Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1276 tot 1280 van 11897
Nummer
1915, nr.2, 6 jan. 1915
Blad
12
Tekst
PANORAMA IN WINTERKLEEDING | TOONEELSTERREN NAAR HET FRONT Zwarte en witte geitenvellen worden als bescherming tegen de barre koude door de Engelsche troepen in Frankrijk gedragen. Zij zijn er erg mee in hun schik en laten zich zóó graag fotografeeren. De bekende acteurs, de heer en mevr. Seymour Hicks. verlieten Engeland met een gezelschap artisten om aan het front door tooneelspel en zang de troepen te vermaken. ’T ZWITSERSCHE LEGER IN MOBILISATIE Een Zwitsersche bergbatterij trekt door de sneeuw. Loopgraven welke in de sneeuw worden uitgegraven en met sneeuw versterkt. Een Zwitsersch infanterie-regiment in een besneeuwd berglandschap. hen zware laak — Een lastpaard door de hooge sneeuw wadend.
PDF
Nummer
1915, nr.2, 6 jan. 1915
Blad
13
Tekst
PANORAMA BELGIË HOLLAND DE ANTWERPSCHE BEZETTING De bekende Brusselsche omnibus, die in den critieken tijd gebruikt werd om passagiers van Öeigië naar Holland te brengen. Duitsche troepen in Antwerpen marcheeren met muziek voorop door de straten der stad. DE KERSTVIERING. Duitsche veldpredikanten hielden in het Stationsgebouw te Antwerpen een toespraak voor de Duitsche bezettingstroepen. OP VERKENNING. Een Duitsche verkenningspost welke het resultaat der artillerie gadeslaat en daarvan aan de batterijcommandanten bericht geeft. EEN BRIEF NAAR HUIS. Een Duitsch soldaat schrijft vanuit de loopgraven een brief aan zijn familie. f AANKOMST VAN DE GEWONDEN. Een Hospitaaltrein brengt nieuwe gewonden naar de barakken in Berlijn. MARS EN DE MUZE. Duitsche soldaten ontvangen zangles in het vrije veld, bewaakt door twee schildwachten
PDF
Nummer
1915, nr.2, 6 jan. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA Moderne Danskunst jacoba van der pas in „prelude van Chopin” JACOBA en HELENA VAN DER PAS. r is een bijzonder genoegen in, eens te midden van den warboel waarin we aan het einde van het oude en het begin van dit nieuwe jaar leven, het oog te slaan op ’n vredig, een vreugdevol hoekje van dit aardsche bestaan, dat te liever aandoet, te vreugdevoller, naarmate we in het gedrang van het oogenblik het besef verloren hadden, dat het diepere zoeken van den menschelijken geest toch meer het geluk zoekt en niet alleen macht. En indien algemeen als axioma zou zijn aangenomen, dat gelukkig zijn op zich zelve al ’n macht is, ’n onuitputtelijke bron van macht in de goede en betere beteekenis van het woord, dan zou het oorlogsstreven zeker spoèdiger als ’n algemeen verafschuwd bedrijf worden afgeschaft dan thans het geval is. Dat gelukkig zijn van de menschen, het is ’n vreemde ambitie. Ieder zoekt het anders. In geen mensch ontbreekt het. Geen mensch is er, die het niet èrgens in zoekt; de meesten echter zijn er zich niet bewust van, en doemt de mogelijkheid aan het bezit ervan bij dezen of bij genen op, dan meestal nog herkennen zij het niet, zelfs niet aan de onrust, die hun ziel ’n oogenblik besluipt. Ik bedoel maar, dat iedere werkelijk harmonische ongekunstelde uiting niet gauw populair kan worden, doch steeds zal zijn eerst ’n kostbaar bezit van ’n kleinen kring menschen, wier aanleg hun het voorrecht heeft geschonken, om van de bloemen, die in ’s werelds wonderen tuin in kleine hoekjes nog