|
,,Afrika ?'Waar in Afrika?’7
„Ik kan niet lezen welke plaats het is, daar
ligt een groote inktvlak op dat woord.”
„Daar schijnt de inkt niet te duur voor te zijn.
Heeft hij anders niet te vertellen?”
„O ja, nog meer. „Vraag vergiffenis aan mijn beminden
vader.” Dezen regel heeft hij driemaal
onderschrapt. Wat moet hij berouw hebben, de
arme Ferdinand 1” riep Annie uit.
„Berouw, natuurlijk,” zei de heer Dijkman droog.
„Apropos! Schrijft hij niet wanneer hij terugkomt?”
„O ja, ik vergat het postscriptum.
„P. S. Ik hoop spoedig jou en mijn lieven vader
weer te zien. Ik kan niet precies zeggen wanneer,
maar ik tel „de dagen.”
„Hij kan niet precies zeggen wanneer, maar hij
telt de dagen,” herhaalde de blinde op sarcastischen
toon. „Nergenshuizen en niet Afrika is de plaats
waar de schavuit uithangt. Ik heb nooit geweten
dat hij zoo grappig kon zijn.”
Op dit oogenblik trad een dienstbode binnen, die
meldde dat er een heer was om juffrouw Annie te
spreken.
„Dat zal, denk ik, mijnheer Huber zijn, de klerk
van den notaris. Zend hem maar hierheen, Annie.
Wil je me den brief van Ferdinand eens geven?”
Daar was Annie niet op verdacht geweest. Ze
maakte een wanhopig gebaar, maar bedenkende
dat haar oom hem toch niet lezen kon, overhandigde
ze hem den brief en verliet de kamer.
De dienstbode opende kort daarop de deur en
kondigde aan :
„Mijnheer Huber1”
„Neem plaats, mijnheer Huber. Gij komt in zake
mijn testament, niet waar?”
„Ja, mijnheer!”
„Ik wensch mijn testament te veranderen en het
grootste deel van mijn vermogen te vermaken aan
mijn nichtje, juffrouw Annie Staalman, op voorwaarde
dat zij er in toestemt te huwen met den heer Antoon
Heykoop.
Maar voordat we deze zaken nader bespreken, wensch
ik dat ge dezen brief eerst leest.”
Hij overhandigde den brief, dien Annie beweerde van
zijn zoon ontvangen te hebben, aan den heer Huber.
„Verlangt u dat ik dien brief voor mijzelven lees ?”
vroeg de notarisklerk.
„Zeg, jongmensch, houd je me voor den gek ?” stoof de
H.M. DE KONINGIN OP I N S P ECT I ETOC H T E N .
H.M. de Koningin heeft een bezoek gebracht aan de garnizoenen en grens-
• wachten in het Zuiden.
DE HANDELSSCHOOL TE HAARLEM.
In tegenwoordigheid van Burgemeester en Wethouders, Raadsleden en verdere autoriteiten
en genoodigden. is te Haarlem de Handelsschool officieel geopend. Van het gebouw plaatsten
wij reeds vroeger een foto.
C. SCHERMER-}-de beroemde
kunstschilder, oudste lid van
Pulchri Studio is in den ouderdom
van 92 jaar overleden.
A. VAN WIJK herdacht op
1 Januari j.l. den dag waarop
hij voor 40 jaar benoemd
werd tot Dir. van de Alg.
Begraafplaats te Boskoop.
YUANSCHIKAI. president van
Chin. heeft een wet ingesteld,
die hem voor zijn leven het
presidentschap verzekert en
het hem zelfs mogelijk maakt
2ijn opvolger te benoemen.
heer Dijkman op. „Een brief van gewicht geef ik alleen
aan een vreemde om hem mij voor te lezen, omdat ik zelf
niet lezen kan.”
Mijnheer Huber las hierop den blinde een brief voor die
hemelsbreed verschilde met dien welken zijn nicht hem
had voorgelezen. Hij was van den volgenden inhoud :
„Mejuffrouw Staalman !
„Gisteren heb ik een onderhoud met uw oom gehad en
naar aanleiding hiervan deel ik u mede, dat hij besloten
heeft zijn testament in mijn voordeel te veranderen. Op
het oogenblik dat ge dezen brief ontvangt, zal de notaris
waarschijnlijk reeds bij hem zijn. Ik deel u dit alles mede,
ten einde u te doen inzien, dat het verstandig is, eindelijk
eens tot een besluit te komen en in mijn voorstel toe te
stemmen.
