Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1291 tot 1295 van 11897
Nummer
1915, nr.4, 13 jan. 1915
Blad
11
Tekst
DE DUITSCHE BEZETTING VAN ANTWERPEN I)c reizigers, die niet de treinen uit Holland komen, worden in het station te Antwerpen door militairen gevisiteerd. Een parade in Antwerpen door de bezettingstroepen gehouden, waarbij deze mei volle muziek door de straten trekken. KARDINAAL MERCIER De kinderen v. d. Duitschen Kroonprins IN GRIJS-GRAUW TENUE De Kardinaal vat'. Mechclen, over wien in de laatste dagcn’naar aanleiding van zijn herderlijk schrijven in de dagbladen zooveel gesproken werd, is een in België zeer geziene en algemeen beminde figuur. Het viertal, in luitenants-uniform gekleed, vormt een aardig groepje. Van links naar rechts op de foto: Friedrich, Hubert. Ludwig-Ferdinand, Wilhelm. De Keizer van Duitschland in oorlogstenue. Deze foto werd in het Duitsche Hoofdkwartier genomen HET DUITSCH-TURKSCHE BONDGENOOTSCHAP Von der Goltz-Pascha verlaat het Parlementsgebouw te Constantinopel. Dr. Hikmet-Bei en I. Roth, die als vertegenwoordigers van de Turksche Roode Halve Maan in Berlijn vertoeven.
PDF
Nummer
1915, nr.4, 13 jan. 1915
Blad
12
Tekst
HET GESCHENK VAN EEN INDISCHEN PRINS AAN HET ENGELSCHE LEGER De Rajah van Cwaloir schonk uit zijn persoonlijke middelen een automobielen-ambulance-trein, bestaande uit 41 ambulances, 4 motorrijtuigen en 12 motorvrachtwagens. Onze foto is genomen bij het Buckingham-Paleis te Londen WAT ER OP ZEE GEBEURT DE TOCHT NAAR CUXHAFEN Aan dezen uitval, welke van Engelsche zijde als een beantwoording van den aanval op zijn Oostkust kan worden beschouwd, nam de „Arethuse” deel, waarvan de officieren hier zijn afgebeeld. MIJNENVERDELGERS. Te Selby liepen de eerste van een serie van 19 mijnenverdelgers van stapel. Deze booten zijn zoo gebouwd, daf zij met succes voor dit gevaarlijk werkje te gebruiken zijn. DE OPPERBEVELHEBBER DER VLOOT. Admiraal Jellicoe, die zich naar de brug van zijn schip begeeft. HET SCH EEPSGESCHUT. In speciale zakken, dicht bij het geschut, hangen de granaten, gereed voor het gebruik.
PDF
Nummer
1915, nr.4, 13 jan. 1915
Blad
13
Tekst
VAN DE GEVECHTSLINIE IN NOORD-FRANKRIJK EEN OPGEBLAZEN VIADUCT. Het viaduct van Poix, op de lijn van Roulls naar Amiens, is door de Fransche genie opgeblazen. HET ZWARE FRANSCHE GESCHUT. Goed ingepakt worden de zware Fransche kanonnen door middel van locomobielen van de eene naar de andere plaats, waar versterking noodig is, getransporteerd. DE HOLBEWONERS. Een Fransch soldaat schept een luchtje aan den ingang van zijn onderaardsche woning. DE COMMANDANT VAN CALAIS. Generaal Ditté, de commandant van het door de Duitschers zoozeer begeerde Galais, voor welks bezit zij reeds zooveel duizenden mannen hebben opgeofferd, met zijn staf. BEWAKING VAN DEN SPOORWEG. Op geregelde afstanden zijn er ook aan de Fransche spoorwegen wachtposten uitgezet om beschadiging van de lijnen te voorkomen. BUITEN GEVECHT GESTELD. Door een granaat zijn Fransche soldaten die in het kreupelhout verborgen zaten, buiten gevecht gesteld. VER VAN ZIJN VADERLAND. Het stoffelijk overschot van een aan zijn wonden bezweken Oosterling wordt te Parijs ter aarde besteld.
