Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1316 tot 1320 van 11897
Nummer
1915, nr.7, 22 jan. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA UIT HET KAMP DER GEALLIEERDEN x GENERAAL DE MAUD’HUY, Commandant van de Noordelijke Fransche legerkorpsen. VAN HET FRANSCHE FRONT. Een loopgraaf van de eerste linie, beschermd door prikkeldraad. GESNEUVELD. Bruno en Konstant Garibaldi, (links op de foto) die als vrijwilligers in het Fransche leger hebben dienstgenomen en gesneuveld zijn. BELGEN EN ENGELSCHEN TE VEURNE. Nooit heeft het oude Veurne, dat op het oogenblik eigenlijk de hoofdplaats van België is, zulke groote legermassa’s zien doortrekken als in de laatste maanden. GEWONDE GHURKA’5. In hét hospitaal te Brighton worden verscheidene Ghurka’s verpleegd, die in den strijd op het Continent verwondingen hebben opgeloopen. VERDEDIGERS VAN FRANKRIJK. De veelgenoemde Alpenjagers hebben het Fransche leger reeds vele diensten bewezen en het is dan ook niet te verwonderen, dat de Franschen zeer trotsch zijn op deze mannen. DE ENGELSCHÊ VELDPOST. Dagelijks brengen de auto’s de per boot aangekomen brieven naar de manschappen aan het front.
PDF
Nummer
1915, nr.7, 22 jan. 1915
Blad
05
Tekst
PANORAMA AAN EN OVER DE BELGISCHE GRENS GRENSBEWAKING. Aan de Hollandsch-Belgische grens bij Roozendaal. De Hollandsche en Duitsche wachtposten zijn slechts eenige meters van elkander verwijderd. ONDER EIGEN DAK. Dat wij in ons land Belgische vluchtelingen hebben, weet iedereen, maar dat er in ons land Belgen zijn, die op eigen bodem en onder eigen dak wonen, was nog niet zoo bekend. Aan de Hollandsch-Belgische grens staan een groot aantal goederenwagens, die den Belgischen Staat behooren, op Hollandsch grondgebied vóór een stootblok, zoodat zij niet verder ons land in kunnen en de Duitschers mogen de wagens daar niet weghalen. Onze foto toont een aantal der wagens met bewoners. GESNAPT ! Hollandsche douanen houden een smokkelaar aan, die onder in een kar met visch blikken met petroleum verborgen had en die zoo naar België wilde brengen. GRENSBEWAKING. Een Würtembergsche wachtpost bij Stroobrugge, (België). HET GRENSVERKEER. Het onderzoek van uit België naar Holland gaande karren in een Belgisch-Hollandsch grensplaatsje. • IN BELGIË. Uhlanen bewaken de stallen waarin hun paarden zijn geborgen in een plaatsje aan de Hollandsch Belgische grens. DE REQUISITIE’S. Een stal op Hollandsch grondgebied, waarin de Belgische boeren hun vee gedreven hebben, teneinde het niet in beslag te doen nemen. De stal is zóó vlak bij de grens, dat men de draadversperring die de grens aangeeft, naast den stal kan zien. De boeren zijn evenwel door de Duitschers genoodzaakt geworden alles terug te gaan halen. GRENSVERSPE.RRING. Uhlanen in een Belgisch plaatsje nabij de Hollandsche grens. De weg naar Holland is op primitieve wijze door een ladder versperd. GEVLUCHT. De haven van Sluis (Holland), waarin 78 Belgische schepen liggen, die gevlucht zijn
PDF
Nummer
1915, nr.7, 22 jan. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA ONTMASKERD. Schets uit de voorgeschiedenis van dezen oorlog door PRISCIAAN. duitsche minister van Oorlog, Graaf von Falkenhaube, zat in een clubfauteuil in zijn luxueus gemeubeld studeervertrek en trok woedend aan zijn geurige havana. Hij was zoozeer in zijn gedachten verdiept, dat hij niet hoorde hoe de deur zacht geopend werd en Bruno von Spamer, zijn secretaris, binnentrad. Hoewel nog geen dertig jaar oud, mocht Bruno zich verheugen in de sympathie van zijn chef en bezat hij diens volkomen vertrouwen. De zekerheid van dit bezit schonk den jongeman waarschijnlijk den moed thans de kamer van den minister binnen te treden en hem te storen voor een strikt particuliere aangelegenheid. Hij wilde hem namelijk de hand van zijn eenige dochter Hermine vragen. „Zoo, je komt net van pas,” zei de minister, terwijl hij den binnenkomende' aanzag. „Ik wilde je meedeelen, dat ik op reis ga.” „Op reis 1” herhaalde de ander op verbaasden toon. „Op reis in deze ernstige crisis? En hoe moet het gaan met de plannen omtrent het nieuwe steilvuurgeschut ?” „Het is juist dit nieuwe geschut, dat mij op reis doet gaan. Luister, Von Spamer, ik