Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1326 tot 1330 van 11897
Nummer
1915, nr.8, 27 jan. 1915
Blad
14
Tekst
DE „AARDBEI” EN ZIJN VERLOOFDE Een tragedie door Piet Verschuur AFC EEN JUBILEUM. De Amsterdamsche Voetbalclub A.F.C., waarvan hierboven een foto van het eerste elftal, herdacht een dezer dagen haar 20-jarig jubileum. Ter gelegenheid hiervan werd een vriendschappelijke wedstrijd tegen U.V.V. gespeeld. jongelui in de sociëteit hadden de get & woonte (de zeer laakbare gewoonte, toegegeven !)om ons bij elke gelegenheid te vermaken ten koste van den ,,Aardbei,” zooals onze vriend Jozef Haverland in de wandeling genoemd werd. Hij dankte dezen bijnaam hieraan, dat zijn reukorgaan in vorm en kleur sprekend geleek op die heerlijke Boskoopsche vrucht die in het voorjaar drie van onze vijf zintuigen zoo alleraangenaamst streelen kan. Hoe appetijtelijk zij er overigens moge uitzien, als stilleven op Jozefs gelaat had ze niets flatteerends en daar het overige van ’s mans wezenstrekken volkomen met dezen vegetabilischen voorgevel harmonieerde, zal iedereen mij gelooven als ik zeg dat onze Jozef een gruwelijk leelijke „Aardbei” was. In zijn slecht zittende kleeding kon men zich moeilijk een wanstaltiger kerel voorstellen en ’t was dan ook geen wonder dat wij met de brutaliteit, die het geboorterecht der meeste jongelieden uitmaakt, geen gelegenheid lieten voorbijgaan om met zijn tekort aan mannelijk schoon den draak te steken. Hijzelf verdroeg onze spotternijen met een bewonderenswaardige kalmte, menigmaal lachte hij zelf met ons mede. Op een avond kwam Dirk de Man de soos binnen, waar hij een half dozijn van ons aan de stamtafel vereenigd vond. Hij had een grappige uitdrukking op het gelaat, vermengd met verwondering. ,,Kérels, ik heb prachtig nieuws,” riep hij uit. ,,Ik geef ’n rondje als een van jullie het raadt.” ..De vrede is geteekend !” ,,Wilhelmpje heeft zijn kroonjuweelen achter de schuine deur gebracht.” .,Nee, jongens, geen politiek,” zei Dirk, „het is een veel grooter mirakel en volkomen neutraal.” „Ik denk dat jij je bittertje niet meer lust, dat is het grootste neutrale mirakel dat er bestaat,” opperde een van ons met een cynischen lach. Dirk de Man liep intusschen op en neer in zichzelven lachende en mompelende: „’t is te gek om los te loopen !” „Welnu, hoe is het?” ging hij luid voort. „Raden jullie dan !” „We hebben al van alles geraden, maar jij loopt zoo idioot in jezelven te lachen dat je niets hoort. Kom voor den dag met je mirakel!” „Nou dan, de „Aardbei” .... hier hield hij op. „Wat is er met de „Aardbei ?” klonk het in koor. „De „Aardbei” is . . . .” Weer een pauze. „Flauwe vent schiet toch op !” riep er een. „Hij houdt ons aan ’t lijntje !” merkte een ander op. „Als je niet gauw met je mirakel voor den dag komt, houden we er jou voor 1” „Zwijgt, menschenkinderen, en luistert met gepaste aandacht : De „Aardbei” is geëngageerd !” „Is dat nu zoo iets bijzonders om daarvan zoo’n omhaal te maken ?” vroeg ik. „Neen, Piet, niet als het een gewoon alledaagsch meisje was,” antwoordde Dirk de Man, „maar dat is ze niet! Ik heb haar portret gezien : een schoonheid !” „Dat is een onmogelijkheid, Dirk 1 „De Aardbei” is zoo arm als een kerkrat en om zijn gezicht zal ze hem toch zeker niet nemen.” „Wie weet,” zei ik. „Les extrêmes se touchent!” Dirk verdedigde intusschen de waarheid van zijn mededeeling. „Ik ontmoette de „Aardbei” een half uur geleden,” vertelde hij. „Jozef zei dat ik hem geluk kon wenschen en toen ik vroeg waarmee, vertelde hij mij, zoo blij als een kind, dat hij verloofd was en liet me eindelijk haar portret zien. Ik zeg je, jongens, het neusje van den zalm.” Onnoodig te zeggen dat dit :euws de verbazing wekte van alle kennissen en toen hij den volgenden dag op de sociëteit verscheen, werd hij van alle kanten lastig gevallen om het portret te laten zien. Wel verre van dit te weigeren, was hij integendeel zeer gevleid en de photo ging weldra van hand tot hand de geheele zaal door. Ieder ander man zou het tegen de borst stuiten zijn aanstaande het onderwerp van de bittertafel te zien; maar de „Aardbei” was niet als andere mannen. Enfin, het algemeen oordeel was dat Dirk de Man niets te veel had gezegd omtrent de verloofde van Jozef Haverland; menigeen benijdde den bofferd. Eenige dagen later raapte ik een brief op, dien de „Aardbei” uit den zak liet vallen. Ik wilde hem aan den eigenaar terug geven, doch deze antwoordde met een kleur: „Je mag hem wel lezen als je wilt. Neen, werkelijk, ik zou graag willen dat je hem las, dan kun je eens zien, hoe lief ze schrijft.” TEN BATE VAN HET