|
— 39 — PANORAMA
H. J. A. A. M. VAN GOOR. commissaris
van politie te Haarlem, herdacht
den len Januari zijn 40-jarig
jubileum.
P. D. JACOBS+, lid van het Kerkbestuur
der Nederl. Israël. Gemeente
en van verscheidene Israël, liefdadigheidsvereenigingen
is op 90-jarigen
leeftijd overleden.
jaar oud en veel geld waard zijn. Een vriend van hem heeft
ze meegebracht uit Japan. Ik gefctof dat ie een klap van den
molen beetheeft.”
„Plantep in potten!” zei Mie. „Hoe groot zijn ze?”
„Wel, ze zijn een paar voet hoog !”
„En zijn ze meer dan honderd jaar oud ?” vroeg Mie.
„Dat zegt ie ten minste, maar ik geloof dat hij kindsch is.”
Miewas echter nieuwsgierig geworden en besloot eens naar de
planten te gaan kijken. Onderweg vertelde ze het aan haar
broer, den bakker. Zoo verspreidde het nieuwtje zich en
achtereenvolgens kwamen de zoons en dochters den ouden
man bezoeken en hoorden het verhaal van de kostbare
planten en lachten er om. Piet vond zijn vader druk bezig
den planten een naam te geven en vertelde bij zijn thuiskomst
aan zijn vrouw : „De ouwe gek heeft elke plant naar een van
ons genoemd.”
„Hij deed wijzer als hij ze verkocht 1” antwoordde
zijn vrouw. „Als ’t waar is dat ze zoo duur zijn, dan geef je
den oude geen halven cent voor ondersteuning, hoor!”
Piet lachte. „Ze zijn natuurlijk niets waard. Ik geef
geen kwartje voor ’t stuk.”
„Wat is vader toch van plan?” vroeg Jans aan haar
man en deze ging naar dikke Bet, maar die wist van niets.
Zijn schoonvader, die hem zag, vroeg hem eens naar
zijn planten te kijken en zei hem dat het zeldzame oostersche
voortbrengselen waren.
„Kijk deze eens! Die heb ik naar Bet genoemd:
„Elisabeth Christina.” Dat is een heel dure. Die is
wel twaalfduizend gulden waard 1”
„En die van mijn vrouw?” vroeg de man van Jans.
„Dat weet ik niet precies. Die kan van / 100 tot / 6000 opbrengen.”
„Wat gaat u er mee doen ?”
„Heb geduld en wacht je beurt af I” antwoordde de oude.
„Als u ze nu eens verkocht, dan zou Jans niet meer uit
werken behoeven te gaan.”
„Ja, en mijn lieve kinderen hebben geen cent voor hun
ouden vader over?” antwoordde Janus grimlachend.
Intusschen verliep de tijd. Dikke Bet waschte en streek
om h^ ouden vader te onderhouden.
Eenr jaar later trouwde ze met Hein Verschut, die een
weinig geld bespaard had. Ze huurden een grootere woning
en namen vader mee. Van nu af kwam de zorg voor den
ouden man op de schouders van Hein.
Den daaropvolgenden winter blies de oude Janus den
laatsten adem uit. diep betreurd door dikke Bet. Kort
daarop vervoegde zich een heer aan de woning van Hein
Verschut.
DE RIVALEN.
DIE HAGHESPELERS.
DOOR RICH. BENSLEY SHERIDAN.
U
kunt Uwe dochters er gerust mee naar toe nemen, Mevrouw’ Niets is
er in dat stuk, dat ook maar de minste aanleiding zal geven, dat zij
’s avonds na den schouwburg, in haar bed wakker zullen liggen, peinzende
over sommige haar onbegrijpelijk schijnende levenswaarheden. Van
die waarheden, die gelanceerd onder het spel, zorgzame moeders even ’n
snellen blik op hunne in rosé en zeegroene tulle gehulde evelingen doen
werpen, waarin even 'n angstig „zou ze dat misschien begrepen hebben”
tintelt Niets van dit alles. Moderne meisjes vinden dit meisje in dit stuk,
stel ik me voor „dwaas romantisch”. En net zou haar moeilijk vallen zich
in te denken, in de moeilijkheden, die de ridder sans peur et sans reproche,
de held Beverley, alias captain Absolute schiep, om zich de overwinning
op het hart van Miss Lydia Languish, waardig te maken. De moeilijkheden,
die onze meisjes en jongens heden ten dage te overwinnen hebben, zijn
minder subtiel, dan deze romantische draadversperringen om ’n jongemeisjes-ziel.
