Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1286 tot 1290 van 11897
Nummer
1915, nr.3, 8 jan. 1915
Blad
06
Tekst
PANDRAMA 22 — EEN MISLUKT HUWELIJKSA ANZOEK. DRAMAT1SCH-COMISCHE .SCHETS DOOR COR Z. ben ten volle overtuigd, dat de grief die ik tegen mijn zuster, Mina Bartels, heb, volkomen gerechtvaardigd is; en ik geloof dat als ik alles verteld heb, de verstandige lezer het volkomen eens met mij zal zijn. Ik vraag niet om zijn sympathie, want ik ben oud genoeg en, meen ook wijs genoeg, om het zonder dat soort van gevoelens te kunnen stellen. Het begon met een brief van mijn zuster Mina : of ik mijn nichtje Koba een week of zes bij mij wilde hebben ? Nu had ik al meermalen bij mijzelven den wensch geuit, dat het wel aardig zou zijn mijn eenig nichtje eens te logeeten te hebben, en warempel daar deed zich op het onverwachtts de gelegenheid voor. Op iederen anderen tijd van het jaar zou ik oogenblikkelijk naar Gouda getelegrafeerd hebben : „Zend ’t nest per ommegaande!” Want als je acht en veertig bent, en ongetrouwd, met slechts een enkele zuster, en een drietal familieleden uit den negenden graad, nou, dan ga je wel wat gevoelen voor zoo’n jonge twijg aan je familiestam. Maar .... er waren omstandigheden, die de komst van mijn nichtje op dat oogenblik minder gewenscht maakten. Ik zal het maar eerlijk bekennen : ik was verliefd 1 Wablief ? Neen, niet precies voor de eerste maal, maar ik had heel ernstige intenties. En bovendien, ik was vast besloten mij niet onder mijn duiven te laten schieten door zoo’n windbuil als kapitein Vermaas, notabene een ouwe klaplooper van twee en vijftig jaar. Hoe durfde zoo’n vent nog aan trouwen denken. Het is mij niet mogelijk u een nauwkeurige beschrijving van de vrouw, die ik liefheb, de weduwe Kroon, te geven. Laat het u genoeg zijn te vernemen, dat ze van middelbare grootte was en naar mijn smaak een knappe vrouw. Nou ja, ze had eenige rimpels onder de oogen, maar is dat te verwonderen bij een vrouw, die vijftien of zestien jaar gebonden is geweest aan een onmogelijken kerel van een echtgenoot, die op het laatst van zijn leven eigenlijk pas een goed ding deed, namelijk: er uit te stappen? Tot zijn verontschuldiging moet ik nog opmerken, dat hij de zijde van zijn vrouw niet verliet, alvorens haar een flink fortuin te hebben nagelaten, als compensatie voor de minder gelukkige huwelijksperiode. Het was, zooals. gezegd, een groote erfenis. Ik heb het testament gezien; ze liet het mij lezen met tranen in de oogen. Daarmede, met de tranen namelijk, veroverde zij mijn hart. Het was natuurlijk een goed voorteeken dat zoo’n charmante vrouw — ze is pas zeven en dertig — de buitenpaats „Nora” kocht, die in de nabijheid van de mijne gelegen is. Ik ben geen fatalist, maar een man kan toch niet helpen dat hij het als een voorteeken gaat beschouwen als zulk een verleidelijk wezen je buurvrouw wordt. Natuurlijk hadden we spoedig kennis met elkander gemaakt en we waren al heel goede vrienden geworden, toen Mina mij den brief schreef betreffende mijn nichtje Koba. De lezer zal dadelijk het onaangename van het geval begrijpen. Koba was twaalf jaar of daaromtrent en voor haar leeftijd vrij bij-de-hand. Ik wil niets van haar opvoeding zeggen, maar ik twijfelde niet of daar ontbrak wel een en ander aan. Nu mocht ik toch het gevaar niet loopen, mevrouw Kroon in kennis te brengen met een kind, dat den neus optrekt of op haar nagels bijt. Voordat ik evenwel tot het besluit gekomen was haar af te schrijven, ontving ik van mijn zuster een tweeden brief, waarin ze me meedeelde dat ze mijn nichtje