Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1301 tot 1305 van 11897
Nummer
1915, nr.5, 15 jan. 1915
Blad
05
Tekst
J! r" ZA I N kJ rx /A|X| ZA DE DUITSCHERS IN HET OOSTEN DUITSCHE TROEPEN IN RUSSISCH POLEN. De Duitsche soldaten koopen bij een vriendelijke Poolsche schoone smakelijke koekjes en andere lekkernijen. NAAR DE LOOPGRAVEN. De Duitsche troepen die bij Darkehmen uitrukken om hun kameraden in de loopgraven af te lossen. DE UITWERKING VAN RUSSISCH GESCHUT. Een door een Russische 15 cM.-granaat verwoeste tegelbakkerij bij Darkehmen. EEN OBSERVATIEPOST. Een Duitsche luitenant, die vanuit een ingebouwde observatiepost de resultaten van het schieten controleert. HET MACHINEGEWEER. Een machinegeweer-compagnie in een verdekte stelling.
PDF
Nummer
1915, nr.5, 15 jan. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA — 38 — Een Zonderling Testament. Humoristische Schets uit het Volksleven. was familieraad ten huize van dikke Bet. Een raad van zes personen, de gastvrouw meegerekend. Het waren allen zoons en dochters van den ouden Janus Beekman, en het onderwerp, dat hen vergaderd hield, was de ondersteuning van hun ouden vader. Een onderwerp zoo gewichtig, dat niemand hierin voor zichzelf beslissing wilde nemen, en waaraan ieder, behalve dikke Bet, meende niet te kunnen voldoen. „Hij was nooit recht snik,” verklaarde Piet, de oudste zoon, die een vrouw en vijf kinderen had en het eerzame beroep van bakker vervulde, welk bedrijf, zooals hij zelf verklaarde, „op schillen ging.” Een zacht gemompel steeg uit de vergadering op; of het een protest of een goedkeuring inhield was twijfelachtig. Piet keek uitdagend rond en Mie, de vrouw van een nachtwaker, merkte hardvochtig op, dat de oude man, nu hij zoolang weg was geweest, wel had kunnen blijven waar hij was, in plaats van naar huis te komen om te sterven. „Hij ziet er nog heelemaal niet uit om dood te gaan,” antwoordde de jongste zoon, het eenige lid der familie dat nog niet getrouwd was, maar die toch op ’t punt stond in ’t huwelijksbootje te stappen, zoodat hij zijn geld zelf wel kon gebruiken. „Ik heb drie kinderen en een zieke vrouw,” zei Kees de glazenwasscher. „Van mij kun-je dus niet veel verwachten.” „En ik dan,” riep Jans, wier man meerein de herberg dan aan het werk was. „Ik met m’n zes bloeien van kinderen en een man zonder werk 1” „We kunnen hem toch niet in het werkhuis doen l” antwoordde dikke Bet. „Dat zou schande zijn ! En wat zou moeder hiervan zeggen als ze nog leefde ? „Kom, kom 1” zei nu Dirk de jongste, „in ’t werkhuis is ’t zoo kwaad niet. En moeder heeft d’r pret ook best bij ’m opgekund. Als ’t moeder nou nog was, die we moesten onderhouden, dan was ’t wat anders 1” „Natuurlijk !” klonk het in koor. „Hij kan nog werken,” zei Piet. „Hij is pas zestig.” „Een en zestig !” verbeterde Jans. „Welnou, wat zou dat!” vervolgde Piet. „Ouwe Sam is drie en zeventig en hij werkt nog wel. En dan die smoessies van vader dat ’ie doof is en niet zien kan. Gooi ereis een ZIEKE BELG. VLUCHTELINGEN TE HONTENISSE. Kijkje in de Roode-Kruisbarak. Van 1. n. r.: Zr. Oudshoorn, Dr. Comard, Zr. Vis, Zr. Schuwen (hoofdverpleegster), Zr. Schuwen, Zr. van Rinsum, (zittend). DE KOLON. TENTOONSTELLING TE SEMARANG. Gouverneur-Generaal Idenburg verlaat het Gebouw voor Inheemsche Nijverheid. EEN MONUMENTAAL GEBOUW. Aan den weg van Nijmegen naar Groesbeek is een klooster gesticht v >or „De dochteren van Sion”. De bijzonder fraaie ligging van het gebotv . al zeker de aandacht trekken der bezoekers van Nijmegen en omst-tken. HOOG WATER. De landerijen aan de Maas zijn