voel mij ongewoon zenuwachtig. We zijn omringd door spionnen en ik heb een vermoeden dat Rusland er de lucht van gekregen heeft hoe Krupp ons plannen gezonden heeft van het nieuw soort reuzenmortieren. Het is noodzakelijk dat ik er den Keizer over spreek. We gaan dus naar Homburg waar hij vertoeft. Het moet echter een ontspanning heeten en daarom gaat Hermine ook mee.” „In orde,” antwoordde Von Spamer. „Ik zou u echter nog graag even over een particuliere zaak spreken : Herm’ne en ik vragen uw toestemming voor ons huwelijk ?” „O zoo, is het dat! Welnu, we zullen er later nog eens over spreken, doch zet de liefde nog zoolang uit je hoofd tot we deze zaak veilig en wel tot een goed einde gebracht hebben. Eerst oorlog, dan trouwen ! Gewoonlijk is het net andersom. Doch we willen hopen, dat dit bij jou het geval niet is. Je kunt gaan 1” Bruno verliet de kamer en liep het huis door op zoek naar Hermine, die hij op de veranda lezende vond. „Heb je het papa gevraagd ?” vroeg zij nieuwsgierig. „Ja, maar we moeten nog een oogenblikje wachten. We gaan morgen alle drie naar Homburg.” „Naar Homburg? Waarom ?” „Om te spelen. We willen ons geluk eens beproeven aan de speeltafel.” „Och, foei, Bruno ! Ik ga niet mee ! Ik vind het afschuwelijk !” „Kom dan maar niet te dicht bij het Casino, kind ! En nu laat ik je alleen, want we moeten ons beiden reisvaardig maken.” Den volgenden morgen verliet minister Von Falkenhaube met dochter en secretaris Berlijn, om zich naar Homburg te begeven. Ze kwamen daar zonder wedervaren aan en stapten af in hotel „Russischer Hof”. Het was druk in de mondaine badplaats, waartoe de aanwezigheid van den keizer niet weinig bijdroeg. Den tweeden dag van hun verblijf, toen het drietal in de hal hun thee dronk en naar het dagelijksch concert luisterde, werd de minister aangesproken door een langen heer, met zwart krullend haar, zwarten baard en donkere schitterende oogen. „Heb ik niet het genoegen, graaf von Falkenhaube te ontmoeten ? Ik ben graaf Konya uit Polen, die de eer genoot u een enkelen nacht tot gast te hebben tijdens de najaarsmanoeuvres, verleden jaar.” „Ha ja, nu herinner ik mij!” De beide mannen schudden elkander hartelijk de hand. „Het doet me genoegen u weer te ontmoeten,” zei de minister. „Logeert u ook in dit hotel? Ja? dan zullen we gelegenheid hebben de aanvankelijke kennismaking te hernieuwen en meer duurzaam te bevestigen.” Hij wierp Bruno von Spamer een blik toe, die moest te kennen geven dat hij er prijs op stelde den poolschen edelman in den kring te zien opgenomen. Bruno was hiermede volstrekt niet ingenomen ; instinctief voelde hij een afkeer tegen dezen man, een afkeer die nog toenam, toen hij een paar maal een blik van brutale bewondering had opgevangen, die de Pool zijn beminde toewierp. De minister was echter zeer met den nieuwen vriend ingenomen, met wien hij meermalen op de wandeling werd aangetroffen. HET TWEEDE AMSTERDAMSCHE KUNSTENAARSFEEST. Een groep van hoofdpersonen die tot het welslagen van het kunstenaarsfeest meewerkten. IN BEUUEVUE TE AMSTERDAM heeft de vorige week het tweede kunstenaarsfeest plaats gehad. Een souper, dat tot vroeg in den morgen duurde, besloot het gezellig samenzijn. U. F. BOURGONJON. heeft na 31 jaar als leeraar in het beeldhouwen aan de Quellinusschool te Amsterdam verbonden te zijn geweest, zijn ontslag gevraagd, wat hem op de meest eervolle wijze is verleend. VOOR HET KON. NATIONAAL. STEUNCOMITÉ. Zaterdag 16 Januari is in een der zalen van den Kunsthandel Frederik Muller & Co. te Amsterdam,'een tentoonstelling geopend van zeer uiteenloopenden aard. De toegang tot de tentoonstelling is gratis, doch in de zaal is er een collecte-bus voor het Nationaal Steuncomité. Wat de zaak bedenkelijker maakte: Hermine verborg het voor haar aanstaande niet, dat ook zij den zwartoogigen Pool een groote bewondering toedroeg. Hij was een schitterend causeur en wist zich zoo beminnelijk aan haar voor te doen, dat zij Bruno geheel verwaarloosde. Hermine wandelde veel met den vreemdeling in den tuin van het hote en eens zag Von Spamer hoe hij, het meisje met een brutalen blik omvattende, haar een kus op de hand drukte. Het hielp niet of Bruno protesteerde en