al naar me toegezonden had, overtuigd dat ik haar met vreugde zou ontvangen. Ze had haar op den trein gedaan, aan de hoede van den conducteur aanbevolen en verzocht mij nu haar aan het station, af te halen. Ik aanvaardde dus, in vredesnaam, de mij opgelegde taak. Mijn nichtje was eerst een beetje verlegen en antwoordde niets dan „ja, oom”, „nee, oom”, op de talrijke vragen die ik haar deed. Ze viel mij wat haar uiterlijk betreft overigens wel mee : ze had voor haar leeftijd dik lang haar, een paar mooie oogen, die heeft ze van onze familie, en een wipneus. Die wipneus heeft ze van haars vaders kant. Ik vind dat ze op die erfenis niet grootsch behoeft te zijn; doch overigens had ik niets tegen haar. Doch laat ik mijn verhaal vervolgen : Ik heb je al verteld van kapitein Vermaas, .is ’t niet? De oude schavuit doet niets dan kaartspelen en jagen. Ik had nog geen drie weken kennis gemaakt met mevrouw Kroon of ik had al doorzien wat zijn plan was. Hij kwam mij bijna iederen dag, te pas of te onpas, bezoeken en had telkens een of andere uitvlucht gereed. Het was natuurlijk alles DE INDISCHE TULBAND. Engelsche modejuffies toonen haar vaderlandslievende gezindheid ook in haar kleeding. De Indische tulband maakt op het oogenblik in Londen opgang. ter wille van mevrouw Kroon en ik had dan ook de grootste moeite mijzelven te weerhouden hem aan te raden zijn anker ergens anders uit te werpen. Het mooiste was' dat hij zich verbeeldde, indruk op mijn buurvrouw gemaakt te hebben. Zoo’n ouwe gek 1 Hij leek minstens tien jaar ouder dan ik met zijn grijs haar en' baard. Neen, dan zie ik er geconserveerder uit, ik heb geen enkel grijs haartje, het mijne is bruin, dat is te zeggen op zij, want bovenop is mijn kruin spiegelglad; dat is geleerd. Wat voorts Vermaas’ hersens betreft, hm, daarover zal ik maar zwijgen; dat kan ik je wel vertellen, dat ons beider verstand staat in omgekeerde evenredigheid met onzen haardos. Toen hij mijn nichtje Koba voor het eerst zag, riep hij met zijn bromstem : „Ho, ho, we zullen gauw goeie vrienden worden!” Hij gaf mijn nichtje een arm en ging met haar naar de eetzaal. Hij verveelde mij met de vele vragen die hij het kind deed. In tien minuten wist hij dat ze op de gewone lagere school was, dat haar moeder maar een dagmeisje hield en tal van andere dingen. Wat ’n impertinente vent. Toen hij evenwel aan haar vroeg, waarom zij zoo onverwacht naar Beek gekomen was, snoerde ze hem den mond met een gepast antwoord. „Dat is een geheim,” zei ze met een kleur op de wangen. „Mooi!” riep ik uit, niet zonder leedvermaak. „Ze is niet gewend om met vreemden om te gaan. Uw hofmakerij is dus aan een verkeerd adres.” Als hij maar de minste hersens gehad had, zou hij de ironische beteekenis van het woord „hofmakerij” begrepen hebben. Hij nam mijn woorden echter op als een compliment. „Ja, ja, je hebt gelijK,” lachte hij. „Kindlief, je bent volkomen veilig bij mij. Een ander is je al voor geweest. Mijn liefdevol hart is al weggeschonken, niet waar, Kareisen.” Op dit oogenblik verloor ik mijn geduld haast. „Het zal de vraag zijn, of de zoo onbenullige gift geaccepteerd wordt!” antwoordde ik woedend. Hij keek mij echter lachend aan; hij is niet vatbaar voor een beleediging 1 Ach, ’n kerel zonder karakter. IR liep van ergernis de kamer uit en hiervan maakte hij gebruik om Koba op zijn knie te nemen en haar uit te vragen als een oude baker. O ! als ik alles geweten had. Toen ik weer terugkwam, was hij vertrokKen. „Oom Rudolf,” zei Koba, „ik houd heel veel van mijnheer Vermaas. We hebben geheimen met elkander gewisseld.” „Geheimen ?” vroeg ik. „Heeft hij die dan ?” „O, ja, heel veel,” antwoordde zij „Hij zei hij was verliefd — op zijn leeftijd. Ik zei dat ik dat erg grappig vond voor een ouden man; maar zij is zeker ook oud, is ze niet ?” Je ziet, nu had ze haar tong wel tot haar beschikking. En wat een onderwerp om met zoo’n nesthaak te bespreken. „En wat heb jij hem voor geheimen verteld ?” vroeg ik haar. „O, dat mag ik u niet vertellen, oom,” zei ze. „Ik mag het werkelijk niet. Ik moest het hem stellig beloven. En toen keek hij op zijn horloge, zei „Vaarwel, beste kind!” en ging haastig heen. Hij liep hard en dat voor zoo’n ouden heer.” Ik drong niet verder bij haar aan. Och, waatvoor ook ? Wat konden mij eigenlijk de kinderlijke kletspraatjes over een pop of een soortgelijk gewichtig onderwerp schelen? Ik was dan ook spoedig het geheele gesprek vergeten. Een uur later sprak ik mijn tuinman en die vertelde mij dat hij den kapitein als een razende had zien wegrijden. „Of de duivel op z’n hielen zat, m’neer,” zei de man, „reed hij de plaats af.” Och, het liet mij koud hoe en waar hij heenreed. Ik betrapte me zelfs op den hartgrondigen wensch dat hij naar de hel mocht rijden of den nek breken. Een dwaze wensch, die echter zonderling genoeg bijna in vervulling kwam, want dienzelfden avond hoorde ik dat de kapitein in de nabijheid van mevrouw Kroon ’s buitengoed een val van het paard gedaan had en bewustelooshet landhuisingedragen was. Nu vraag ik den verstandigen lezer, wat hij zou gevoelen als hij zoo’n bericht hoorde. Op mijn woord, de kerel was in staatom zijn heele verdere leven bewusteloos te blijven, alleen om door mevrouw Kroon verzorgd te worden. „Koba,” zei ik tegen mijn nichtje, „we zullen morgen vroeg naar het buitengoed „Nora” rijden en — ik hoop dat je heel- lief tegen mevrouw Kroon wezen zult.” Ze beloofde me dat. Haar gedachten werden overigens geheel in beslag genomen door het ongeluk dat den kapitein getroffen had. „Arme man, oom Rudolf,” zei ze. „Is ’t niet vreeselijk ? En hij was juist van plan om een huwelijksaanzoek te doen. Ik hoop dat het niet ernstig wezen zal.” Ik kon haar natuurlijk voor haar onschuldige kinderpraat niet terechtwijzen. Het ergerde mij haar op deze wijze over hem te hooren praten, ik zei nochtans niets. Toen het kind naar bed was, bleef ik nog eenigen tijd over het voorval zitten mijmeren. Ik had geen lust om aan den kapitein vrij spel te geven en mij de bruid door hem te laten afsnoepen, terwijl hij zich daar verplegen liet. Bovendien was ik overtuigd dat hij, zoo’n dikhoofdige kerel, uit een bewusteloosheid zou ontwaken, die mij, bij voorbeeld, tot mijn vaderen verzameld zou hebben. Ik moest dus zoo spoedig mogelijk mevrouw Kroon gaan bezoeken, hoewel ik mijzelven bekennen moest dat de uren, die hij voor had een leelijke handicap voor mij waren. Na alles nog eens goed overwogen te hebben, besloot ik mevrouw Kroon den volgenden morgen ten huwelijk te vragen. AFD. WIELRIJDERS V. D. VR1JWILLIGEN LANDSTORM TE HILVERSUM Dit korps onder bevel van Kapt, v. d. Bergh, telt verscheidene belangrijke personen onder zijn gelederen. O.a. Jhr. Jan Feith, de bekende schrijver; Henri v. Boven, de belletrist, verder vele studenten enz. KUNSTAVOND TEN BATE VAN HET STEUNCOMITÉ 1914-, op Zaterdag 19 December in de Zalen van het Schilderkundig genootschap „Pulchri Studio” den Haag. Deze avond was georganiseerd door den dansleeraar Gérard J. v. d. Mark. Zeer keurig werden de verschillende dansen, door voornoemden leeraar saamgesteld en ingestudeerd, uitgevoerd: o.a. Prinsen Menuet, waarvan hierboven een foto.