wederom door deze rivier overstroomd. Onze foto geeft een kijkje bij het dorp Katwijk. kwartje op den grond, dan hoort ’ie ’t wel en doe dan ’ns of je ’t niet vinden kan. ’t Is verwonderlijk hoe scherp zijn RONDRIT DOOR NEDERLAND. Zondag startten op het Leidscheplein te Amsterdam de volgende renners om een toer door Nederland te maken: Jaap Eden, Guus Schilling, Jan van Gent, Jan Blekemolen, Franssen, Veldkamp en Holtkamp. De foto is genomen bij de aankomst der wielrenners te Amersfoort. De wedstrijd werd uitgeschreven door de Handel- en Industriemaatschappij voorheen M. Adler, fabrikant der „Hima”-rijwielen. gezicht wordt als er geld te halen is.” — „Ik z xi nou wel eens willen weten,” zei Jans weer, „waar vader al die jaren geweest is en waarvan hij geleefd hoeft. Hij heeft nooit om geld geschreven. En als hij geld had, waarom kwam hij dan niet naar huis?” „Ik weet zeker, het zal niet veel kosten om hem te onderhouden,” merkte dikke Bet op. „En bovendien, ’t is toch onze vader? Als m’n Jan nog leefde en ik geen weduwe met vier kinderen was, dan zou ik er niet lang over denken !” „Wel waarom trouw je dan niet met Hein Verschut?” vroeg Jans. „Je weet hij wacht maar of je „ja” zegt. Dan zou je den ouden man in huis kunnen nemen.” — „Dat zou in allen geval beter zijn dan hem naar ’t werkhuis te sturen,” zei dikke Bet. „De dochters zijn volgens de wet niet verplicht hem in te nemen !” hernam Jans. „Ten minste mijn man ...” — „Jouw man weet wat van de wet af 1” viel Piet in. „’t Was vrij wat beter dat hij* voor de kost zorgde, in plaats ’t zijn vrouw te laten doen 1” — „Bemoei jij je met je eigen zaken 1” stoof Jans op. „’t Is tijd genoeg om praats te maken als hij bij jou om centen komt. Omdat jij nou een broodwinkel doet en je vrouw ’s Zondags een zij’en japon draagt. . . .” „Ze zou allang een ander hebben gehad ais jij je schuld bij me betaalde.” Dikke Bet, vreezende dat de familieraad in een familietwist zou ontaarden, viel de twistenden in de rede en herstelde den vrede door te verklaren, dat zij hun vader wel in zou nemen. De anderen konden dan, zoo zij wilden, elk naar vermogen een kleinigheid bijdragen. Ondertusschen zat de oude Janus in ’t tuintje te slapen, of deed ten minste of hij sliep. Het raam stond open, maar dat hinderde niet, de oude man was immers doof. Zooals vanzelf sprak, sliep hij in ’t geheel niet, en te oordeelen naar den spottenden lach om zijn lippen scheen hij de geheele discussie gehoord te hebben. Toen hij het besluit van dikke Bet hoorde, stond hij op, stak zijn pijp aan en zei dat hij een eindje ging wandelen. Ook de verschillende familieleden stonden op en gingen hunsweegs. Dikke Bet deed daarop haar omslagdoek om en ging naar de juffrouw waar ze drie dagen per week voor waschtc om te hooren of ze er wat strijkgoed bij kon krijgen. Drie dagen later zei de oude Janus tot zijn dochter dat hij de stad uit moest; binnen een week zou hij terug zijn. En zooals hij zeide gebeurde ’t ook. „De ouwe is op reis geweest en heeft een half dozijn vree’inde planten in potten meegebracht I” vertelde de nachtw iLer tegen Mie z’n vrouw. „Hij zei me dat ze meer dan hen i< rd DE OPKOMST VAN SANDER PfApj Ikj DOOR JEF SPRUYT, MET TEEKEIXkJOIJlN, N1NGEN VAN JAN DELATOUR. (SLOT). at.... dat komt er niet op aan,” antwoordde Sander met de verheven zorgeloosheid van een hoogstaand kunstenaar. „We zullen wel zien wat het wordt. Dat is iets van later zorg. Eerst de verf erop.” „Wat doe je daar?” vroeg hij Bram, die den kwast wilde indoopen. „Nonsens, overbodig. Het gaat beter zonder kwast. Een, twee, drie, hup 