ongerept zijn gebleven, te genieten, als van ’n weerspiegeling der Paradijs-tuinen van weleer. Die Paradijs-tuinen, ze moeten heerlijke scheppingen van rijkdom en schoonheid op alle gebied zijn geweest. En ik kan me dan ook voorstellen, dat als we geschapen zijn om in die tuinen, dat paradijs van kleur, van licht, van bloemen en planten, schitterend in de zon, wier licht we ons voorstellen als ’n gouden val over al die heerlijkheid gespreid, toch als het hoogste aardsche wezen te verblijven, we in ons zelf, in ons verschijnen, onze gebaren, ons lichaam tenslotte méér aanleg voor ’n leven in schoonheid moeten hebben, dan we zoo oogenschijnlijk en uiterlijk gelooven te bezitten. Maar om ons zelven aan ons zelven te herinneren, daartoe dient het in de Kunst vaak tot uiting gekomene ideaal-gevoelen, en in een der eerste plaatsen: De Dans. De Dans, dat is de directe uitbeelding van vreugde en smart, door het lichaam. En zeker zal geen schooner en fijn-besnaarder instrument gevonden kunnen worden, dat zoo direct tot ons spreekt. Wèl moeten we in ’n vreemden tijd leven, om thans weer eens in ons land tot de ontdekking te komen, dat we in den Dans een nieuwe kunst, in ons lichaam ’n nieuwe uiting dier Kunst hebben gevonden, waar we van eeuwen terug hetzelfde hadden kunnen leeren. Maar het is nu eenmaal ’n feit, dat. we zóó overtuigd zijn, dat de oudere volken, die dansten, „heel anders waren dan wij”, dat hunne beschaving „’n heel andere beschaving” was, dat we moeilijk slechts de waarheid benaderen kunnen, dat menschen desondanks menschen blijven, en dat, als we in onzen tijd niet zoo meer dansen b.v. dan toen, dat alleen maar déaraan ligt, dat we wat kleurloozer in ons gevoelsleven zijn geworden, wat minder gelukkig dus, enfin, dat we minder rijk zijn, minder vreugdevol dan vroeger. Het is dus een verschijnsel van groote beteekenis, dat den laatsten tijd de dans, als levensuiting in alle stadia, opleeft. En eene verheugenis is het zeker dat we in ons land thans ook priesteressen van den Dans bezitten, welker voordracht een groote bron van rijkdom worden kan voor ons aan spontane uitingen zoo arme omgevina. *** Het dansen van Jacoba en Helena van der Pas is zeer bijzonder. Het is van ’n bijna beschavenden eenvoud, die je heel de quasi-gecompliceerdheid van zekere kunstenaren al direct als leegheid doet gevoelen. Het publiek van de soirée, die ik bijwoonde, was ’n prettig luid-babbelend publiek, waar je je bij het binnenkomen voelde als op de een of andere fancy-fair. Dat kwam omdat dien avond Jacoba van der Pas ook met hare leerlingen danste en het publiek dus ’n zeker onder-onsje vormde, dat alle vriendinnetjes , en vriendjes te zamen had gebracht onder het gastvrije dak van Diligentia. Het gaf ’n uiterlijke feeststemming. Was de voorstelling niets geweest, dan had dit oppervlakkig vriendelijk publiek van aardige meisjes en vriendelijke vrouwen, van welwillende heeren en nog jonge kinderen gauw het geheel den indruk van ’n diletantenvoorstelling gegeven. Maar te fijner, te blijer, te échter, deed daarop het dansen aan, toen we direct juffrouw van der Pas, met twee harer leerlingen en haar zuster, in ’n wals van Strauss op het in zeer stemmige kleuren gedrapeerde tooneeltje zagen optreden. Je allereerste indruk van dat vlinder-lichte en zomerkleurige