|
PANORAMA
Een gelukkig Nieuwjaar!
iriendelijke lezer — de redactie van Panorama
wenscht U een gelukkig Nieuwjaar! Een
vroolijk, een opgewekt Nieuwjaar zelfs!
Lijkt het U lichtzinnig, zulk een wensch
te doen in deze tot ernst stemmende tijden?
Laten we u dan eerst eens verzekeren dat
niemand dagelijks meer aan dien ernst herinnerd wordt
dan wij. Kent u ons geheim archief? Neen, nietwaar;
het zou anders niet geheim meer zijn. Hebt u onze streng
bewaakte gruwelkamer wel eens gezien? Evenmin, zouden
we denken, want met zeven grendels is ’t gesloten. Welnu,
indien ge in de verschrikkingen daarvan waart doorgedrongen,
zoudt ge begrijpen waarom we zeggen mogen
dat niemand zoo goed als wij inziet in welke barre
tijden we leven.
Luister. Ieder uur, ieder oogenblik tikken ons langs
onzen specialen telegraafkabel de meest haar-te-bergenrijzende
tijdingen in de ooren; ieder uur, ieder oogenblik
snellen onze bizondere fotografen met de paniek-achtigste
afbeeldingen ons kantoor binnen. „De laatste Rus ligt
gesneuveld ter aarde — het kanaal van Suez is gedempt —
Portugal heeft twintig legercorpsen in Silezië ontscheept —
de Zwitsersche marine marcheert op Przemysl aan — de
Engelsche oorlogscorrespondenten spreken de waarheid —
door de inundaties in West-België is Berlijn van drinkwater
verstoken — de weg naar Tipperary is kort geworden”
— en zoo verder. Wij echter, van
onze beteekenis bewust, verliezen onze
koelbloedigheid niet, weten die berichten te
zeeven, die foto’s te schiften, denken er
voor alles aan de zenuwen der Panoramalezers
te ontzien. Het al te ijselijke, het
veel te onrustbarende gaat in het geheim
archief, in het verzegeld museum. Alleen
redactie-gemoederen zijn tegen zulke schokken
bestand.
Wij weten veel meer dan wij zeggen
willen, lezer. Wij sparen u ’t ergste. Wij
lijden voor u.
Neen: hoe moeilijk de tijden zijn — ’t is
ons maar al te goed bekend. Of is ’t bijvoorbeeld
niet reuzen-moeilijk (om een woordvondst,
een literaire overwinning van ’t ook
in dit opzicht gedenkwaardig jaar’1914 te
gebruiken) u tweemaal per week voor een
minimum prijs een maximum in koperdiepdruk
uitgevoerde actualiteiten voor te
leggen?
Dus: niet uit luchthartigheid wenschen
we u een prettig, genoeglijk jaar 1915 toe.
We doen dit, integendeel, omdat we overtuigd
zijn dat jaar met ons allen veel
gemakkelijker door te zullen komen, wanneer
we ons voornemen het blijmoedig, vol
hoop en durf in te gaan. We moeten onze
stemming maar eens met een stevigen ruk
wat hooger opschroeven. Laten we elkaar
dus op den laatsten avond en op den nieuwen morgen
niet al te somber aankijken, en onze handdruk zij er
dan een van mannelijk vertrouwen in de toekomst. Waarlijk,
wanneer we elkaar allen een blijden Nieuwjaarswensch
brengen, met montere stem en vroolijken oogopslag,
een wensch, waarin iets klinkt van: „Kom, we
zullen ons er samen wel doorslaan 1” — gelooft ge dan
niet dat het iets helpen zal? dat wij elkaar een eindje
verder gebracht hebben? dat ook het onplezierige er wat
plezieriger zal uitzien? Laten we ’t althans eens probeeren.
Maar dan ook eensgezindheid in alles wat ’t belang
van ons land, en dus van elk onzer betreft. Dan ook
dezelfde eendracht, hetzelfde gevoel van saamhoorigheid,
dezelfde onthouding van partijschap, clubgeest en eigenwijsheid
die ons in de eerste maanden zoo goed stonden —
en zulke nuttige gevolgen hadden.
Want in dit opzicht vertoonen zich bedenkelijke teekenen.
Koffiehuistafeitjes, societeitsfauteuils en redactiestoelen
beginnen alweer de broedplaatsen van de ik-weet-’t-veelbeter-bacil
te worden. De eerste schrik is geluwd. Er
wordt weer gecritiseerd. Men vindt hier en daar de spraak
terug om te beweren dat de hoogere officieren heelemaal
niet naar hun gezin en hun eigen bed terugverlangen,
integendeel zwelgen in een machtsroes nu ze zulk een
ongewoon groot commando voeren; om ons wijs te maken
dat het legerbestuur — oudere, bekwame, bezadigde
mannen — uit puur pleizier dag en nacht harder werkt
dan de betweter z’n heele leven deed; om het te doen
voorkomen als ontwikkelde onze regeering haar ontzagwekkende
arbeidskracht, als belaadde zij zich met de
zwaarste zorgen uit louter bravour.