1” En hij wierp een landschap op het doek. Met andere woorden: hij smeet den pot met groene verf er, plons, op leeg. „Een, twee, drie, met of zonder kwastelorum,” kreet Bram en smeet den pot met gele verf over het paneel uit. Het was een ijselijke smeerboel. Dikke klodderige slierten groen en geel dropen op de tafel en vandaar op den vloer, waar vette glibberige plassen werden gevormd. „Ik wou, dat ik overschoenen aan had,” gekte En hij wierp een landschap op het doek. Bram ,,Laat het plankje afdruipen,” raadde Sander. Bram zette het rechtop tegen een der verfpotten aan. „Jammer, dat de kwast ook in de verf ligt; anders hadden we die terug kunnen geven,” zei hij spijtig. „Dat droogt in geen zeven jaar,” opperde Sander, naar het plankje kijkend, waarop een dikke glanzende groenen gele-pap lag. „Geen bezwaar, geen bezwaar. We drogen het af,” zei Bram, en, de daad bij het woord voegend, veegde hij het paneel stevig met een stofdoek af, waarbij hij de groene en gele vlekken nog eens danig door elkaar wreef. Het leek op niets, en het leek op alles. „Het is uitmuntend geslaagd,” prees Sander giechelend, als hij het op eenige passen afstand bezag, door de oogharen henen. „Het lijkt het meest op een verpletterde Savoyekool. Zullen we het Zelfportret noemen ?” „Neen. Avond in het dal. Of neen, de Savoyekool, de kool, die wij het geacht publiek zullen stoven.” „Neen. Zelfportret.” „Goed, goed. Als het maar een naam heeft. Maar nou de lijst.... En hoe moet het naar Magnus? En . ...” Er ontspon zich aan den voet van het zelfportret een ingewikkelde samenspraak, te ingewikkeld dan dat wij haar hier den lezers willen weergeven. Het resultaat van de gedachtenwisseling was, dat Bram bij een bloedverwant een lijst op den kop wist te tikken, dat het Zelfportret van de Savoyekool er voor werd pasgezaagd, en het geheele aldus gemonteerde kunstwerk met een begeleidend briefje door een kruier bij den expert Magnus werd bezorgd, met het motto „Enkel maar afgeven.” Het was in den avond van 3 November 1912. Sander en Bram zaten bij elkaar op het tooneel, waar twee dagen geleden het brutale drama van het zelfportret was afgespeeld. Sander zat in den lammen schommelstoel, Bram op het kreupele bed, beiden hadden intusschen natuurlijk hun jassen weer aangetrokken. Ze spraken weinig, en zaten stil; bij het minste gechuisch keken ze verschrikt op, alsof ze iets verwachtten. En werkelijk ze verwachtten ook iets. Sedert het uur, waarop ze, twee dagen geleden, het zelfportret bij den kunstkooper hadden laten bezorgen met de boodschap „enkel maar afgeven”. Wat echter? Ja, w&t verwachtten zij? In elk geval het zelfportret terug met of zonder brutale terechtwijzing, zoo iets van: dat zoo’n Magnus, uitgeslapen kerel als hij was, zich niet in de luren leggen liet met een Savoyekool, dat zulk een gepokte en gemazelde kunstkenner een zelfportret als het onderhavige niet voor zoete koek op bliefde te eten, noch eenig ander kunststuk van dien aard met het gezonden kunststuk dacht uit te richten. Zoo hadden ze vanaf het uur van de verzending, menigmaal zwijgend bijeengezeten, vaak lachend om de uitgehaalde grap, menigmaal echter met eenigen ernst de mogelijkheid, de onzegbaar vage mogelijkheid besprekend, dat.... ja, wat ? . ... dat, — ja het was zoo goed als ondenkbaar, emstoch ook weer niet hèèlemaal, — dat .... het eens verkodfit werd. Neen, neen, het was te dwaas, zoo iets ook maar even te gelooven. Zij zouden wel ontmaskerd worden als de bedrijvers van een smakelooze grap. Maar als nu toch eens -. . . . Ja, als, als. Als de hemel invalt, hadden we allemaal een blauwe muts op. Ineens klonk luid de bel. Wanneer de hemel werkelijk