was ’n loodzwaar gevoel van jezelf, 'n soort schaamte over je eigen leelijkheid, zooals je daar op je stoel zat in je colbertje, tegenover die gracielijke en gevoelige bewegingsschoonheid op ’t podium. Je voelt je onfrisch, lomp, zwaar; zoo moet ’n nijlpaard zich voelen bij het zien stappen van ’n rosen ibis aan den Nijloever. Maar dien eersten indruk vergat je door het bewegen der meisjes, die licht en kleurig, dansten op de muziek van Strauss. Het lichtste van de vier was Jacoba; haar dansen is dat als van ’n libel boven’n glanzend vijveroppervlak. Haar zuster Helena is bezonkener in hare bewegingen, forscher, en door haar lichaamsbouw, ernstiger. Het dansen van Jacoba is teerder, het ontroert door het teere, zoowel in de vertolking van vreugde, als in die van smart, (zooals in de Prelude van Chopin). Dat van Helena is minder ontroerend misschien, maar plastisch grooter. In Jacoba leeft de dans, geheel en ondeelbaar, zóó sterk, dat de vreugde en de smart in haar opleven, zij er de draagster van wordt. Zoo muntte ze uit in de Tanz van Scharwenka, Helena, als ’n jongen. Gaven ze samen in de Frühling van Grieg, ’n heerlijk ensemble, dat met de Invitation & la Valse van Weber, eveneens door hen beiden gedanst, een der mooiste gedeelten van den avond vormde. Het is werkelijk een genot, zoo blij als het harmonisch bewegen in den dans je maken kan. Het maakt, dat je weer ’n oogenblikje langer gelooft in wat geluk door schoonheid, het geeft je weer opnieuw geloof in de bron, die je in je zelf hebt meegekregen, en waarheen de meeste menschen den weg hebben vergeten. De rondedansen met koor, met de leerlingen samen, ze gaven ’n goed beeld van de bewegingsontwikkeling, die de meisjes van der Pas hunne discipelen leeren. Of van leeren is eigenlijk geen sprake. In den grond is het alleen maar afleeren. Maar de jarenlang aangeleerde stijfheid weer weg te werken, om weer gewoon te leeren doen, en dat gewoon-zijn weer tot ’n kunst-prestatie te doen groeien, dat is ’n moeilijke, zij het dan ook zéér loonende taak. En omdat we niet leven in Arcadië, zal het nog wel eenigen tijd duren, alvorens we, ondanks het streven van de meisjes van der Pas en hunne bijzondere kunst, ’n mooi volk zijn geworden! Tot zoover zullen we van hunne kunst als iets ideaals blijven genieter TOM SCHILPEROORT. Helena van der pas in ,/Tanzvan Scharwenka” n TAenuet-^allinifeow Trühling-Qrieg
PDF
Nummer
1915, nr.2, 6 jan. 1915
Blad
15
Tekst
PANORAMA BABY TE KOOP GEVRAAGD. DOOR HENKIE. ij is heel vriendelijk, geloof je ’t niet?” zei de achtjarige Hester tot haar tweelingbroeder Albert, terwijl ze nadenkend met de punt van haar potlood in den mond zat. „Hij doet ’t zeker voor ons!” „Nietes!” „Wellps!” „En ik zeg van niet,” zei haar broeder, boos dat zijn zuster het wagen durfde aan zijn gezaghebbende bewering te twijfelen. „Ik hoorde hem zeggen dat vader de handen al vol had. En toen ik hem vroeg waarmee, zei hij : met babies, kleine man I” „Ook wat. Alsof er ooit te veel babies zouden kunnen zijn. Die lieve kleine dingen! En bovendien, wij hebben toch geen baby gehad ?” „Tante Suze heeft er een,” antwoordde Albert verdrietig. „Ja, de liefste, zoetste snoes. Tante zegt dat ze niet weet wat ze zou moeten doen zonder hem. Het is jammer dat mama er niet een heeft.” „Misschien,” peinsde Albert, „geeft