Wanneer deze politieke en militaire beunhazen zwijgen
willen, verzekeren we u, lezer, een blijmoedig nieuw jaar.
En dan wenschen we u:
dat ons leger zich even kranig houde als in 1914, wat
ongetwijfeld het geval zal zijn als in zekere pers door
ondeskundige redacteuren de tucht niet met quasi-humane
opstellen wordt ondermijnd;
dat ons legerbestuur in dezelfde krachtige handen mag
blijven als te voren, in zijn zware taak niet belemmerd
door het gepraat om de bittertafel;
dat onze regeering zal kunnen voortgaan den toestand
te beheerschen als tot nog toe, zonder haar drukkende
zorgen te zien vermeerderd door partijwoelingen;
dat onze Koningin de voortvarendheid, de wilskracht
en de gezondheid moge behouden, waardoor zij het geheele
volk in menschlievende daden ten vorstelijk voorbeeld
heeft kunnen zijn, onvermoeid en onophoudelijk door
haar daden leger en burgerij opwekkend tot de hoogste
krachtsinspanning.
Wanneer dit alles in vervulling gaat, lezer, wanneer
het Nederlandsche volk één en onverdeeld blijft, dan zal
het ook in 1915 goed gaan.
En wanneer het u goed gaat, blijft er voor ons niets
te wenschen over.
Het Nieuwjaarfeest,
oorsprong van het feestvieren op den.
Nieuwjaarsdag moet bij de oude Germanen
reeds worden gezocht, evenals die van het
Kerstfeest. Nieuwjaar- en Kerstdag toch
behooren volkomen bij elkaar, zij zijn eigenlijk
beide gedeelten van éénzelfde feest:
het oud-heidensche Joelfeest, het feest der nieuwe zon,
zooals wij in ons artikel over het Kerstfeest reeds
schreven.
De Christelijke Kerk stelde in den aanvang den offrcieelen
Nieuwjaarsdag op 25 December vast; dit geschiedde
voornamelijk om aan het heidensche gebruik der dolle
foto: Koning
Noorwegen.
DE DRIE KONINGEN TE MALMO.
De Koningen op het balcon van het paleis te Malmö. Van links naar rechts op de
Christiaan van Denemarken; Koning Gustaaf van Zweden; Koning Hakon van
viering van den dag van 1 Januari een einde te maken.
Het baatte echter weinig, want de menschen waren nu
eenmaal gewend den Nieuwjaarsdag op 1 Januari te
vieren en we weten allen hoe moeilijk een oude gewoonte
wordt prijsgegeven.
Dat is tegenwoordig zoo, en zal altijd wel zoo geweest
zijn, want het menschelijk karakter met zijn deugden en
gebreken is altijd het menschelijk karakter geweest en
niet anders.
Hierbij kwam nog, dat de vorsten der groote Europeesche
staten zich evenmin naar het nieuwe voorschrift
gedroegen, en kalmpjes voortgingen met hun nieuwjaarsfeest
op.. . Paschen te vieren (volgens een derde opvatting
begon het jaar met Paschen, moet ge weten).
Indien wij schreven, dat zij kalmpjes voortgingen, dan
is zulks meer bij wijze van spreken, of liever: bij wijze
van schrijven.
Want hm, ja, kalmpjes ging het er wel allerminst op
die feesten toe.
Zoomin bij de vorsten als bij de volksfeesten zelve.
Reeds in zeer, zèèr oude heidensche tijden ging het er
dol toe „van het oude in het nieuwe”; er werd gefuifd
en gejuicht dat het een aard had; men gaf elkander
geschenken en wenschte elkaar veel zegen en voorspoed;
de heildronken waren ontelbaar aan de eveneens ontelbare
feestmalen.
Hierbij komt, dat een eigenaardigheid van het oudejaarsavond
vieren, bij kinderen zoowel als bij groote
menschen, was, dat een ieder zooveel mogelijk geraas
maakte; een gebruik, dat nog voor zeer korten tijd
bij het leger in verscheidene Europeesche staten in
zwang was, bestond hierin dat de soldaten in den nacht
van het oude en het nieuwe op alle trommels die zij
vonden, zoo woest mogelijk roffelden, op alle trompetten
en hoorns, die hen in handen kwamen, zoo fel als Roland
toeterden, en het in de kazernes een helsch rumoer was,
zoodat hooren en zien je verging.
Het slot was dat het legerbestuur, deze voorbeeldelooze
herrie zat, alle instrumenten, waarop de militairen geraas
konden maken, liet wegstoppen.
Een gebruik, dat nog in onze dagen zeer in zwang is,
het schieten met pistolen, buksen, geweren en het afsteken
van liefst fel klappend vuurwerk, is ook eeuwen- en
eeuwenoud. De bedoeling, welke onze heidensche voorvaderen
met dit rumoer hadden, was de booze geesten
af te schrikken, opdat dezen, ze mochten gedurende het
voorbije jaar wel eens niet aardig voor hen, aardsche
stervelingen geweest zijn, althans in het nieuwe jaar hen
een beetje pleizieriger behandelen zouden, door weg te
blijven namelijk.
