|
PANDRAMA 22 —
EEN MISLUKT HUWELIJKSA
ANZOEK. DRAMAT1SCH-COMISCHE
.SCHETS DOOR COR Z.
ben ten volle overtuigd, dat de grief die ik
tegen mijn zuster, Mina Bartels, heb, volkomen
gerechtvaardigd is; en ik geloof dat
als ik alles verteld heb, de verstandige lezer
het volkomen eens met mij zal zijn. Ik vraag
niet om zijn sympathie, want ik ben oud
genoeg en, meen ook wijs genoeg, om het zonder dat soort
van gevoelens te kunnen stellen.
Het begon met een brief van mijn zuster Mina : of ik
mijn nichtje Koba een week of zes bij mij wilde hebben ?
Nu had ik al meermalen bij mijzelven den
wensch geuit, dat het wel aardig zou zijn mijn
eenig nichtje eens te logeeten te hebben, en
warempel daar deed zich op het onverwachtts
de gelegenheid voor.
Op iederen anderen tijd van het jaar zou ik
oogenblikkelijk naar Gouda getelegrafeerd
hebben : „Zend ’t nest per ommegaande!”
Want als je acht en veertig bent, en ongetrouwd,
met slechts een enkele zuster, en een
drietal familieleden uit den negenden graad,
nou, dan ga je wel wat gevoelen voor zoo’n
jonge twijg aan je familiestam. Maar .... er
waren omstandigheden, die de komst van
mijn nichtje op dat oogenblik minder gewenscht
maakten. Ik zal het maar eerlijk bekennen : ik
was verliefd 1 Wablief ?
Neen, niet precies voor de eerste maal,
maar ik had heel ernstige intenties. En bovendien,
ik was vast besloten mij niet onder mijn
duiven te laten schieten door zoo’n windbuil
als kapitein Vermaas, notabene een ouwe klaplooper
van twee en vijftig jaar. Hoe durfde
zoo’n vent nog aan trouwen denken.
Het is mij niet mogelijk u een nauwkeurige
beschrijving van de vrouw, die ik liefheb, de
weduwe Kroon, te geven. Laat het u genoeg
zijn te vernemen, dat ze van middelbare grootte
was en naar mijn smaak een knappe vrouw.
Nou ja, ze had eenige rimpels onder de oogen,
maar is dat te verwonderen bij een vrouw,
die vijftien of zestien jaar gebonden is geweest
aan een onmogelijken kerel van een echtgenoot,
die op het laatst van zijn leven eigenlijk
pas een goed ding deed, namelijk: er uit te
stappen? Tot zijn verontschuldiging moet ik
nog opmerken, dat hij de zijde van zijn vrouw
niet verliet, alvorens haar een flink fortuin te
hebben nagelaten, als compensatie voor de
minder gelukkige huwelijksperiode.
Het was, zooals. gezegd, een groote erfenis.
Ik heb het testament gezien; ze liet het mij
lezen met tranen in de oogen. Daarmede, met de tranen
namelijk, veroverde zij mijn hart.
Het was natuurlijk een goed voorteeken dat zoo’n charmante
vrouw — ze is pas zeven en dertig — de buitenpaats
„Nora” kocht, die in de nabijheid van de mijne gelegen is.
Ik ben geen fatalist, maar een man kan toch niet helpen
dat hij het als een voorteeken gaat beschouwen als zulk
een verleidelijk wezen je buurvrouw wordt. Natuurlijk hadden
we spoedig kennis met elkander gemaakt en we waren
al heel goede vrienden geworden, toen Mina mij den brief
schreef betreffende mijn nichtje Koba.
De lezer zal dadelijk het onaangename van het geval
begrijpen. Koba was twaalf jaar of daaromtrent en voor
haar leeftijd vrij bij-de-hand. Ik wil niets van haar opvoeding
zeggen, maar ik twijfelde niet of daar ontbrak wel
een en ander aan. Nu mocht ik toch het gevaar niet loopen,
mevrouw Kroon in kennis te brengen met een kind, dat
den neus optrekt of op haar nagels bijt.
Voordat ik evenwel tot het besluit gekomen was haar
af te schrijven, ontving ik van mijn zuster een tweeden
brief, waarin ze me meedeelde dat ze mijn nichtje al naar
me toegezonden had, overtuigd dat ik haar met vreugde
zou ontvangen. Ze had haar op den trein gedaan, aan de
hoede van den conducteur aanbevolen en verzocht mij
nu haar aan het station, af te halen.