PDF
Nummer
1915, nr.3, 8 jan. 1915
Blad
07
Tekst
PANORAMA GETORPILLEERD. Het Engelsche linieschip „Formidable” is de vorige week in het Kanaal,*niet ver van Plymouth, gezonken, volgens de Duitsche berichten door middel van een torpedo. HET MIJNENGEVAAR. Het Stoomschip „Leersum” is in de nabijheid van de Engelsche kust op een mijn gestooten. Ik geloofde dat ik minstens evenveel 1 ans op succes had en met die geruststellende gedachte ging ik naar bed. De oude ijzervreter zou dan het verrassende nieuws van mijn verloving hooren, zoodra de dokter het veroorloofde. Mijn nichtje zag er lief genoeg uit om trotsch op haar te wezen, toen ik haar met mij in de dogcart nam. Ik liet haar babbelen over haar beminden kapitein. Het was belachelijk zooveel het kind van hem scheen te houden. En toen ik haar de reden hiervan vroeg, zei ze dat ze hem zoo lief vond, omdat hij haar het geheim verteld had van zijn liefde. Jammer genoeg dacht ik er niet aan baar te vragen; „En wat had jij voor een geheim? Vooruit er mee!” Dat had ik moeten doen, doch, ezel die ik was, hechtte ik aan het geheim van mijn nichtje geen waarde. In plaats dus van met haar te babbelen, zette ik de merrie wat aan, zoodat we spoedig het witte landhuis met de roode blinden bereikten, waar mijn geliefde haar domicilie hield. Ik-was vol hoop en had een gloeienden speech gereed. Ik gaf aan de deur mijn kaartje af met een verontschuldiging voor het vroege uur van mijn bezoek en uitte de hoop dat ik het genoegen mocht hebben, mevrouw even te kunnen spreken. Het was zooals ik wel gedacht had, die ouwe gauwdief was al weer bij kennis, maar mocht nog niet vervoerd worden. Wat ’n lijntrekker ! Dat nieuws werkte als een waterstraal op al mijn hoop. Och, lieve hemel, het was nog niets bij wat er volgen zou. De dienstbode kwam spoedig terug met een angstig gelaat en een verwonderlijke boodschap die ze mij op eenige meters afstand meedeelde. „Neem me niet kwalijk mijnheer,” zei ze, „maar ik durf niet nader komen. Ik moet u namens mevrouw meedeelen, dat het haar ten hoogste verwondert dat u hier een bezoek durft afleggen, terwijl er roodvonk in uw familie heerscht. Mevrouw verzoekt u spoedig het huis te verlaten.” Ze deed de deur haastig achter mij dicht en daar stond ik verbluft op de stoep en keek mijn nichtje aan. „O, oom,” barstte het arme kind in tranen uit, niet beseffende welk een ramp zij door haar indiscretie veroorzaakt had. „Hoe afschuwelijk van hem. Hij heeft het haar verteld.” „Hij? wat?” riep ik uit, een beetje barsch vrees ik. — „Wel, de kapitein, oom. Dat was het geheim. Toen, eenige minuten lang, was ik werkelijk razend. „Wil je zeggen, dat er thuis bij je roodvonk heerscht?” Zoo was het. Twee broertjes van haar waren ernstig ziek, en het was uit moederlijke bezorgdheid voor haar dochtertje dat mijn zuster de onverantwoordelijke roekeDr. G. BRUINSMA, ƒ een der medeoprichters van de Ver. ter bestr. der kwakzalverij, is de vorige week op 7O-jarigen leeftijd overleden. Dr. EDEMA V. D. TUUK, f voorzitter der Dordtsche Synode, is op 75-jarigen leeftijd te Amsterdam overleden. JOH. C. VISSER, f vooral in muzikale kringen een zeer goede bekende, is een dezer dagen te Rotterdam plotseling overleden. NEDERLANDSCHE VERPLEEGSTERS NAAR HET BUITENLAND. Op verzoek der Duitsche Verpleegsters-vereenjging vertrokken door bemiddeling van „Nosokomos” enkele verpleegsters naar Oostenrijk. Zittend v. 1. n. r. de zusters