zich boos maakte, Hermine scheen geheel onder den invloed van den Pool te geraken. Dit moest tot een crisis leiden en die liet dan ook niet lang op zich wachten. Zij waren nu ruim een week in Homburg en bijna iederen dag dineerde graaf Konya met hen samen. Het was na afloop van een diner, dat de Pool zich tot den minister wendde met de woorden : „Vergeef mij mijn overhaasting, mijnheer, maar uw dochter heeft er van morgen in toegestemd mijn vrouw te worden, vooropgesteld dat u tegen onze verbintenis geen bezwaar hebt.” Graaf Von Falkenhaube zag den spreker verwonderd aan, Bruno echter was doodsbleek geworden en klampte zich krampachtig aan de tafel vast. „Wat zeg je daar,” hijgde hij. „Je bent gek 1 Zij is reeds met mij verloofd. Hermine, om des hemelswil, zeg toch de waarheid I” Het meisje, de oogen strak op den Pool gericht houdende, zei geen woord, doch haar lippen beefden. „Wat ik zeg is de waarheid,” antwoordde de Pool koeltjes, „niet waar Hermine.” „Ja, dat is waar,” fluisterde zij. Von Spamer stond met een ruk op van zijn stoel en verliet de kamer. Hij moest frissche lucht hebben, en ging naar de veranda waar hij rusteloos heen en weer liep, terwijl het zweet hem van het gelaat gutste. Zoo wandelde hij op en neer, misschien een uur, misschien langer, hij wist het niet, toen hij graaf Konya met Hermine zag uitgaan. Een plotselinge ingeving deed hem besluiten het paar te volgen. Waar gingen ze heen ? Dat wilde, dat moest hij weten! Onopgemerkt door beiden hield hij hen op een afstand in het oog en zag hen na een kwartier het Casino binnentreden. Zij liepen de prachtig ingerichte hal door en traden een der speelzalen binnen. Wat moest dat beteekénen ? Zijn meisje, dat zoo’n afkeer van spelen had, wat deed zij in dit speelhol? Met verwilderd gelaat en bloeddoorloopen oogen sloop Von Spamer hen na. Hij zag Hermine en den Pool aan een der tafels plaats nemen. De croupier keek even op, doch het was voor hem niets ongewoons dat elegante jongedames zich aan zijn tafel neerzetten, om heur geluk te beproeven. Als in een mist zag Von Spamer voor zijn benevelde oogen, in het gewirwar der schitterende menigte, zijn meisje haar handschoen uittrekken, haar taschje openen en er een goudstuk uithalen. De Pool boog zich tot haar over en Bruno hoorde hem zeggen : „Zet op vier I” Zij gehoorzaamde werktuiglijk, zonder een woord te spreken, en na een paar seconden kondigde de croupier aan, dat vier gewonnen had. De Pool krabbelde snel iets op een papiertje en zeide haar toen twee goudstukken op twaalf te zetten. Binnen weinig tijds lag reeds een groote stapel goud voor haar. Zij scheen evenwel ongevoelig voor haar geluk. Zwijgend, onbewogen, als een sphinx zat ze daar en volgde slechts de bevelen op van den man aan haar zijde. Een enkelen keer verloor zij, doch dan volgde weer een reeks van successen, die den goudhoop aanmerkelijk deden toenemen; niets was evenwel in staat een glimp van belangstelling, veel minder vreugde op haar gelaat te tooveren. Plotseling stond ze op en met een resoluut „ik speel niet meer 1” schoof zij den goudstapel en het bankpapier naar haar metgezel. „Je had buitengewoon geluk, dertig duizend mark gewonnen,” zei Konya, terwijl hij het bankpapier in zijn portefeuille borg. Het meisje antwoordde niet, maar keek in de richting waar Bruno zich bevond. Deze schrok! Zijn meisje staarde hem een oogenblik aan, maar herkende hem niet. Niets scheen ze eigenlijk te zien; zc stond daar met bevende lippen en een afwezigen raadselachtigen blik in haar oogen. Deze blik openbaarde hem alles 1 Zij wist niet waar ze was, ze wist niet wat ze deed, ze was het willoos werktuig van een schurk: zij bevond zich in hypnotischen toestand. Bevende over al zijn leden volgde Bruno hen, toen zij het gebouw verlieten. Hij zag hen in een rijtuig stappen en in de richting van het hotel wegrijden. Toen Von Spamer het „Russischer Hof” weer binnentrad, vond hij graaf Konya met ’ den minister in druk gesprek; Hermine was echter nergens te zien. Hij slenterde den tuin in en vond haar eindelijk op een stil
PDF
Nummer
1915, nr.7, 22 jan. 1915
Blad
07
Tekst