ze hem wel aan mama. Ze is dol op mama 1” Kleine Hester schudde het hoofd. „Weet je wat, Bertie,” zei ze en haar stem daalde tot een gefluister, „ik geloof dat ze nog meer van de baby houdt dan van mama.” „Och loop rond,” antwoordde het lid van het sterkere geslacht vol verontwaardiging. „Alsof iemand meer van een baby zou houden dan van mama. Je bent dom, Hessie 1” Maar Hesterschudde het kleine wijze hoofd, dat de gouden krullen haar over de oogen vielen. „Tante doet het niet!” „Welnu, dan vragen we het haar niet, afgeloopen ! Ze mocht het later eens terug willen hebben. En het is voor mama ook veel pleizieriger een eigen baby te hebben.” „Ja, dat is ’t,” stemde Hester blijmoedig toe. „En Bertie, ik geloof dat dokterVan Kampen er ons wel een brengen zal, als we er hem om vragen. Hij brengt overal zulke schattige babies. De juffrouw uit den banketwinkel om den hoek heeft er ook een van hem gekregen. Het is verleden week gekomen. De zuster van onze keukenmeid dient er en die heeft het ons laten zien. Dat weet je toch wel ?” „Ja, maar het is een vreeselijk klein ding,” merkte Albert op. „Hij moet ons een grootere brengen.” Toen kwam hem op eens iets in de gedachten, waardoor hij zijn zusje beduusd aankeek. „Zeg, Hessie,” ging hij ernstig voort, „we moeten den dokter betalen. Hij brengt geen babies voor niemendal.” „Neen, da’s waar ook,” stemde Hester nadenkend toe. „We moeten hem eerst vragen wat het kost. Hoeveel geld heb jij, Bertie?” Albert haalde beide broekzakken leeg, en daar kwam te voorschijn : een tol, een spijker, een paai eindjes touw, eenige knikkers, een pijp pepermunt, gedeeltelijk afgekloven, en eindelijk eenige halfjes tot een totaal bedrag van drie centen. Zonder iets te zeggen bood hij zijn pijp pepermunt grootmoedig zijn zusje aan, die dadelijk het andere nog intakt gebleven einde de plaats van haar potlood deed innemen. Bertie stond intusschen met een bedenkelijk gezicht zijn kassa te monsteren. „Jammer, ik ‘heb pas een halven cent uitgegeven voor de pepermunt,” zei hij spijtig. „En ik heb van mijn zakgeld wol gekocht voor schoentjes voor tantes baby.” „Het zal lang duren eer we van ons zakgeld genoeg gespaard hebben om een baby te koopen, zou ’t niet,” vroeg Albert. „Zeker wel een heel jaar.” Hesters zonnig gezichtje betrok. „O, neen, zoolang kunnen we onmogelijk wachten. Hoeveel zou een baby wel kosten ?” „Ik denk minstens tien pop.” „Tien pop? Hoeveel is dat, Bertie?” „Och, dommerd ! Tien gulden ! Groote menschen noemen altijd een gulden een pop, maar daar kan jij niet van meepraten.” „Van oom Jan krijgen we met onzen verjaardag zeker ieder weer vijf gulden, maar dat duurt nog meer dan drie weken.” „Hindert niet. We behoeven den dokter niet dadelijk te betalen,” verklaarde Bertie met autoriteit. „Dokters wachten altijd een langen tijd op hun geld. Ik hoorde het dokter Van Kampen laatst tegen vader zeggen.” „Ja maar nog drie heele weken ? Zou de dokter zoo lang willen wachten ? We zouden dan schuld maken, en ik wil geen schuld maken, zelfs niet voor een baby.” „Ik zal hem zelf wel zeggen, dat hij op het geld vast rekenen kan. Oom Jan geeft ons altijd vast vijf gulden ieder. Verleden jaar is het op de spaarbank gebracht. Ik houd niet van de spaarbank,” ging Albert wijsneuzig voort, „maar vader wil het.” „Maar als papa