Ferdinand Dijkman, dien ik weet, dat ge vroeger beminde,
is naar alle waarschijnlijkheid reeds lang getrouwd
en zal wel nimmer terugkeeren. In allen geval, ik bied je
nog eenmaal mijn hand aan. Bedenk je goed voor je die
weigert. Je doet verstandiger mij als vriend dan als vijand
te hebben. De oude gek zal toch zoolang niet meer leven,
waarom zouden we dan samen niet gelukkig zijn en genieten
van het vermogen, dat hij ons nalaat.
In de overtuiging dat ge mij spoedig een verstandig
antwoord zult zenden, noem ik mij
Uw toegenegen
TOON HEYKOOP.
rrer_ gelaat Vdii uoïT uuucir n*<«»""
de verschillende gewaarwordingen, waaraan hij ten
prooi was, ten gevolge van den inhoud van dezen
brief.
Toen hij den naam van den schrijver hoorde,
riep hij verwonderd uit: „Toon Heykoop I”
„Hij is een schurk, mijnheer 1” zei Huber met
nadruk.
„U hebt gelijk, hij is een schurk I
Ondanks al zijn mooie praatjes speculeerde hij
in werkelijkheid op mijn dood. Maar waarom hield
Annie dit schrijven voor mij geheim ? Zij beweerde
dat het een brief was van mijn zoon en dat hij
binnenkort zou terugkeeren.”
„In één opzicht had ze gelijk,” zei de heer Huber.
„Mijn patroon heeft bericht ontvangen dat de
heer Ferdinand Dijkman, uw zoon, op zijn terugreis
is naar Holland 1”
„En mag ik weten, wie uw patroon deze mededeeling
heeft gedaan ?”
„Uw zoon zelf!”
„Mijn zoon?”
„Ja I”
„Hij is dus in Holland ?” vroeg de oude man opgewonden.
„Hij is juist hier ter stede aangekomen en is
thans waarschijnlijk op weg naar huis1”
„Op weg .... naar .. . huis ! .... Halt!....”
De oude man stond op van zijn stoel, ten
zeerste ontroerd.
Hij naderde den heer Huber.
Zijn vingers bewogen zich voorzichtig over diens
gelaat, het lezende als ware het een boek.
Zij vertelden hem den inhoud van dat boek in
enkele seconden. Met den kreet „mijn jongen 1”
viel hij in den heer Huber’s, of beter Ferdinands
armen.
Op dit oogenblik verscheen Annie in de geopende
deur met een gelukkigen glimlach op het gelaat.
Zij was bekend gemaakt met Ferdinands terugkomst
door hem zelf en hij had van haar in
korte woorden vernomen, wat er zooal sedert zijn
afwezigheid was gebeurd. Zij had hem verteld van
Heykoops valschheid, zijns vaders ergernis over zijn stilzwijgen
en van zijn besluit om zijn testament te veranderen
in het voordeel van Toon Heykoop. Ferdinand hoorde
tevens van Annie dat de notaris verwacht werd en besloot
toen zijn vader te ontmoeten in de hoedanigheid van notarisklerk,
met het resultaat dat we hebben gezien.
Toen eenige oogenblikken later de werkelijke mijnheer
Huber werd aangediend, zei de oude heer Dijkman : „Verontschuldig
me bij den heer Huber en zeg dat we zijn
diensten nu niet meer noodig hebben.”
SPOORWEGONGELU K.
Te Ilford (Engeland) heeft Nieuwjaarsdag een spoorwegongeluk plaats gehad,
tengevolge waarvan op het oogenblik reeds 15 personen dood zijn.
Onze foto is genomen direct na de botsing.
verschrikt over het plotselinge verschijnen van zijn vriend
en buurman, die op zijn lustren pantoffels zonder hakken
onhoorbaar de trap was opgeslopen.
Bram ging op het manke ledikant zitten. „Je zult wel
weer bijkomen,” zei hij met een grijnslach, die misschien
goed bedoeldwas, maar jammerlijk
in het water viel.
Het leek tenminste meer op
de leelijke grimas, die aan
een huilbui voorafgaat, en
waarvan kinderen anders
wel het monopolie lijken te
hebben.