plekje. Zij had daar op een rustieke bank plaats genomen en snikte of het hart haar breken zou. Hij naderde haar behoedzaam en zich naast haar neerzettende, sloeg hij zijn arm om haar heen. ,,Waarom heb je beloofd zijn vrouw te worden ?” vroeg hij. „Zijn vrouw 1 Van wien ?” „Van den Pool!” „Groote hemel 1 Bruno, vertel me toch wat beteekent dat alles? Ik droomde dat ik beloofde hem te trouwen, dat hij mij toen meenam naar de speelzaal en dat ik een groote som gelds won. Maar dat kan toch niet waar zijn ?” „Het is waar,” antwoordde hij zacht. Zij sloeg de handen voor het gelaat en brak opnieuw in snikken uit. „Zeg mij alles wat je weet,” begon ze eindelijk weer. „Ik kan ’t niet gelooven en toch zeg je dat het geen droom is. Hij betoovert mij, ik voel mij totaal willoos als hij in mijn nabijheid is. Zijn zwarte oogen branden mij in de ziel, en de hersenen. Maar jij weet toch, dat ik met niemand trouwen wil dan met jou, met jou alleen !” „Ik weet het, lieveling,” antwoordde*hij. „Maar ik weet ook, dat hij een bovennatuurlijke macht over jou bezit. Een van jullie beiden moet dus zoo spoedig mogelijk deze plaats verlaten. Ik zag je dezen middag in het Casino. Je zette je eigen geld in en won. Je won dertigduizend mark, die Konya bij zich stak. Had je verloren, ik twijfel er aan of hij je verlies zou hebben betaald.” „Dertigduizend mark ?” „Ja, ga nu naar je kamer, liefste, en ter ruste! Ik zal hen vertellen dat je niet wel bent en intusschen met den Pool -afrekenen.” Hij geleidde haar naar binnen en ging toen de stad in naar het telegraafkantoor. Daar verzond hij een telegram in cijferschrift naar het hoofdbureau van den Geheimen Dienst met verzoek om inlichtingen omtrent den poolschen graaf Konya. Het was tegen soupertijd dat Von Spamer terugkeerde. Zijn mededinger zat reeds met den minister aan tafel. „Je bent laat,” zei graaf Von Falkenhaube min of meer scherp. „Het spijt mij, ik was niet wel en heb een kleine wandeling gemaakt.” Met moeite werkte hij de spijzen naar binnen en toen het souper was afgeloopen, bleven de minister en de Pool nog wat onder het genot van een sigaar bijeen en begonnen een partij schaak te spelen. Von Spamer vroeg echter verlof zich naar zijn kamer te mogen begeven wegens hoofdpijn. „We gaan morgen naar Berlijn terug; graaf Konya maakt de reis met ons mede. Wil je morgen vroeg voor onze afreis zorgen ?” „Tot uw dienst. Goeden nacht!” Hij ging evenwel niet naar bed, maar begaf zich naar buiten in de koele avondlucht. Hij wandelde het terras op en neer, en pijnigde zich de hersens om een middel te vinden den Pool te ontmaskeren. Hij kon echter geen enkel bewijs bijbrengen om zijn beschuldiging te staven. Rusteloos liep hij op en neer. Wat moest hij doen ? Hoe zou hij handelen ? Daar komt opeens de vraag in hem op : zou Hermine het eenige slachtoffer wezen ? Wat ? — een rilling vaart hem door de leden. Als .... als hij den minister eens hypnotiseerde en hem het geheim van het mortier ontstal ? HET SNEUVELEN VAN DE TWEE GARIBALDI’S. Na het bekend worden van het sneuvelen van den tweeden Garibaldi Fransche gevechtslinie, verzamelde zich bij het Garibaldi-monument te een groote menigte, die een geestdriftige betooging hield. Impulsief, zonder zich nauwkeurig rekenschap te geven van zijn handeling, loopt hij het gebouw langs. Daar zijn de vertrekken van den minister. Het raam is iets te hoog om in de kamer te kunnen zien, doch er bevinden zich spalieren van rozen langs den muur. Hij klimt hierop totdat hij door een spleet van de overgordijnen in de hel verlichte kamer zien kan. En nu ziet hij beide mannen tegenover elkander, aan een klein speeltafeltje gezeten, op een elboogsafstand van elkaar. De Pool kijkt met groen schitterende oogen den minister in het starre bleeke gelaat. De minister zit onbeweeglijk, de oogen wijdgeopend; hij is in hypnotischen slaap. De minister heeft een blad papier voor zich en teekent hierop met een vulpen met koortsachtige haast verschillende lijnen en cijfers. Von Spamer heeft genoeg gezien. Hij laat zich voorzichtig op den grond zakken en begeeft zich zoo gauw mogelijk naar de appartementen van den minister. Onder het uiten van een verontschuldiging treedt hij de kamer binnen. De minister zit met droomerige oogen naar het schaakbord te