STEUNCOMITÉ. In het huis van Jhr. Six, Heerengracht 509 te Amsterdam, wordt een tentoonstelling gehouden van oude kunst. Ook van H.M. de Koningin is een inzending ontvangen. De opbrengst der entree’s is voor het Steuncomité. ÉÉN WINDVLAAG EN . . . ALLES WEG. Door een der laatste stormen is aan den Baansingel te Alkmaar door een neervallenden olm een woonhuisje, waarin een gezin gevestigd was, dat met tuinieren en tabaksstrippen zoo juist rondkomen kon, totaal vernield. Door de inwoners van Alkmaar is getracht het leed van de ongelukkige familie zooveel mogelijk te lenigen. (foto de Waal-v. d. Hoogt.) „Och, eigenlijk ... is dit wat indiscreet,” zei ik; ik bedoelde: ’t kan mij niet schelen, want ik voelde niet de minste aanvechting om van eens anders minnebrieven kennis te nemen. „Neen, ga gerust je gang, hoor,” riep hij uit. „Er staan geen geheimen in. Mathilde is het liefste schepsel op de wereld; ze schrijft als een engel. Lees zelf maar !” Aldus aangezocht, vouwde ik den brief open en begon te lezen. Het was inderdaad een epistel overvloeiende van de vurigste liefdesbetuigingen en blijkbaar geschreven door een meisje die geheel opging in haar jong liefdesgeluk. Ik gaf hem den brief met een glimlach terug. „Je bent een geluksvogel,” zei ik. „Zoo’n aandoenlijke liefde valt niet iederen man ten deel.” Hij bloosde van genoegen. Nog nimmer had ik den armen „Aardbei” zoo zielsgelukkig gezien als op dit oogenblik. Het was of zijn gelaat nu minder terugstootend leek. „Dank je, dank je, ouwe jongen,” riep hij uit, terwijl hij mij de hand van blijdschap drukte. „Ik wist wel dat jij het begrijpen zoudt.” Stel je echter mijn verontwaardiging voor, toen ik later hoorde, dat hij den brief aan iedereen op de soos had laten lezen. Dat was toch al te dwaas, neen, dat was immoreel. De innigste gevoelens van een jong meisje, van je eigen meisje nog wel, tot gemeen goed van al je kennissen te maken; ik vond het schandelijk! Den eersten keer dat ik hem daarna ontmoette, bracht ik hem op bezadigde wijze het stuitende van zijn handelwijs onder het oog. „Ja, ja, betrekkelijk heb je gelijk,” stemde hij haperend toe, terwijl er zich op zijn bleek gelaat een paar roode vlekjes vertoonden. „In den beginne was ik heusch van plan om .... jou alleen den brief te laten lezen, maar zonder .... bedoeling gaf ik hem van den een aan den ander.” „En hoe denk je dat je meisje het vinden zou, als ze het wist ?” vroeg ik ernstig. „Mijn meisje ?” echode hij met een zonderlinge verbazing in stem en oogen, die ik op dat oogenblik niet begreep. Toen als ’t ware tot zichzelven komende, ging hij snel voort: „maar Mathilde komt daar niets van te weten, en als ze het mocht hooren, dan zeg ik dat ik zoo trotsch op haar lieve brieven ben, dat ik niet kon nalaten er een beetje mee te pronken.” „Nu, ik vind het best hoor,” antwoordde ik. „’t Zijn eigenlijk mijn zaken niet en als je niet zoo’n ouwe vriend van me was, zou ik je er niet over gesproken hebben.” Hij stamelde nog een onduidelijk excuus en nam een weinig verlegen afscheid van mij. * * * Er was één omstandigheid met betrekking tot Jozef Haverland, die ons allen trof. Nog niemand had hem met zijn meisje gezien. Op de wandeling, in gezelschappen, overal verscheen Jozef alleen. Zoo werden er ook bij ons op de sociëteit meermalen kamerconcerten gegeven, waar ieder lid gewoonlijk verscheen met een escorte van een of meer vrouwelijke familieleden. De „Aardbei” was bij die gelegenheden steeds „solus” en had voor ieder die hem naar de reden hiervan vroeg het stereotiepe antwoord gereed : „Mathilde houdt niet van uitgaan !” „Nou, jij bent me ook een fraai slag van een minnaar,” zei ik hem eens bij zoo’n gelegenheid. „Drommelsche vent, waarom houd je je meisje geen gezelschap, in plaats van hier te zitten ?” Hij lachte een beetje verlegen. „O . . . . e. . . . dat.... Mathilde stond er op dat ik hierheen zou gaan.” De dagen werdn tot weken, de weken tot maanden en Jozef Haverland was nog steeds verloofd, doch van trouwplannen hoorde men niets. Hij ging voort met ons brieven van haar te laten lezen en af en • oe toonde hij ons het een of ander cadeau dat hij van haar gekregen had. „Zeg, wanneer stap je toch in het huwelijksbootje ?” vroeg ik hem op een keer dat ik hem op straat ontmoette. „O ... ja . . . natuurlijk! Ik bedoel... neen voorloopig nog niet,” antwoordde hij zenuwachtig. „Er is . . . .e. . . . nog tijd genoeg. Mathilde is pas negentien en ik zeven en twintig. We behoeven ons dus nog niet te haasten.” En hiermede maakte hij zich snel uit de voeten. Door drukke zaken verhinderd van huis te gaan, gingen er eenige weken voorbij dat ik den „Aardbei” niet zag en juist was ik voornemens er een uurtje uit te breken om eens naar de sociëteit te gaan, toen de dienstbode binnentrad met de boodschap : „Mijnheer, er is beneden iemand van het ziekenhuis die u dadelijk wenscht te spreken.” „Iemand van het ziekenhuis? Goeden hemel, wat moet dat beteekenen ?” Ik vloog naar beneden, drie treden te gelijk en zag in de vestibule een oppasser van het stedelijk ziekenhuis. „Mijnheer Verschuur?” vroeg hij. „Die ben ik,” antwoordde ik snel. „Er is bij ons een heer binnengebracht
