Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1266 tot 1270 van 11897
Nummer
1915, nr.1, 1 jan. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA Een gelukkig Nieuwjaar! iriendelijke lezer — de redactie van Panorama wenscht U een gelukkig Nieuwjaar! Een vroolijk, een opgewekt Nieuwjaar zelfs! Lijkt het U lichtzinnig, zulk een wensch te doen in deze tot ernst stemmende tijden? Laten we u dan eerst eens verzekeren dat niemand dagelijks meer aan dien ernst herinnerd wordt dan wij. Kent u ons geheim archief? Neen, nietwaar; het zou anders niet geheim meer zijn. Hebt u onze streng bewaakte gruwelkamer wel eens gezien? Evenmin, zouden we denken, want met zeven grendels is ’t gesloten. Welnu, indien ge in de verschrikkingen daarvan waart doorgedrongen, zoudt ge begrijpen waarom we zeggen mogen dat niemand zoo goed als wij inziet in welke barre tijden we leven. Luister. Ieder uur, ieder oogenblik tikken ons langs onzen specialen telegraafkabel de meest haar-te-bergenrijzende tijdingen in de ooren; ieder uur, ieder oogenblik snellen onze bizondere fotografen met de paniek-achtigste afbeeldingen ons kantoor binnen. „De laatste Rus ligt gesneuveld ter aarde — het kanaal van Suez is gedempt — Portugal heeft twintig legercorpsen in Silezië ontscheept — de Zwitsersche marine marcheert op Przemysl aan — de Engelsche oorlogscorrespondenten spreken de waarheid — door de inundaties in West-België is Berlijn van drinkwater verstoken — de weg naar Tipperary is kort geworden” — en zoo verder. Wij echter, van onze beteekenis bewust, verliezen onze koelbloedigheid niet, weten die berichten te zeeven, die foto’s te schiften, denken er voor alles aan de zenuwen der Panoramalezers te ontzien. Het al te ijselijke, het veel te onrustbarende gaat in het geheim archief, in het verzegeld museum. Alleen redactie-gemoederen zijn tegen zulke schokken bestand. Wij weten veel meer dan wij zeggen willen, lezer. Wij sparen u ’t ergste. Wij lijden voor u. Neen: hoe moeilijk de tijden zijn — ’t is ons maar al te goed bekend. Of is ’t bijvoorbeeld niet reuzen-moeilijk (om een woordvondst, een literaire overwinning van ’t ook in dit opzicht gedenkwaardig jaar’1914 te gebruiken) u tweemaal per week voor een minimum prijs een maximum in koperdiepdruk uitgevoerde actualiteiten voor te leggen? Dus: niet uit luchthartigheid wenschen we u een prettig, genoeglijk jaar 1915 toe. We doen dit, integendeel, omdat we overtuigd zijn dat jaar met ons allen veel gemakkelijker door te zullen komen, wanneer we ons voornemen het blijmoedig, vol hoop en durf in te gaan. We moeten onze stemming maar eens met een stevigen ruk wat hooger opschroeven. Laten we elkaar dus op den laatsten avond en op den nieuwen morgen niet al te somber aankijken, en onze handdruk zij er dan een van mannelijk vertrouwen in de toekomst. Waarlijk, wanneer we elkaar allen een blijden Nieuwjaarswensch brengen, met montere stem en vroolijken oogopslag, een wensch, waarin iets klinkt van: „Kom, we zullen ons er samen wel doorslaan 1” — gelooft ge dan niet dat het iets helpen zal? dat wij elkaar een eindje verder gebracht hebben? dat ook het onplezierige er wat plezieriger zal uitzien? Laten we ’t althans eens probeeren. Maar dan ook eensgezindheid in alles wat ’t belang van ons land, en dus van elk onzer betreft. Dan ook dezelfde eendracht, hetzelfde gevoel van saamhoorigheid, dezelfde onthouding van partijschap, clubgeest en eigenwijsheid die ons in de eerste maanden zoo goed stonden — en zulke nuttige gevolgen hadden. Want in dit opzicht vertoonen zich bedenkelijke teekenen. Koffiehuistafeitjes, societeitsfauteuils en redactiestoelen beginnen alweer de broedplaatsen van de ik-weet-’t-veelbeter-bacil te worden. De eerste schrik is geluwd. Er wordt weer