PDF
Nummer
1915, nr.4, 13 jan. 1915
Blad
14
Tekst
EEN LEUGENTJE OM BESTWIL chuif de gordijnen wat open, Annie-lief! Ik wil zoo graag de zon voelen, nu ik ze niet meer zien kan !” — Annie schoof de zware meubelgordijnen wijd open. Het zonlicht vulde de kamer en de blinde man strekte zijn handen er naar uit, als wilde hij een vriend welkom heeten. — „Het stervenswoord van den grooten Goethe moet op mijn grafsteen worden gebeiteld : „Meer licht 1 Meer licht 1” zei de blinde treurig. „Spreek toch niet van uw grafsteen, lieve oom ! U moet nog heel lang leven 1” „Als aan mijn liefste wenschen geen gehoor wordt gegeven, waarom zou ik dan nog langer leven !’J Annie liep op haar oom toe en drukte haar gelaat in zijn handen. Het was nat van de tranen, die onwillekeurig haar oogen ontvloten. De oude man streelde liefkoozend de wangen van het meisje en kuste haar teeder. „Vergeef me, lieve,” zei hij berouwvol. „Natuurlijk, ik moet leven voor— jou !” — „En Ferdinand !’ „Stil I Vraagt hij nog naar zijn ouden vader? Hij heeft mij in woede verlaten en is niet meer teruggekeerd. Het schijnt hem onverschillig te zijn of ik nog leef of dood ben.” „Was het alleen zijn schuld?” drong Annie op zachten toon. „Begin je weer? Je kiest altijd zijn partij.” De oude heer Dijkman stond ontevreden op en liep de kamer op en neer met fermen pas, ondanks zijn blindheid. „Waarom wenschte hij die vrouw te trouwen, die niet van hem hield en een ander huwde?” „En u wenscht dat ik den heer Heykoop zal trouwen van wien ik niet houd. Waarom was u niet boos op mij, toen ik hem weigerde.” „Omdat hij je ten volle waardig is en hij je niet bedrogen heeft door een ander te huwen. Hij bemint je nog even trouw als altijd. Hij heeft het mij gisteren nog verteld 1” Annie zuchtte. Vijf jaren geleden had Ferdinand een hoogloopenden twist gehad met zijn vader. Deze wenschte dat zijn zoon zou trouwen met zijn nicht Annie, maar Ferdinands hart sprak in dien tijd voor een ander. Hij VLUCHT ELI NGEN-COM ITÉ-TI LBURG. Zittend van links naar rechts de heeren: Jos Brouwers, Barend Mutsaers penningmeester, Burgemeester Raupp, eere-voorzitter, Frans Verbunt, voorzitter, A. v. Rijen, secretaris, Kapelaan Poell, voorzitter onderwijscommissie. was betooverd door de bekoorlijkheden van een lichtzinnig, behaagziek meisje, dat kort na zijn vertrek trouwde met een gezeten houtkooper uit den om trek. Toon Heykoop, een geslepen jong architect, deed zich voor als de vriend van Ferdinand, maar speelde in werkelijkheid zijn eigen rol en deed dit zoo goed. dat hij zich geheel indrong in het vertrouwen van den ouden heer Dijkman. Deze, die zielsveel van zijn nichtje hield, wenschte haar voor zijn dood nog gelukkig getrouwd te zien. Toen nu zijn zoon, die hem woedend verlaten had, sedert lang niets meer van zich hooren liet en Heykoop, na de gunst van den ouden man verworven te hebben, tegenover dezen zinspeelde op een verbintenis met Annie, werd dit door den heer Dijkman met vreugde begroet en zijn pogingen werden met kracht ondersteund. Helaas, ook hier ondervond de oude man teleurstelling. Annie beantwoordde de liefdesbetuigingen van den jongen architect met koelheid. Zij wist dat hij den twist tusschen vader en zoon had aangestookt en dat hij haar alleen wilde huwen om zoodoende zich te verzekeren van den rijkdom van haar oom. Haar vrouwelijk