PDF
Nummer
1915, nr.5, 15 jan. 1915
Blad
07
Tekst
— 39 — PANORAMA H. J. A. A. M. VAN GOOR. commissaris van politie te Haarlem, herdacht den len Januari zijn 40-jarig jubileum. P. D. JACOBS+, lid van het Kerkbestuur der Nederl. Israël. Gemeente en van verscheidene Israël, liefdadigheidsvereenigingen is op 90-jarigen leeftijd overleden. jaar oud en veel geld waard zijn. Een vriend van hem heeft ze meegebracht uit Japan. Ik gefctof dat ie een klap van den molen beetheeft.” „Plantep in potten!” zei Mie. „Hoe groot zijn ze?” „Wel, ze zijn een paar voet hoog !” „En zijn ze meer dan honderd jaar oud ?” vroeg Mie. „Dat zegt ie ten minste, maar ik geloof dat hij kindsch is.” Miewas echter nieuwsgierig geworden en besloot eens naar de planten te gaan kijken. Onderweg vertelde ze het aan haar broer, den bakker. Zoo verspreidde het nieuwtje zich en achtereenvolgens kwamen de zoons en dochters den ouden man bezoeken en hoorden het verhaal van de kostbare planten en lachten er om. Piet vond zijn vader druk bezig den planten een naam te geven en vertelde bij zijn thuiskomst aan zijn vrouw : „De ouwe gek heeft elke plant naar een van ons genoemd.” „Hij deed wijzer als hij ze verkocht 1” antwoordde zijn vrouw. „Als ’t waar is dat ze zoo duur zijn, dan geef je den oude geen halven cent voor ondersteuning, hoor!” Piet lachte. „Ze zijn natuurlijk niets waard. Ik geef geen kwartje voor ’t stuk.” „Wat is vader toch van plan?” vroeg Jans aan haar man en deze ging naar dikke Bet, maar die wist van niets. Zijn schoonvader, die hem zag, vroeg hem eens naar zijn planten te kijken en zei hem dat het zeldzame oostersche voortbrengselen waren. „Kijk deze eens! Die heb ik naar Bet genoemd: „Elisabeth Christina.” Dat is een heel dure. Die is wel twaalfduizend gulden waard 1” „En die van mijn vrouw?” vroeg de man van Jans. „Dat weet ik niet precies. Die kan van / 100 tot / 6000 opbrengen.” „Wat gaat u er mee doen ?” „Heb geduld en wacht je beurt af I” antwoordde de oude. „Als u ze nu eens verkocht, dan zou Jans niet meer uit werken behoeven te gaan.” „Ja, en mijn lieve kinderen hebben geen cent voor hun ouden vader over?” antwoordde Janus grimlachend. Intusschen verliep de tijd. Dikke Bet waschte en streek om h^ ouden vader te onderhouden. Eenr jaar later trouwde ze met Hein Verschut, die een weinig geld bespaard had. Ze huurden een grootere woning en namen vader mee. Van nu af kwam de zorg voor den ouden man op de schouders van Hein. Den daaropvolgenden winter blies de oude Janus den laatsten adem uit. diep betreurd door dikke Bet. Kort daarop vervoegde zich een heer aan de woning van Hein Verschut. DE RIVALEN. DIE HAGHESPELERS. DOOR RICH. BENSLEY SHERIDAN. U kunt Uwe dochters er gerust mee naar toe nemen, Mevrouw’ Niets is er in dat stuk, dat ook maar de minste aanleiding zal geven, dat zij ’s avonds na den schouwburg, in haar bed wakker zullen liggen, peinzende over sommige haar onbegrijpelijk schijnende levenswaarheden. Van die waarheden, die gelanceerd onder het spel, zorgzame moeders even ’n snellen blik op hunne in rosé en zeegroene tulle gehulde evelingen doen werpen, waarin even 'n angstig „zou ze dat misschien begrepen hebben” tintelt Niets van dit alles. Moderne meisjes vinden dit meisje in dit stuk, stel ik me voor „dwaas romantisch”. En net zou haar moeilijk vallen zich in te denken, in de moeilijkheden, die de ridder sans peur et sans reproche, de held Beverley, alias captain Absolute schiep, om zich de overwinning op het hart van Miss Lydia