PDF
Nummer
1915, nr.8, 27 jan. 1915
Blad
15
Tekst
die een ongeval gekregen heeft en u onmiddellijk wenscht te spreken,” meldde de man. „Hier is een brief voor u.” Met bevende vingers maakte ik het briefje open en las : Waarde Vriend, De dokters zeggen mij dat het met mij hopeloos gesteld is. Je begrijpt wat dit zeggen wil. Ik werd van middag c|oor een auto overreden, twee wielen gingen mij over de borst. Ik heb nog maar eenige uren te leven en wensch je te zien om je een bekentenis te doen. Kom dus spoedig. Je oude vriend JOZEF HAVERLAND. Ik greep haastig jas en hoed en volgde den man. Binnen een kwartier waren we aan het ziekenhuis, en na mijn geleider door verschillende gangen gevolgd te zijn, wer4 ik eindelijk in een kleine spaarzaam verlichte zaal gelaten, waar een sterke lucht van chloroform heerschte. In den donkersten hoek, achter een scherm, lag mijn arme vriend. Een blik op zijn bleek, ingevallen gelaat overtuigde mij dat het werkelijk spoedig met hem gedaan zou zijn. „Dank je, dank je, lieve vriend, dat je gekomen bent,” zei hij mét zwakke stem doch met een glans van blijdschap in de oogen en hij kneep mij in de hand. „Ik ... . ik wist dat je komen zoudt 1” Ik keerde mij om, niet in staat een woord te zeggen. Die arme goede „Aardbei” dien we zoo dikwijls geplaagd hadden, moest hij zoo spoedig en op deze wijze het leven laten eer het leven goed voor hem begonnen v>as! Ik kon ’t mij nog niet indenken. „’t Is niets, ouwe jongen,” zei hij, toen hij mijn ontroering zag. „Ik ... . ik ben niet bedroefd, dat .... dit mij overkomen is. Ik zou toch nimmer geluk in mijn leven gehad hebben. Ik heb altijd .... behoefte gehad aan .... aan een wezen dat mij liefhad; maar wie gaf er iets om. . . om zoo’n monster als ik ?” „Je vergeet,” zei ik zacht, ^.een lief meisje dat je liefheeft met haar geheele hart. Wat zal dat een slag voor haar zijn.” Jozef probeerde het hoofd op te richten en keek mij met een eigenaardigen blik aan. „Piet, ouwe vriend,” fluisterde hij, „kom wat dichter bij, ik wil je iets vertellen, dat niemand dan jij behoeft te hooren.” „Ga voort, Jozef I” zei ik. „Ga voort, jongen!” „De bekentenis waarvan ik je in mijn briefje sprak, heeft betrekking op haar !” ..Ja. jal” „Ik heb nooit een meisje gehad I” „Haverland !” Ik schreeuwde den naam bijna uit van verwondering. „Mathilde,” ging hij bedaard doch fluisterend voort, „bestaat slechts in mijn verbeelding. De foto die ik je liet zien, kocht ik eens in een boekwinkel. Ik weet niet eens of het origineel wel bestaat.” „Maar de brieven ?” ging ik verwonderd voort. „De brieven die je ons liet lezen ?” „Die schreef ik zelf,” antwoordde hij. Er volgde een lange pauze. Toen zei ik langzaam „Waarom deed je dat alles, Jozef ?” „Kuji je ... . kun je dat niet raden ?” vroeg CONCERTORGEL. In de Doelezaal te Rotterdam is een Concertorgel geplaatst, vervaardigd door den heer J. van Kleij, aldaar. hij nederig. — Ik schudde het hoofd. Toen vervolgde hij met trillende stem : „Ik deed het omdat ik wanhopig was. Ja, wanhopig, omdat ik wist dat nimmer een lief vrouwelijk wezen mij zou kunnen liefhebben . . . . Na den kus, dien mijn moeder mij gaf, toen zij stierf, zouden nimmer een paar lippen de mijne drukken. Ik was êen verworpeling .... omdat ik zoo gruwelijk leelijk ben. En daarom zou ik altijd alleen blijven. Ik was soms krankzinnig van wanhoop en verdriet als ik kennissen met hun meisje zag, of te midden van vrouw en kinderen. Ik... . ik leed onduldbaar, omdat ik als een melaatsche van dat geluk was uitgesloten. En zoo kwam ik op het idee om mij zelf in mijn verbeelding een geluk te denken, om .... mij een liefhebbend wezen te denken, dat ik belichaamde in de foto, die je zag en .... in de brieven en geschenken aan .... aan mijzelven. Eindelijk ...” Hij zweeg. Deze lange bekentenis had hem zeer verzwakt. Ik zag dat het einde nabij was. „Zoo . J. W. BOUTMY. M R. J. H. A. V BASTEN BATEN BURG. + Mr. J. H. A. VAN BASTEN BATENBURG, lid van de Gedeputeerde Staten van Limburg, is in den ouderdom van 66 jaar te Tegelen overleden. — Te ’s-Gravenhage is de vorige week overleden de heer A. K. DERX, oud-resident van Ned.