het er weer heen wil brengen, Bertie.” „Wat ben je toch ’n schaap, Hessie! Als vader van de baby hoort, heeft hij natuurlijk liever een baby,” pleitte Bertie vol overtuiging. „Verleden jaar hebben we heelemaal niet over een baby gedacht.” „Nou, dan zullen we den dokter een brief schrijven.” „Ik zal schrijven,” zei Albert vol overwicht. „Neen, jongen, ik. Jij schrijft zoo slordig. Ik schrijf veel mooier dan jij.” „Ja, dat weet ik. Maar ik ben de oudste en ik ben een man. Dat soort dingen wordt altijd door een man gedaan. BEGRAFENIS VAN H.M’s. 1en KAMERHEER Jhr. VAN DEN BOSCH, die de vorige week te ’s-Gravenhage is overleden. — Het vertrek van het sterfhuis. „MET ZACHTEN DRANG”. Te Roermond is er de vorige week êen „vluchtelingendag” gehouden. Er werden speldjes verkocht, waarvan de opbrengst ten bate van de Belgische vluchtelingen strekt. DE KAPEL VAN HET R. K. ZIEKENHUIS te 's-Gravenhage, heeft een heele verandering ondergaan en een vergrooting gekregen. Met ae Kerstdagen is zij opnieuw ingewijd door Deken Wijtenburg. Weet je wat ? Jij schrijft den brief en ik zal hem onderteeke nen. Vaders klerk schrijft ook altijd zijn brieven, omdat vader zoo’n leelijk pootje heeft.” „Goed,” stemde Hester toe en ze haalde uit een schrijfmap een velletje luxe-post met mooie gewerkte hoeken en bovenaan de afbeelding van een kleinen gelen pony. „Het is het laatste velletje wat ik nog heb,” zei ze, er bewonderend naar kijkende. ,,Ik mag dus wel oppassen dat ik niet knoei. Jij moet aan papa vragen, hoe we de moeilijke woorden moeten spellen. Maar zeg hem vooral niet waar het voor is, hoor!” „Natuurlijk niet,” beaamde Bertie. „Het moet een verrassing zijn.” Ei ging met het stellen van den brief een groot gedeelte van den middag heen. Er werd geschreven en nog eens geschreven, voordat de brief waardig gekeurd werd op het mooie papier te woiden overgebracht. Doch eindelijk was ook dit geschied en de tweelingen staarden vol bewondering naar het gemeenschappelijk kunstwerk. „Dat is fijn,” zei Bertie, en hij las nog eens den brief voor: Mijnheer de Dokter, Ik zou graag willen dat u mij zou geven een beebie voor tien gulden. We hebben het noodig den 24sten December voor moeders verjaardag. We moeten een dikke hebben met blauwe oogen en mooi haar. Hij mag geen kaal hoofd hebben als die u bij tante Suze gebracht hebt. Wij geven hem van onszelven. Wanneer kunt u er een brengen ? Uw vriendje, BERTUS DE BRUIN. P. S. Wat is goedkoóper een meisje of een jongen ? Er gingen wel twee'heele dagen voorbij en nog had de dokter geen antwoord gebracht. Daar kwamen de tweelingen hem den derden dag op straat tegen. Ze stormden op hem af. „Een baby ?” zei hij. „Ja ! Ik zal er eens naar uitkijken.” „Maar het is een geheim,” zei Hester ernstig. „Ja, ja, natuurlijk, beste meid. Een groot geheim, hoor.” En de dokter spoedde zich lachend voort. Bertie en Hessie hadden het intusschen zeer druk over hun geschenk. Ze wilden baby den avond te voren thuis hebben, dan zouden ze hem den volgenden morgen vroeg aan moeder geven. Ze wisten echter nog niet waar ze het den nacht verbergen zouden. Daarover moest nog eens goed gepraat worden. Doch wat gebeurt? Die domme dokter brengt den geheelen boel in de war. Hij bracht werkelijk een baby, maar midden in den nacht en wel ongeveer veertien dagen voor moeders