Languish, waardig te maken. De moeilijkheden, die onze meisjes en jongens heden ten dage te overwinnen hebben, zijn minder subtiel, dan deze romantische draadversperringen om ’n jongemeisjes-ziel. De bekoring ervan ondergaat desondanks ieder die in de maalsleur van de hedendaagschheid nog niet de bekoring, van de sierlijke fijnheid van een libellendans, op ’n zomermorgen boven het stille wateroppervlak verloor. Alleen ‘n jonge geest, — Sheridan was 23 jaar, toen hij het schreef — kon van de geschiedenis eener verliefdheid, zoo’n kleurig en tevens zoo’n luchtig beeld geven. Het stuk is vol heerlijke typen. Ten eerste de oude Absolute (Philip la Chapelle) en dan Lydia’s tante, Mrs. Malaprop, wier namen reeds hun karakter uitbeelden. De oude vrouw, die zich van de vreemdste woorden bedient, en die allerongelukkigst gebruikt, is ’n bekend type. Deze twee willen Capt. Absolute laten huwen met Lydia, die het echter al „eens” is met Beverley, welke Beverley echter niemand anders is dan capt. Absolute in kwestie. Hieruit ontstaat de verwarring, die tot alle mogelijke dwaasheden voert. Te beschrijven is het stuk niet. Het hangt van dwaasheid en komische tafereelen aaneen. Is daarbij keurig aangekleed. Wat de handeling betreft, die zou voor’n modern blijspel niet een acte stof hebben gegeven. Al van den aanvang af .„hebben” ze elkaar. Daarover dus niet. De 14 tafereelen zijn als zoovele stappen op den vroolijken weg van dwaasheid en liefde. Het is ’n wandeling, zooals ’n modern blijspel ’n auto-rit is. Mevr. Emmy Vrede was ’n zeer echte Lydia. Ook Cor van der Lugt-Melsert, doet er uitstekend werk in, voorbeeldig bijgestaan door Cor Ruys en Gilhuys. Verheyen maakte ’n Shakespeariaanschen knecht. Tenslotte waren de costumes en décors, prettig om te zien en de menuet-müziek allervriendelijkst, nèt noodig om je in de stemming van het stuk te houden. Maar wat in het laatste tafereel, die rare boomen daar doen tusschen al de kleurrijkheid en prettige sierlijkheid van het geheel, dat met ’n keurige menuet eindigt, dat is mij onbegrijpelijk. Was het soms het symbool der hedendaagsche leelijkheid, als tegenstelling van al die gracielijke sierlijkheid van voorheen ? TOM SCHILPEROORT. DE RIVALEN. Ida Swa; :s en Anton de Roemer. M. C. E. KRIENS, Kapelmeester te Parijs, nam bij het uitbreken van den oorlog als vrijwilliger dienst in het Fransche leger en is aan het Westelijke front gesneuveld. Kolonel A. JONGKEES, finspecteur der Marine, officier in de OranjeNassauorde, is op 75-jarigen leeftijd te Bussum overleden. Hij zei notaris te zijn en verzocht de verschillende broers en zusters bij elkaar te roepen. Dezen kwamen spoedig en nu las de notaris een testament voor. Het was kort. Ieder der zes kinderen kreeg een Japansche plant overeenkomstig den naam die op den pot stond. Dikke Bet kreeg bovendien nog ƒ 1000. Tevens stond vermeld dat de planten niet aan vreemden mochten worden verkocht. Ieder erfgenaam moest zijn plant een jaar lang bewaren, dan zouden ze van den notaris een brief ontvangen, die eenige nadere inlichtingen zou verstrekken. Wilden ze de planten geen jaar bewaren, dan konden ze ze verkoopen aan hun zuster Bet. Wat Piet, Mie, Kees, Jans en Dirk hierover te zeggen hadden, zal ieder duidelijk zijn. Natuurlijk waren allen het er over eens, dat dikke Bet geweten had, dat de oude nog duizend gulden bezat. De waarheid gebiedt echter te vertellen, dat Bet het evenmin wist als de anderen. „Je hebt je spel goed gespeeld, huichelaarster 1” zei Jans tot haar, „om vader in huis te nemen. En wat krijgen wij voor alles wat we aan den ouden