Ladner, Koning, Verweij Mejan; staande v. 1. n. r. de zusters Mercx, Sarburg, Kist en Mincke. Verder het bestuur van „Nosokomos”. loosheid had begaan om mij Koba zoo spoedig mogelijk op het dak te sturen. Een vrijgezel als ik kan het hart en het verstand van een moeder niet begrijpen. Ik behoef over de catastrophe zeker niets meer te zeggen. Ik schreef aan de weduwe een zeer nederigen en zeer verontschuldigenden brief, welke brief, veronderstel ik, ongeopend met een tang in het vuur is geworpen. Een paar dagen later gevoelde ik mij niet zoo wel als anders. Mijn nichtje klaagde over pijn in de keel, dat was een symptoom van de ziekte. En nu liggen we hier met ons beiden in twee suite-kamers te bed, beiden, aangetast door die vervloekte scharlakenkoorts. Het is slechts een milde aanval, zegt de dokter. Dat is me ook een smoesje! Als hij in mijn hart kon kijken, zou zijn meening omtrent de mildheid van den aanval wel gewijzigd zijn. En zoo lig ik hier, heb zeker een paar maanden huisarrest en zie mijn huwelijksplannen in rook vervliegen, alleen omdat mijn zuster zoo 'onverstandig was, de ware reden van de jkomst der kleine meid voor mij geheim tö houden. Een brief van dien ouden «schavuit, hedenmorgen ontvangen, deed mij besluiten afleiding voor mijn leed te zoeken door aan de lezers van „Panorama” den ongelukkigen afloop van mijn huwelijksaanzoek mee te deelen. De schurk hoopt dat ik spoedig hersteld mag zijn om hem geluk te wenschen met zijn aanstaand huwelijk en sluit er tevens de beste wenschen van zijn aanstaande(zoo’n schoelje!) in, voor mijn spoedige beterschap. Ze trouwen binnen twee maanden ! P. S. Koba is aan het zingen: „Bij u slechts wil ik blijven 1” Op mijn woord, ik denk er sterk aan den wenk op te volgen en haar voor goed bij mij te houden, want ik heb niet den minsten lust om me nog verder in huwelijksavonturen te wagen. P. S. Ten slotte wil ik den beangsten lezer nog uitdrukkelijk meedeelen, dat deze brief zorgvuldig is gedesinfecteerd. De lezer behoeft dus niet voor besmetting te vreezen. DE ENGELSCHE GEÏNTERNEERDEN te Groningen brengen den tijd met allerlei bezigheden door. Vooral houtsnijwerk wordt fraai door hen vervaardigd. IN VREEMDEN BODEM. Het stoffelijk overschot van de slachtoffers van het Zweedsche stoomschip „Irma” is te IJmuiden ter aarde besteld
PDF
Nummer
1915, nr.3, 8 jan. 1915
Blad
08
Tekst
Eugène Goulmy&’Baar s.H^rfJedotn " KONINKL. NEDERL. SIGARENFABRIEKEN Amsh -Hcrfogenbosch Mad= Recamier 5 cents Sigaar. Zij, die in werkelijkheid genezing willen vinden bij kaalhoofdigheid of ontijdig uitvallen van ’t haar, wenden zich in vertrouwen totJ. CERATI, Haarkundige, Amsterdam, Zoutsteeg 4. Aan hen, die na onderzoek tot behandeling worden aangenomen, wordt herstel gegarandeerd. Het „Nieuws van den Dag” schreef onder meer: Een feit is’t dat onderscheidene hier wonende personen van allerlei leeftijd getuigen door hem weder in het bezit van den haardos te zijn gekomen. Q. 1A. TRESTORFF, voorh. Q. VAN HEERDE, - AMSTERDAM. SINGEL 363 en SPUISTRAAT 306. C. L. VAN DEN DONK ’s-Gravenhage - Wagenstraat 41-43 AMEUBLEMENTEN Laat Uwe woning door ons goedkoop en degelijk inrichten. Nieuwe Ontwerpen - Smaakvolle Ensembles 1 eekeningen en geïllustreerde Prijscourant op aanvraag tranco. TELEFOON 867 Franco levering Brandkasten, kluisdeuren, Safe-Deposits, etc. Aan de grootste Banken, zoowel Rijks- als Particuliere Instellingen, zijn kasten en kluizen