De bekoring ervan ondergaat desondanks ieder die in de
maalsleur van de hedendaagschheid nog niet de bekoring, van de sierlijke
fijnheid van een libellendans, op ’n zomermorgen boven het stille wateroppervlak
verloor. Alleen ‘n jonge geest, — Sheridan was 23 jaar, toen hij
het schreef — kon van de geschiedenis eener verliefdheid, zoo’n kleurig
en tevens zoo’n luchtig beeld geven. Het stuk is vol heerlijke typen. Ten
eerste de oude Absolute (Philip la Chapelle) en dan Lydia’s tante, Mrs.
Malaprop, wier namen reeds hun karakter uitbeelden. De oude vrouw, die
zich van de vreemdste woorden bedient, en die allerongelukkigst gebruikt,
is ’n bekend type. Deze twee willen Capt. Absolute laten huwen met Lydia,
die het echter al „eens” is met Beverley, welke Beverley echter niemand
anders is dan capt. Absolute in kwestie. Hieruit ontstaat de verwarring,
die tot alle mogelijke dwaasheden voert. Te beschrijven is het stuk niet.
Het hangt van dwaasheid en komische tafereelen aaneen. Is daarbij
keurig aangekleed. Wat de handeling betreft, die zou voor’n modern blijspel
niet een acte stof hebben gegeven. Al van den aanvang af .„hebben” ze elkaar.
Daarover dus niet. De 14 tafereelen zijn als zoovele stappen op den vroolijken
weg van dwaasheid en liefde. Het is ’n wandeling, zooals ’n modern
blijspel ’n auto-rit is. Mevr. Emmy Vrede was ’n zeer echte Lydia. Ook
Cor van der Lugt-Melsert, doet er uitstekend werk in, voorbeeldig bijgestaan
door Cor Ruys en Gilhuys. Verheyen maakte ’n Shakespeariaanschen
knecht. Tenslotte waren de costumes en décors, prettig om te zien en de
menuet-müziek allervriendelijkst, nèt noodig om je in de stemming van het
stuk te houden. Maar wat in het laatste tafereel, die rare boomen daar
doen tusschen al de kleurrijkheid en prettige sierlijkheid van het geheel,
dat met ’n keurige menuet eindigt, dat is mij onbegrijpelijk. Was het
soms het symbool der hedendaagsche leelijkheid, als tegenstelling van al
die gracielijke sierlijkheid van voorheen ?
TOM SCHILPEROORT.
DE RIVALEN.
Ida Swa; :s en Anton de Roemer.
M. C. E. KRIENS, Kapelmeester te
Parijs, nam bij het uitbreken van
den oorlog als vrijwilliger dienst in
het Fransche leger en is aan het
Westelijke front gesneuveld.
Kolonel A. JONGKEES, finspecteur
der Marine, officier in de OranjeNassauorde,
is op 75-jarigen leeftijd
te Bussum overleden.
Hij zei notaris te zijn en verzocht de verschillende
broers en zusters bij elkaar te roepen. Dezen kwamen spoedig
en nu las de notaris een testament voor. Het was kort. Ieder
der zes kinderen kreeg een Japansche plant overeenkomstig
den naam die op den pot stond. Dikke Bet kreeg bovendien
nog ƒ 1000. Tevens stond vermeld dat de planten niet aan
vreemden mochten worden verkocht. Ieder erfgenaam
moest zijn plant een jaar lang bewaren, dan zouden ze van
den notaris een brief ontvangen, die eenige nadere inlichtingen
zou verstrekken. Wilden ze de planten geen jaar bewaren,
dan konden ze ze verkoopen aan hun zuster Bet.