staren, terwijl de Pool iets in zijn borstzak steekt. Voor een oningewijde is het alsof beiden over een nieuwen zet peinzen. Von Spamer treedt op de speeltafel toe en werpt zich op het onverwachtst op den Pool. Deze, op dien aanval allerminst voorbereid, valt van zijn stoel op den grond met den ander bovenop zich. De Pool is de sterkste, maar Von Spamer geeft zijn krankzinnige woede een verdubbelde kracht. Na eenige vergeefsche pogingen gelukt het hem den Pool het papier te ontrooven. Daarna hem een krachtigen stomp tusschen de’ oogen toedienende, die den ander doet suizebollen, springt hij op en steekt het noodlottige papier in brand. De minister was opgestaan en keek zijn secretaris aan met een gezicht waarop verwondering en woede om den voorrang streden. „Wat beteekent deze beleediging van mijn gast?” riep hij uit. „Uw gast is een gevaarlijk sujet en daarom heb ik hem aldus behandeld,” antwoordde Von Spamer. „U heeft daar straks geslapen, maar uw slaap was niet natuurlijk. In uw hypnotischen toestand heeft u de plannen der nieuwe 42 cM. mortieren geschetst, die uw gast in zijn portefeuille geborgen had, voor hij u uit uw slaap wekte. Op dezelfde wijze heeft hij Hermine een trouwbelofte afgedwongen en haar genoodzaakt in het Casino te spelen met haar eigen geld, terwijl hij zich van de winst heeft meester gemaakt. Onnoodig te zeggen dat mijnheer de graaf (als hij dit werkelijk is) geld noodig had om zijn schulden hier te betalen.” De minister uitte een kreet van afschuw, en terwijl hij zich tot den Pool wendde, die zich, nog half versuft, oprichtte, werd er aan de deur geklopt. Von Spamer begaf zich er haastig heen. Het was een kellner. „Een telegram voor u, mijnheer.” Von Spamer scheurde ze open en las: „Konya, poolsch graaf, gesignaleerd als verdacht in russischen spionnendienst te zijn.” De Pool sloop naar de deur en wierp een blik vol haat en verbeten woede op Von Spamer. „Als je van mij een raad wilt aanvaarden,” zei Von Spamer op ijskouden toon, „verlaat dan nog heden Homburg. Morgen zou het misschien te laat zijn.” Graaf Konya scheen dezen raad verstandig genoeg te vinden om hem onmiddellijk op te volgen. ♦ * * „Wat een geluk, dat de oorspronkelijke door den keizer goedgekeurde plannen reeds met een geheimen koerier door mij naar Krupp verzonden waren,” zei de minister den volgenden morgen aan het ontbijt. „Voor alle zekerheid heb ik telegraphisch bericht gevraagd en zoo juist de tijding ontvangen, dat de plannen in goede orde ontvangen zijn. En nu, Bruno geloof ik, dat ik je mijn dankbaarheid niet beter kan toonen, dan door „Ja” te antwoorden op een vraag, die je me deed voor we Berlijn verlieten.” „Zeker niet,” antwoordde Von Spamer, „ten minste als Hermine nog van het zelfde gevoelen is.” Toen het meisje naar zich toetrekkende, vroeg hij : „Wil je mijn vrouw nog worden, Hermine?” Ze antwoordde niet maar boog het hoofd; toen, een stukje van Bruno’s brood afbrekende, stak ze dit in den mond, en hij wist dat hij zijn antwoord ontvangen had. in de Rome EEN SCHADUW UIT HET VERLEDEN ( Vervolg), 'eeds een week lang had Pendergast te Brad port doorgebracht zonder iets merkwaardigs op te merken. Hij amuseerde zich evenwel zoo goed, dat hij besloot nog een week te blijven, ten minste als ongeduldige uitgevers hem niet noodzaakten naar de stad terug te keeren. Vaak als hij, een liefhebber der hengelsport, aan een of anderen stroom op zijn dobber staarde, kwam hem zijn vreemden droom in de gedachten en in de rookkringen die langzaam uit zijn pijp opstegen zag hij de beeltenis van het mooie jongemeisje. De eene dag na den ander ging intusschen in ontspanning voorbij, zooals de vorige dagen, en reeds was hij besloten over een viertal dagen weer naar zijn woonplaats terug te keeren, wel een weinig ontgoocheld en min of meer boos op zichzelven dat hij, de nuchtere jongeman, zich door een droom uit zijn evenwicht had laten slaan, toen hij op een morgen langs een vaart liep die hem zeer bekend voorkwam, niettegenstaande hij zeker wist hier nimmer te voren geweest te zijn. Hij keek verbaasd in het rond en zag toen aan den graskant aan de overzijde een leeg biscuitblikje liggen. Nu schoot hem opeens, als een lichtstraal, te