instinct had haar het ware karakter van Heykoop doen kennen; ze was echter niet in staat geweest hem tegenover haar oom te L/U kl llUdlkVl V/l I Ml» MM UÜU^V JMÏI&M mail 1ICIVI X.IM1I MIJ UL-1! heer Dijkman onmisbaar weten te maken en speelde tegenover dezen steeds den vriend van den afwezigen zoon. * * * Een geklop op de kamerdeur werd gehoord en een bediende trad binnen met een brief voor Annie. Hij was afkomstig van den heer Heykoop en scheen onaangenaam nieuws te bevatten, ten minste Annie beet op haar bekoorlijke lippen, terwijl zij hem las, en kon nauwelijks haar woede onderdrukken. „Mag ik weten van wien hij komt ?” vroeg de heer Dijkman. „Is hij soms van dien deugniet van een zoon van mij, dien plichtvergeten schavuit, die niet eens de beleefdheid heeft ons te doen weten in welk deel van de wereld hij rondwandelt?” Annie liep op haar oom toe en zette zich op een ottomane aan zijn voeten. Zij kon hem dezen dreigenden brief van Heykoop niet voorlezen. Hij zou haar toch niet gelooven als zij het deed. Maar wat zou ze zeggen ? Ha, een idee ! Ze zou Heykoop bevechten met zijn eigen wapens. „Spreek niet op zoo bitteren toon, oom, ik bid u. De brief is ... . van .... Fer . . . .” „Van Ferdinand ?” vroeg hij woedend. „Van Ferdinand,” antwoordde zij stamelend, terwijl zij een stil gebed opzond om vergeving voor dit bedrog. „Lees het dan, kind! Waarom lees je het dan niet?” ,,U is zoo ongeduldig, oom ! Geef mij toch even tijd.” Zij frommelde met dien brief en las alsof er stond : „Lieve Annie 1 „Je zult ongetwijfeld wel verwonderd zijn over mijn „lang stilzwijgen, maar tal van omstandigheden hebben „mij tot nu toe verhinderd je eerder te schrijven. Ik heb „ontmoetingen gehad met een menigte menschen .... „Iedere gek begrijpt dat 1” barstte de oude heer los. „Als hij niet op een onbewoond eiland zit, zal hij natuurlijk een menigte menschen ontmoeten.” „Een menigte zonderlinge menschen, .... ik las verkeerd,” zei Annie. „Een menigte zonderlinge menschen. „Ik zal jè alles uitvoerig vertellen,als ik weer thuis ben. ,,Ik kan dat niet zoo schrijven, want inkt is hier zeer kostbaar.” „Inkt zeer kostbaar !” riep de oude uit. „Op welk plekje van den aardbol zit die deugniet dan ?” „Afrika !” antwoordde Annie aarzelend. VLUCHTELINGEN TE TILBURG Te Tilburg hebben er geruimen tijd ruim 13000 vluchtelingen vertoefd. Onze foto geeft een groep die in de ruime Ambachtschool was ondergebracht, den directeur (X) der school en het damescomité. VLUC HTELI N GEN TE HALSTEREN. Te Halsteren, dat ook een zeer groot gedeelte van de vluchtelingen heeft geherbergd, was een groep ondergebracht in de Kerk. DE OPKOMST VAN SANDER ROBIJN D00R JEF SPRUYT, MET TEEKEningen VAN JAN DELATOUR. (DEZE NOVELLE WERD IN ONZEN WEDSTRIJD MET DEN TWEEDEN PRIJS BEKROOND). Het is twee uur in den middag van 1 November 1912. De argelooze wandelaar, die op dat uur door de winderige Buitenstraat van Metronopel kuierde, zou niet zeggen, dat daar Hij zat met het hoofd in de handen. op zijn achterkamer driehoog de beproefde Sander Robijn met het hoofd in de handen zat. Toch was dat zoo. En dat niet alleen maar letterlijk, neen, ook in figuurlijken zin, wat nog erger is. Hij zat met het hoofd in de handen, of, zoo ge wilt, met de handen in het haar ; hij liet moedeloos het hoofd hangen ; — bij wijze van spreken dan, want met de meergenoemde