|
EEN JUBILEUM AAN „HET HANDELSBLAD”.
De heer D. Driessen, administrateur van „Het Handelsblad”, vierde 19 Dec. zijn 25-jarig jubileum. Van links naar
rechts dochters v. d. jubilaris, mr. J. Kalff Jr., D. Driessen en echtgenoote, mr. Polak, A. J. Boissevain, Chr. Nuys.
DE NEDERLANDSCHE DROGISTEN BON D.
Den 20sten Dec. hield de Ned. Drogistenbond zijn Alg. Jaarvergadering in Café Neuf te Amsterdam.
da staenen, den ander over hem heen gebogen, het van
bloed druipende mes nog in de hand. Zij was evenwel al
gewend aan dergelijke droeve tooneelen en in een oogenblik
lag ze neergeknield bij den zwaargewonden man.
Eenige minuten gingen voorbij, in stilte, het meisje
met vaardige, zaohte hand de wonde van den bewustelozen
man onderzoekende; de dronkaard als door schrik
versteend, onbeholpen er bij staande en het tooneeltje
aan zijn voeten aanziende met starren, afwezigen blik.
Eindelijk keek het meisje op. „Dank God,” zei ze zacht,
,,de wond is niet doodelijk.”
Op dit oogenblik begonnen de klokken van de St. Paul
te spelen en uit honderden kelen in de naastbijzijnde straten
klonk een vroolijk gezang.
Het was Nieuwjaarsdag; de eerste Januari van 1914.
* ♦♦
De vagebond schrok van deze uitbarsting van vroolijkheid
rondom hem. Hij sloop naar den donkeren hoek en
verdween ongemerkt.
Het meisje ging intusschen voort den gewonden man
te helpen, zoo goed als haar dat in de gegeven omstandigheden
mogelijk was. Eindelijk kwam er een politieagent
aanstappen en hadden degebiuikelijkeondervragingen plaats.
„Ik geloof niet dat de verwonding van doodelijken aard
is,” zei de pleegzuster.
De politieagent haalde zijn notitieboekje voor den dag,
noteerde met ernstig gezicht het uur, de plaats en de opmerkingen
van de verpleegster, maakte een korte beschrijving
van den gewonden man en het jonge meisje en begon
er toen aan te denken dat er ook eenige stappen gedaan
moesten worden, om den vagebond op te sporen.
„Heb je hem den steek zien geven, zuster?” vroeg hij.
„Ik kwam juist te laat,” antwoordde het meisje. „Toen
ik hier aankwam, stond er een man in lompen gehuld met
een mes in de hand over den gewonde heengebogen.”
„Ah !” riep de rustbewaarder uit. „Dat is van belang.”
Hij maakte weer eenige aanteekeningen, toen blies hij op
zijn duitje, waarop spoedig eenige andere dienaren van
Hermandad kwamen aanloopen.
„Er moet een* ambulance gehaald worden,” zei de verpleegster,
die het van meer belang vond op dit oogenblik
den aangevallene te helpen dan den aanvaller te zoeken.
„Ik geloof dat het beste is hem naar het dichtstbijzijnde
ziekenhuis te brengen.”
„Mag ik uw naam ook weten, zuster ?” vroeg de agent
die het eerst verschenen was.
„Muriel Daventry,” zei het meisje, terwijl ze haar mantel
dichtknoopte. „Mary Davenport?” hernam de agent.
„Neen, Muriel Daventry I” zei de liefdezuster nu iets
luider. De gewonde opende nu de oogen.
„Daventry ?” mompelde hij verwonderd. „Muriel Daventry
?” Het meisje keek hem verrast aan.
Ze had den man nog nooit gezien. Nu wenkte de gewonde
den politieagent zich een weinig naar hem over te buigen.
„Ken je me?” vroeg hij.
„Ja, mijnheer,” antwoordde de man. „U is mijnheer
Bray, directeur van de Zuid-Afrikaansohe bank.”
„Juist,” fluisterde de gewonde. „De... man die mij
aanviel mag niet vervolgd worden.”
De agent keek hem verwonderd aan.
„Hieraan kan ik niets doen,” zei hij. „Het recht moet
zijn loop hebben.” Denton Bray fronste de wenkbrauwen.
