verstandige wijze
van ze te nuttigen. Wie zich „Ik kan koken” aanschaft,
sluit een verzekering op zijn gezondheid, waarvan de
poliskosten duizendvoudig worden vergoed. En is niet
een gezond lichaam de eerste voorwaarde voor een gezonden
geest ?
Arbeid van een gezonden geest — dat is de lijvige roman
„Katia”, dien wij met klimmende aandacht gelezen hebben.
Deze geschiedenis uit het Russische volksleven moge zoo
spannend, fantastisch bijna, zijn als men maar verlangen
kan — men gevoelt bij de lezing toch dadelijk dat zij uit
het leven gegrepen is, dat de schrijver zich niet heeft laten
meeslepen, maar de werkelijkheid vast in het oog heeft
gehouden. Zijn naam trouwens waarborgt dat wij hier met
een boek van beteekenis te doen hebben, belangrijk naar
vorm en inhoud. Franz de Jessen, de bekende Deensche
dagbladcorrespondent, die alle landen der wereld bereisd,
alle groote veldtochten als verslaggever heeft meegemaakt,
kent het Russische leven als weinigen. Zijn boek is er een
van dezen tijd, is wel een der actueelste die in de laatste
weken verschenen zijn. Het geeft menigen kijk achter de
schermen, onthult zaken uit de hofwereld, het leger, de
revolutionnaire vereenigingen, die ons ongelooflijk zouden
schijnen wanneer we niet wisten dat de schrijver nooit
iets zegt wat hij niet verantwoorden kan. De hoofdstukken
die in Parijs en in Kief spelen, de levendige beschrijving
van de onlusten in Albanië en Servië, van de Turksche
kuiperijen en vooral van de muiterij op de Zwarte-Zeevloot,
behooren .tot het meest spannende en verrassende wat dit
knap geschreven boek brengt. Tusschen dat alles door
beweegt zich de lieflijke figuur van prinses Katia ; haar
liefdesgeschiedenis vormt een der schoonste gedeelten, en
zeker het ontroerendste, van dit in tal van opzichten zoo
merkwaardige boek.
Ten slotte moeten we nog melding maken van een belangrijk
werk, waarvan de uitgave opnieuw bewijst dat
er niettegenstaande den slechten tijd nog wel wat te ondernemen
is voor wie durf bezit. Wij bedoelen het Nieuw
Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel III, onder
redactie van Dr. P. C. Molhuysen en Prof. Dr. P. J. Blok,
gesteund door een uitgebreiden staf van kundige medewerkers.
Wij deden een eigenaardige ondervinding met
dit fraai gebonden deel op : het ter hand nemend, terwijl
wij nog onder den indruk waren van het prachtige „Katia”,
zeiden we tot onszelf dat dit boek, een nuchter woordenboek
immers, ons na de juist genoten boeiende lectuur
wel niet veel te zeggen zou hebben ! En — na enkele oogenblikken
zaten we het aandachtig en met belangstelling te
lezen. Het is niet, wat men vermoeden zou, alleen een
bron voor naspeurders en snuffelaars. Het bevat, integendeel,
zooveel merkwaardigs en wetenswaards aangaande
beroemde personen — kunstenaars, geleerden, politici,
handelsvorsten en wie niet al — het vertelt zoo uitvoerig
omtrent vooraanstaande geslachten, geeft zulke curieuse
bizonderheden nopens bekende en beroemde persoonlijkheden,
dat het Biografisch Woordenboek zich als een
verhaal zoo aangenaam laat lezen.
Geen bibliotheek, geen kantoor van handel, industrie,
geldwezen of van welken aard ook, geen geleerde, student
of redacteur, ja, eigenlijk niemand die zich beschaafd en
ontwikkeld wil noemen, kan dit standaardwerk missen.
* *
♦
En gaat het nu den lezer als ons, dan brengt de lectuur
der hierboven besproken werken hem de overtuiging, dat
niets zulk een weldadige afleiding geeft in dagen van spanning
en gedruktheid dan goede boeken.
Waarop we ook bezuinigen in dezen moeilijken tijd —
op boeken nooit!
|