|
PANORAMA Moderne Danskunst
jacoba van der pas
in „prelude van Chopin”
JACOBA en HELENA VAN DER PAS.
r is een bijzonder genoegen in, eens te midden van den warboel
waarin we aan het einde van het oude en het begin van dit
nieuwe jaar leven, het oog te slaan op ’n vredig, een vreugdevol
hoekje van dit aardsche bestaan, dat te liever aandoet, te
vreugdevoller, naarmate we in het gedrang van het oogenblik
het besef verloren hadden, dat het diepere zoeken van den
menschelijken geest toch meer het geluk zoekt en niet alleen
macht. En indien algemeen als axioma zou zijn aangenomen, dat gelukkig zijn
op zich zelve al ’n macht is, ’n onuitputtelijke bron van macht in de goede
en betere beteekenis van het woord, dan zou het oorlogsstreven zeker spoèdiger
als ’n algemeen verafschuwd bedrijf worden afgeschaft dan thans het geval is.
Dat gelukkig zijn van de menschen, het is ’n vreemde ambitie. Ieder zoekt
het anders. In geen mensch ontbreekt het. Geen mensch is er, die het niet
èrgens in zoekt; de meesten echter zijn er zich niet bewust van, en doemt
de mogelijkheid aan het bezit ervan bij dezen of bij genen op, dan meestal
nog herkennen zij het niet, zelfs niet aan de onrust, die hun ziel ’n oogenblik
besluipt. Ik bedoel maar, dat iedere werkelijk harmonische ongekunstelde uiting
niet gauw populair kan worden, doch steeds zal zijn eerst ’n kostbaar bezit
van ’n kleinen kring menschen, wier aanleg hun het voorrecht heeft geschonken,
om van de bloemen, die in ’s werelds wonderen tuin in kleine
hoekjes nog ongerept zijn gebleven, te genieten, als van ’n weerspiegeling
der Paradijs-tuinen van weleer.
Die Paradijs-tuinen, ze moeten heerlijke scheppingen van rijkdom en schoonheid
op alle gebied zijn geweest. En ik kan me dan ook voorstellen, dat
als we geschapen zijn om in die tuinen, dat paradijs van kleur, van licht, van
bloemen en planten, schitterend in de zon, wier licht we ons voorstellen
als ’n gouden val over al die heerlijkheid gespreid, toch als het hoogste
aardsche wezen te verblijven, we in ons zelf, in ons verschijnen, onze gebaren,
ons lichaam tenslotte méér aanleg voor ’n leven in schoonheid moeten
hebben, dan we zoo oogenschijnlijk en uiterlijk gelooven te bezitten.
Maar om ons zelven aan ons zelven te herinneren, daartoe dient het in
de Kunst vaak tot uiting gekomene ideaal-gevoelen, en in een der eerste
plaatsen: De Dans. De Dans, dat is de directe uitbeelding van vreugde en
smart, door het lichaam. En zeker zal geen schooner en fijn-besnaarder instrument
gevonden kunnen worden, dat zoo direct tot ons spreekt.
Wèl moeten we in ’n vreemden tijd leven, om thans weer eens in ons
land tot de ontdekking te komen, dat we in den Dans een nieuwe kunst, in
ons lichaam ’n nieuwe uiting dier Kunst hebben gevonden, waar we van
eeuwen terug hetzelfde hadden kunnen leeren. Maar het is nu eenmaal ’n
feit, dat. we zóó overtuigd zijn, dat de oudere volken, die dansten, „heel
anders waren dan wij”, dat hunne beschaving „’n heel andere beschaving”
was, dat we moeilijk slechts de waarheid benaderen kunnen, dat menschen
desondanks menschen blijven, en dat, als we in onzen tijd niet zoo meer
dansen b.v. dan toen, dat alleen maar déaraan ligt, dat we wat kleurloozer
in ons gevoelsleven zijn geworden, wat minder gelukkig dus, enfin, dat we
minder rijk zijn, minder vreugdevol dan vroeger.
Het is dus een verschijnsel van groote beteekenis, dat den laatsten tijd de
dans, als levensuiting in alle stadia, opleeft. En eene verheugenis is het
zeker dat we in ons land thans ook priesteressen van den Dans bezitten,
welker voordracht een groote bron van rijkdom worden kan voor ons aan
spontane uitingen zoo arme omgevina.