vrek gedaan hebben ?” „In allen geval moeten we ons geld terug hebben !” riep Piet uit. Een eisch die door alle anderen werd ondersteund; en dikke Bet, in de goedheid van haar hart, zou aan dien onbillijken wensch voldaan hebben, als haar man er zich niet met kracht tegen verzet had. „Jij kan voor mijn part mijn bloempot wel houden,” riep Mie huilende uit. „Verkoopen mag ik hem niet,” zei Kees, „maar verbranden is niet verboden.” En zijn pot opnemende smeet hij hem op het keukenvuur. Jans gooide haar plant in het water, Piet, die meer economie bezat, verkocht de zijne aan zijn zuster Bet. Dirk gaf zijn pot aan een zijner buren, die er later nog vijf gulden van maakte. Mie had de hare meegenomen en op het kippenhok gezet, waar hij op zekeren nacht door een of anderen landlooper gestolen werd. Dikke Bet alleen behield haar plant en verzorgde die goed. Een jaar later kwam de beloofde brief: zij deed hem open en las : „Zoek in de wortels van de plant en gij zult ƒ 12,000 aan bankpapier vinden.” En werkelijk vond ze het bedrag in zeildoek gewikkeld. Ook de anderen ontvingen een gelijksoortigen brief, maar het bedrag varieerde van f 500 tot / 1000. Daar ze echter hun planten niet meer hadden, konden ze ook niet in de wortels zoeken. De notaris had echter de nummers der banknoten, en, handelende volgens den wil van den overledene, overhandigde hij hun waarde aan dikke Bet. Onnoodig te zeggen, dat de andere leden der familie grooten lust gevoelden zichzelven voor het hoofd te slaan. ingevallen was, hadden ze niet erger verschrikt kunnen opspringen, Sander uit zijn lammen stoel, Bram van het manke bed. Even bleven ze elkaar aankijken, toen stoven ze allebei naar de deur, en kwamen zoo volkomen precies gelijktijdig in den deurpost aan, dat ze, elkaar niet kunnend passeeren, gedurende een ondeelbaar oogenblik in de nauwe opening bleven vastzitten. Bram was het eerst bij het deurtouw, rukte. „Róbijn !” galmde de basstem van een brievenbesteller diep uit den donkeren afgrond van het trappegat naar omhoog. „Kien !” gilde Bram ineens met een schelle sopraan, alsof de zenuwen hem plotseling op de stembanden geslagen waren. Met pakte hij de leuning, en wilde een aantal treden tegelijk omlaag springen, maar in de razende haast nam hij zijn sprong te ver, en, vergemakkelijkt door de spiegelgladde vettigheid van de leuning, schoot hij ineens een heele verdieping tegelijk af, snel als een momentopname. Sander volgde hem. Halverwege de tweede trap werd hij bijna omvergeloopen door Bram, die driftig aan een brief morrelde. Sander keerde zich ijlings om en rende hem achterna. Boven gekomen rukten ze den brief met vereende krachten open, zoodat ieder hunner een stuk ervan, ongeveer de helft, in de hand hield. 7e legden de helften tegen elkaar, en lazen. De brief was van Magnus. Bij het zien van het vetgedrukte briefhoofd werden de vrienden reeds duizelig. Maar toen de inhoud tot hen doordrong, werden ze bevangen van iets heel ergs; waanzin is het woord niet, maar het leek er sprekend op. Ze omarmden elkaar en ze omarmden zichzelven, ze duikelden over hun hoofden gelijk parterre-acrobaten, en rolden als groote voetballen langs den houten vloer, als door een wonder niet opgeslokt door den goal van het diepe duistere trappengat, wat hun onverbiddelijke dood beteekend had. Eindelijk gingen ze zitten, Sander in den lammen stoel, pram op het manke bed, en ze keken vandaar elkander aan, en barstten uit in een schaterend lachen, dat wel op het kakelen van een toom kippen leek en bijna een kwartier aanhield. „Hij is goed,” bracht Sander