-Indië. — J. W. BOUTMY, die op den wedstrijd H. B. S.— Quick een ongemak aan zijn knie kreeg, waardoor hij het veld moest verlaten en niet meer voor de „Kraaien” zal kunnen uitkomen. Zijn been is nog lang niet in orde, zoodat hem het spelen ongeveer een jaar verboden is. Daarna zal hij het vaderland verlaten om zijn betrekking in lndië te aanvaarden. Boutmy speelde verscheidene malen voor het Nederlandsche Elftal in de midaenlinie en maakte ook de overwinning mede van het Ned. Elftal op „Houtrust”. In Engeland, toen Nederland met 2—1 verloor, was hij de maker van het doelpunt uit een strafschop. GEMEENTELIJKE WERKVERSCHAFFING AAN KLEERMAKERS. In de voormalige Agnietenschool te Amsterdam is sedert begin December gevestigd de Gemeentelijke Werkverschaffing aan kleermakers. Wekelijks wordt er nu reeds f 200 aan vaste salarissen en f 2500 aan! loon uitbetaald. De vervaardigde kleedingstukken zijn, ter vermijding van alle concurrentie met particuliere winkels, uitsluitend verkrijgbaar voor personen, wier gelaelijke omstandigheden hun het koopen van kleeding tegen winkelprijs, toch niet zouden veroorloven. Onze foto geeft het uitreiken van werk. dat is . . . mijn geheim, en nou weet je alles. Het was verkeerd van mij, om zoo te handelen, maar .... het maakte mij gelukkig, want soms, Piet, soms .... waren er oogenblikken dat. . . ik werkelijk geloofde, dat alles waar was . . . dat Mathilde leefde en ... . mij liefhad .. ..” Hij hijgde en sloot vermoeid de oogen. De verpleegster naderde het bed en keek mij bezorgd aan. De zieke begon te ijlen. „Ja,” murmelde hij, „ik ben hier, lieveling 1 O, Mathilde, hoe gelukkig ben ik sedert dat jij me liefhebt. ” Ik voelde een traan langs mijn wang loopen. Het was mij of hij brandde. Weer klonk mij de trillende, droomerige stem in de ooren. „Mathilde, lieve, je bent veel mooier dan je portret en dat is reeds zoo schoon. Mijn lieveling........ mijn schat....” De woorden stierven weg. Een snik en de arme „Aardbei” was heengegaan om zijn ideaal te zoeken daar waar alle geluksdroomen werkelijkheid worden. Gebonden jaargangen van PANORAMA In antwoord op de vele aanvragen berichten wij, dat wij ons gaarne belasten met het inbinden van Panorama’s. De prijs van band enbinden van een heelen jaargang bedraagt slechts f 1.60; van een halven jaargang f 1.30. De losse afleveringen moeten franco worden gezonden aan onze administratie onder bijvoeging van het verschuldigde bedrag alsmede f 0.25 voor franco terugzending. — Voor AMSTERDAM kunnen de losse afleveringen onder bijvoeging van het verschuldigde bezorgd worden bij den heer H. J. L. Verhoeven, Reguliersgracht 28, Amsterdam. — Voor ROTTERDAM bij den heer F. M. R.StrIJbOSCh Soetendaalsche weg 107, Rotterdam. EEN SCHADUW UIT HET VERLEDEN linker ooe ( Vervolg). pendergast zag tot zijn verbazing dat zij gelijk had. „Misschien een uwer voorouders,” meende hij. „Uw veronderstelling is juist,” was het antwoord. „Uit den tijd van Karei I,” ging hij voort, „de dochter misschien van een ouden edelman met één oog, het missende.” De jonge dame schrok zichtbaar. „Wat weet u daarvan?” vroeg zij haastig. Hij lachte en ging voort: „Het was niet juist een vroom edelman. Hij was gewetenloos, menschen die hem in 4en weg stonden verdwenen op geheimzinnige wijze.” Het meisje had de wenkbrauwen hoog opgetrokken van verbazing. „Hoe weet u dat alles?” „Hij heeft het mij verteld, toen hij eenige weken geleden bij mij was.” „En hij is reeds eeuwen dood,” lachte zij. „Het.kwaad leeft voort,” zei Pendergast. „Ik wil u echter alles vertellen, doch dat is een lange geschiedenis. Ik keer naar de stad terug; als ik zoo onbescheiden mag zijn ?” „U is niet onbescheiden. Stap op !” „Dan zal ik eerst mijn vischtuig halen,” hernam hij, langs den weg kijkende, waar het lag. „In een minuut ben ik terug.” Zij wachtte tot hij terugkwam, toen ruimde ze een plaats hem in, en reden ze voort. „Vertelt u mij nu uw geschiedenis eens,” zei ze. John Pendergast voldeed aan haar verlangen en vertelde zijn wonderlijken droom. „Ik hechtte natuurlijk weinig waarde aan dezen droom,” ging hij voort, „totdat. . . .” „Totdat ?” „Totdat ik dat gedeelte van de vaart herkende en het pakje opvischte. Ik vergat u nog te zeggen dat er een sleutel in was/’ Hij haalde hem te voorschijn en overhandigde hem haar. „En u denkt nu ?” vroeg zij. „Ik weet niet wat ik denk,” zei hij lachende. „Er is meer waarheid in, dan ik ooit had durven denken. Kunt u geen inlichtingen geven, die de oplossing van het probleem zouden vergemakkelijken ? U