gecritiseerd. Men vindt hier en daar de spraak terug om te beweren dat de hoogere officieren heelemaal niet naar hun gezin en hun eigen bed terugverlangen, integendeel zwelgen in een machtsroes nu ze zulk een ongewoon groot commando voeren; om ons wijs te maken dat het legerbestuur — oudere, bekwame, bezadigde mannen — uit puur pleizier dag en nacht harder werkt dan de betweter z’n heele leven deed; om het te doen voorkomen als ontwikkelde onze regeering haar ontzagwekkende arbeidskracht, als belaadde zij zich met de zwaarste zorgen uit louter bravour. Wanneer deze politieke en militaire beunhazen zwijgen willen, verzekeren we u, lezer, een blijmoedig nieuw jaar. En dan wenschen we u: dat ons leger zich even kranig houde als in 1914, wat ongetwijfeld het geval zal zijn als in zekere pers door ondeskundige redacteuren de tucht niet met quasi-humane opstellen wordt ondermijnd; dat ons legerbestuur in dezelfde krachtige handen mag blijven als te voren, in zijn zware taak niet belemmerd door het gepraat om de bittertafel; dat onze regeering zal kunnen voortgaan den toestand te beheerschen als tot nog toe, zonder haar drukkende zorgen te zien vermeerderd door partijwoelingen; dat onze Koningin de voortvarendheid, de wilskracht en de gezondheid moge behouden, waardoor zij het geheele volk in menschlievende daden ten vorstelijk voorbeeld heeft kunnen zijn, onvermoeid en onophoudelijk door haar daden leger en burgerij opwekkend tot de hoogste krachtsinspanning. Wanneer dit alles in vervulling gaat, lezer, wanneer het Nederlandsche volk één en onverdeeld blijft, dan zal het ook in 1915 goed gaan. En wanneer het u goed gaat, blijft er voor ons niets te wenschen over. Het Nieuwjaarfeest, oorsprong van het feestvieren op den. Nieuwjaarsdag moet bij de oude Germanen reeds worden gezocht, evenals die van het Kerstfeest. Nieuwjaar- en Kerstdag toch behooren volkomen bij elkaar, zij zijn eigenlijk beide gedeelten van éénzelfde feest: het oud-heidensche Joelfeest, het feest der nieuwe zon, zooals wij in ons artikel over het Kerstfeest reeds schreven. De Christelijke Kerk stelde in den aanvang den offrcieelen Nieuwjaarsdag op 25 December vast; dit geschiedde voornamelijk om aan het heidensche gebruik der dolle foto: Koning Noorwegen. DE DRIE KONINGEN TE MALMO. De Koningen op het balcon van het paleis te Malmö. Van links naar rechts op de Christiaan van Denemarken; Koning Gustaaf van Zweden; Koning Hakon van viering van den dag van 1 Januari een einde te maken. Het baatte echter weinig, want de menschen waren nu eenmaal gewend den Nieuwjaarsdag op 1 Januari te vieren en we weten allen hoe moeilijk een oude gewoonte wordt prijsgegeven. Dat is tegenwoordig zoo, en zal altijd wel zoo geweest zijn, want het menschelijk karakter met zijn deugden en gebreken is altijd het menschelijk karakter geweest en niet anders. Hierbij kwam nog, dat de vorsten der groote Europeesche staten zich evenmin naar het nieuwe voorschrift gedroegen, en kalmpjes voortgingen met hun nieuwjaarsfeest op.. . Paschen te vieren (volgens een derde opvatting begon het jaar met Paschen, moet ge weten). Indien wij schreven, dat zij kalmpjes voortgingen, dan is zulks meer bij wijze van spreken, of liever: bij wijze van schrijven. Want hm, ja, kalmpjes ging het er wel allerminst op die feesten toe. Zoomin bij de vorsten als bij de volksfeesten zelve. Reeds in zeer, zèèr oude heidensche tijden ging het er dol toe „van het oude in het nieuwe”; er werd gefuifd en gejuicht dat het een aard had; men gaf elkander geschenken en wenschte elkaar veel zegen en voorspoed; de heildronken waren ontelbaar aan de eveneens ontelbare feestmalen. Hierbij komt, dat een eigenaardigheid van het oudejaarsavond vieren, bij kinderen zoowel als bij groote menschen, was, dat