binnen, waarom deze omgeving hem bekend was : het was de plek uit zijn droom. Een schok voer hem door de leden. — Dus toch ! „Zouden de dingen hun loop hebben ?” Hij keek den weg af, half verwachtend den zeventiende-eeuwschen grijsaard te zien aankomen en was dit werkelijk gebeurd, dan ozu Pendergast nauwelijks verwonderd zijn geweest. Geen levend wezen was er evenwel te zien. Zich zelven uitscheldende voor een overspannen lummel, liet hij zich in het gras aan den oever neervallen. Zijn eerste werk was nu zijn pijp te stoppen, daarna maakte hij zijn vischgerei in orde en wierp den snoer in het water, en terwijl hij daar zat, stil rookende en starende op zijn dobber, zag hij in gedachten het schoone meisjesgelaat weer voor zich. Hij werd uit zijn mijmeringen wakker geschud door het geloei van een koe in de weide aan de overzijde; toen weder naar zijn dobber ziende, bemerkte hij dat deze van de oppervlakte verdwenen was. Hij haalde nu den hengel op, doch voelde dat dit niet gemakkelijk ging. De haak scheen vast te zitten. „Zeker in dat verwenschte wier vastgeraakt,” mopperde Pendergast. „Dat kost me een eind snoer en een haak.” Zeer verwonderd was hij evenwel, toen hij aan den sterken snoer, die niet brak, in plaats van wier een klein onregelmatig vastgebonden leeren pakje uit het water omhoog trok. Zijn verwondering nam evenwel nog toe, zoodra hij het pakje had geopend en hierin een eigenaardig gevormden sleutel, en een lederen taschje vond dat een geschilderd miniatuur-portretje bevatte. „Dat overtreft zelfs mijn stoutste gedachten,” mompelde Pendergast voor zich heen, terwijl hij den sleutel en het taschje met het miniatuur in een zijner zakken borg. „Droomen is toch geen bedrog, ten minste in dit geval niet. Ik keer dadelijk naar Londen terug, en zal daar de meening van een expert vragen; wellicht weet hij dit raadsel op te lossen.” En de daad bij het woord voegende, pakte hij zijn vischgerei bijeen en keerde naar Bradport terug. De verrassingen waren echter nog niet ten einde, want na een eindweegs teruggewandeld te zijn, kwam hem een dogcart achterop rijden bestuurd door een jonge dame. Het meisje keek hem aan en hij — bleef staan, sprakeloos, met opengesperden mond en oogen : in de dogcart zat de jongedame van het portret! Een oogenblik was hij als verlamd door de opeenvolging der verrassende feiten; een oogenblik slechts, want dadelijk daarop wierp hij hengels, vischben en al wat hem in zijn loop belemmeren kon op den weg neer en holde het rijtuigje na, luid roepende. De jonge dame, dit hoorende, keek om en hield de teugels in. Buiten adem bereikte Pendergast de dogcart en het duurde eenige oogenblikken alvorens hij een woord kon uitbrengen. Zoodra hij evenwel bij adem was, kwam het in hem op welk een mal figuur hij maakte. Eerst nu begreep hij hoe moeilijk het was deze vreemde jonge dame duidelijk te maken, waarom hij zich zoo zonderling had aangesteld. Zou het meisje hem niet voor krankzinnig houden ? „Wenscht u mij te spreken, mijnheer ?” vroeg ze eindelijk, verbaasd over zijn stilzwijgen. „Ik heb niet veel tijd!” Nu vond Pendergast zijn spraak terug. „Ja,” antwoordde hij gejaagd. „Ik heb u gezien vroeger .... dat wil zeggen in een droom .... een^dde man kwam bij mij .... ik... . oh .... ik kan dat hier niet uitleggen, maar,” hij tastte in zijn jaszak, en haalde er het portret uit te voorschijn, „kijk, hier, behoort dit aan u ?” Ze beschouwde verwonderd de kleine geschilderde beeltenis, terwijl een blos haar wangen kleurde. „Vreemd,” zei ze eindelijk, „heel vreemd! Waar heeft u het gevonden ?” „In den vliet daarginder,” antwoordde Pendergast. „Zeker gestolen uit uw huis?” ging hij vragend voort. „Neen,” hernam zij. „Het is niet mijn portret en het is ook niet mijn eigendom.” „Maar,” protesteerde onze novellist, „de beeltenis is sprekend de uwe. Het moet toch uw portret zijn !” „Ik moet u beschamen,” antwoordde zij lachend, nadat ze het miniatuur nog eens aandachtig ook van achteren bekeken had. „Ziehier,” vervolgde zij, over de dogcart heenbuigende en hem de achterzijde toonende. „Het is geteekend en gedateerd. De datum is nog zichtbaar, 1631. maar de naam is bijna uitgewischt.” (Wordt vervolgd).