„Nou, hoe is het? Doe je
het nog ?” vroeg hij. Dan
eensklaps, „waar is de verf?
Waar is het plankie? Waar
is de kwast ?”
„Daar in de kast.” antwoordde
Sander op een deur
te midden van de bruine
landkaart wijzend, „maar
wat mij betreft, ik wou liever
dat er een gebraden
lamsbout met andijvie of Bram ging op het manke ledikantzitten.
een schelvisch met botersaus
in stond.” „Dat komt later, geduld, geduld, eerst het
schilderstuk,” zei Bram, en hij dook in de leege, holle
ruimte van de kast weg, en haalde er achteruit een tweetal
morsige groentenblikjes, een kwast en een plankje te
voorschijn.
, Ziezoo, laten we het nu maar ineens afmaken, met dat
uitstellen komen we niet verder,” zei Bram, terwijl hij
blikjes, plank en kwast op de kreupele tafel plaatste.
„Ik zie er toch niet veel in,” verweerde Sander zich.
„Waarom niet?” zei Bram wat verveeld.
„Het is tè idioot.”
„Niets is tegenwoordig te idioot.”
„Het is te brutaal, te doorzichtig. Iedereen zal begrijpen
dat het bedriegerij is. De kunstkooper in de eerste plaats.”
„En dat stuk, dat er de vorige week in de uitstalkast
stond ?” zei Bram lachend, „dat zelfportret, met permissie ?
En het is verkocht. Verkocht, zeg ik je. Ik ben het toch
zélf nog eens bij Magnus gaan vragen. Het is een mirakel,
een mirakel. Iedereen kan het zoo. Neen, kunnen komt
daar niet eens bij te pas. Durven. Dat is alles. Durf je ?
Of durf je niet ?”
„Wat is daaraan te durven ?”
„Neen, eigenlijk niets,” zei Bram, die zich gaandeweg
opwond. „Het eenige is, dat je het met een brutaal gezicht
bij Magnus brengen moet, en het met overtuiging en verwaandheid
aanprijzen, wanneer dat noodig is. Die man
weet er toch niks van. En als hij er ooit iets van geweten
heeft, dan is hij toch in de war geraakt na de laatste tentoonstellingen
van de Cosmoramisten. Magnus kent jou
niet. Ik kan er niet meer aankomen, want mij herkent hij.
Nou, durf je of durf je niet? Ja of neen? Nu of nooit!
Er op of er onder?”
„Erop 1” riep Sander, die door de geestdrift van zijn vriend
was aangetast.
„Vooruit dan, we beginnen,” zei Bram, en hij trok zijn
asje uit,, en met de, door flodderig tricot omkleede, latten,
die bij hem de plaats van armen innamen, begon hij op de
tafel te redderen.
„Rijk worden. Als een Amerikaansche trustkoning,”
praatte Sander, en hij schoot zijn colbert uit, en vertoonde
zich in een opzichtigen vuilen, gestreepten bakkersborstrok.
„Je lijkt wel een uitgehongerde zebra,” grinnikte Bram,
terwijl hij zijn vriend bijna beleedigend monsterde.
„Jij lijkt wel de schaduw van de schim van een afgestorvene,”
hoonde Sander met een vriendelijken glimlach.
„Ik wed, dat we samen geen honderd pond wegen,”
opperde Bram, „geen honderd pond. Schoon aan den haak.
Zouden we hol zijn ?”
„Mogelijk !” gekte Sander, die door den dynamischen
moed van zijn vriend vroolijk en opgewekt geworden was,
„mogelijk 1 Maar dan is hiér
te worden. Massief en vermogend.
Millionnair. Rockefeller
1 Carnegie 1 van der
Bilt! weet ik veel, weet ik
veel.........”
En hij nam een der potten
en keek er in. „Groen 1”
riep hij, in koortsige opgewondenheid.
En Bram nam den anderen
pot en keek er in.
„Geel 1” riep hij in extaze.
„We zullen schilderen,
dat het ons groen en geel
voor de oogen wordt,” kreet
Sander. „Wat zal het zijn,
een landschap, een zeestuk,
een portret?” vroeg Bram.
{Wordt vervolgd}.
het middel voor ons om massief
Het zelfportret bij Magnum.
|