een ieder zooveel mogelijk geraas maakte; een gebruik, dat nog voor zeer korten tijd bij het leger in verscheidene Europeesche staten in zwang was, bestond hierin dat de soldaten in den nacht van het oude en het nieuwe op alle trommels die zij vonden, zoo woest mogelijk roffelden, op alle trompetten en hoorns, die hen in handen kwamen, zoo fel als Roland toeterden, en het in de kazernes een helsch rumoer was, zoodat hooren en zien je verging. Het slot was dat het legerbestuur, deze voorbeeldelooze herrie zat, alle instrumenten, waarop de militairen geraas konden maken, liet wegstoppen. Een gebruik, dat nog in onze dagen zeer in zwang is, het schieten met pistolen, buksen, geweren en het afsteken van liefst fel klappend vuurwerk, is ook eeuwen- en eeuwenoud. De bedoeling, welke onze heidensche voorvaderen met dit rumoer hadden, was de booze geesten af te schrikken, opdat dezen, ze mochten gedurende het voorbije jaar wel eens niet aardig voor hen, aardsche stervelingen geweest zijn, althans in het nieuwe jaar hen een beetje pleizieriger behandelen zouden, door weg te blijven namelijk. De Germanen lieten het er echter niet bij, de booze geesten te bezweren; zij hadden ook een veelheid van gebruiken, die ten deel hadden in de toekomst te zien; want evenals de tegenwoordige menschen, wilden ook zij graag zoogenaamde zekerheid hebben. Immers wat geeft meer rust dan zekerheid? Wat maakt onrustiger dan wanneer je, zooals dat heet, „niet weet waaraan je je te houden hebt”? Dus zèkerheid was het parool. Sommigen zetten zich den ganschen dag lang op het dak van hun huis. Met een zwaard, waarop tooverrunen gegriffeld waren, in de hand, voelden zij zich in conditie om in de toekomst te zien, en hun adelaarsblikken doorkliefden de lucht naar alle windstreken. Ook de wind speelde een rol bij het ontcijferen van het gecompliceerde cijferschrift der toekomst. Kwam de wind gedurende den oude—nieuwejaarsnacht uit het Westen, dan kon men zeker zijn, dat er in de ophanden twaalf maanden vele helden en vorsten sneuvelen zouden; kwam hij uit het Oosten, het was al evenzeer onheil: veel vee zou dat jaar omkomen; blies hij uit het Zuiden, welaan vele mannen zouden gedurende dat jaar sneuvelen. Dat alles was onheil dus. Slechts één wind bracht heil. Dat was de machtige bries, die uit het heilige Noorden kwam aangieren; die bracht de zegeningen volop; die was goed en mild en vriendelijk voor een elk. Men had ook de gewoonte aan een kruispunt van wegen een stierenhuid op den grond uit te spreiden, en daarop te gaan zitten. Hiervan was de bedoeling, de elfen, (welke, naar men zei, dien nacht verhuisden), te zien voorbijtrekken, en hun te vragen de toekomst te voorspellen. Jan ter Gouw merkt bij deze plechtigheid niet onverdienstelijk op, dat de brave Germanen, wanneer zij op de stierenhuid plaats namen, gewoonlijk al aardig aangeschoten waren en al heel spoedig achterover rolden en in een stijven soes duikelden ; wat ze dan droomden, heette hun door de elfen voorspeld te zijn. (Maar, — voegt de volksmond hieraan toe, — maar als zij een elf hebben gezien, dan heb ik er ook een gezien). Nog bestond er een andere eigenaardige gewoonte: die van het koeken bakken. De heidensche vrienden lieten zich door een (natuurlijk niet minder heidensche) oude vrouw koeken bakken. Vielen de koeken dik uit, dan beteekende dat een goed jaar, waren ze echter dun, nu, dan kon je het ergste verwachten. Die gewoonte van het koeken bakken heeft standgehouden, en zèl zonder twijfel standhou den, zoolang de oude jaren door nieuwe vervangen zullen worden en de menschen beignets, appelbollen, oliekoeken enzoovoorts zullen lusten, liefst afgewisseld met warmen kruidenwijn, heete punch en wat er meer aan heillooze vergiften tot nut, of