Ik aanvaardde dus, in vredesnaam, de mij opgelegde
taak. Mijn nichtje was eerst een beetje verlegen en antwoordde
niets dan „ja, oom”, „nee, oom”, op de talrijke
vragen die ik haar deed. Ze viel mij wat haar uiterlijk
betreft overigens wel mee : ze had voor haar leeftijd dik
lang haar, een paar mooie oogen, die heeft ze van onze
familie, en een wipneus. Die wipneus heeft ze van haars
vaders kant. Ik vind dat ze op die erfenis niet grootsch
behoeft te zijn; doch overigens had ik niets tegen haar.
Doch laat ik mijn verhaal vervolgen :
Ik heb je al verteld van kapitein Vermaas, .is ’t niet?
De oude schavuit doet niets dan kaartspelen en jagen. Ik had
nog geen drie weken kennis gemaakt met mevrouw Kroon of
ik had al doorzien wat zijn plan was. Hij kwam mij bijna
iederen dag, te pas of te onpas, bezoeken en had telkens
een of andere uitvlucht gereed. Het was natuurlijk alles
DE INDISCHE TULBAND.
Engelsche modejuffies toonen haar vaderlandslievende gezindheid ook in haar kleeding.
De Indische tulband maakt op het oogenblik in Londen opgang.
ter wille van mevrouw Kroon en ik had dan ook de grootste
moeite mijzelven te weerhouden hem aan te raden zijn
anker ergens anders uit te werpen. Het mooiste was' dat
hij zich verbeeldde, indruk op mijn buurvrouw gemaakt
te hebben. Zoo’n ouwe gek 1 Hij leek minstens tien jaar
ouder dan ik met zijn grijs haar en' baard. Neen, dan zie
ik er geconserveerder uit, ik heb geen enkel grijs haartje,
het mijne is bruin, dat is te zeggen op zij, want bovenop
is mijn kruin spiegelglad; dat is geleerd. Wat voorts Vermaas’
hersens betreft, hm, daarover zal ik maar zwijgen;
dat kan ik je wel vertellen, dat ons beider verstand staat
in omgekeerde evenredigheid met onzen haardos.
Toen hij mijn nichtje Koba voor het eerst zag, riep hij
met zijn bromstem : „Ho, ho, we zullen gauw goeie vrienden
worden!” Hij gaf mijn nichtje een arm en ging met haar naar
de eetzaal. Hij verveelde mij met de vele vragen die hij
het kind deed. In tien minuten wist hij dat ze op de gewone
lagere school was, dat haar moeder maar een dagmeisje
hield en tal van andere dingen. Wat ’n impertinente vent.
Toen hij evenwel aan haar vroeg, waarom zij zoo onverwacht
naar Beek gekomen was, snoerde ze hem den
mond met een gepast antwoord.
„Dat is een geheim,” zei ze met een kleur op de wangen.
„Mooi!” riep ik uit, niet zonder leedvermaak. „Ze is
niet gewend om met vreemden om te gaan. Uw hofmakerij
is dus aan een verkeerd adres.” Als hij maar de minste
hersens gehad had, zou hij de ironische beteekenis van het
woord „hofmakerij” begrepen hebben. Hij nam mijn woorden
echter op als een compliment.
„Ja, ja, je hebt gelijK,” lachte hij. „Kindlief, je bent
volkomen veilig bij mij. Een ander is je al voor geweest.
Mijn liefdevol hart is al weggeschonken, niet waar, Kareisen.”
Op dit oogenblik verloor ik mijn geduld haast.
„Het zal de vraag zijn, of de zoo onbenullige gift geaccepteerd
wordt!” antwoordde ik woedend.
Hij keek mij echter lachend aan; hij is niet vatbaar voor
een beleediging 1 Ach, ’n kerel zonder karakter. IR liep
van ergernis de kamer uit en hiervan maakte hij gebruik
om Koba op zijn knie te nemen en haar uit te vragen als
een oude baker. O ! als ik alles geweten had. Toen ik weer
terugkwam, was hij vertrokKen.
„Oom Rudolf,” zei Koba, „ik houd heel veel
van mijnheer Vermaas. We hebben geheimen
met elkander gewisseld.”
„Geheimen ?” vroeg ik. „Heeft hij die dan ?”
