|
IN HET VLUCHTELINGENKAMP
TE BERGEN-OP-ZOOM.
Bij goed weer wordt de maaltijd in de open lucht gebruikt.
origineel genoeg.'’ „O maar het eindigt heel origineel. Luister
maar.’'
„De ontrouwe broeder komt thuis, bezweert den dood
van zijn broeder en ontvangt de geheele erfenis. Ongelukkigerwijs
keert de verongelukte na vijf jaar terug. . . .”
„Neen, neen, onmogelijk,” stamelde Vivian, terwijl hij
den verteller met verwilderde oogen en doodsbleek
gelaat aanzag.
„Jouw vervloekte hond !” riep Manning uit, terwijl hij op
den ader afsprong, hem met de eene hand bij de keel vatte
en metde andere zich pruik en baard van het hoofd trok.
„Rrhard 1” hijgde Vivian. „Jij?"
„Ji ja, ik ! Jij liet mij, jouw broeder, voor dood op dat
eilar; tot mijn beenderen in de zon verbleekt zouden zijn.
Jij ham naar huis om van mijn geld een vet leventje te
leidt jij ontroofde mij het meisje, dat ik beminde, met je
verrekte leugens; jij stal mijn ideeën en schreef daarover boekenie
succes hadden. Jij smulde aan uitgezóchte spijzen
en inken, terwijl ik, je broeder, verhongerde, verhongerde!
Hcje me ?"
enade, genade 1" smeekte de lafaard, terwijl hij voor zijn
biier op de knieën viel.
arlton Vivian, de beroemde auteur, slaat nu een mooi
fi r, hè ?"
leb medelijden, Richard !’’
k heb lang naar je gezocht, tot ik eindelijk uitvond, dat
\an, wonende Belgradostreet 35. eertijds luisterde naar
tnaam van William Manning.”
i hem bij den schouder vattende, schudde hij hem dooreen
siste: „Jou hond! Ze heeft je gelukkig afgewezen,
ioorzag je, hè ? En nu is zij mijn ! Voel je je nu zoo
BEELDENDE KUNST
Naar aanleiding van de tentoonstelling die van 17—24 Januari zal gehouden
worden in het gebouw van de Rijksacademie voor Beeldende kunsten aan
de Stadhouderskade te Amsterdam, beelden wij hierbij de figuur van Pieter
Aerizen af. Deze schilder leefde in de 16e eeuw en heeft in de Oude Kerk
te Amsterdam 3 glasloodvensters ontworpen met Bijbelsche voorstellingen.
Het Rijksmuseum bewaart van hem een 7-tal werken van Bijbelsche voorstellingen
en tafreelen uit het volksleven. Het beeld is vervaardigd door
den beeldhouwer Th. van Reyn, die de Prix den Rome heeft verkregen, en
wiens portret naast het beeld staat. Het beeld zal in een der nissen van
het Stadsmuseum geplaatst worden.
schuldig? Schreeuw het dan uit. dat je schuldig ben. jij
lafaard !”
Toen, met al de kracht van zijn verontwaardiging, wierp
hij zijn trouweloozen broeder van zich af. „En nu komt nog
een zeer oorspronkelijk slot, beminde broeder," ging Richard
voort. „Trek je jas uit, je vest, je linnengoed, alles
wat je aan hebt en doe het mijne aan."
IN HET VLUCHTELINGENKAMP
TE BERGEN-OP-ZOOM.
Wanneer er geen werk is wordt de tijd doorgebracht met„kaarten”.
Werktuiglijk gehoorzaamde de ander en weldra waren
beide mannen van kleeren verwisseld.
„Goede hemel !" riep Vivian uit, terwijl hij verbijsterd
zichzelf in zijns broeders armelijke plunje bekeek. „Wat is
je plan ?"
Richard trok hem bij den arm naar den spiegel.
„Waarde broeder, ziehier !" zei hij. „We gelijken op elkaar
als twee druppelen water. Niemand zal onze ruil bemerken.
Vanaf dit oogenblik ben ik Carlton Vivian, en jij Richard
Manning, de verworpeling."
Bij die woorden vloog de bedrogene naar de bel. maar zijn
broeder hield hem terug.
„Nog eens die beweging en ik vermoord je," dreigde
Richard.
Vivian deinsde achteruit, want hij hoorde den haan van
een revolver overgaan.
„Als je het ooit durft wagen mijn identiteit bekend te
maken, dan ga jij voor verduistering en poging tot doodslag
de gevangenis in.
„En broederlief," vervolgde hij, „wat zeg je van het slot
van mijn verhaal ?"
De ander stond verpletterd, sprakeloos. Richard belde.
De dienstbode trad binnen.
„Wil je mijnheer eens uitlaten !" gelastte hij.
Langzaam, half versufd, stond de man, eens in de wereld
bekend als Carlton Vivian, op en liep met onvaste schreden
de kamer uit — een verworpeling.
En de gewaande Carlton Vivian, een uur vroeger nog
Richard Manning, stak een sigarette aan en liet zich met
een zucht van voldoening in een der luxe-luierstoelen
neervallen.
