|
BEZOEK VAN Z.K.H. PRINS HENDRIK AAN DE ROOD E-KRUISINRICHTINGEN VAN HET COMITÉ VAN H ET NED. ROODE KRUIS v. HEERLEN EN OMGEVING
In het midden: Z.K.H. Prins Hendrik, Voorzitter van het Nederlandsche Roode Kruis. Naar rechts: Ch. de Hesselle, Voorzitter van het Comité, C. Biankevoort, Secretaris van het Comité.
Dr. A. Widdershoven, Sectie-Commandant der transportcolonne Heerlen, Dr. W. H. Cals, Sectie-commandant der transportcolonne Schaesberg-Eygelshoven, Mr. M A. M. Waszink, Burgemeester
van Heerlen, Dr. E. Hustinx, Chirurg. Naar links: Jhr. Mr. E. B. F. F. Wittert van Hoogland, lid van het Hoofdcomité, tevens afgevaardigde van de Nederlandsche afdeeling der Ridders van
Malta, Dr. F. de Wever, Penningmeester van het Comité, Directeur-Ceneesheer van het St.-Josephs-Hospitaal te Heerlen, Mevrouw J. Koster, Lid van het Bestuur van het Comité, L. Driessen,
Rector van het St.-Josephs-Hospitaal en Sanatorium te Heerlen, R. Pierre, Lid van het Bestuur van het Comité, Dr. A. van Leent, oprichter en leider der verpleegcolonne. De overigen: Leden
der verpleeg- en transportcolonne Heerlen en Schaesberg-Eygelshoven.
DE ROLLEN VERWISSELD
Secretaris gevraagd door een schrijver, die
oorspronkelijke onderwerpen zoekt. Bereisdheid
en kennis van moderne talen vereischten.
Persoonlijk aan te melden ’s avonds
tusschen 7 en 9 uur, Belgradostreet 35.”
Aldus luidde de advertentie.
Richard Manning las dit en slaakte een zucht van verlichting.
„Eindelijk,” mompelde hij.
Hij ging voor den spiegel van zijn sober gemeubelde slaapkamer
staan en zag daarin een net uitzienden jongeman,
in den bloei van zijn leven ; doch met niet te helder linnen
en afgedragen kleederen. Op zijn gelaat was ontbering te
lezen en zijn oogen droegen de onmiskenbare sporen van
slapelooze nachten. Hij was moe van het vechten tegen
’s levens noodlot, aan het eind van hoop en geduld en op
eenige tientallen guldens na ook aan het eind van zijn
geld. Hemel, wat had hij de laatste vijf jaren niet doorgemaakt.
„Goede God ! wat zal het einde zijn.?” had hij meermalen
in wanhoop zich afgevraagd.
En nu, terwijl hij zichzelven beschouwde zei hij : „vanavond
zal het einde zijn.”
Hij las nog eenmaal de advertentie met een soort van
woeste vreugde, die aan zijn gelaatstrekken een onheilspellende
uitdrukking gaf.
'„Niemand kan ’t nu tegenhouden,” mompelde hij. „De
Voorzienigheid heeft dit gezonden.”
Hij frommelde de krant tot een bal ineen, smeet dezen op
den grond en trapte erop. Toen ging hij de deur uit.
„Ik mag er wel wat netter
uitzien,” zei hij, en liep een
winkel van heerenmodes binnen.
Daar kocht hij een nieuwen
boord en front, een paar
manchetten en een nieuwmodische
das. Hij deed alles
in den winkel aan. O, wat een
genot dat schoone linnen IToen
kocht hij nog een nieuwen hoed
en een overjas, wandelde als
een ander mensch den winkel
uit en smeet het pakje met
afgelegd linnengoed in een
goot. Een straatjongen raapte
het op en snelde er mee heen.
Richard Manning liep intusschen
voort met een grimmige
uitdrukking op het gelaat.
De klok van deSt. Martin
sloeg vijf slagen.
„Nog twee uur,” peinsde hij.
Hij begaf zich naar een
kapperszaak, waar hij een
pruik en een baard kocht,
trad daarna een restaurant
binnen, bestelde een uitgezócht
menu met een halven
flesch champagne en wist dat
hij geen cent meer op zak zou
hebben als hij Belgradostreet
zou hebben bereikt. Doch wat
hinderde het! Van avond zou
hij zijn noodlot vinden — of
zijn geluk.
Hij kocht een fijne sigaar
(welk een weelde !), gaf den
kellner een fooi, liet een taxi voorkomen en voelde zich een
heel ander man, toen hij aan no. 35 Belgradostreet aanschelde.
Hij was zijn laatste geld kwijt, doch aan zelfvertrouwen
rijker geworden.
Hij werd dadelijk, nadat hem was opengedaan, naar een
rijkgemeubeld studeervertrek geleid en daar, in een gemakkelijken
stoel, vond hij een jongeman in avondtoilet.
DE NIEUWBENOEMDE COMMANDANT VAN HET
LEGER DES HEILS.
Ter vervanging van commandant Ridsdel, die onlangs is vertrokken,
is door Generaal Booth benoemd tot commandant
voor Nederland van het Leger des Heils, de heer William J. Mac
Alonan, van wien hierboven een portret met zijn echtgenoote.