in elk geval tot genoegen van het algemeen bereid wordt, werd en worden zal tot in alle eeuwigheid. In de latere middeleeuwen ziet men groot en klein, arm en rijk, jong en oud, zich al niet minder dan de reeds eeuwenlang geleden gestorven heidenen inspannen om zich op deó merkwaardigen dag te vermaken. Men kwam in elkanders woningen bijeen, en fuifde heftig, men maakte geraas met allerlei gerei en later met schietwapenen, men joelde en jubelde en gaf elkaar geschenken. In sommige streken deelde men wijn en koeken aan zwervers en schooiers op de marktpleinen uit. Kinderen togen langs de huizen, natuurlijk langs die huizen waar wel eens wat kon overschieten en zongen liederen, waarbij het aloude spreekwoord: „Het is zaliger te geven dan te ontvangen” in schier alle toonaarden den meer gefortuneerden evennaasten werd toegezongen. Dit zingen en rondschooieren, dat uitreiken van lekkernijen aan straatslijpers, dat schieten en joelen, al dat geraas langs de straten, — het is alles herhaaldelijk door kerkelijke en gemeentelijke overheden verboden, en voor een deel ook in onbruik geraakt, maar een aantal der gebruiken zijn van de straat naar onze woningen verhuisd en daar zijn ze veilig, daar houden wij ze nog lekkertjes in eere. Het is me ook nogal niet genoeglijk, die ouwej aarsavond. Nou wij voor ons zouden 1915 niet au sérieux kunnen nemen, als we niet naar heidenschen, christelijken of vaderlandschen trant „het oude in het nieuwe” gevierd hadden. Ziezoo, en nu aan U allen een goed uiteinde. S.
PDF
Nummer
1915, nr.1, 1 jan. 1915
Blad
03
Tekst
DE STRIJD IN POLEN. Ook hier worden alle gebouwen en molens die tot dekking en verkenning kunnen dienen zooveel mogelijk opgeruimd. HET VERVOER VAN DE GEWONDEN NAAR RUSLAND. Voor het vervoer der gewonden in Polen worden natuurlijk ook alle beschikbare voertuigen opgeëischt. T GROOTVORST NICOLAAS, de opperbevelhebber van het Russische leger. OORLOGS-KRONIEK. 17 Dec. De bondgenooten maakten eenige kleine vorderingen, in *t bijzonder ten Noordwesten van Nieuwpoort. — Aan het Oostelijke front werden door de Russen eenige partieele successen behaald, terwijl zij op den linkeroever van den Weichsel eenigszins moesten terugtrekken. 18 Dec Op het Westelijke front valt over hel algemeen voor de Franschen eenige vooruitgang te bespeuren. — De Russen vervolgen de terugtrekkende Duitschers in de richting van Mlawa. — De Duitsche eerste klasse kruiser „Friedrich Karl" is in de Oostzee gezonken. Twee derden van de bemanning verdronk. 19 Dec. De bondgenooten maakten vorderingen bij Armentières, Verdun en ten Noord-Oosten van Nieuwpoort. — Aan het Oostelijke front is aan den linker oever van den Weichsel een haast volkomen stilte ingetreden. Aan het front Sanok-Lyska opereerden de Russen met succes en maakten zij 3.000 krijgsgevangenen en veroverden vele kanonnen en mitrailleurs. 20 DCC Het Fransche communiqué luidt : Van het front valt geen verandering te melden. — Ook aan het Oostelijke gevechtsterrein is de toestand ongewijzigd. — Het gevecht tusschen Russen en Turken ontwikkelt zich gunstig voor de Russen. 21 DCC De Bondgenooten maakten in België enkele vorderingen bij Lombaertzijde.St.-Joris en ten Zuiden van Bixschoote. — In het Oosten wijken de Duitschers terug naar het front Lautenburg-Niedenburg. — In Galicië is het Oostenrijksche offensief tot staan gebracht. 22 Dcc De Engelschen heroverden alle loopgraven, die zij eerst verloren hadden. Verwoede aanvallen van de Duitschers werden afgeslagen. — Van het Oostelijke front is geen belangrijk nieuws. EEN GEWONDE RUS wordt door een student, die bij het Roode-Kruis heeft dienst genomen, naar een auto gedragen. DE STRIJD IN SERVIE SERVISCHE OFFICIEREN BESTUDEEREN DE KAART. HET VERVOER VAN SERVISCHE GEWONDEN.