„Raaskal niet zoo,” zei hij scherp. „Die man moet vrij
blijven, begrepenI Ben ik ernstig gewond ?” vroeg hij
nu zich tot de zuster wendende.
„Ik geloof het niet,” antwoordde zij. „Een dokter zal
het u beter kunnen zeggen.”
„Juist. Ik zal in een paar dagen weer in orde zijn. Die
man was een oud vriend van mij, agent. Hij was beschonken
en wist daarom niet goed wat hij deed.”
De politieman perste de lippen op elkaar, zette een
plechtig gezicht en vergat een notitie te maken.
„Natuurlijk, mijnheer, als het een vriend van u is,”
merkte hij op, „maakt dat een onderscheid ! Er was dus
geen misdadige opzet?”
„Natuurlijk niet,” antwoordde Bray op zwakken toon.
„Ais je hem vindt, geef ik je honderd gulden. Ik wil hpm
helpen weer een nieuw leven te beginnen.”
„Hier is eindelijk de ziekenwagen,” riep het meisje uit
met een zucht van verlichting. „O moogt niet meer praten.
Het zou u kwaad kunnen doen.”
Toen Denton Bray een paar uur later ontwaakte vond
hij zichzelf in een particulier ziekenhuis en bij zijn bed
zat de verpleegster die hem de eerste hulp verleend had.
Hij staarde haar een oogenblik aan met een raadselachtigen
blik, toen sloten zijn oogen zich weer.
Zij vroeg zich voorts verwonderd af, waarom deze man
op zoo eigenaardigen toon haar naam herhaald had en
waarom hij gesproken had van den vagebond als van een
vriend. „U ligt over iets te mijmeren,” zei ze vriendelijk.
„Kan ik wat voor u doen ?”
„Ik geloof dat mijn hoofd in de war is,” fluisterde
hij met een glimlach. „Kunt u mij ook zeggen welke dag
we thans hebben. Ik kan me niets herinneren.”
„Het is thans Nieuwjaarsmorgen,” antwoordde zij.
WIE HELPT ONS ZOEKEN?
WIE HELPT ONS ZOEKEN
naar de moeder van dit Belgische vluchtelingetje? Het kind heet
JEANE VERME1RSCH. — De ouders woonden te Lokeren. De
moeder, Mad. Vermeirsch, bracht het kind bij een oom en tante
te Antwerpen, die er mede vluchtten naar Amsterdam. Het kind
bevindt zich thans in het Luth. Weeshuis aan de Weteringschans
aldaar, waar zeer gaame aanwijzingen worden ingewacht.
„Ah, juist,” zei hij. „Ik was de balansen aan het nazien.”
Hij sloot de oogen weer en scheen na te denken. „Ik
herinner mij dat ik aan klokgelui en gezang hoorde,” ging
hij na een paar minuten met zwakke stem voort. „Het
moet geweest zijn nadat ik gevallen was. Wat was dat?”
„Het was het klokkenspel van de St.-Paul, en iedereen
wenschte elkander een gelukkig Nieuwjaar.”
Hij zag haar met een zonderlingen blik aan. „Wenschte
u ook iemand op dat oogenblik een gelukkig Nieuwjaar ?”
vroeg hij plotseling.
„Ja,” antwoordde zij hem met een glimlach. „Ik wenschte
u in stilte een gelukkig Nieuwjaar en .... en ook den armen
stakkerd, die u aangevallen had en daarover zoo verbijsterd
was.” „Je had medelijden met ons beiden !”
„Ja, om verschillende redenen.”
„Vreemd, heel vreemd,” mompelde hij, „dat we elkander
weer moesten ontmoeten op die plaats en op den tijd dien
we hadden vastgesteld. En toch was het een bloot toeval,
want ik was alles vergeten.”
Zij dacht dat zijn geest aan het afdwalen was.
„U mag niet meer praten,” vermaande zij. „De dokter
zegt wel er is geen gevaar, maar u moet rustig blijven.”
„Maar ik moet praten,” zei hij nu met krachtiger stem.
„U heeft zonder het te weten een rol gespeeld in een wonderlijke
comedie. Uw naam is Muriel Daventry ? Heette
uw vader niet Charlia Daventry?”
„Ja,” antwoordde het meisje. „Vader is reeds vijf jaar
dood. Was hij een vriend van u ?”
„De beste dien ik ooit gehad heb,” was het rassche bescheid.