handen hield hij het nog tegen, voor het oog althans, voor het oog. Hij was ten einde raad. Wat had hij al niet geprobeerd om vooruit te komen in de wereld! Het had hem niet gebaat. Meer dan twaalf ambachten, verreweg meer dan dertien ongelukken. Niets wilde. Men spreekt wel eens van het rad der fortuin, maar het rad van zijn fortuin was al heel stroef; het moest noodig gesmeerd worden. Op het tijdstip, dat dit verhaal aanvangt, was de goeie man handelsagent, maar laat ons mekaar goed verstaan : als hij een commissie had gekregen, was hij wellicht van verbazing en schrik dermate overstuur geraakt, dat met grond aan zijn verstandelijke vermogens kon worden getwijfeld. Ongewoonte, hè. Ongewoonte .... Zoo zat hij daar dan in zijn miserabele kamertje. Een mank ijzeren ledikant, een lamme schommelstoel, een kreupele tafel, en een steenkoude dooie pier van een kachel, waren met een kale houten vloer zijn heele ameublement, terwijl de eenige wandversiering bestond uit een partij goorbruine vochtplekken, als de afgrijselijk onduidelijke landkaart van een koninkrijk dat je nergens thuis kon brengen. Daar doet hij even zijn handen weg van zijn gezicht, zeker om ons te laten zien dat dit ook niet veel bijzonders is. Het is zoo wit als de wijzerplaat van een klok, en het heeft niet meer uitdrukking dan zoo’n wijzerplaat; integendeel, daarop kan je tenminste nog zien hoe laat het is, maar op dit gezicht zie je heelemaal niets. Dit gezicht heeft, om het zoo te zeggen, niet veel om het lijf. Hij zelf heeft dat trouwens ook niet; een sjofel dun zomerpakje en een vuil halfhempje met een das zoo smal als een touwtje ; dat is alles. Nu hij eenmaal de handen van zijn gezicht heeft weggedaan, staat hij ook op. Hij is magerder dan de magerste hazewind. Hij rekt zich uit, kijkt met een pijlsnellen blik om zich heen, en de armen nu zijwaarts uitstrekkend als bij Vrije Oefeningen, zegt hij in de stilte : „Ik moét en zal hooger op.” De argelooze lezer, bedenkend dat hij al driehoog woont, zal ’s mans verlangen wellicht ongemotiveerd vinden. Maar laat mij u dadelijk zeggen, dat hij niet een kamer (slaap- of zitkamer, gemeubeld of ongemeubeld, met of zonder pension,) op het oog had, maar de heele maatschappij, de heele wé­ reld, zeg maar. Hij bedoelde namelijk : „Ik moet en zal hooger op in de wereld.” „Er moet nu eindelijk eens vitkomst komen”, zei hij, lui op in de stille en vrijwel leege kamer, zoodat het klonk, en hij liet zich achterover vallen in den verlamden schommelstoel, en hij liet het zware, afgetobde hoofd weer in zijn handen rusten. „Wat heb ik al niet ge- „ik moet en zal hooger opin de wereld.” probeerd. En zonder resultaat,” bromde hij als wijlen dokter Faust. En als Mephistofeles, zoo stond daar plotseling een menschelijke gestalte in de kamerdeur. Het was echter geen geest, maar een mensch van vleesch en van beenderen, vooral, ja bijna uitsluitend van beenderen, natuurlijk met eenig vel erover. „Je laat me schrikken Bram,” zei Sander, een beetje
PDF
Nummer
1915, nr.4, 13 jan. 1915
Blad
15
Tekst