PDF
Nummer
1915, nr.1, 1 jan. 1915
Blad
04
Tekst
DE DUITSCHERS IN ’T OOSTEN EN WESTEN OP PATROUILLE IN DE BELGISCHE DUINEN. Nauwkeurig wordt door de Duitsche troepen in de Belgische duinen gepatrouilleerd, in hoofdzaak met het oog op de spionnen. Het kanon midden op onze foto, geeft ons een klein idee ervan, hoe de Duitschers versterkingen hebben aangelegd. HET OPRUI M I NGSWERK TE ANTWERPEN. Duitsche „Arbeitstruppen” zijn bezig de overblijfselen op te ruimen van de bij het bombardement verwoeste huizen. HET IJZEREN KRUIS VERDIEND. Frau Dr. Reiner uit Tapiau heeft om hare groote verdiensten als chauffeur het Ijzeren Kruis gekregen. HET HERSTEL DER SPOORWEGEN. Een der vernielde spoorbruggen tusschen Antwerpen en Brussel is door de Duitschers hersteld en weer in gebruik genomen. IN H ET ARGON N ERWOUD. Iedere schrede voorwaarts in het struikgewas brengt nieuwe moeilijkheden en kan velen mannen het leven kosten.. MUZIEK IN DE BEZETTE STEDEN. Hoe treurig de stemming ook zijn moge, de muziekuitvoeringen worden door een tamelijk talrijk publiek bijgewoond, natuurlijk voor het grootste gedeelte uit werkeloozen bestaande.
PDF
Nummer
1915, nr.1, 1 jan. 1915
Blad
05
Tekst
UIT HET KAMP DER GEALLIEERDEN BELGISCHE VLAGGENDAG TE PARIJS. Evenals te Londen is er te Parijs een Belgische vlaggendag gehouden. Op onze foto wordt een Fransch cavalerist met een Belgisch vlaggetje getooid. ‘T ZWARE JAPANSCHE B E L E G E R I N G S G E SC H U T. Volgens een gerucht, dat intusschen weer is tegengesproken, zou Rusland een gedeelte van ’t zware Japansche belegeringsgeschut, waarvan wij hier een kanon afbeelden, willen overnemen. DE NIEUWE COMMANDANTEN VAN TSING-TAU. Links: Luit.-Generaal Kamio, de Japansche commandant van Tsing-tau, rechts: Majoor Barnardiston, de Engelsche commandant. DE ONDERGANG VAN DE ,,EMDEN” De eerste foto’s van den ondergang van de „Emden” zijn in Europa aangekomen. Onze foto geeft de hevig beschoten „Emden”. Op den voorgrond een sloep met gewonde Duitschers, die aan boord van de „Sydney” worden gebracht. HULP VOOR HET ARME BELGENLAND. Het Amerikaansche schip „Maskinonce”, varende onder neutrale vlag, is met een lading eetwaren, ter waarde van 300.000 dollar, onderweg voor het geteisterde België. De beschadigde gashouder te Hartlepool. HET BOMBARDEMENT VAN DE ENGELSCHE KUST. De gebombardeerde abdij te Whitby. De verwoesting in het salon van het Grand Hotel te Scarborough.