DE STAF VAN DE 3e DIVISIE.
Ie rij van I. n. r. Veldprediker Majoor Janssen, Kapt. V. M. A.-Korps Ruys, Divisiearts Luit.-Kol. Romeijn, Chef v. d. Staf Luit-Kol. Noest, Divisie
Comm. Gen.-Maj. van Terwisga, Aalmoezenier Majoor Huys, Comm. v. d. Ver. „Het Roode Kruis” de gep. Gen.-Maj. Lüber, Maj.-Intendant BuschGeertsema,
Kapt. Gen. Staf O. I. L. van Genderen Stort, Res, le Luit. der Huzaren Baron Taets van Amerongen tot Woudenberg, le Luit. der
Huzaren Labouchère. 2e rij v. 1. n. r. Veldprediker Maj. v. d. Ven, Kapt. de Goeyen, 2e Adj.-Chef v. d. Staf. Kapt. Gen. Staf den Hoed. Adj.-Chef
v. d. Staf Kapt. ten Hove, Off. v. Gez. le KL, le Luit. V. M. A.-Korps, Jhr. van Vredenburgh, Div.-Paardenarts Kapt. Baron Bentinck, Kapt. der
Veld-Art. du Vijn, le Luit. der Genie van Tarel, Comm. Telegr.-Afd., le Luit.-Kwartierm. Lüger, 2e Luit. V. M. A.-Korps Koolhaas, tijd. Off. v. Gez.
2e KI. Weve. 3e rij v. 1. n. r.: de heer Ruigwolda. toegevoegd Hoofdambt. Telegrafie, le Luit. Kraak, Kapt. V. M. A.-Korps Hombach, Kapt.-Int.
Buffordt, Res. le Luit. van Gason. Direct, v. d. Veldpost, le Luit-Int. O. I. L. van Rie, le Luit.-Adjud. Jhr. Laman-Trip, rijd. Paardenarts 2e KI.
Westerling, le Luit. v. d. Veld -Art. Goulmy. (foto A. van Beurden).
„Mijnheer Allerton,” zei de dienstbode. >
De heer stond op.
„Zoo,” dacht Richard Manning, „dat is dus Carlton Vivian,
die Londen stormenderhand veroverd heeft met zijn boeken.
Hij is weinig veranderd.”
„Mijnheer, ik kom in antwoord op uw advertentie ....”
ging hij luid voort.
„O ja, ga zitten.”
Manning koos een stoel in de schaduw.
Eenige vragen werden gedaan met betrekking tot bekwaamheden,
opvoeding enz. Carlton Vivian luisterde met belangstelling
naar de hem gegeven inlichtingen
„Ik denk dat u wel de geschikte persoon voor mij is,”
zei hij. „Goed uiterlijk, welbereisd .... heel goed !”
„Ik schrijizelf een weinig,” merkte Manning op.
„Werkelijk? en . . . met succes?”
„Niet bijzonder !
„Hm 1”
„Maar ik heb veel verbeeldingskracht,” ging Manning
voort.
„Ja, dat is voor deze betrekking ook onmisbaar,” antwoordde
Vivian, terwijl hij met zijn vingers op een boek
trommelde. „Geef mij eens een schema voor een verhaal,
dan kan ik oordeelen of u hierin voldoende bekwaam zijt.”
„Luister dan,” zei Manning, terwijl hij voor den schrijver
ging staan. „Stel u voor er zijn twee broers, tweelingen als u
wilt, ze groeien op als elkanders evenbeeld. Hun karakter is
echter verschillend. De een is ondernemend, weinig nauwgezet
en heeft in alles succes, de ander is bescheiden, terughoudend,
weinig toegankelijk, maar in werkelijkheid de beste
van de twee. Beiden vatten liefde op voor hetzelfde meisje.
De eerstgenoemde jongeman is niet eerlijk, hij vertelt het
meisje allerlei leugens omtrent zijn broeder. Onderwijl
komt de moeder der tweelingen te sterven en laat haar vermogen
aan de beide broeders na. Dezen, die zich buitenslands
bevinden, keeren naar
het vaderland terug, doch het
schip vergaat in den Stillen
Oceaan. De broeders zijn evenwel
zoo gelukkig op een stuk
wrakhout een der nabijliggende
eilanden te bereiken,
waar zij eenige maanden onder
de inboorlingen doorbrengen.
Eindelijk komt er een schip
in het gezicht, ze beklimmen
een der rotsen om de aandacht
van het scheepsvolk op zich te
vestigen.”
Hij hield even op en keek
den beroemden schrijver aan,
die beefde als een espeblad.
„Scheelt u iets ?” vroeg
Manning.
„Neen, niets ! Ga voort!”
„De ontrouwe broeder
wenscht naar het vaderland
terug te keeren, om de erfenis
voor zich alleen te hebben en
het meisje te kunnen trouwen.
Wat zal hij doen ? Hij geeft
zijn broeder onverhoeds een
slag op het hoofd, laat hem
voor dood liggen en keert alleen
met het schip huiswaarts.”
Hier zwijgt hij weer even en
zegt dan minzaam :
„Misschien kuntunu wel het
verhaal vervolgen, mijnheer,”
Met een bovenmenschelijke
poging gelukt het Carlton
Vivian te zeggen : „Het is niet
|