,,Afrika ?'Waar in Afrika?’7 „Ik kan niet lezen welke plaats het is, daar ligt een groote inktvlak op dat woord.” „Daar schijnt de inkt niet te duur voor te zijn. Heeft hij anders niet te vertellen?” „O ja, nog meer. „Vraag vergiffenis aan mijn beminden vader.” Dezen regel heeft hij driemaal onderschrapt. Wat moet hij berouw hebben, de arme Ferdinand 1” riep Annie uit. „Berouw, natuurlijk,” zei de heer Dijkman droog. „Apropos! Schrijft hij niet wanneer hij terugkomt?” „O ja, ik vergat het postscriptum. „P. S. Ik hoop spoedig jou en mijn lieven vader weer te zien. Ik kan niet precies zeggen wanneer, maar ik tel „de dagen.” „Hij kan niet precies zeggen wanneer, maar hij telt de dagen,” herhaalde de blinde op sarcastischen toon. „Nergenshuizen en niet Afrika is de plaats waar de schavuit uithangt. Ik heb nooit geweten dat hij zoo grappig kon zijn.” Op dit oogenblik trad een dienstbode binnen, die meldde dat er een heer was om juffrouw Annie te spreken. „Dat zal, denk ik, mijnheer Huber zijn, de klerk van den notaris. Zend hem maar hierheen, Annie. Wil je me den brief van Ferdinand eens geven?” Daar was Annie niet op verdacht geweest. Ze maakte een wanhopig gebaar, maar bedenkende dat haar oom hem toch niet lezen kon, overhandigde ze hem den brief en verliet de kamer. De dienstbode opende kort daarop de deur en kondigde aan : „Mijnheer Huber1” „Neem plaats, mijnheer Huber. Gij komt in zake mijn testament, niet waar?” „Ja, mijnheer!” „Ik wensch mijn testament te veranderen en het grootste deel van mijn vermogen te vermaken aan mijn nichtje, juffrouw Annie Staalman, op voorwaarde dat zij er in toestemt te huwen met den heer Antoon Heykoop. Maar voordat we deze zaken nader bespreken, wensch ik dat ge dezen brief eerst leest.” Hij overhandigde den brief, dien Annie beweerde van zijn zoon ontvangen te hebben, aan den heer Huber. „Verlangt u dat ik dien brief voor mijzelven lees ?” vroeg de notarisklerk. „Zeg, jongmensch, houd je me voor den gek ?” stoof de H.M. DE KONINGIN OP I N S P ECT I ETOC H T E N . H.M. de Koningin heeft een bezoek gebracht aan de garnizoenen en grens- • wachten in het Zuiden. DE HANDELSSCHOOL TE HAARLEM. In tegenwoordigheid van Burgemeester en Wethouders, Raadsleden en verdere autoriteiten en genoodigden. is te Haarlem de Handelsschool officieel geopend. Van het gebouw plaatsten wij reeds vroeger een foto. C. SCHERMER-}-de beroemde kunstschilder, oudste lid van Pulchri Studio is in den ouderdom van 92 jaar overleden. A. VAN WIJK herdacht op 1 Januari j.l. den dag waarop hij voor 40 jaar benoemd werd tot Dir. van de Alg. Begraafplaats te Boskoop. YUANSCHIKAI. president van Chin. heeft een wet ingesteld, die hem voor zijn leven het presidentschap verzekert en het hem zelfs mogelijk maakt 2ijn opvolger te benoemen. heer Dijkman op. „Een brief van gewicht geef ik alleen aan een vreemde om hem mij voor te lezen, omdat ik zelf niet lezen kan.” Mijnheer Huber las hierop den blinde een brief voor die hemelsbreed verschilde met dien welken zijn nicht hem had voorgelezen. Hij was van den volgenden inhoud : „Mejuffrouw Staalman ! „Gisteren heb ik een onderhoud met uw oom gehad en naar aanleiding hiervan deel ik u mede, dat hij besloten heeft zijn testament in mijn voordeel te veranderen. Op het oogenblik dat ge dezen brief ontvangt, zal de notaris waarschijnlijk reeds bij hem zijn. Ik deel u dit alles mede, ten einde u te doen inzien, dat het verstandig is, eindelijk eens tot een besluit te komen en in mijn voorstel toe te stemmen. Ferdinand Dijkman, dien ik weet, dat ge vroeger beminde, is naar alle waarschijnlijkheid reeds lang getrouwd en zal wel nimmer