|
Ze is weer voorbij, de
dierbare gebeurtenis
van het Kunstenaarsfeest
in „Bellevue”. Jammer,
jammer, want het was een respectabele
gelegenheid om den
somberen hedendaagschen mensch
eens voor een avond, eens voor
een nacht weer in zijn humeur,
in zijn sas, in zijn schik, in zijn
weinig gefrequenteerden knollentuin
te brengen. Want, eilacy,
de gelegenheid om allerhande
achtbare beroemdheden op éénen
avond, bijna tegelijk, te hooren
en te zien; om te midden van „artisten” (die phenomenen)
te soupeeren; om te midden van, ja mèt
deze verheven personen te walsen, te steppen (one en
two), te bostonnen en den tango te volvoeren, — ah,
dfeze gelegenheid is te Amsterdam niet overweldigend
groot. Of liever, ze bestond heelemaal niet vóór de heer
N. H. Wolf haar bood, Deze heer Wolf, kunstcriticus
en redacteur van het weekblad „De Kunst” heeft de
kunst verstaan met een generalen staf van uitnemende
kunstenaars nu en dan een kunstavond te organiseeren
voor kunstenaars en profanen. En het loopt. Het liep.
En zal altijd wel loopen. „Bellevue” op de Leidsche kade
kon nauwelijks de menigten van bezoekers bevatten. Met
hoopjes kwamen ze aanzetten, en ais ik u daarbij zeg,
dat het avondtoilet verplicht was, dan kunt ge u zeker
wel voorstellen, dat de bezoekers bij hun aankomst door
een heel cordon van nieuwsgierigen gingen. In het heldere
portieklicht wemelde het van schoone kleuren en vormen,
wat de dames aangaat; en wat de heeren betreft; zwart
en wit; ook zij, evenals de dames gedecolleteerd, maar
uit kuischheid was hun décolleté opgevuld met een wit
overhemd, zooals het gebruik dat wil. Gapend gluurden
de nieuwsgierigen naar dezen stoet, die uit rijtuig, taxi,
auto de maitre of bakkie op den molligen looper gleed,
(zoo glijden prijzige kleinoodiën uit gewatteerde étui’s op
het fluweelen toonbankkleed bij den juwelier).
Nauwelijks bekomen van schrik en bewondering over
deze onze beeldspraak, gaan wij al weer verder met ons
relaas.
Het volk op het trottoir, ter weerszijden van den
edelen looper, vergaapt zich dus aan den „rijkdom”,
zooals het met een beteekenisvol verzamelwoord u en
mij noemt, wanneer we onze beste bullen hebben aangeschoten.
Bij mijn doortocht ving ik uit den mond van
een loopjongen de realistische opmerking op, dat ’t „geen
kattendrek” was, en een blijkbaar zeer belezen individu
(TEEKEN1NGEN VAN PIET VAN DER HEM)
in mijn nabijheid hoonde iets van een rijkaard en van
een naald die door het oog van een kameel gaat....
Het volgende tafereel verplaatst ons in een zaal, niet
overbodig onaangenaam gedecoreerd, fel verlicht als een
heldere zomermiddag, en, evenals zoo’n middag versierd
met liefelijk plantengroen. Aan tafels zaten de gasten;
ze zaten en wekten bewondering. Een zee gewoon, een
zee van beminnelijke stoffen, als zijde, tulle, satijn, mousseline,
voiU, en wat niet è.1, een liefelijk roze woud van
bloote halzen, armen, puntstukjes van ruggen, een wereld
vol glimlachjes, een levende, en zich in dat leven verheugende,
reusachtige etalage van een onoverzienbaar
modemagazijn. En daartusschen de heeren, met hun witte
plastrons in hun zwarte smokings en rokken; het was
een overweldigend aantal, men wist al niet wie meer
rokken droegen, de mannelijke of de vrouwelijke feestelingen.
Het was keurig, in één woord. Voegt men hierbij
een vijftigtal welverzorgde kellners, eveneens in rok
en wit plastron, dan kunt ge u zonder twijfel de ijselijke
vergissingen, waartoe zoo iets aanleiding gaf, wel eenigszins
voorstellen. Om kort te gaan, menig heer werd in
den loop van den avond met den oneerbiedigen uitroep
„aanneme” begroet, en zulks niet zonder de schandaliseerende
hilariteit zijner omgeving.
Van halfnegen tot middernacht werd in deze zaal, de
concert-en-theater zaal, een kostelijk programma afgewerkt.
Uitnemende muziek werd er ten beste gegeven,
luimige en niet luimige voordrachten en verzen werden
„gezegd”; snoezige Biedermaiersche, en meer hedendaagsche
poëtische en zinvolle dansen werden vertoond; befaamde
zangers gaven het beste van hun repertoire belangeloos
en met kwistigen mond hier voor de goede zaak
ten beste, die eigenlijk heelemaal geen zaak, maar gedeeltelijk
zelfs een philantropische onderneming was, voor
een kunstbroeders-steunfonds.