PDF
Nummer
1915, nr.1, 1 jan. 1915
Blad
06
Tekst
f'A\lN r\ AAI v I I I x v-z i x /—« « ’ i • * at was op dan avond van 31 December 1888 das nachts ta twaalf uur, de klokken van St.-Paul luidden het nieuwe jaar vroolijk in, dat drie jonge mannen bijeenstonden om den hoek van Cheapside in de schaduw van het Hoofdpostkantoor. „Nou jongens,” zei er een op zijn horloge kijkende, „het is twaalf uur, mijn beste wenschen in het nieuwe jaar!” Hartelijke handdrukken werden gewisseld. „De eerste Januari van 1889,” ging de jonge man, wiens naam Charles Daventry was, voort. „Ik vraag mij af waar zullen wij het volgend jaar op dezen tijd zijn ?” „Wat ben jij aan het zwammen,” merkte de grootste der drie jongelingen op, een zorgelooze, vroolijke snuiter, Bertram Wold genaamd. „Zoo kun je wel doorgaan tot in het oneindige. En waar is het goed voor, om nu al over volgende jaren te gaan mijmeren !” „Dat is te zeggen, ik zou toch wel eens willen weten wat er over vijf en twintig jaar van ons geworden is,” hernam Daventry. „Laat eens zien, dan zijn we ongeveer vijf en veertig. Ik veronderstel dat jij dan wel op de bovenste sport van de maatschappelijke ladder zult staan, Bert. Jij bent net zoo’n kerel ervoor om flink vooruit te komen in de wereld. Jij hebt de hersens en de handigheid ervoor.” „Ik zal het probeeren,” meesmuilde Wold. „Wat ons betreft, Harry,” ging Daventry voort, „ik geloof niet dat wij fortuin zullen maken.” „Misschien zijn we wel dood, of in de gevangenis of de hemel mag weten waar,” merkte Harry Stephens op. „Ik heb het land aan die speoulaties op de toekomst. Het tegenwoordige is al beroerd genoeg.” „Het zou tooh grappig zijn,” mijmerde Daventry meer tot zich zelven. „Kerels,” ging hij luider voort, „ik heb jullie een voorstel te doen, luister. Ik stel voor dat we ons verbinden om hier op dezelfde plaats bij het Postkantoor over vijf en twintig jaren weer bijeen te komen. Goed begrepen : op den 31sten Deoember 1913 even voor middernacht komen we hier weer samen. Wat zeg je hiervan ?” „Ik stem toe,” zei Wold onmiddellijk. „Als ik nog in leven ben, anders zal het moeilijk gaan, kom ik hier om jullie te ontmoeten. Wie weet, misschien loop ik dan wel in lompen te bedelen om een cent, terwijl jullie in je auto komt aanrijden.” „Da’s afgesproken,” besloot Daventry. „En jij, Harry, kom jij ook ?” „J-a, misschien kom ik wel,” antwoordde de ander gemelijk, „ten minste, als ik het niet vergeten ben.” „Welnu, op mij kun je beiden rekenen,” zei Daventry. „Ik zal beslist niet ontbreken.” „Ik evenmin,” betuigde Wold op even stelligen toon. „Nou, je kunt mij ook krijgen,” zei ten slotte Stephens, ziende dat de anderen de zaak ernstig opnamen. Drie jaar later liepen de levenspaden der vrienden uiteen. De eerste die zich afzonderde was Charles Daventry, die ondanks den spot zijner vrienden ging trouwen en overeenkomstig zijn klein inkomen een klein huisje ging bewonen. Een jaar later zeide Harry Stephens de kantoorkruk vaarwel. Natuur had hem begiftigd met een fraaie stem en dit vereenigd met een muzikaal gevoel en een goede leiding deed hem weldra naam maken als een nieuwe ster aan den operahemel. De grootste verandering onderging evenwel Bertram Wold, de knapste en meest belovende van de drie jongelui. Op een avond dat hij met radeloozen blik op zijn kasboeken staarde, werd er een hand op zijn schouder gelegd. Hij keek op en schrikte. Het was zijn patroon. „Kom in mijn kantoor, Wold 1” zei zijn patroon kalm. De jongeman volgde hem in zijn prive-vertrek, terwijl zijn gelaat beurtelings rood en bleek werd. „Ik weet alles!” zei de principaal droogweg. De lippen van den jongeman bewogen zich, doch geen geluid kwam over zijn lippen. „Ik moest je eigenlijk aan het gereoht overgeven,” zei het hoofd der firma. „Ik zal dat echter niet doen, omdat ik mijn concurrent niet wil doen weten wat een gek ik ben. Je moet verdwijnen, begrijp je? Je verlaat het land, gaat naar Amerika, dat is een goed land voor lieden van jouw soort, en laat me