„Hij leende mij honderd gulden, toen ik niets meer
bezat. Ik geloof, dat die honderd gulden alles was, wat
uw vader en moeder bezaten.” „Dat was juist iets voor
hem,” zei het meisje met» schitterende oogen.
„Ik was een dief,” bekende hij, en toen zij hierop zweeg,
herhaalde hij : „Ik zeg u, ik was een dief en moest het
land ontvluchten en een anderen naam aannemen.”
„Als u een vriend van vader was, is dit niet van belang,”
antwoordde zij eenvoudig. „Vindt u het niet verschrikkelijk,”
vroeg hij op bitteren toon.
„Zoo menigeen doet een misslag, wanneer hij jong is”,
zei ze ernstig. „Ik weet dat u het nu niet meer doen zal.”
„Neen,” klonk het halfluid. „Thans ben ik millionnair.
Sommige menschen zeggen dat beide professies bij elkander
hooren.”
Hij zweeg plotseling, want hij zag dat zijn cynische toon
haar kwetste. Toen begon hij haar te vertellen van haar
vader en van de belofte die ze voor 25 jaar hadden afgelegd.
„Zonderlinge wereld,” eindigde hij min of meer bewogen.
„Charlie was de eenige die zich ernstig had voorgenomen
om te komen. En hij weid hierin door den dood verhinderd.”
Hij zweeg een oogenblik om zijn gemoedsaandoening te
verbergen en ging toen weer kalm voort: „Da man die
mij vannacht aanviel was de derde. Ik herkende hem eerst
toen hij me den steek gaf. Hij was de eenige van ons drieën,
wien het geluk toelachte. Toen ik het land ontvluchtte
was hij reeds een beroemd zanger, en dat is er van hem
geworden .... En ik .... de slechtste van de drie....
had blind geluk I”
„Dan is u Bertiam Wold ?” vroeg ze op belangstellenden
toon.
Hij knikte. „Heb je van mij gehoord?”
„Vader sprak menigmaal van u,” zei zij. „Hij was gewoon
te zeggen dat u een der besten was. Eens herinner
ik me nog dat hij zei: „Bert komt nog eens op de hoogste
sport. Hij is niet iemand om onder te gaan. U ziet hij had
gelijk !”
De harde blik in ’s mans oogen verzachtte. „Zei hij
dat?” vroeg hij nederig.
Den volgenden dag werd er een bedelaar opgehaald uit
de rivier, en de nieuwsbladen deelden mede dat deze man
eenmaal een der beroemdste zangers geweest was. Hij
was evenwel van een zwakke natuur en zioh overgevende
aan den drank was hij als een onverbeterlijk dronkaard
gestorven. De dagbladen meldden voorts dat een vriend
uit vroeger gelukkiger dagen voor een fatsoenlijke begrafenis
had gezorgd. Geen woord werd achter gerept van de
afspraak die een kwarteeuw geleden gemaakt was en zoo
tragisoh was afgeloopen.
Wat Denton Bray betreft, binnen enkele weken was
hij weer aan het hoofd van zijn reusachtige onderneming,
ijverig en waakzaam als vroeger. Niets was bekend geworden
van zijn ontmoeting, dan dat hij een klein ongeval
had gehad, waardoor hij genoodzaakt was geworden eenige
dagen rust te nemen.
Er had in die weinige dagen echter een groote verandering
met hem plaats gehad, een verandering die gevoeld en
gezien werd in honderden kleine dingen. Zijn ondergeschikten
merkten het spoedig tot hun groot genoegen. Hij
was niet meer de ongenaakbare, onverbiddelijke patroon,
maar vriéndelijk, toegevend geworden. De meest gevreesde
en gehate man werd spoedig de meest geachte man.
Zijn vrienden, kennissen, kortom ieder die met hem in
aanraking kwam, waren verwonderd over deze onbegrijpelijke
verandering in ’s mans karakter.
Niemand wist evenwel de reden van dezen ommekeer.
Het was omdat de zachte hand eener jonge vrouw in zijn
gemoed gegrepen had en al het goede dat hij bezat, maar
dat sinds jaren sluimerde, had doen ontwaken.
En die veredelende invloed zou nimmer meer van hem
wijken, want zij werd één met hem. Muriel Daventry trad
in zijn laven op den eersten Januari; dat was zijn Nieuwjaar.
|