Tijd, en eerlijk gezegd ook de plaatsruimte ontbreekt
mij om U een overzicht van de weergelooze verscheidenheid
te geven, welke de kunstenaars aan prestaties offreerden
tot algemeen genoegen van het publiek en tot
vriendelijk leedvermaak van hunne kunst-broeders en
-zusters daaronder, die nu zelven als dood-gewoon publiek
ook eens zaten te luisteren en voor een keer zich eens
lekkertjes zelf niet hoefden uit sloven. Onder de uitmuntende
medewerkers moet ik echter even mijnVlaamschen
vriend Hullebroeck vermelden, die, als altijd zijne toehoorders
tot geestdrift en het meezingen van zijn refreinen
wist te vervoeren.
Een Hollandsch lied, „Rood, wit, blauw” geheeten,
eene beleefdheid aan ons volk, werd nameloos toegejuicht;
vele zinspelingen naar het bekende Vaderlandsche recept
wekten de ontroering der toehoorders, en bij het refrein
„Je Maintiendrai” was menig schoon oog in de zaal
vochtig, al zeg ik het zelf; het werd dan ook met
enthousiasme en kennis van zaken gezongen; ook „De
Vlaamsche leeuw” liep daarna goed van stapel (voor
zoover je dat van een leeuw zeggen kunt,) en wie niet
te lui daarvoor waren, stonden daarbij van hun stoel
op. Het genoeglijke „Tineke van Heule, liever dan een
freule, kwam de vaderlandslievende geesten weer tot rust
brengen, en de Vlaamsche lente stoeide opnieuw in het
door allen, (zittend nu weer) meegebalkt refrein:
Van Kletter Klabetter van klep, klep, klep
In ’t land van Rupelmonde.
Eén Kermis maar
In heel het jaar,
En zoenen is geen zonde . . .
Als het programma in de theaterzaal was afgewerkt,
toog men, erkentelijk voor het genotene, maar met nog
veel genoeglijkheden — als bal, souper en cabaret —
in het vooruitzicht, naar de andere zalen. De Cabaret
zag er keurig, echt Parijsch uit. Menig schilderstuk,
teekening, krabbel — bij elkaar een kleine tentoonstelling —
was aan de met stemmige tapijten bedekte wanden opgehangen.
Het was er recht genoeglijk intiem. Van de
balzaal, welke naast de theaterzaal gelegen is en door
breede doorgangen aan deze verbonden, is het meest
werk gemaakt. Deze is door een commissie van bekende
jonge Amsterdamsche schilders, onder leiding van G. W.
Knap, gedecoreerd en vooral: beschilderd, geheel beschilderd.
„Anachronistisch Cubistisch” is de stijl van
deze verluchting. Of een verluchting is het eigenlijk niet
zoozeer; een benauwdheid kon dit alles eerder heeten,
maar dan een vermakelijke benauwdheid, een lollebollige
nachtmerrie, een piezelierige verschrikkelijkheid.
Daarbij komt dat de cubistische schildering, dat is dus
een schilderwijze in allerlei kleine hoekige onderdeden,
in blauw Delftsche kleur is uitgevoerd, wat bij de reeds
door de voorstellingen gewekte benauwdheden nog de
benauwdheid voegt dat de muren en pilaren van de zaal
van blauw porceleinen scherven aan elkaar hangen en
elk oogenblik in gruizelementen kunnen duvelen. De voorstellingen
zijn kostelijk; de quasi-diepstzinnige symbolen
zijn hier met een gladde genoegelijkheid door deze gezellige
schilders neergetooverd, dat de droogste, saaiste
moppentrommel van een moralist zijn lachen nu eens
lekker niet houden kan. Vanaf den nederigen vloer tot
de hoogste verhevenheden zijn die schilderijen aangebracht,
en al deze voorstellingen zijn me uitgelegd. Alles beteekent
iets, of riiets, zooals ge wilt. En toen men het mij
verklaarde, begreep ik alles, en tevens begreep ik er ook
niets van. Het is een chaos van alleraangenaamsten
nonsens.
Voor hen, wier zenuwen dezen aanblik niet duurzaam
verdragen kunnen, — en ook voor de anderen —
zijn er in het rond een soort van veranda’s gebouwd,
met stoelen en tafels ter verpoozing. Tusschen de blauw
Delftsche scherven-pilaren hangen zoo waar ook nog
portretten-caricaturen der schilders zelven, als uithangborden
van even zoovele schouwplaatsen der leutigheid.
En middenin prijkt een met bonte lange linten behangen
luchter, breeduit te midden dezer zinsverbijsterende symbolen,
als het symbool van „wie het breed heeft laat
het breed hangen.”
En dat deden er velen dien avond en nacht te midden
der lustige omgeving. Er werd gewalst en gehuppeldepuppeld
en gesoupeerd en geflirt in alle eer en deugd,
er werd gegeten, gedronken, en gefoven dat het een aard
had, en een heel genoegelijken aard ook; en ruzies, die
er heel niet zijn geweest, werden ijverig afgedronken in
het publiek, afgekust in het clandestiene. In één woord,
of liever in een paar woorden meer: het was er best,
bovenste best op het kunstenaarsfeest in Bellevue. We
zullen het eens hervatten.
En wel op 13 Maart,
maar dan gecostumeerd,
dat is weer eens wat
NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN
troffen.
Het kunstenaarsfeest te Amsterdam
|