je gezicht nimmer meer zien.” En zoo verliet da jongeman het kantoor eerloos, zonder geld, zonder hoop. Hij zocht zijn beide vrienden op. Stephens had geen geld om hem uit het land te helpen, maar hij gaf hem een champagnefuif. Daventry had weinig om te sparen, toch had hij dat weinige gespaard. Wold bracht een avond in zijn kleine woning door. Geen woord werd er gewisseld over de oorzaak van het ontslag, alleen goede hoop uitgesproken voor de toekomst. Hat was zijn laatste nacht in zijn vaderland. Daventry bracht hem naar het station. „De kop er boven gehouden, ouwe jongen,” zei hij, terwijl zij elkander de hand tot afscheid schudden. „Ga niet onder 1” „Ik ben al onder,” antwoordde Wold mistroostig. „Dan zwem je weer naar boven,” zei Daventry opgewekt. „Apropos, denk om onze afspraak.” „Welke afspraak ?” „Wel, de eerste Januari 1914. Ik zal present zijn.” „Och, loop naar de maan,” hernam Wold onwillig, „laat ons hopen dat we dan allen dood Zijn.” * * ♦ Vijf en twintig jaren zijn voorbijgegaan sedert drie onbekende jongelieden bijeenstonden in de schaduw van het Hoofdpostkantoor en te zamen de belofte aflogden na dit tijdsverloop weder bijeen te komen en elkanders wedervaren te hooren. AAN DEN DOOD ONTSNAPT. Commander Sheddon en mechanicien^Startley, van een Engelschen militairen tweedekker die in volle zee neerkwam en daar 8 uur ronddreef zonder opgemerkt te worden. Het was de een en dertigste December van 1913 een uur voor middernacht. In de Lombardstraat in de kantoren der Engelschs Bank voor Zuid-Afrika zaten ruim tweehonderd klerken te werken, voor het meerendeel in stilzwijgende ontevredenheid. De balansen moesten worden afgemaakt vóór het nieuwe jaar zijn intrede deed en daarom was er geen tijd voor sentimenteele beschouwingen en geen lust tot vroolijke gesprekken. In de directiekamer zat een man wiens geest de geheele machine leidde. Het was een man van ijzer, Denton Bray. Al zijn gedachten bepaalden zich bij de problemen van dit oogenblik. Na een reeks van gewaagde speculaties was hij beroemd geworden als een der eerste financiers van dezen tijd. Hij was fabelachtig rijk en hij bewaakte zijn schatten met slapelooze oogen en onvermoeide hersenen. Zijn gladgeschoren hardvochtig gelaat boezemde meer vrees dan sympathie in. De heldere, koude oogen, de wijde harde mond met de scherpe lijnen, alles sprak van een onverzettelijk karakter, een onbuigzamen wil. Hij was een finanoieele macht in het land. Zijn weergalooze stoutmoedigheid, zijn koel en soherpzinnig oordeel en snel besluit stelden hem in staat veilig te zeilen rondom de klippen van finanoieele tegenspoeden. Hij werd dan ook beschouwd als een autoriteit op het gebied der koloniale geldmiddelen. Het was bekend dat als de kanselier der schatkist, nieuwe geldmiddelen behoefde, hij het advies inwon van Denton Bray. Op dezen oudejaarsavond zat hij in zijn privé-kantoor waar nimmer een vreemde werd toegelaten. Hij ging geheel op in diepzinnige becijferingen, en had oor noch oog voor de kleine luxe-pendule, die plechtig bij iederen tik hem wilde zeggen dat het oude jaar ten einde spoedde. En de pendule tikte voort, regelmatig, onophoudelijk, terwijl de gevreesde man met een blik van voldoening de lange kolommen cijfers nazag. Eindelijk was hij klaar met zijn werk en met een snelle besliste beweging, zoo karakteristiek aan dezen man, sloot hij zijn bureau, deed rijn pelsjas aan, gaf eenige korte bevelen aan den chef de bureau en verliet het gebouw. Het was een heldere nacht en de straten waren gevuld met feestgangers. Denton Bray had geen oog voor deze vroolijke menschen en dacht geen oogenblik aan den eigenaardigen ernst van dezen avond. Voor hem beteekende Nieuwjaarsdag een dag van balanslijsten en dividenden, en voorts van vermeerdering van zijn enorm vermogen. Hij was nog een veerkrachtige persoonlijkheid en stapte door de straten met een flinken tred, dien menigen jongen man zou hebben beschaamd. Hij liep straat in straat uit, de vroolijke groepjes