***
Het dansen van Jacoba en Helena van der Pas is zeer bijzonder. Het is
van ’n bijna beschavenden eenvoud, die je heel de quasi-gecompliceerdheid
van zekere kunstenaren al direct als leegheid doet gevoelen. Het publiek
van de soirée, die ik bijwoonde, was ’n prettig luid-babbelend publiek, waar
je je bij het binnenkomen voelde als op de een of andere fancy-fair. Dat
kwam omdat dien avond Jacoba van der Pas ook met hare leerlingen
danste en het publiek dus ’n zeker onder-onsje vormde, dat alle vriendinnetjes
, en vriendjes te zamen had gebracht onder het gastvrije dak van Diligentia.
Het gaf ’n uiterlijke feeststemming. Was de voorstelling niets geweest,
dan had dit oppervlakkig vriendelijk publiek van aardige meisjes en vriendelijke
vrouwen, van welwillende heeren en nog jonge kinderen gauw het
geheel den indruk van ’n diletantenvoorstelling gegeven. Maar te fijner, te
blijer, te échter, deed daarop het dansen aan, toen we direct juffrouw van
der Pas, met twee harer leerlingen en haar zuster, in ’n wals van Strauss
op het in zeer stemmige kleuren gedrapeerde tooneeltje zagen optreden.
Je allereerste indruk van dat vlinder-lichte en zomerkleurige was ’n loodzwaar
gevoel van jezelf, 'n soort schaamte over je eigen leelijkheid, zooals
je daar op je stoel zat in je colbertje, tegenover die gracielijke en gevoelige
bewegingsschoonheid op ’t podium. Je voelt je onfrisch, lomp, zwaar; zoo
moet ’n nijlpaard zich voelen bij het zien stappen van ’n rosen ibis aan
den Nijloever. Maar dien eersten indruk vergat je door het bewegen der
meisjes, die licht en kleurig, dansten op de muziek van Strauss. Het lichtste
van de vier was Jacoba; haar dansen is dat als van ’n libel boven’n glanzend
vijveroppervlak. Haar zuster Helena is bezonkener in hare bewegingen,
forscher, en door haar lichaamsbouw, ernstiger. Het dansen van Jacoba is
teerder, het ontroert door het teere, zoowel in de vertolking van vreugde,
als in die van smart, (zooals in de Prelude van Chopin). Dat van Helena
is minder ontroerend misschien, maar plastisch grooter. In Jacoba leeft de
dans, geheel en ondeelbaar, zóó sterk, dat de vreugde en de smart in haar
opleven, zij er de draagster van wordt.
Zoo muntte ze uit in de Tanz van Scharwenka, Helena, als ’n jongen.
Gaven ze samen in de Frühling van Grieg, ’n heerlijk ensemble, dat met
de Invitation & la Valse van Weber, eveneens door hen beiden gedanst,
een der mooiste gedeelten van den avond vormde. Het is werkelijk een
genot, zoo blij als het harmonisch bewegen in den dans je maken kan.
Het maakt, dat je weer ’n oogenblikje langer gelooft in wat geluk door
schoonheid, het geeft je weer opnieuw geloof in de bron, die je in je zelf hebt
meegekregen, en waarheen de meeste menschen den weg hebben vergeten.
De rondedansen met koor, met de leerlingen samen, ze gaven ’n goed
beeld van de bewegingsontwikkeling, die de meisjes van der Pas hunne
discipelen leeren. Of van leeren is eigenlijk geen sprake. In den grond is
het alleen maar afleeren. Maar de jarenlang aangeleerde stijfheid weer weg
te werken, om weer gewoon te leeren doen, en dat gewoon-zijn weer tot
’n kunst-prestatie te doen groeien, dat is ’n moeilijke, zij het dan ook zéér
loonende taak. En omdat we niet leven in Arcadië, zal het nog wel eenigen
tijd duren, alvorens we, ondanks het streven van de meisjes van der Pas
en hunne bijzondere kunst, ’n mooi volk zijn geworden!
Tot zoover zullen we van hunne kunst als iets ideaals blijven genieter
TOM SCHILPEROORT.
Helena van der pas
in ,/Tanzvan Scharwenka”
n
TAenuet-^allinifeow Trühling-Qrieg
|