terugkeeren. In allen geval, ik bied je nog eenmaal mijn hand aan. Bedenk je goed voor je die weigert. Je doet verstandiger mij als vriend dan als vijand te hebben. De oude gek zal toch zoolang niet meer leven, waarom zouden we dan samen niet gelukkig zijn en genieten van het vermogen, dat hij ons nalaat. In de overtuiging dat ge mij spoedig een verstandig antwoord zult zenden, noem ik mij Uw toegenegen TOON HEYKOOP. rrer_ gelaat Vdii uoïT uuucir n*<«»"" de verschillende gewaarwordingen, waaraan hij ten prooi was, ten gevolge van den inhoud van dezen brief. Toen hij den naam van den schrijver hoorde, riep hij verwonderd uit: „Toon Heykoop I” „Hij is een schurk, mijnheer 1” zei Huber met nadruk. „U hebt gelijk, hij is een schurk I Ondanks al zijn mooie praatjes speculeerde hij in werkelijkheid op mijn dood. Maar waarom hield Annie dit schrijven voor mij geheim ? Zij beweerde dat het een brief was van mijn zoon en dat hij binnenkort zou terugkeeren.” „In één opzicht had ze gelijk,” zei de heer Huber. „Mijn patroon heeft bericht ontvangen dat de heer Ferdinand Dijkman, uw zoon, op zijn terugreis is naar Holland 1” „En mag ik weten, wie uw patroon deze mededeeling heeft gedaan ?” „Uw zoon zelf!” „Mijn zoon?” „Ja I” „Hij is dus in Holland ?” vroeg de oude man opgewonden. „Hij is juist hier ter stede aangekomen en is thans waarschijnlijk op weg naar huis1” „Op weg .... naar .. . huis ! .... Halt!....” De oude man stond op van zijn stoel, ten zeerste ontroerd. Hij naderde den heer Huber. Zijn vingers bewogen zich voorzichtig over diens gelaat, het lezende als ware het een boek. Zij vertelden hem den inhoud van dat boek in enkele seconden. Met den kreet „mijn jongen 1” viel hij in den heer Huber’s, of beter Ferdinands armen. Op dit oogenblik verscheen Annie in de geopende deur met een gelukkigen glimlach op het gelaat. Zij was bekend gemaakt met Ferdinands terugkomst door hem zelf en hij had van haar in korte woorden vernomen, wat er zooal sedert zijn afwezigheid was gebeurd. Zij had hem verteld van Heykoops valschheid, zijns vaders ergernis over zijn stilzwijgen en van zijn besluit om zijn testament te veranderen in het voordeel van Toon Heykoop. Ferdinand hoorde tevens van Annie dat de notaris verwacht werd en besloot toen zijn vader te ontmoeten in de hoedanigheid van notarisklerk, met het resultaat dat we hebben gezien. Toen eenige oogenblikken later de werkelijke mijnheer Huber werd aangediend, zei de oude heer Dijkman : „Verontschuldig me bij den heer Huber en zeg dat we zijn diensten nu niet meer noodig hebben.” SPOORWEGONGELU K. Te Ilford (Engeland) heeft Nieuwjaarsdag een spoorwegongeluk plaats gehad, tengevolge waarvan op het oogenblik reeds 15 personen dood zijn. Onze foto is genomen direct na de botsing. verschrikt over het plotselinge verschijnen van zijn vriend en buurman, die op zijn lustren pantoffels zonder hakken onhoorbaar de trap was opgeslopen. Bram ging op het manke ledikant zitten. „Je zult wel weer bijkomen,” zei hij met een grijnslach, die misschien goed bedoeldwas, maar jammerlijk in het water viel. Het leek tenminste meer op de leelijke grimas, die aan een huilbui voorafgaat, en waarvan kinderen anders wel het monopolie lijken te hebben. „Nou, hoe is het? Doe je het nog ?” vroeg hij. Dan eensklaps, „waar is de verf? Waar is het plankie? Waar is de kwast ?” „Daar in de kast.” antwoordde Sander op een deur te midden van de bruine landkaart wijzend, „maar wat mij betreft, ik wou liever dat er een gebraden lamsbout met andijvie of Bram ging op het manke ledikantzitten. een schelvisch met botersaus in stond.” „Dat komt later, geduld, geduld, eerst het schilderstuk,” zei Bram, en hij dook in de leege, holle ruimte van de kast weg, en haalde er achteruit een tweetal morsige groentenblikjes, een kwast en een plankje te voorschijn. , Ziezoo, laten we het nu maar ineens afmaken, met dat uitstellen komen we niet verder,” zei Bram, terwijl hij blikjes, plank en kwast op de kreupele tafel plaatste. „Ik zie er toch niet veel in,” verweerde Sander zich. „Waarom niet?” zei Bram wat verveeld. „Het is tè idioot.” „Niets is tegenwoordig te idioot.” „Het is te brutaal, te doorzichtig. Iedereen zal begrijpen dat het bedriegerij is. De kunstkooper in de eerste plaats.” „En dat stuk, dat er de vorige week in de uitstalkast stond ?” zei Bram lachend, „dat zelfportret, met permissie ? En het is verkocht. Verkocht, zeg ik je. Ik ben het toch zélf nog eens bij Magnus gaan vragen. Het is een mirakel, een mirakel. Iedereen kan het zoo. Neen, kunnen komt daar niet eens bij te pas. Durven. Dat is alles. Durf je ? Of durf je niet ?” „Wat is daaraan te durven ?” „Neen, eigenlijk niets,” zei Bram, die zich gaandeweg opwond. „Het eenige is, dat je het met een brutaal gezicht bij Magnus brengen moet, en het met overtuiging en verwaandheid aanprijzen, wanneer dat noodig is. Die man weet er toch niks van. En als hij er ooit iets van geweten heeft, dan is hij toch in de war geraakt na de laatste tentoonstellingen van de Cosmoramisten. Magnus kent jou niet. Ik kan er niet meer aankomen, want mij herkent hij. Nou, durf je of durf je niet? Ja of neen? Nu of nooit! Er op of er onder?” „Erop 1” riep Sander, die door de geestdrift van zijn vriend was aangetast. „Vooruit dan, we beginnen,” zei Bram, en hij trok zijn asje uit,, en met de, door flodderig tricot omkleede, latten, die bij hem de plaats van armen innamen, begon hij op de tafel te redderen. „Rijk worden. Als een Amerikaansche trustkoning,” praatte Sander, en hij schoot zijn colbert uit, en vertoonde zich in een opzichtigen vuilen, gestreepten bakkersborstrok. „Je lijkt wel een uitgehongerde zebra,” grinnikte Bram, terwijl hij zijn vriend bijna beleedigend monsterde. „Jij lijkt wel de schaduw van de schim van een afgestorvene,” hoonde Sander met een vriendelijken glimlach. „Ik wed, dat we samen geen honderd pond wegen,” opperde Bram, „geen honderd pond. Schoon aan den haak. Zouden we hol zijn ?” „Mogelijk !” gekte Sander, die door den dynamischen moed van zijn vriend vroolijk en opgewekt geworden was, „mogelijk 1 Maar dan is hiér te worden. Massief en vermogend. Millionnair. Rockefeller 1 Carnegie 1 van der Bilt! weet ik veel, weet ik veel.........” En hij nam een der potten en keek er in. „Groen 1” riep hij, in koortsige opgewondenheid. En Bram nam den anderen pot en keek er in. „Geel 1” riep hij in extaze. „We zullen schilderen, dat het ons groen en geel voor de oogen wordt,” kreet Sander. „Wat zal het zijn, een landschap, een zeestuk, een portret?” vroeg Bram. {Wordt vervolgd}. het middel voor ons om massief Het zelfportret bij Magnum.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1291 tot 1295 van 11897