heeft mij nog niet uw naam genoemd.” „En u evenmin den uwen,” lachte zij. „Pendergast,” antwoordde hij. „Christiaan is mijn . . . „Pendergast!” riep ze uit, terwijl ze hem met verschrikte oogen aanzag en zoover mogelijk van hem afschoof. „Groote hemel! Is dat mogelijk ? Pendergast van Trelowen ?” „Mijn bet-over-over-grootvader woonde daar, geloof ik, en zijn voorvaderen eveneens. Maar waarom is u zoo verschrikt ?” „U moet met mij meegaan naar mijn broeder,” antwoordde ze. „Hij zal u op uw vraag een antwoord geven.” „En nu u mijn naam weet, zeg mij nu ook den uwen,” verzocht hij. „Vraag mij niets,” smeekte zij. „Mijn broer zal het u vertellen. Als u alles weet, zult u ons haten.” Pendergast merkte op dat „Oakdene” geen vroolijk uitziend landhuis was, en het inwendige was al even weinig aantrekkelijk. Het was hol en somber, en toen zij de lange gang doorliepen klonken hun voetstappen door het geheele gebouw. „Wilt u hier even wachten ?” verzocht ze, hem in een kamer latende, die muf rook door vocht en gebrek aan versche lucht en voorzien was in meubelen die al even oud schenen als het huis zelf. „Ik moet mijn broeder eerst gaan voorbereiden op uw bezoek. Hij is zeer ziek en een plotselinge emotie zou nadeelig voor hem kunnen zijn. U wilt wel even geduld hebben, nietwaar? Ik moet hem alles uitleggen.” Pendergast, alleen gelaten, liep de kamer eens rond en bezag de verschillende familieportretten. Een van deze hing met de beeltenis naar den wand. Nieuwsgierig te weten wie dit zijn kon, klom hij op een stoel en keerde het schilderij om, en wijl het in dien hoek van het vertrek vrij duister was, stak hij een lucifer aan en — hij zag voor zich het portret van den ouden man uit zijn droom, die hem met het eene oog uitdagend scheen aan te zien. Daar zijn lucifer spoedig was afgebrand, ontstak hij een ander en was zoo verzonken in de aandachtige beschouwing van de beeltenis, dat hij niet bemerkte hoe dé deur openging en de jonge dame binnentrad. „Wilt u met mij meegaan ?” vroeg zij. Hij keerde zich snel om, met een verlegen blik in zijn oogen, en stapte van den stoel. „U zult wel denken dat ik zeer, zeer onopgevoed ben,” verontschuldigde hij zich. „Het hindert niet wat ik denk,” antwoordde zij met een verdrietigen klank in haar stem, en ze leidde hem door eenige gangen naar een deur. „U zult hem in deze kamer vinden,” zei zij, en toen haar hand op zijn schouder leggende en hem smeekend aanziende, ging ze voort: „Heb medelijden met hem. Ik geloof niet, dat u wreed zult zijn.” (Wordt vervolpd).
PDF
Nummer
1915, nr.8, 27 jan. 1915
Blad
16
Tekst
PANORAMA NIEUWE ONDERWIJSINRICHTINGEN IN NEDERLAND Onder bescherming van het Belgisch Comité te ’s-Gravenhage is aan de Koningin Emmakade 60, een Belgische School opgericht, waarvan hierboven een tweetal fotos. Foto links, staande in het midden de oprichters der school: Dr. I, Gunzburg en Mr. Theo Percy (advokaat), verder staande v. 1. n. r. het onderwijzend personeel, de heeren: Mr. Costenoble, Rijziger, Bogaerts. Servais, Couche, Garreels. Zittend, de dames: De Prost, Champy en De Rees. Foto rechts: groep der hoogere afdeeling (Gymnasium), de 5 professoren, v, 1. n. r. de heeren: Mr. Laroche. Van Hove. Counson, Gendebien en Bernsen. Deze afdeeling is nog in wording. N EDERLAN DSCH-IN DISCHE POST-, TELEGRAAF- EN TELEFOONDIENST. Hierboven zijn eenige photo’s opgenomen der te Leiden gevestigde opleidingsschool, voor Commies bij den Nederlandsch-Indischen Post.- Telegraaf- Telefoondienst. Deze inrichting van onderwijs, tijdelijk gehuisvest in eenige lokalen van de Christelijke Jongelingsvereeniging te Leiden, Janvossensteeg 17. werd den 4den dezer door den Min. v. Kol. geopend. Daar.oe uitgenoodigd werd de opèning bijgewoond door B. en W. der Gem. Leiden, de Cornm. v. toezicht over genoemd instituut, nl. de heeren Jhr. G. A. A. Alting von Geusau, Dir. Gen, der Posterijen en Telegrafie, L. A. Bakhuis, referendaris bij het Dep. v. Kol. en J. J. Reisoger, insp. der Posterijen en Telegrafie in algern. dienst, voorts door de heeren Dr. P. Fockens. insp. van het Middelbaar-Onderwijs. den dir. van het Postkantoor te Leiden en dien van het Telegraafkantoor aldaar, J. D. Tours, ingenieur der Telegrafie in Nederlandsch-Indië en W. F. Gerdes Oosterbeek, Commies bij het Departement van Koloniën. Voor deelneming aan den cursus zijn thans aangewezen 40 Surnumerairs. De opleiding duurt 33 maanden, waarvan voor de studie te Leiden ruim twree jaren noodig zijn. In het tweede jaar zullen nog 40 Surnumerairs op den cursus worden geplaatst, waardoor het aantal op 80 fhet maximum) zal zijn gebracht. Zij worden