PDF
Nummer
1915, nr.7, 22 jan. 1915
Blad
08
Tekst
Ze is weer voorbij, de dierbare gebeurtenis van het Kunstenaarsfeest in „Bellevue”. Jammer, jammer, want het was een respectabele gelegenheid om den somberen hedendaagschen mensch eens voor een avond, eens voor een nacht weer in zijn humeur, in zijn sas, in zijn schik, in zijn weinig gefrequenteerden knollentuin te brengen. Want, eilacy, de gelegenheid om allerhande achtbare beroemdheden op éénen avond, bijna tegelijk, te hooren en te zien; om te midden van „artisten” (die phenomenen) te soupeeren; om te midden van, ja mèt deze verheven personen te walsen, te steppen (one en two), te bostonnen en den tango te volvoeren, — ah, dfeze gelegenheid is te Amsterdam niet overweldigend groot. Of liever, ze bestond heelemaal niet vóór de heer N. H. Wolf haar bood, Deze heer Wolf, kunstcriticus en redacteur van het weekblad „De Kunst” heeft de kunst verstaan met een generalen staf van uitnemende kunstenaars nu en dan een kunstavond te organiseeren voor kunstenaars en profanen. En het loopt. Het liep. En zal altijd wel loopen. „Bellevue” op de Leidsche kade kon nauwelijks de menigten van bezoekers bevatten. Met hoopjes kwamen ze aanzetten, en ais ik u daarbij zeg, dat het avondtoilet verplicht was, dan kunt ge u zeker wel voorstellen, dat de bezoekers bij hun aankomst door een heel cordon van nieuwsgierigen gingen. In het heldere portieklicht wemelde het van schoone kleuren en vormen, wat de dames aangaat; en wat de heeren betreft; zwart en wit; ook zij, evenals de dames gedecolleteerd, maar uit kuischheid was hun décolleté opgevuld met een wit overhemd, zooals het gebruik dat wil. Gapend gluurden de nieuwsgierigen naar dezen stoet, die uit rijtuig, taxi, auto de maitre of bakkie op den molligen looper gleed, (zoo glijden prijzige kleinoodiën uit gewatteerde étui’s op het fluweelen toonbankkleed bij den juwelier). Nauwelijks bekomen van schrik en bewondering over deze onze beeldspraak, gaan wij al weer verder met ons relaas. Het volk op het trottoir, ter weerszijden van den edelen looper, vergaapt zich dus aan den „rijkdom”, zooals het met een beteekenisvol verzamelwoord u en mij noemt, wanneer we onze beste bullen hebben aangeschoten. Bij mijn doortocht ving ik uit den mond van een loopjongen de realistische opmerking op, dat ’t „geen kattendrek” was, en een blijkbaar zeer belezen individu (TEEKEN1NGEN VAN PIET VAN DER HEM) in mijn nabijheid hoonde iets van een rijkaard en van een naald die door het oog van een kameel gaat.... Het volgende tafereel verplaatst ons in een zaal, niet overbodig onaangenaam gedecoreerd, fel verlicht als een heldere zomermiddag, en, evenals zoo’n middag versierd met liefelijk plantengroen. Aan tafels zaten de gasten; ze zaten en wekten bewondering. Een zee gewoon, een zee van beminnelijke stoffen, als zijde, tulle, satijn, mousseline, voiU, en wat niet è.1, een liefelijk roze woud van bloote halzen, armen, puntstukjes van ruggen, een wereld vol glimlachjes, een levende, en zich in dat leven verheugende, reusachtige etalage van een onoverzienbaar modemagazijn. En daartusschen de heeren, met hun witte plastrons in hun zwarte smokings en rokken; het was een overweldigend aantal, men wist al niet wie meer rokken droegen, de mannelijke of de vrouwelijke feestelingen. Het was keurig, in één woord. Voegt men hierbij een vijftigtal welverzorgde kellners, eveneens in rok en wit plastron, dan kunt ge u zonder twijfel de ijselijke vergissingen, waartoe zoo iets aanleiding gaf, wel eenigszins voorstellen. Om kort te gaan, menig heer werd in den loop van den avond met den oneerbiedigen uitroep „aanneme” begroet, en zulks niet zonder de schandaliseerende hilariteit zijner omgeving. Van halfnegen tot middernacht werd in deze zaal, de concert-en-theater zaal, een kostelijk programma afgewerkt. Uitnemende muziek werd er ten beste gegeven, luimige en niet luimige voordrachten en verzen werden „gezegd”; snoezige Biedermaiersche, en meer hedendaagsche poëtische en zinvolle dansen werden vertoond; befaamde zangers gaven het beste van hun repertoire belangeloos en met kwistigen mond hier voor de goede zaak ten beste, die eigenlijk heelemaal geen zaak, maar gedeeltelijk zelfs een philantropische onderneming was, voor een kunstbroeders-steunfonds. Tijd, en eerlijk gezegd ook de plaatsruimte ontbreekt mij om U een overzicht van de weergelooze verscheidenheid te geven, welke de kunstenaars aan prestaties offreerden tot algemeen genoegen van het publiek en tot vriendelijk