Wat Piet, Mie, Kees, Jans en Dirk hierover te zeggen
hadden, zal ieder duidelijk zijn. Natuurlijk waren allen het
er over eens, dat dikke Bet geweten had, dat de oude nog
duizend gulden bezat. De waarheid gebiedt echter te vertellen,
dat Bet het evenmin wist als de anderen.
„Je hebt je spel goed gespeeld, huichelaarster 1” zei Jans
tot haar, „om vader in huis te nemen. En wat krijgen wij
voor alles wat we aan den ouden vrek gedaan hebben ?”
„In allen geval moeten we ons geld terug hebben !” riep
Piet uit. Een eisch die door alle anderen werd ondersteund;
en dikke Bet, in de goedheid van haar hart, zou aan dien
onbillijken wensch voldaan hebben, als haar man er zich niet
met kracht tegen verzet had.
„Jij kan voor mijn part mijn bloempot wel houden,”
riep Mie huilende uit.
„Verkoopen mag ik hem niet,” zei Kees, „maar verbranden
is niet verboden.” En zijn pot opnemende smeet
hij hem op het keukenvuur.
Jans gooide haar plant in het water, Piet, die meer economie
bezat, verkocht de zijne aan zijn zuster Bet. Dirk gaf
zijn pot aan een zijner buren, die er later nog vijf gulden
van maakte. Mie had de hare meegenomen en op het kippenhok
gezet, waar hij op zekeren nacht door een of anderen
landlooper gestolen werd.
Dikke Bet alleen behield haar plant en verzorgde die
goed. Een jaar later kwam de beloofde brief: zij deed hem
open en las : „Zoek in de wortels van de plant en gij zult
ƒ 12,000 aan bankpapier vinden.” En werkelijk vond ze het
bedrag in zeildoek gewikkeld.
Ook de anderen ontvingen een gelijksoortigen brief,
maar het bedrag varieerde van f 500 tot / 1000. Daar ze
echter hun planten niet meer hadden, konden ze ook niet
in de wortels zoeken. De notaris had echter de nummers
der banknoten, en, handelende volgens den wil van den
overledene, overhandigde hij hun waarde aan dikke Bet.
Onnoodig te zeggen, dat de andere leden der familie grooten
lust gevoelden zichzelven voor het hoofd te slaan.
ingevallen was, hadden ze niet erger verschrikt kunnen
opspringen, Sander uit zijn lammen stoel, Bram van het
manke bed. Even bleven ze elkaar aankijken, toen stoven
ze allebei naar de deur, en kwamen zoo volkomen precies
gelijktijdig in den deurpost aan, dat ze, elkaar niet kunnend
passeeren, gedurende een ondeelbaar oogenblik in de nauwe
opening bleven vastzitten. Bram was het eerst bij het
deurtouw, rukte.
„Róbijn !” galmde de basstem van een brievenbesteller
diep uit den donkeren afgrond van het trappegat naar
omhoog.
„Kien !” gilde Bram ineens met een schelle sopraan,
alsof de zenuwen hem plotseling op de stembanden geslagen
waren. Met pakte hij de leuning, en wilde een aantal treden
tegelijk omlaag springen, maar in de razende haast nam
hij zijn sprong te ver, en, vergemakkelijkt door de spiegelgladde
vettigheid van de leuning, schoot hij ineens een
heele verdieping tegelijk af, snel als een momentopname.
Sander volgde hem. Halverwege de tweede trap werd
hij bijna omvergeloopen door Bram, die driftig aan een
brief morrelde. Sander keerde zich ijlings om en rende
hem achterna. Boven gekomen rukten ze den brief met
vereende krachten open, zoodat ieder hunner een stuk
ervan, ongeveer de helft, in de hand hield. 7e legden de
helften tegen elkaar, en lazen. De brief was van Magnus.
Bij het zien van het vetgedrukte briefhoofd werden de
vrienden reeds duizelig. Maar toen de inhoud tot hen
doordrong, werden ze bevangen van iets heel ergs; waanzin
is het woord niet, maar het leek er sprekend op. Ze
omarmden elkaar en ze omarmden zichzelven, ze duikelden
over hun hoofden gelijk parterre-acrobaten, en rolden als
groote voetballen langs den houten vloer, als door een
wonder niet opgeslokt door den goal van het diepe duistere
trappengat, wat hun onverbiddelijke dood beteekend had.