zoowel practisch als theoretisch gevormd en hunne studie omvat den Post- Telegraaf- en Telefoondienst in Nederlandsch-Inaië en in net Algemeen verkeer, de Maieische taal en land- en volkenkunde van Nederlandsch-lndië. Directeur dezer school is de heer J. M. M. Bitter, leeraren zijn de Heeren H. W. Berg, Ch. F. H. Dumont, J. C. H. Friederich. en S. J. van Juchem. De foto links geeft een beeld van de Seinzaal, de tweede een kijkje in de kamer v. d. directeur en de leeraren, en de derde is eene opname van een der onderwijslokalen. Voor het inwinnen van nadere inlichtingen omtrent deze opleidingsschool en de betrekking van Commies bij den Indischen Post-, Telegraaf- en Telefoondienst, wende men zich tot den directeur, die tot het verstrekken daarvan ongetwijfeld steeds bereid zal worden bevonden. INTERNATIONAAL SOCIALISTISCH VREDES-CONGRES TE KOPENHAGEN DE DEELNEMERS AAN HET CONGRES lste rij van links naar rechts: Vliegen (Holland), Magnus Nilssen, Sigvald Olsen, Troelstra (Holland), Branting, Stauning, C. F. Madsen, Ström. 2e rij; Wibaut (Holland), Lien, Borgbjerg, van Kol (Holland), Mrs. Leepa, Vidnes, Sverre Iversen, Lindqvist. 3e rij: SÖderberg, E. Svendsen, Kiefer, Fistaine, Hedebol. de Roode, (Holland) Red. v. «Het Volk". Johansen, R. Böhnt, L. Christensen.
PDF
Nummer
1915, nr.9, 29 jan. 1915
Blad
01
Tekst
VERSCHIJNT 2 MAAL'PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.075 PER KWARTAAL"^ Geïllustreerd - Weekblad 26 NUMMERSJUO UITGAVE A. W. SIJTHOFF’S UITQEVERS-MAATSCHAPPU, LEIDEN = RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. 1. De Duitsche luchtraid tegen de Engelsche kust. DE VERWOESTING DOOR EEN BOM AANGERICHT; ALLE RUITEN STUK, DE PANNEN VAN DE DAKEN I
PDF
Nummer
1915, nr.9, 29 jan. 1915
Blad
02
Tekst
ONZE BOEKENTAFEL. Bezuiniging — maar niet op boeken! e oorlog heeft ook aan het Nederlandsche volk een schoone deugd geleerd: bezuiniging. We hebben geleerd afstand te doen, afstand van een te veel aan Veelde, een overmaat van genot, vermaak en gemakzucht. Strenge materieele beperking hebben we ons moeten opleggen, en voor zoover we daarmede ons lichamelijk welzijn, onze gezondheid niet hebben geschaad — want die gaan boven al 1 — kunnen we niet anders dan dankbaar zijn dat de dwang der omstandigheden ons een harden leefregel heeft opgelegd. Waarlijk, wij moderne menschen waren al te zeer verwend. Als iets wat ons rechtens toekwam aanvaardden wij genietingen, waarvan een vorig geslacht niet had gedroomd. In allerlei opzichten veroorloofden we ons buitensporigheden, en hadden ons langzamerhand zoo daaraan gewend, dat we niet anders meer wisten of ze behoorden tot onze meest primitieve bestaansvoorwaarden : buitensporigheden in kleeding, voeding, genoegens, uitgangen, die een inderdaad bedenkelijken omvang hadden aangenomen. Ware er niet een schok van buiten gekomen, we hadden zeker nooit beseft dat we het zeer goed zonder dit alles konden stellen, en gedachteloos waren we voortgegaan steeds grooter stoffelijke genietingen van het leven te verlangen. Totdat de oorlog kwam, als een waarschuwing, een vermaning. Hij gaf ons geen gelegenheid tot protest of onderhandeling : onverbiddelijk moesten we afstand doen van zeer veel wat ons zoo langen tijd volstrekt onmisbaar had geleken. En — het ging 1 Het ging, na de eerste dagen van schrik en vruchteloos tegenspartelen, zelfs zeer goed. In allerlei opzichten leerden we onzen levensstandaard een flink eind omlaag te schroeven. Oude deugden begonnen terug te komen: matigheid, ingetogenheid en eenvoud. Maar niet alleen stoffelijke penitentiën, ook moreele boetedoening werd aan velen opgelegd. En misschien zal er een tijd komen waarin we in dit opzicht van de zegeningen van den oorlog zullen spreken. Want welk een ongekende rust: het zwijgen van onze echt-hollandsche, albedillende zucht tot kritiek ! In dit kleine land, waarvan elk bewoner president van een vereeniging wil zijn die uitsluitend zijn denkbeelden voorstaat, zijn de clubjes en partijtjes talloos. Het een kritiseert het ander ; geen ervan acht zijn dag nuttig doorgebracht wanneer hij niet met de anderen geredekaveld heeft. Nederland is zoo klein ; we zien elkaar zoo op de vingers; de zucht tot kritiek is zoo natuurlijk gegroeid en we kunnen er niet meer buiten. Ieder bevit zijn buurman, breekt af wat deze juist had opgebouwd. De oorlog, met zijn zwaar geluid, heeft al dit krakeel overstemd en tot zwijgen gebracht. Merk nu de weldadige stilte ! Voor het eerst sinds lang kan regeeringsarbeid en wetgevend werk zijn rustigen gang gaan, zonder belemmerd en opgeschrikt te worden door politieke listen en