oudejaarsavondgangers zorgvuldig vermijdende, tot hij, langs het gebouw der Hoofdpost willende gaan, werd staande gehouden door een bedelaar, die, uit den donkeren hoek te voorschijn komende, hem met de dikke tong van een dronkaard vroeg: „Hoe laat is ’t, heerschap !” Denton Bray stond stil en keek den man aan. Hij was in lompen gehuld, blootsvoets, terwijl zijn waggelende gang, zijn dubbelslaande tong, zijn schorre stem en waterige oogen evenzoovele symptomen waren voor den onverbeterlijken dronkaard. „Vlak boven je hoofd is een klok,” zei Denton Bray, kortaf. De straat was hier nu volkomen verlaten, slechts in de verte hoorde men gezang en beweging. „Geef me dan een kleinigheid om op Nieuwjaar te drinken,” zei de man naar hem toezwaaiende. Denton Bray kende eohter geen zaohtere gevoelens, onverschillig of het Nieuwjaar of een andere dag was. Hij had bovendien een afkeer van dronkaards en niet minder van bedelaars. „Ik heb meer sympathie voor een op heeterdaad betrapten zakkenroller dan voor een bedelaar,” was zijn geliefkoosd gezegde. „Er is wel hoop voor een dief maar niet voor een bedelaar.” En daarom lachte hij half verachtelijk om den stakkerd voor hem. „Ik geef nimmer aan menschen die drinken en aan menschen die bedelen. Ga dus op zij, vriend!” Er was geen reden voor alarm en al was die er geweest, Bray zou hetzelfde geantwoord hebben, want hij was geen lafaard. Hij kon trouwens het verzwakte, uitgehongerde schepsel gemakkelijk neerslaan met één beweging van zijn krachtigen arm. „Heb je niet een enkel dubbeltje voor mij,” zeurde de dronkaard, terwijl hij tegen hem aanleunde. „Uit den weg!” bulderde Bray en den man bij den schouder nemende, slingerde hij hem met kracht van zich af. Voor een oogenblik stond de man daar waggelend tegen den muur geleund, allerlei onsamenhangende verwenschingen uitende. Bray was intussohen voortgeloopen. Plotseling, in een opwelling van dronkemanswoede en dronkemansmoed, haalde de bedelaar een mes te voorschijn, liep Bray achterna en stootte hem met een schorren kreet van razernij het mes diep in den schouder. Bray keerde zich om met opgeheven arm, doch hij wankelde, liet den arm zinken en viel zonder een woord te uiten achterover op de straat neer. De bedelaar boog zich over hem heen en staarde hem aan met verwilderden, wezenloozen blik. Hij scheen nauwelijks te weten wat hij had gedaan; ten minste hij maakte niet de minste aanstalten om te ontvluchten, doch zijn lippen bewogen zich zenuwachtig op en neer. Een lichte tred klonk op het trottoir, de bedelaar bewoog zich echter niet. Hij stond daar steeds voorovergebogen, mompelende en met starren blik starende in het harde, nu onbeweeglijke gelaat van zijn slachtoffer. Het was de stap van een liefdezuster, een jong meisje nog, met frisoh gezichtje en zachte ernstige oogen. Een trek vol ontsteltenis kwam op haar gelaat, toen zij de beide mannen zag, den een bewegingloos liggende op C. G. VAN BAARLE, f gepensionneerd Resident van Kediri, overleed een dezer dagen te ’s-Gravenhage. De overledene was commandeur in de orde van den Witten Olifant P. C. H. BRIET.t Landmeter bij het kadaster en lid van den Gemeenteraad van Amersfoort, is daar in den ouderdom van 65 jaar overleden. D. H. JAS.f Den löden Dec. is te Dubbeldam overleden de oud Burgem. Met den overledene is een persoonlijkheid heengegaan, die nog lang in goede herinnering zal voortleven. Dr. H. P. BERLAGE, de bekende architect die in de Boerhave-kliniek deze week geopereerd werd. Commandant W. RIDSDEL, hoogst commandeerende van het Leger des Heils in Nederland, is na ruim 71/2 jaar hier geweest te zijn, doorhet hoofdkwartier weder naar Engeland teruggeroepen. Dr. J. H. COSTERMANN BOODT te Goorle herdacht den 14en December zijn 25-jarig jubileum als dokter. Mr. H. ZILLESEN. Woensdag 16 Dec. was het 25 jaar geleden, dat de heer Mr. H. Zillesen tot griffier der Eerste Kamer werd benoemd. NIEUWJAARSDAG
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1266 tot 1270 van 11897