Eindelijk gingen ze zitten, Sander in den lammen stoel,
pram op het manke bed, en ze keken vandaar elkander
aan, en barstten uit in een schaterend lachen, dat wel op
het kakelen van een toom kippen leek en bijna een kwartier
aanhield.
„Hij is goed,” bracht Sander eindelijk met een hortende
gilstem uit, en sloeg daarbij als een dolleman op zijn dijen.
„Hij is uitstekend,” gierde Bram, en sloeg eveneens
op zijn dijen.
Als hunne dijen tapijten geweest waren en hun handen
mattenkloppers, had het niet meer geraas kunnen maken
dan het nu deed. Hooren en zien verging. Het duurde een
heele poos voor de twee vrienden werkelijk tot rust kwamen.
De blijdschap had hen even uit het lood geworpen.
Geen wonder 1 Het schilderij was door een schatrijken
Engelschman ontdekt op den grond achter de toonbank
bij den waardeloozen rommel. Hij had het dadelijk voor
vijftig pond gekocht. De heer Sander Robijn kon den volgenden
dag over het geld beschikken.
En dat deed hij ook, maar niet dan nadat hij zijn sikje
met suikerwater tot een kunstig geplakten krul gedwongen
had, een flambard-hoed ter leen had gevraagd bij een
buurman, en van een gekleurde lap een lavallière had vervaardigd,
waarvan de slippen als vreugdevlaggen hem
tot om de lendenen wapperden. De toch al eenigszins verdwaasde
kunstkooper werd door Sander’s uiterlijk en optreden
nog meer van de wijs gebracht, en sloot op staanden
voet een contract met den nieuwbaKken kunstenaar af.
De lamsbout met andijvie was er. De schelvisch met
botersaus was er. Wat was er niét ? De schommelstoel
werd gerepareerd. Het bed werd gerepareerd. De tafel
werd gerepareerd. Ja, in brooddronkenheid1 werd het behangsel
vernieuwd, zoodat de koffiebruine landkaart, eens
een raadsel van duistere geographie, nu tot de historie
behoorde. In dit zoo goed als heelemaal vernieuwde interieur,
en ook daar buiten, waren de fuiven niet van de
lucht. Sander en Bram hingen zoo een tijdlang den gebraden
haan uit, dat het een lieve lust was. Maar op een goeien
dag maakte Sander er een eind aan. Zoo’n leven was misschien
goed voor Bram, die niets anders aan zijn hoofd
had, — zoo ongeveer drukte Sander zich uit, — maar *
hij, die een contract met een kunstkooper in zijn zak droeg,
had andere verplichtingen. Hij moest eindelijk weer eens
aan het werk gaan. Zijn tijd
was kostbaar.... De kunst
Sander heeft al een partij wandelaars
overreden, maar hij zorgt royaal voor
de nagelaten betrekk'ingen.
was lang, het leven kort....
Bram had gemeend, dat
zijn vriend plotseling stapelgek
geworden was. Wat
moest hij met hem doen ?
Ijs, ijs op zijn hoofd? Een
dwangcamisool ? Wat had
hij niet gegeven voor een
dokter ....
Nu we dit schrijven, is
het in het voorjaar van
1914. Sander verdient zooveel
geld als hij wil. Amerika,
maar vooral Australië,
slikt gretig zijn schilderstukken,
of hoe men zijn
producten noemen wil. Zijn
uiterlijk is om van om te
vallen. Hij woont in een
paleis zoo schitterend als slechts gekroonde hoofden ze
bezitten, en zijn snorrende prachtauto’s gieren langs de
straten als de westerstorm. Hij heeft al een heele partij
wandelaars overreden, maar hij zorgt royaal voor de
nagelaten betreKkingen, en hij hoeft daar heelemaal niet
krom voor te liggen. Wat hij dan ook niet doet.
|