lagen ; voor het eerst is er die zuivere, kalme atmosfeer, waarin groote dingen tot stand kunnen komen. Ons volk heeft geleerd te zwijgen. Het heeft een groote overwinning op zichzelf behaald, waarvan de lauweren eenheid en samenwerking heeten. ,,Eendracht maakt macht I” Voor het eerst sinds langen tijd lijkt het wel of deze schoone leus niet voor niets boven onze vaderlandsche historie geschreven werd. Kritiek, partijzucht, jacht naar politiek fortuin, zij zijn aan één groot, gezamenlijk doel ondergeschikt gemaakt. Te wenschen rest ons slechts, dat dit altijd zoo blijven mocht! Geen verstandig denkend mensch zal de waarde van de zegeteekenen onderschatten, die wij in onzen onbloedigen oorlog hebben behaald. Uit een grooten ramp hebben we een diepe les geput, van een boozen nood een schoone deugd gemaakt, en het valt te hopen dat de zoo onverwacht genezen ziekte niet opnieuw uitbreekt wanneer de bittere medicijn ophoudt te werken. * ** Evenwel — er is een keerzijde. Van het eene uiterste is men in het andere gevallen. Beperking, moreel en materieel, moge voortreffelijk zijn, tegen besnoeiing van geestelijke behoeften kan niet ernstig genoeg gewaarschuwd, niet krachtig genoeg opgetreden worden. Het is in de wereldorde juist zulk een schoon verschijnsel, dat menig stoffelijk gemis door een geestelijk bezit kan vergoed worden, ja, dat het laatste dikwijls vanzelf voor het eerste in de plaats treedt. En betreurenswaard zou het zijn wanneer onze inkeer schade deed aan onze geestelijke ontwikkeling. Wij kunnen onzen geest moeilijk te veel weelde gunnen ! Daarom behooren we, nu meer dan te voren, vergoeding te zoeken voor alles waarvan we afstand deden in een meerdere mate van geestelijk genot. Ligt het niet voor de hand dat we bij dat streven onze trouwste helpers, onze beste vrienden zoeken moeten en vinden zullen bij het bóek, bij het schoone en goede boek ? Bezuinigen op alles — maar niet op geestelijk voedsel, niet op boeken ! * * * We werden tot deze overdenking gebracht bij het doorbladeren van een merkwaardig prachtwerk : de Verzameling Majolica’s van Alfred Pringsheim. Twee zware, smaakvol gebonden en rijk versierde deelen liggen voor ons, een lust voor de oogen en een vreugde voor den geest. Zooals de verzamelaars wel weten, bevat de beroemde collectie Pringsheim een schat van -de schoonste en belangrijkste Majolica’s uit de 15e en 16e eeuw, die in kwaliteit zelfs overtreffen wat de Staatsmusea der groote steden hebben bijeengebracht. Bij het doorlezen van den beschrijvenden catalogus en den verklarenden, rijk geïllustreerden tekst, bij het bewonderen der prachtige gekleurde reproducties, ten getale van niet minder dan 328, hebben wij er ons opnieuw rekenschap van gegeven welk een onschatbare waarde een kunstwerk juist in moeilijke tijden voor ons vertegenwoordigt, welk een troost en een steun het ons brengen kan. Het is een verblijdend teeken dat er in dezen tijd een uitgever te vinden is die een kostbare onderneming als deze aandurft. Een begeleidend prospectus, dat kosteloos verkrijgbaar is, geeft nadere inlichtingen omtrent dit werk ; het is te' hopen dat velen het zullen aanvragen en als gevolg daarvan tot koopen overgaan. Geen grooter troost, geen beter steun in perioden van zorg en spanning dan goede boeken. Zij houden onzen geest gezond en vaardig ; zij zijn onze beste vrienden in den nood. Daarom : op alles zij bezuinigd, alleen op ons geestelijk voedsel niet. * ♦ * Er liggen nog eenige merkwaardige boeken op onze reReproductie uit „DE VERZAMELING MAJOLICA’S”. Reproductie uit „DE VERZAMELING MAJOLICA’S”. Kellner-typen uit „IK KAN KOKEN”. dactietafel, waarvan het doorbladeren op zichzelf reeds een vreugde was. Ten eerste dan het derde deel van Prof. Blok’s standaardwerk „Geschiedenis van het Nederlandsche Volk,” waarvan een tweede druk bezig is te verschijnen. In zijn deftigen blauw en zwarten band, met gouden stempels even smaakvol als stemmig versierd, ziet het statige boekdeel er aanlokkelijk uit. Wie de eerste bladzijden leest, ervaart al dadelijk welk een schat van kennis en nadenken in dit waarlijk monumentale werk is saamgebracht, en hoe hoog het boven andere geschiedboeken uitsteekt, doordat de geleerde schrijver, die toegang had tot moeilijk genaakbare archieven, van tot nu toe onbekende gegevens kon gebruik maken. Het juist verschenen deel behandelt een der meest aantrekkelijke perioden onzer geschiedenis, waarin van de Republiek tijdens Johan de Witt en het tijdvak van Willem III wordt verhaald; in onze dagen een tot nadenken stemmende, maar ook bemoedigende lectuur. Prof. Blok’s meesterwerk is tevens