door deze firma geleverd. OPQERICMT 1830. TELEFOON 1551. GENERAAL C.J.5HIJDER5 (wettig gedeponeerd) 3=5lfiAAR VERKRIJGBAAR IN DIVERSE SIGARENMAGAZIJNEN MOOIE VORMEN. Wondervolle Buste en blanke huid verkrijgt en behoudt iedere Dame van eiken leeftijd door mijn methode. Uitwendig gebruik. Succes gegar. Zendt adres en 5 cents postzegel en LI ontvangt gratis inlichtingen. Maison NIEMANN, A’dam, Da Costakade 43 M, huis. MENTHE VERTE . COINTREAU LA PLUS FINE MARQUÉ en vemte PARTOUT A.R 06 WAART. J" COMPLETE MEUBILEERING iSlNOfcL.gQ. AZ-ibTfcKDAMI OXCBrEO TtL ri2"S2l4- ixsasü VHflAGT GEÏLL PRIJSCOURANT sinc.<5<_ su oeixsssasa 2 min-vanaf l-assj ROMOfe LJTH.rt4RKC:/..3 CtNTR: STfiriCNiNj ïiii» LICHT-en KOOKEAS Zonder Leiding. Uselmonde. (Telef. Int. Mo. 4022 Net Rotterdam). -i- -s- -s Koopjeslijst gratis op aanvraag DRAISMA -vajt VALKENBURG’S levertraan-: LEEUWARDENS DE LOCHEMSCHE COOP. ZUIVELFABRIEK verzendt haar prima ROOMBOTER direct aan consumenten, door het seheele Rijk. Depót te AMSTERDAM: DE CLERCQSTRAAT 9. SUIKERZIEKTE. Mij. ORVIËTANOSE, Nicolaïstraat 23, den Haas. Na een driejarig bestaan kan men spreken van burgerrecht. Orviëtanose heeft dit recht verkregen temeer nu een bekend en geacht medicus te Haarlem, de Heer F. Lochnaar Docter, deze Orviëtanose in een open brief, die op aanvrage gratis wordt toegezonden, aanbeveelt. Importeur der Echte DOURO-PORTWONEN. Neemt proef met onzen Tafelwijn: Médoc Supérieur, f0.70 per Flesch, f30.- per Anker. A. HOOGENDDK Jz. VLAARDINGEN. Het in de dagbladen zoo gunstig door H.H. Doctoren aanbevolen en beoordeelde recept voor Haarwater: BAYRUM 85 — LIVOLA DE COMPOSEE 30 MENTHOL CHRIST I. is verkrijgbaar bij: Th. R. DE ZWART, Drogist, Nassaukade 361, Amsterdam. Utrecht: DE ZWART & Co. Nobelstraat 24. Per flacon van 125 gram f 0.90, van 250 gram fl.50 American Importmg Co. AMERICAN MANUFACTURERS AGENTS 197. KEIZERSGRACHT. AMSTERDAM. Wensclit U voor Uwen zoon eene goed-bctaalde en aangename positie, met weinig kostbare opleiding, vraagt dan ons Prospectus. — De nieuwe cursus is 5 Januari aangevangen. The Rotterdam Wireless Training College (Eenige vak- en vormschool voor«Draad!ooze Telegrafie in Nederland). GcbOUW PLAN C, ingang Gelder scheslraat IOB (achterzijde Beursstation). tn^lTTEpALESTinA Pü z"zVqlle . Za< 'QRTWUn -A 65CENT PER kCHTE rtATüURWUfl------ Flesch PALESTinAVJun TyP£ (MtB0C) T^w^OniESS^^^nT ^AARTOLBLSTL rRAHSCHLWunLnn.B.fLLXHWQRDThlEÏBüttO)üiA5CLhTTERU6GEnOMLn. Vraagt Uw kruidenier of Comestibleshandelaar De Wijnen der Compagnie PALESTINA - ROTTERDAM Willemskade 3-7 Telefoon 941. Roode en Witte Port 75 Ct. p. fl. Type Médoc 50 99 99 99 Barsac (Witte Wijn) 65 Ct. p. fl. Samos . . 80 >9 99 99 GOODRICH-Bandcn. Gebr. DE WILDE, Rubber, AMSTERDAM. NEDERL. ROTOCRAVURE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN
PDF
Nummer
1915, nr.4, 13 jan. 1915
Blad
09
Tekst
No. 4 (2fib) 13 Januari IMS. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.073 UITGAVE A. W. SUTHGFF’S U1TGEVERS-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN - RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. 1. DE ENGELSCHE KOLONIALE TROEPEN IN EGYPTE AUSTRALISCHE VRIJWILLIGERS IN EEN KAMP BIJ DE PYRAMIDEN DE ENGELSCHE KOLONIALE TROEPEN HEBBEN DE BEZETTING VAN EGYPTE VERSTERKT. Zij hebben een kamp opgeslagen aan den voet der Pyramiden. Hoe nietig klein lijken deze menschen in vergelijking met deze eeuwenoude bouwwerken.