eindelijk met een hortende gilstem uit, en sloeg daarbij als een dolleman op zijn dijen. „Hij is uitstekend,” gierde Bram, en sloeg eveneens op zijn dijen. Als hunne dijen tapijten geweest waren en hun handen mattenkloppers, had het niet meer geraas kunnen maken dan het nu deed. Hooren en zien verging. Het duurde een heele poos voor de twee vrienden werkelijk tot rust kwamen. De blijdschap had hen even uit het lood geworpen. Geen wonder 1 Het schilderij was door een schatrijken Engelschman ontdekt op den grond achter de toonbank bij den waardeloozen rommel. Hij had het dadelijk voor vijftig pond gekocht. De heer Sander Robijn kon den volgenden dag over het geld beschikken. En dat deed hij ook, maar niet dan nadat hij zijn sikje met suikerwater tot een kunstig geplakten krul gedwongen had, een flambard-hoed ter leen had gevraagd bij een buurman, en van een gekleurde lap een lavallière had vervaardigd, waarvan de slippen als vreugdevlaggen hem tot om de lendenen wapperden. De toch al eenigszins verdwaasde kunstkooper werd door Sander’s uiterlijk en optreden nog meer van de wijs gebracht, en sloot op staanden voet een contract met den nieuwbaKken kunstenaar af. De lamsbout met andijvie was er. De schelvisch met botersaus was er. Wat was er niét ? De schommelstoel werd gerepareerd. Het bed werd gerepareerd. De tafel werd gerepareerd. Ja, in brooddronkenheid1 werd het behangsel vernieuwd, zoodat de koffiebruine landkaart, eens een raadsel van duistere geographie, nu tot de historie behoorde. In dit zoo goed als heelemaal vernieuwde interieur, en ook daar buiten, waren de fuiven niet van de lucht. Sander en Bram hingen zoo een tijdlang den gebraden haan uit, dat het een lieve lust was. Maar op een goeien dag maakte Sander er een eind aan. Zoo’n leven was misschien goed voor Bram, die niets anders aan zijn hoofd had, — zoo ongeveer drukte Sander zich uit, — maar * hij, die een contract met een kunstkooper in zijn zak droeg, had andere verplichtingen. Hij moest eindelijk weer eens aan het werk gaan. Zijn tijd was kostbaar.... De kunst Sander heeft al een partij wandelaars overreden, maar hij zorgt royaal voor de nagelaten betrekk'ingen. was lang, het leven kort.... Bram had gemeend, dat zijn vriend plotseling stapelgek geworden was. Wat moest hij met hem doen ? Ijs, ijs op zijn hoofd? Een dwangcamisool ? Wat had hij niet gegeven voor een dokter .... Nu we dit schrijven, is het in het voorjaar van 1914. Sander verdient zooveel geld als hij wil. Amerika, maar vooral Australië, slikt gretig zijn schilderstukken, of hoe men zijn producten noemen wil. Zijn uiterlijk is om van om te vallen. Hij woont in een paleis zoo schitterend als slechts gekroonde hoofden ze bezitten, en zijn snorrende prachtauto’s gieren langs de straten als de westerstorm. Hij heeft al een heele partij wandelaars overreden, maar hij zorgt royaal voor de nagelaten betreKkingen, en hij hoeft daar heelemaal niet krom voor te liggen. Wat hij dan ook niet doet.
PDF
Nummer
1915, nr.5, 15 jan. 1915
Blad
08
Tekst
Groeneveld, Ruempol &C° Prins Hendrikkade 68. AMSTERDAM. Electro-Technisch Bureau. Telefoonnummers ( 4827 en 10421. Telegram-Adres: VELDHUM. ® ® POPE 1 American Importing Co. AMERICAN MANUFACTURERS AGENTS 107, KEIZERSGRACHT, AMSTERDAM. DE LOCHEMSCHE COOP. ZUIVELFABRIEK verzendt haar prima ROOMBOTER direct aan consumenten, door het seheele Rijk. Depót te AMSTERDAM: DE CLERCQSTRAAT 9. ® LAMPEN ® LENSVELT NICOLA. Veenestraat 23, Den Haag Lunch- en Tearoom Confiserie Patisserie Haagsche Beschuit ® SCHITTEREND LICHT. STERK EN DUURZAAM. De „POPE”-fabriek te