een nationale arbeid in den verhevensten zin. Van dit onderwerp tot het smakelijk Geïllustreerd Handboek ,,Ik kan koken,” samengesteld door de directrice van de Haagsche Huishoudschool, is een stap „du sublime a . . . . Luculle.” Heel iets anders behandelt dit lijvige werk met zijn honderden interessante platen, maar ook hier : welk een schat van kennis en ervaring ! Zoo wordt inderdaad de kookkunst tot een wetenschap. „Ik kan koken” is niet louter een reeks recepten, het is een volledige culinaire encyclopaedie ; men vindt er de kookkunst en de tafelgewoonten door alle eeuwen heen beschreven, om daarna een zeer lezenswaard hoofdstuk aan te treffen over de lessen welke die eeuwen ons geleerd hebben : wat de mensch moet eten, hoeveel en hoe. Want het is niet voldoende dat we eten om te kunnen leven — het kostelijk en vernuftig organisme van ons lichaam eischt méér: een zorgvuldige keus van voedingsmiddelen, een zaakkundige toebereiding ervan en zelfs een verstandige wijze van ze te nuttigen. Wie zich „Ik kan koken” aanschaft, sluit een verzekering op zijn gezondheid, waarvan de poliskosten duizendvoudig worden vergoed. En is niet een gezond lichaam de eerste voorwaarde voor een gezonden geest ? Arbeid van een gezonden geest — dat is de lijvige roman „Katia”, dien wij met klimmende aandacht gelezen hebben. Deze geschiedenis uit het Russische volksleven moge zoo spannend, fantastisch bijna, zijn als men maar verlangen kan — men gevoelt bij de lezing toch dadelijk dat zij uit het leven gegrepen is, dat de schrijver zich niet heeft laten meeslepen, maar de werkelijkheid vast in het oog heeft gehouden. Zijn naam trouwens waarborgt dat wij hier met een boek van beteekenis te doen hebben, belangrijk naar vorm en inhoud. Franz de Jessen, de bekende Deensche dagbladcorrespondent, die alle landen der wereld bereisd, alle groote veldtochten als verslaggever heeft meegemaakt, kent het Russische leven als weinigen. Zijn boek is er een van dezen tijd, is wel een der actueelste die in de laatste weken verschenen zijn. Het geeft menigen kijk achter de schermen, onthult zaken uit de hofwereld, het leger, de revolutionnaire vereenigingen, die ons ongelooflijk zouden schijnen wanneer we niet wisten dat de schrijver nooit iets zegt wat hij niet verantwoorden kan. De hoofdstukken die in Parijs en in Kief spelen, de levendige beschrijving van de onlusten in Albanië en Servië, van de Turksche kuiperijen en vooral van de muiterij op de Zwarte-Zeevloot, behooren .tot het meest spannende en verrassende wat dit knap geschreven boek brengt. Tusschen dat alles door beweegt zich de lieflijke figuur van prinses Katia ; haar liefdesgeschiedenis vormt een der schoonste gedeelten, en zeker het ontroerendste, van dit in tal van opzichten zoo merkwaardige boek. Ten slotte moeten we nog melding maken van een belangrijk werk, waarvan de uitgave opnieuw bewijst dat er niettegenstaande den slechten tijd nog wel wat te ondernemen is voor wie durf bezit. Wij bedoelen het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel III, onder redactie van Dr. P. C. Molhuysen en Prof. Dr. P. J. Blok, gesteund door een uitgebreiden staf van kundige medewerkers. Wij deden een eigenaardige ondervinding met dit fraai gebonden deel op : het ter hand nemend, terwijl wij nog onder den indruk waren van het prachtige „Katia”, zeiden we tot onszelf dat dit boek, een nuchter woordenboek immers, ons na de juist genoten boeiende lectuur wel niet veel te zeggen zou hebben ! En — na enkele oogenblikken zaten we het aandachtig en met belangstelling te lezen. Het is niet, wat men vermoeden zou, alleen een bron voor naspeurders en snuffelaars. Het bevat, integendeel, zooveel merkwaardigs en wetenswaards aangaande beroemde personen — kunstenaars, geleerden, politici, handelsvorsten en wie niet al — het vertelt zoo uitvoerig omtrent vooraanstaande geslachten, geeft zulke curieuse bizonderheden nopens bekende en beroemde persoonlijkheden, dat het Biografisch Woordenboek zich als een verhaal zoo aangenaam laat lezen. Geen bibliotheek, geen kantoor van handel, industrie, geldwezen of van welken aard ook, geen geleerde, student of redacteur, ja, eigenlijk niemand die zich beschaafd en ontwikkeld wil noemen, kan dit standaardwerk missen. * * ♦ En gaat het nu den lezer als ons, dan brengt de lectuur der hierboven besproken werken hem de overtuiging, dat niets zulk een weldadige afleiding geeft in dagen van spanning en gedruktheid dan goede boeken. Waarop we ook bezuinigen in dezen moeilijken tijd — op boeken nooit!
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1326 tot 1330 van 11897