HET NIEUWE GEBOUW VAN DEN HORTUS BOTANICUS TE AMSTERDAM.
oensdag 14 Januari had in den Hortus de plechtige opening plaats van het nieuwe gebouw. Prof. Hugo de
Kries (3e van links op onze foto) deed in zijn openingsrede uitkomen, welke voordeelen zijn gaan naar Amerika
hem zou hebben bezorgd. Ondanks dit alles deed het hem nu toch genoegen, dat hij het zeer vereerende aanbod.
indertijd had afgeslagen.
EEN NIEUW GEBOUW TE ’S-GRAVEN H AGE.
De inkoopvereeniging, „Eendracht maakt macht", die voor een drietal jaren werd opgericht, met 20 leden en het
eerste jaar een omzet had van f 70.000 (thans telt de vereeniging reeds 72 leden en had het vorig jaar een omzet
van f270000) heeft een eigen gebouw gesticht. Bakkerstraat 5, daar het oude gebouw aan de Nieuwe Malistraat
veel te klein was geworden.
EEN SCHADUW UIT
HET VERLEDEN
jgohn Pendergast zou er een eed opgedaan hebben,
dat de deur met een slag dichtsloeg, op
het oogenblik dat hij de oogen opende. Hij
.. - <" v was 200 overtu*&d dat zijn gehoor hem niet
bedrogen had, dat hij opstond, naar de deur
l,‘liep en den knop omdraaide, doch de deur
bleef gesloten en een blik op den sleutel overtuigde hem
dat deze nog precies zat, zooals een uur te voren, toen hij
de deur voor mogelijke onwelkome bezoekers gesloten had.
Hij draaide den sleutel om, deed de deur open, ging de
gang in en luisterde. Het was evenwel stil in huis, niet het
minste gerucht trof zijn oor. Hij ging dus terug naar zijn
kamer, sloot de deur weer, nam in zijn bureaustoel plaats
en ging voort met het schrijven van de novelle, waaraan
hij voor het diner was bezig geweest.
Het wilde echter met zijn werk niet vlotten, zijn gedachten
keerden telkens terug tot den droom, dien hij gedurende
zijn siësta gehad had. Het was een zonderlinge droom.
Terwijl hij zijn middagslaapje deed in zijn rieten luierstoel,
zag hij in een visioen in den stoel tegenover hem een
ouden man zitten met sneeuwwit haar en bakkebaarden
en een mager perkamentachtig gezicht, waarin het linkeroog
ontbrak. De grijsaard was gekleed in een zeventiende-eeuwsch
kostuum uit den tijd van Karei I.
„Ga naar Bradport," had de vreemde gezegd, zich in
zijn stoel voorover buigende. „Je moet naar Bradport
gaan, zonder aarzelen. Daar is werk voor u te vinden."
Pendergast, getroffen door zijn onverklaarbare tegenwoordigheid,
had hem toen gevraagd wie hij was, hoe hij
hier kwam, waar hij vandaan kwam en wat voor verschil
het zou uitmaken of hij naar de Zuidzee-eilanden of naar
Bradport zou vertrekken.
„Wat moet ik daar doen ?” had hij ten slotte gevraagd.
„Laat de dingen hun loop hebben,” had de schim hem
geantwoord.
En daarna was het visioen /eranderd in andere visioenen,
zooals dat in droomen zoo menigmaal voorkomt. Zoo zag
Pendergast onder anderen zichzelven visschende in een
rivier en uit het water kwamen verschillende aangezichten
boven, aangezichten van oude en jonge menschen, van
mannen en vrouwen, mooie en leelijke, aangename xèn
onaangename. Sommigen lachten, sommigen weenden en
anderen zwoeren eeden van wraak en vergelding. Vuisten
werden dreigend uit het water omhoog geheven tot hem,
dacht hij, doch toen hij rondkeek, zag hij naast zich den
man zitten met het eene oog, het witte haar en de bakkebaarden,
die even te voren in den stoel tegenover hem gezeten
had. Hij- vroeg den oude wat dit alles beteekende.
„Al deze menschen heb ik gedood," zei hij, „en nog
vele anderen zullen sterven door mijn schuld als - als
gij niet naar Bradport gaat. Daar leeft iemand, die ik
wensch te redden. Zij moet gered worden ! Zij is te goed,
te jong, te schoon om nu te sterven, is ze niet ?" en hij
haalde een medaillonportret te voorschijn, dat aan een
blauw lint aan zijn hals hing.
Pendergast staarde op een gelaat, zoo lief als hij nog
zelden gezien had, een mooi meisjesgelaat in den bloei
harer jeugd. „Wil je haar redden ? God zegen je 1”
En nu zag hij den man, die weer in den stoei zat als
te voren, opstaan, het vertrek verlaten en hoorde hij de
kamerdeur dichtslaan met een slag, dien Pendergast opeens
uit het land der fantasie in de werkelijkheid terugbracht.
(Wordt vervolgd).
|