leedvermaak van hunne kunst-broeders en -zusters daaronder, die nu zelven als dood-gewoon publiek ook eens zaten te luisteren en voor een keer zich eens lekkertjes zelf niet hoefden uit sloven. Onder de uitmuntende medewerkers moet ik echter even mijnVlaamschen vriend Hullebroeck vermelden, die, als altijd zijne toehoorders tot geestdrift en het meezingen van zijn refreinen wist te vervoeren. Een Hollandsch lied, „Rood, wit, blauw” geheeten, eene beleefdheid aan ons volk, werd nameloos toegejuicht; vele zinspelingen naar het bekende Vaderlandsche recept wekten de ontroering der toehoorders, en bij het refrein „Je Maintiendrai” was menig schoon oog in de zaal vochtig, al zeg ik het zelf; het werd dan ook met enthousiasme en kennis van zaken gezongen; ook „De Vlaamsche leeuw” liep daarna goed van stapel (voor zoover je dat van een leeuw zeggen kunt,) en wie niet te lui daarvoor waren, stonden daarbij van hun stoel op. Het genoeglijke „Tineke van Heule, liever dan een freule, kwam de vaderlandslievende geesten weer tot rust brengen, en de Vlaamsche lente stoeide opnieuw in het door allen, (zittend nu weer) meegebalkt refrein: Van Kletter Klabetter van klep, klep, klep In ’t land van Rupelmonde. Eén Kermis maar In heel het jaar, En zoenen is geen zonde . . . Als het programma in de theaterzaal was afgewerkt, toog men, erkentelijk voor het genotene, maar met nog veel genoeglijkheden — als bal, souper en cabaret — in het vooruitzicht, naar de andere zalen. De Cabaret zag er keurig, echt Parijsch uit. Menig schilderstuk, teekening, krabbel — bij elkaar een kleine tentoonstelling — was aan de met stemmige tapijten bedekte wanden opgehangen. Het was er recht genoeglijk intiem. Van de balzaal, welke naast de theaterzaal gelegen is en door breede doorgangen aan deze verbonden, is het meest werk gemaakt. Deze is door een commissie van bekende jonge Amsterdamsche schilders, onder leiding van G. W. Knap, gedecoreerd en vooral: beschilderd, geheel beschilderd. „Anachronistisch Cubistisch” is de stijl van deze verluchting. Of een verluchting is het eigenlijk niet zoozeer; een benauwdheid kon dit alles eerder heeten, maar dan een vermakelijke benauwdheid, een lollebollige nachtmerrie, een piezelierige verschrikkelijkheid. Daarbij komt dat de cubistische schildering, dat is dus een schilderwijze in allerlei kleine hoekige onderdeden, in blauw Delftsche kleur is uitgevoerd, wat bij de reeds door de voorstellingen gewekte benauwdheden nog de benauwdheid voegt dat de muren en pilaren van de zaal van blauw porceleinen scherven aan elkaar hangen en elk oogenblik in gruizelementen kunnen duvelen. De voorstellingen zijn kostelijk; de quasi-diepstzinnige symbolen zijn hier met een gladde genoegelijkheid door deze gezellige schilders neergetooverd, dat de droogste, saaiste moppentrommel van een moralist zijn lachen nu eens lekker niet houden kan. Vanaf den nederigen vloer tot de hoogste verhevenheden zijn die schilderijen aangebracht, en al deze voorstellingen zijn me uitgelegd. Alles beteekent iets, of riiets, zooals ge wilt. En toen men het mij verklaarde, begreep ik alles, en tevens begreep ik er ook niets van. Het is een chaos van alleraangenaamsten nonsens. Voor hen, wier zenuwen dezen aanblik niet duurzaam verdragen kunnen, — en ook voor de anderen — zijn er in het rond een soort van veranda’s gebouwd, met stoelen en tafels ter verpoozing. Tusschen de blauw Delftsche scherven-pilaren hangen zoo waar ook nog portretten-caricaturen der schilders zelven, als uithangborden van even zoovele schouwplaatsen der leutigheid. En middenin prijkt een met bonte lange linten behangen luchter, breeduit te midden dezer zinsverbijsterende symbolen, als het symbool van „wie het breed heeft laat het breed hangen.” En dat deden er velen dien avond en nacht te midden der lustige omgeving. Er werd gewalst en gehuppeldepuppeld en gesoupeerd en geflirt in alle eer en deugd, er werd gegeten, gedronken, en gefoven dat het een aard had, en een heel genoegelijken aard ook; en ruzies, die er heel niet zijn geweest, werden ijverig afgedronken in het publiek, afgekust in het clandestiene. In één woord, of liever in een paar woorden meer: het was er best, bovenste best op het kunstenaarsfeest in Bellevue. We zullen het eens hervatten. En wel op 13 Maart, maar dan gecostumeerd, dat is weer eens wat NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN troffen. Het kunstenaarsfeest te Amsterdam
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1316 tot 1320 van 11897