De Germanen lieten het er echter niet bij, de booze
geesten te bezweren; zij hadden ook een veelheid van
gebruiken, die ten deel hadden in de toekomst te zien;
want evenals de tegenwoordige menschen, wilden ook zij
graag zoogenaamde zekerheid hebben.
Immers wat geeft meer rust dan zekerheid?
Wat maakt onrustiger dan wanneer je, zooals dat
heet, „niet weet waaraan je je te houden hebt”?
Dus zèkerheid was het parool.
Sommigen zetten zich den ganschen dag lang op het
dak van hun huis. Met een zwaard, waarop tooverrunen
gegriffeld waren, in de hand, voelden zij zich in conditie
om in de toekomst te zien, en hun adelaarsblikken doorkliefden
de lucht naar alle windstreken.
Ook de wind speelde een rol bij het ontcijferen van
het gecompliceerde cijferschrift der toekomst.
Kwam de wind gedurende den oude—nieuwejaarsnacht
uit het Westen, dan kon men zeker zijn, dat er in de
ophanden twaalf maanden vele helden en vorsten sneuvelen
zouden; kwam hij uit het Oosten, het was al
evenzeer onheil: veel vee zou dat jaar omkomen; blies
hij uit het Zuiden, welaan vele mannen zouden gedurende
dat jaar sneuvelen.
Dat alles was onheil dus.
Slechts één wind bracht heil.
Dat was de machtige bries, die uit het heilige Noorden
kwam aangieren; die bracht de zegeningen
volop; die was goed en mild en vriendelijk
voor een elk.
Men had ook de gewoonte aan een
kruispunt van wegen een stierenhuid op
den grond uit te spreiden, en daarop te
gaan zitten.
Hiervan was de bedoeling, de elfen,
(welke, naar men zei, dien nacht verhuisden),
te zien voorbijtrekken, en hun
te vragen de toekomst te voorspellen.
Jan ter Gouw merkt bij deze plechtigheid
niet onverdienstelijk op, dat de brave
Germanen, wanneer zij op de stierenhuid
plaats namen, gewoonlijk al aardig aangeschoten
waren en al heel spoedig achterover
rolden en in een stijven soes duikelden
; wat ze dan droomden, heette hun
door de elfen voorspeld te zijn.
(Maar, — voegt de volksmond hieraan
toe, — maar als zij een elf hebben gezien,
dan heb ik er ook een gezien).
Nog bestond er een andere eigenaardige
gewoonte: die van het koeken bakken.
De heidensche vrienden lieten zich door
een (natuurlijk niet minder heidensche)
oude vrouw koeken bakken. Vielen de
koeken dik uit, dan beteekende dat een
goed jaar, waren ze echter dun, nu, dan
kon je het ergste verwachten.
Die gewoonte van het koeken bakken
heeft standgehouden, en zèl zonder twijfel standhou
den, zoolang de oude jaren door nieuwe vervangen zullen
worden en de menschen beignets, appelbollen, oliekoeken
enzoovoorts zullen lusten, liefst afgewisseld met warmen
kruidenwijn, heete punch en wat er meer aan heillooze
vergiften tot nut, of in elk geval tot genoegen van het
algemeen bereid wordt, werd en worden zal tot in alle
eeuwigheid.
In de latere middeleeuwen ziet men groot en klein,
arm en rijk, jong en oud, zich al niet minder dan de
reeds eeuwenlang geleden gestorven heidenen inspannen
om zich op deó merkwaardigen dag te vermaken.
Men kwam in elkanders woningen bijeen, en fuifde
heftig, men maakte geraas met allerlei gerei en later met
schietwapenen, men joelde en jubelde en gaf elkaar
geschenken.
In sommige streken deelde men wijn en koeken aan
zwervers en schooiers op de marktpleinen uit.
Kinderen togen langs de huizen, natuurlijk langs
die huizen waar wel eens wat kon overschieten en
zongen liederen, waarbij het aloude spreekwoord: „Het
is zaliger te geven dan te ontvangen” in schier alle
toonaarden den meer gefortuneerden evennaasten werd
toegezongen.
Dit zingen en rondschooieren, dat uitreiken van lekkernijen
aan straatslijpers, dat schieten en joelen, al dat
geraas langs de straten, — het is alles herhaaldelijk door
kerkelijke en gemeentelijke overheden verboden, en voor
een deel ook in onbruik geraakt, maar een aantal der
gebruiken zijn van de straat naar onze woningen verhuisd
en daar zijn ze veilig, daar houden wij ze nog lekkertjes
in eere.
Het is me ook nogal niet genoeglijk, die ouwej
aarsavond.
Nou wij voor ons zouden 1915 niet au sérieux kunnen
nemen, als we niet naar heidenschen, christelijken
of vaderlandschen trant „het oude in het nieuwe” gevierd
hadden.
Ziezoo, en nu aan U allen een goed uiteinde.
S.
|