PDF
Nummer
1915, nr.4, 13 jan. 1915
Blad
10
Tekst
et terugtrekken der Oostenrijkers uit Servië en vooral uit Belgrado, en daarna het gerucht dat het bombardement van Belgrado opnieuw begonnen was, heeft wederom de aandacht gevestigd op het Servenland, en zonder zich aan overdrijving schuldig te men gerust zeggen, dat den Servischen in de laatste jaren bijna voortdurend in alle lof toekomt voor hun maken, kan krijgers, die den strijd gewikkeld waren, dapperheid en hun uithoudingsvermogen. Wij twijfelen er dan ook niet aan of onze lezers stellen zeker belang in. de bijzonderheden van Servië, die wij hieronder geven, aan de hand van het in 1913 bij de N.V. A. W. SijthofPs Uitgevers-Maatschappij uitgegeven uiterst interessante werk van Gos de Voogt, over Servië en de Serviërs. Een der meest op den voorgrond tredende karaktereigenschappen van de Serviërs, is de onbedwingbare drang naar eenheid, door aansluiting van het ras der Serven. Eeuwenlang is die natuurlijke drang onderdrukt geworden door de overheersching der Turken, maar sedert 1804, toen de eerste vrijheidsoorlog plaats vond, is het geheele volk, met heldenmoed bezield, begonnen om aan dat nationaal verlangen te voldoen. Alle Serviërs hebben dit thans tot levensdoel, zoo zegt de heer de Voogt in zijn boek. Met ongekende kracht heeft zich nu in onzen tijd in Servië en bij alles wat Serviër is, dat doel, ras-vereeniging, doen voelen. Elke prikkeling van buiten, elke tegenwerking, versterkt slechts dien Servischen wil. De Serviër buigt soms, maar breekt nooit. Deze volkseigenschap is zóó duidelijk waarneembaar, dat men slechts een paar weken in dat land behoeft te vertoeven en intellectueele Serviërs behoeft aan te hooren, om daarvan diep overtuigd te worden. Een volk kan bijzonder veel nationaliteitsbesef, veel vaderlandsliefde bezitten, of, zooals de Japanneezen, een volkseigenschap hebben voor geheelen zelfopofferingszin voor zijn geestelijken of wereldschen vorst, maar toch, reeds een groot en vereenigd volk zijnde, overigens geen buitengewone, sterke verlangens toonen om zijn ras +e vereenigen tot een grooter geheel. Niet zoo de Serviër. Buiten Servië wonen nog millioenen Serven; alleen in Oostenrijk waren er vóór den oorlog reeds 7 millioen. Die rasgenooten vereenigen, ziedaar het levensideaal van den Serviër in onze dagen. In het wapen van het hedendaagsche Servië wil men in de 4 ,,vuursteenen” ook vier letters zien, namelijk de 5. Daaruit is de spreuk gevormd 5amo 5rbin 5rbina Spasava, hetgeen dan beteekent: Slechts de Serviër redt (behoudt) Servië. Iets wat in dit land heel sterk tot uiting komt is de familiegemeenschap (Zadruga) die zich uit door het onder één dak wonen van een geheele familie. Tot de 19e eeuw was de drang naar persoonlijke zelfstandigheid niet groot bij de Serviërs en doordat de belastingen niet per hoofd maar per gezin geheven werden, kon die familie- of huisgemeenschap zoolang blijven bestaan. Feitelijk was die Zadruga de basis van het oud-Servische familieleven, doch had niet het patriarchale karakter dat in sommige herdersvolken den boventoon voerde. De Serviër en in het algemeen de Slaven vertoonden nimmer het echte nomadenleven. Hun hoofdbedrijf, de landbouw, maakte het noodzakelijk, dat zich familiegroepen vestigden in bepaalde streken en daar bleven. Die groepen hadden eigen bezit en werkten uitsluitend daarvoor — en vormden het werkwoord zamenvoegen). Zadruga’s vormzoo ongeveer in den vorm familie’s hadden ieder een Zadruga’s (van Zadrugiti, teVerschillende den een stam, der Schotsche Clans. Die hoofd, maar die Paterook al uit gewoonte, onmiddelijk bij het naderen der mannen, uit haar zittende houding opstaan, toch is de positie der Servische vrouw ongetwijfeld veel beter dan die der Turksche en zelfs dan die der Bulgaarsche. familias had geen onbeperkte autoriteit over zijn verwanten. Dat lag en ligt niet in den aard van den Serviër om zich door één persoon te laten gezeggen! Hij voelt zich deel van de gemeenschap en wil alleen daardoor, i.c. door zijn volk, geregeerd worden. Vroeger telde een Zadruga soms veel meer dan honderd leden; thans zijn de Zadruga’s kleiner, maar zij handhaven zich nog, vooral in het Noorden en Noordoosten. Zij verdwijnen echter meer en meer naar de zeer verwijderde, niet aan de hoofdwegen liggende deelen van het land en daar de nieuwe Servische wetten, als copiën van