„O, ja, heel veel,” antwoordde zij „Hij zei
hij was verliefd — op zijn leeftijd. Ik zei dat
ik dat erg grappig vond voor een ouden man;
maar zij is zeker ook oud, is ze niet ?”
Je ziet, nu had ze haar tong wel tot haar
beschikking. En wat een onderwerp om met
zoo’n nesthaak te bespreken. „En wat heb jij
hem voor geheimen verteld ?” vroeg ik haar.
„O, dat mag ik u niet vertellen, oom,” zei
ze. „Ik mag het werkelijk niet. Ik moest het
hem stellig beloven. En toen keek hij op zijn
horloge, zei „Vaarwel, beste kind!” en ging haastig
heen. Hij liep hard en dat voor zoo’n ouden
heer.”
Ik drong niet verder bij haar aan. Och, waatvoor
ook ? Wat konden mij eigenlijk de kinderlijke
kletspraatjes over een pop of een soortgelijk
gewichtig onderwerp schelen? Ik was dan
ook spoedig het geheele gesprek vergeten.
Een uur later sprak ik mijn tuinman en
die vertelde mij dat hij den kapitein als een
razende had zien wegrijden.
„Of de duivel op z’n hielen zat, m’neer,”
zei de man, „reed hij de plaats af.”
Och, het liet mij koud hoe en waar hij
heenreed. Ik betrapte me zelfs op den hartgrondigen
wensch dat hij naar de hel mocht
rijden of den nek breken. Een dwaze wensch,
die echter zonderling genoeg bijna in vervulling
kwam, want dienzelfden avond hoorde ik dat
de kapitein in de nabijheid van mevrouw
Kroon ’s buitengoed een val van het paard gedaan
had en bewustelooshet landhuisingedragen was.
Nu vraag ik den verstandigen lezer, wat hij
zou gevoelen als hij zoo’n bericht hoorde. Op
mijn woord, de kerel was in staatom zijn heele
verdere leven bewusteloos te blijven, alleen om
door mevrouw Kroon verzorgd te worden.
„Koba,” zei ik tegen mijn nichtje, „we zullen morgen
vroeg naar het buitengoed „Nora” rijden en — ik hoop
dat je heel- lief tegen mevrouw Kroon wezen zult.”
Ze beloofde me dat. Haar gedachten werden overigens
geheel in beslag genomen door het ongeluk dat den kapitein
getroffen had.
„Arme man, oom Rudolf,” zei ze. „Is ’t niet vreeselijk ?
En hij was juist van plan om een huwelijksaanzoek te
doen. Ik hoop dat het niet ernstig wezen zal.”
Ik kon haar natuurlijk voor haar onschuldige kinderpraat
niet terechtwijzen. Het ergerde mij haar op deze wijze
over hem te hooren praten, ik zei nochtans niets.
Toen het kind naar bed was, bleef ik nog eenigen tijd
over het voorval zitten mijmeren. Ik had geen lust om aan
den kapitein vrij spel te geven en mij de bruid door hem
te laten afsnoepen, terwijl hij zich daar verplegen liet.
Bovendien was ik overtuigd dat hij, zoo’n dikhoofdige kerel,
uit een bewusteloosheid zou ontwaken, die mij, bij voorbeeld,
tot mijn vaderen verzameld zou hebben. Ik moest dus zoo
spoedig mogelijk mevrouw Kroon gaan bezoeken, hoewel
ik mijzelven bekennen moest dat de uren, die hij voor had
een leelijke handicap voor mij waren.
Na alles nog eens goed overwogen te hebben, besloot
ik mevrouw Kroon den volgenden morgen ten huwelijk
te vragen.
AFD. WIELRIJDERS V. D. VR1JWILLIGEN LANDSTORM TE HILVERSUM
Dit korps onder bevel van Kapt, v. d. Bergh, telt verscheidene belangrijke personen onder zijn gelederen. O.a. Jhr.
Jan Feith, de bekende schrijver; Henri v. Boven, de belletrist, verder vele studenten enz.
KUNSTAVOND TEN BATE VAN HET STEUNCOMITÉ 1914-,
op Zaterdag 19 December in de Zalen van het Schilderkundig genootschap „Pulchri Studio” den Haag. Deze
avond was georganiseerd door den dansleeraar Gérard J. v. d. Mark. Zeer keurig werden de verschillende dansen,
door voornoemden leeraar saamgesteld en ingestudeerd, uitgevoerd: o.a. Prinsen Menuet, waarvan hierboven een foto.
|