Venlo is een naamlooze vennootschap, gevormd met UITSLUITEND NEDERLANDSCH KAPITAAL, terwijl slechts NEDERLANDERS in de fabriek werkzaam zijn. De „POPE”-Lamp is een zuiver Nederlandsch product. N. V. POPE S METAALDRAAD-LAMPENFABRIEK, VENLO. Verkoopbureaux. AMSTERDAM: Willem van Rijn, Keizersgracht 171. SOERABAIA: Kolff, van der Hoeven en Broekman. BANDOENG: N V. t.v.d.z. Van Deutekom & Waal. Verkrijgbaar bij alle electrotechnische Installatie-bureaux. ® THE CROWN FOUMTAIN pen. de BESTE - VULPEN. Hoe het komt dat een CROWN VULPEN niet alleen BETER doch ook GOEDKOOPER is dan elk ander soort Vulpen??? Wel, omdat een CROWN er op berekend is LEVENSLANG te duren zonder kostbare reparatiën of vernieuwingen die een vulpen duur maken» GEHALTE en SAMENSTELLING van een CROWN VULPEN zijn een resultaat van ERVARING en WETENSCHAP. Geïll. Catalogus bij den Boekhandel (gratis) of van de CROWN FOUNTA1N PEN Co. Ltd.. 180 Singel. Amsterdam. VAN RIJNS \MOSTERD Wanneer ge Uw vrienden werkelijk vriendschap bewijzen wilt, toont hun dan den weg tot ontwikkeling, ontspanning en genoegen : zegt hun dat zij een abonnement op PANORAMA nemen. l Onder controle tan hetBotercontrüc Station. GELDERLAND-OVERUSELri DEVENTER. ONDER RIJKSTOEZ/CHT. LICHT-en KOOKGAS Zonder Veiding. F. i Midi, IJselmonde. (Telef. Int. Mo. 4022 Met Rotterdam). -i- -s- •: BLIKVERPAKKING voor EXPORT. GEDEPONEERD HANOELSMERK. LEVERING DIRECT AAN PARTICULIEREN. FR. P P. IN GEOECOREERDE SCHUIFKISTJES. Koopjeslijst gratis op aanvraag „CHARTREUSE-TARRAGONE” ||Ei\ venfe parlout,Agenf qènèral JflVERBUNT.Tilbuig | i©i i»i"j»i i®i P. 3. VAN PINXTEREN, Tailleur. Keizersgracht 17. AMSTERDAM. Telefoon 6713. STOOM-WASSCHERIJ „DE PELIKAAN” - GOUDA 60 CHEMISCHE WASSCHERO EN VERVERIJ. HOTEL-WASSCHERO. A. Abonnement I 5.50 per maand, bij vooruitbetaling. Een Kostuum, een Demisaison en een Pantalon, óf een Kostuum en Winterjas. één jaar B. f7.50 per maand, bij vooruitbetaling. Een Jacquetkosluum. een Colbertkostuum, een Pantalon en een Fantasie vest of twee kostuums en een Demisaison. De goederen blijven het eigendom van de geabonneereien. Dames-Mantelkostuums dezelfde conditiën. Telefoonnummers 196 en 253 Int. Spiers Meubelmagazijn Haarlemmerstraat 78 - Amsterdam -------------------- TELEFOON 6427 -------------------- Modelkamers: HAARL. HOUTTUINEN 25 -------- Fabriek: TEERKETELSTEEG -------- COMPLETE MEUBILEERING VRAAGT ONZE NIEUWE PRIJSCOURANT 1915 Moderne, speciale inrichting voor hel waSSChen, mangelen, strijken, opmaken, stoomen en verven. Telt de eerste Families van Nederland onder hare cliënteele, door de zorgvuldige en hygiënische bewerking der goederer. tegen COncurreerend tarief. VERZENDING DOOR HET GEHEELE RIJK. SUIKERZIEKTE. Mij. ORVIËTANOSE, Nicolaïstraat 23. den Haag. Na een driejarig bestaan kan men spreken van burgerrecht. Orviëtanose heeft dit recht verkregen temeer nu een bekend en geacht medicus te Haarlem, de Heer F. Lochnaar Docter, deze Orviëtanose in een open brief, die op aanvrage gratis wordt toegezonden, aanbeveelt. A. v. d. HEI.JDENs Leverpastei : DE BESTE. : NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ. LEIDEN
PDF
Nummer
1915, nr.6, 20 jan. 1915
Blad
09
Tekst
No. 6 (29b) 20 Januari 1915. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.075 UITGAVE A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERS-MAATSCHAPPU, LEIDEN - RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. 1. EEN AARDIGE OPNAME VAN EEN BELGISCH ALLES OP! VLUCHTELINGETJE TE BREDA, (foto a. kleymans)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1301 tot 1305 van 11897