die van Westersche landen, geen rekening ermede houden, wordt hun bestaan ook niet voldoende meer gesteund. Voor '60 jaar waren er evenwel nog wel huizen, waar 50 a 60 personen samen woonden, bijv. een vader met 9 a 12 getrouwde zoons, plus hun kinderen. In zulxe communale huizen waren alle vakkundigen, voor den landbouw noodig, aanwezig als: smeden, wagenmakers enz. Een zeer mooi oud-Servisch gebruik, thans nog in eere, is het sluiten van broederschap tusschen twee DE KROONPRINS VAN SERVIË (tweede van rechts) met zijn staf in het veld. mannen cf jongelieden voor het leven. Twee mannen door den broedereed verbonden en ten oorlog gaande, verlaten elkaar in het geheel niet. De een offert zich zoo noodig, geheel voor den ander op. Na den dood van een der twee wordt de overlevende door de familie van den doode geheel en al als een echte broeder beschouwd. De plechtigheid van den broedereed geschiedt soms kerkelijk, voor het altaar en werd vroeger dikwijls bezegeld dóór het drinken van een glas wijn, waarin men een paar druppels bloed van de „broeders” had laten vallen. Bij de Serviërs is deze broederschap heilig en eindigt nimmer, ook niet door den dood. Een wet verzekert zelfs zekere rechten aan den overledene. De Servische boer of landbouwer moge zijn vrouw, uit gewoonte achter zich laten loopen en de vrouw moge, De dapperheid der Serviërs is onbetwistbaar, maar bij hun doodsverachting moet wel het volgende, voor een goede beoordeeling daarvan, in aanmerking genomen worden. De Serviër is zeer bijgeloovig en heeft een groot getal heiligen en een correspondeerend getal heilige dagen. Hij en de zijnen staan daarmee, in gedachten en woorden, onophoudelijk in relatie. In verband met die gedachten aan God, Christus en den Heiligen Geest, Heiligen, nymfen, goede en kwade geesten, is de dood hem niet schrikaanjagend. De Serviërs, die het Christendom in kinderlijken eenvoud aanvaarden, gelooven absoluut en zijn doordrongen van een geestelijk leven — hoe onontwikkeld de meesten, b.v. de boeren, ook nog zijn gebleven. Zij vinden het denkbeeld doodeenvoudig, al begrijpen zij er niet veel of niets van. Zij achten de voor ons niet te omvatten eeuwigheid even gewoon als wat zij van de voel- en tastbare wereld zien en — misschien — ook niet begrijpen. Wanneer zijn dood nadert, vraagt hij iedereen vergiffenis en ... sluit de oogen. * * ♦ De nu door de bombardementen verwoeste hoofdstad van Servië, heeft ook al heel wat te lijden gehad. Van wit gesteente werd Belgrado gebouwd, maar zelfs haar muren en versterkingen hebben wonderlijke krijgsavonturen moeten beleven. In de 12e eeuw dèed een koning der Hongaren, n.1. Stephan II, die de stad veroverde, al die muren afbreken en de steenen naar de overzijde der Save brengen. Daar liet hij er Zimony mee bouwen (’t tegenwoordige Semlin) maar, wonderlijke vorstengrillen, een keizer van Byzantium, Manuel geheeten, veroverde weer dat Zimony in 1154 en liet de witte steenen in schepen wederom naar den overkant brengen en op den vestingberg van Belgrado daarvan een kasteel bouwen. En die witte steenen waren heel vroeger nog gehouwen door de Romeinen. Aan de zijde van Hongarije stond een toren, genaamd de Ne-boj-se, wat beteekent: Ik vrees u niet. Dit moge op een vijandschap wijzen, die de Serven den Hongaren toedroegen, haat spreekt uit het Oostersche spreekwoord, dat de Serven gaarne gebruiken, wanneer gesproken wordt over de Turken: „Waar de Turk zijn voeten heeft gezet, groeit het gras nooit meer”. Ongetwijfeld zullen, ook door dezen oorlog, wederom de grenzen van Servië veranderingen ondergaan, hetzij ten voor- of ten nadëele, maar zooals de toestand op het oogenblik is, hebben de Serven hun tegenstanders wel laten gevoelen, dat zij een niet te onderschatxen vijand zijn. Hoe zal het einde van dezen nieuwen Balkanoorlog zijn? Zal Servië zich moeten buigen voor den overmachtigen vijand en zullen de andere staten in den heksenketel rustig blijven? Op deze vragen kan op dit oogenblik nog niemand een beslist antwoord geven. EEN SERVISCH KAMP. In de woeste onherbergzame bergstreken wordt een vallei gezocht, waar het kamp wordt opgeslagen. f DROEVE TERUGKEER. Een Servische familie, die na het uitdrijven der Oostenrijkers terugkeert, vindt huis en goed totaal verwoest. De Serviërs en hun gewoonten
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1286 tot 1290 van 11897