verjaardag. Moeder was evenwel vreeselijk blij. Ze dankte de tweelingen herhaalde malen, toen ze bij haar werden binnengelaten om de baby te zien. Ze zei dat het de liefste baby was dien ze ooit gezien had. Bertie en Hessie waren nu toch ook blij. Ze streelden ieder een der zachte kleine handjes en toen ze het een oogenblikje vasthouden mochten, waren ze erg trotsch, omdat ze zoo’n goed idee hadden gehad. Dèt was nu hun eigen baby, dien ze zelf gekocht hadden. Ze vonden het echter van dokter niet erg aardig, dat hij baby niet eeist bij hen gebracht had, maar dat zouden ze hem wel eens vertellen, als ze hem gingen betalen. Den volgenden morgen ontmoette Hester den dokter op de trap en sprak hem er over aan. „Dokter zei: het was zoo’n snoes van een baby,” vertelde ze later aan Bertie, „dat hij het maar dadelijk heeft gebracht. Babies kunnen geen veertien dagen zonder moeder. Hij wist ook niet of hij over veertien dagen wel zoo’n aardigen baby zou kunnen brengen. Want onze baby is een veel beter soort dan andere babies. Hij heeft het bij ons voor de deur gebracht, doch papa wilde hem niet in onze kamer laten om ons niet wakker te maken,” eindigde ze haar verhaal een beetje spijtig. „Nou, ’t is wel een aaidige baby,” betuigde Bertie goedkeurend. „Wel twintigmaal beter dan die van tante Suze.” En Hester was het roerend met hem eens. Toen ze veertien dagen later naar den dokter gingen met de tien gulden van oom Jan zorgvuldig in hun zak, wilde die goede dokter het niet eens aannemen. Hij zei, hij had den laatsten tijd nog al veel babies verkocht en goede zaken gemaakt had en daarom gaf hij hun dien aardigen baby cadeau, maar.........dan moesten ze hem plechtig beloven de eerste vijf jaar niet om een nieuwen baby te komen. „We hebben voorloopig geen nieuwen baby noodig,” zei Albert geruststellend. „Neen,” stemde Hester in. „We hebben nu wat we noodig hadden.” En broeder en zuster lachten vergenoegd en gingen haastig naar hun baby terug.
PDF
Nummer
1915, nr.2, 6 jan. 1915
Blad
16
Tekst
PANORAMA DE STORM VAN 29 DECEMBER IN AMSTERDAM. Groot was de agitatie in de vroege morgenuren. Overal op de grachten omgevallen boomen en afgewaaide dakpannen. Een door den storm geteisterd huis aan de Admiraal de Fuyterkade. Op de werf van de firma Goedkoop werd de stelling, waarop de kiel van het schip ..Ombilin” reeds gelegd was. vernield. IN DEN HAAG. Een der reuzen voor aan het bosch moest voor den orkaan den kop buigen. Hij viel dwars over de tramrails. De wortels van een gevallen boom, welke de Haagsche jeugd direct als speelplaats gebruikte. EEN OMGEWAAIDE BOERDERIJ. Deze boerenwoning te Sloten werd door den storm AFGEKNAPT EN WEGGEWAAID. Een boom. aan het Spaarne te Haarlem, die totaal vernield. door den wind bezweek. DE SCHEEPSRAMP TE IJMUIDEN. Door den hevigen storm is het Zweeasche Stoomschip ,,Irma” totaal ontredderd. De bemanning trachtte zich met de reddingsboot te redden, doch deze sloeg om. Van de 16 opvarenden zijn er slechts 2 levend aan land gekomen. Foto links: Het aan wal brengen van de lijken der verongelukten. Foto midden: De twee geredden met zuster van Lunzen. Foto rechts: Het binnensleepen van het ontrampeneerde schip. MEPiCD! DOTHOD A V1IDU KA A ATCPU ADDI! ITClPkCM
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1276 tot 1280 van 11897